Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N° 5784.

S. F. Riepma , eigenaar, te Uithuizen , eischer, procureur Mr. M.

Rdtgers van dbr Loeff ,

tegen

K. B. Veenhuis, gedagvaard als molenaarsknecht, zich qnalificerende

molenaar, wonende te Uithuizen, procureur Mr. H. Fkima.

De Regtbank enz.,

Gehoord de conclusiën , voor partijen genomen;

Gezien de stukken en gehoord de pleidooijen;

Wat de daadzaken aangaat:

Overwegende, dat de eischer den ged., bij geregistreerd exploit van dagvaarding dd. 28 April 1873, heeft gedagvaard ter teregtzitting van 8 Mei daaraanvolgende , ten einde zich te hooren veroordeelen om, binnen een door de Regtbank te bepalen korten termijn, na beteekening van het te wijzen vonnis , de bij dagvaarding omschreven woning en grond te ontruimen en verlaten met al het zijne en de zijnen, en alles wat en allen, die van zijnentwege zich daarin of daarop

mogten oevinaen, en aie woning en grona ter vrije DeseniK.King van eischer te stellen of over te laten, zulks met magtiging op den eischer om, voor het geval de ged. in gebreke mogt blijven binnen den bej, alden termijn aan dat bevel te voldoen in allen deele, om alsdan den ged. met het zijne en de zijnen en alles dat en allen, die zich van zijnentwege daarin of daarop mogten bevinden, via facti daartoe te noodzaken door eenen deurwaarder, bijgestaan door twee getuigen, bij het te vellen vonnis door de Regtbank te benoemen, te doen delogeren uit en van de gelibelleerde woning en grond; en zich bovendien te hooren veroordeelen tot vergoeding van kosten, schaden en interessen , door den eischer geleden en voortdurend te lijden door gedaagde's onregtmatige bewoning en gebruik, die kosten, schaden en inteiessen nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alies met veroordeeling van den ged. in de kosten der procedure;

dat, blijkens gemelde dagvaarding, deze vordering steunt op de volgende gronden :

dat de ged. als molenaarsknecht in dienst van eischer is geweest en als zoodanig voor loon mede genoot vrije woning in de woning, den eischer toebehoorende, staande en gelegen te Uithuizen , geteekend met het plaatselijk n°. lc>6, alsmede het gebruik en genot van den daarbij behoorenden grond, zijnde gemelde behuizing en grond kadastraal bekend gemeente Uithuizen, sectie E, n<>. 953 en 955 , en te zamen groot 11 aren, 65 centiaren; dat de bovenbedoel Je huur van diensten door den eischer aan den ged. is opgezegd bij geregistreerd exploit van den 20 Sapt. 1872 , met aanzegging om voormeld huis en grond te ontruimen en te verlaten met al het zijne en de zijnen binnen vier weken na dato van dit exploit;

dat ged. bedoelde woning is blijven bewonen en bedoelden grond is blijven gebruiken, waartoe hij geen regt heeft, zijnde hij verpligt woning en grond te ontruimen en te verlaten en ter vrije beschikking van den eischer te stellen; en dat de eischer door gedaagde's onregt matig gebruik van die woning en grond, ondanks sommatie, schade heeft geleden en bij voortduring lijdt, en ged. verpligt is die aan eischer te vergoeden;

dat ten dienenden dage door ged. procureur is gesteld, en door den eischer vervolgens is geconcludeerd overeenkomstig de dagvaarding ;

dat ged. hierop heeft geantwoord met eene exceptie van onbevoegdheid op grond van het onderwerp van het geschil, welke exceptie, na door den eischer en geëxcipieerde bij incidentele conclusie te zijn bestreden en door partijen te zijn bepleit, door deze Regtbank bij interlocutoir vonnis van 23 Oct. 1873 is verworpen , met last aan den ged. en excipiënt om ten principale voort te procederen , en zijne veroordeeling in de kosten van het incident;

dat ged. hierop ten principale voor antwoord heelt geconcludeerd: dat de eischer zal wórden verklaard niet-ontvankelijk in zijnen eiseh, immers en in ieder geval hem die zal worden ontzegd en hij zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, en wel op grond: dat ged. ontkent bij den eischer in dienst te zijn geweest eu als zoodanig de bij dagvaarding omschreven vaste goederen van den eischer in gebruik te hebben gehad; dat integendeel hij, ged., voor den tijd van negen jaren , ingegaan deu 1 Mei 1868, van den eischer heeft gehuurd het huis met erf en tuin en twee akkers aardappelland benevens den molen om daarop ais zelfstandig molenaar werkzaam te zijn, alles op tusschen partijen overeengekomen voorwaarden;

dat de eischer deze overeenkomst tusschen tij ds willekeurig heeft verbroken , door den molen te sluiten en den ged. zoo in de uitoefening van zijn bedrijf weder reg tel ijk te belemmeren, terwijl hij ook in andere opzigten zijne verpligtingen als verhuurder niet is nagekomen; dat dus de eischer in deze geene reden van beklag heeft, maar de ged. is grootendeeis de verongelijkte persoon, waarover hij zich voorbehoudt te gelegener tijd zijne regten te doen gelden;

dat een verhoor op vraagpunten van den ged.. blijkens extract uit de minuten, ter griffie dezer Regtbank berustende, den 4 April jl. heeft plaats gehad voor den president van dit Collegie als regtercommissaris, bij evengenoemd vonnis daartoe aangewezen;

dat hierop door den eischer voor repliek is geconcludeerd: dat hij zijne conclusie van eisch inhaereert, zich subsidiair bereid verklarende orn met plegtigen eede te bezweren, dat geen huur van goederen tusschen hem en ged. heeft bestaan , maar een dienstcontract, en dat over huur van goederen zelfs geen woord gesproken is, alles in zulke termen als de regier noociig mogt oordeelen ; en dit, op grond, dat ged., ter bestrijding van den eisch en om zijn regt op de bewoonde en gebruikte goederen te staven, zich, met ontkentenis van zijn dienstcontract, heelt beroepen op het feit, dat hij vóór negen jaren, ingegaan 1 Mei »868, de goederen in quaestie van eischer zou hebben gehuurd met den molen, om daarop als zelfstandig molenaar werkzaam te zijn op tusschen partijen overeengekomen voorwaarden; dat eischer zoodanige huur ten eenemale ontkent en zich, tot tijd en wijle ged. daarvan bewijs levert, beroepen kan op het tusschen partijen in confeaso zijnde eigendomsregt der qnaestieuse goederen (ten overvloede ook bewezen door zijn overgeschreven aankoopstitel) , welk eigendomsregt, dat den gronuslag van den eisch tot ontruiming uitmaakt, bij gebreke van gedaagde's bewijs, tot die ontruiming moet leiden , omdat ieder eigendom praesumtione juris vrij is en hij , die eenig regt op eens anders goed beweert te hebben, dat bewijzen moet; dat daarenboven uit de door ged. bij zijn verhoor erkende feiten is gebleken , dat ged. den molen cum annexis van eischer niet in huur had, zoodat daardoor ook de onregtmatigheid der bewoning üa expiratie van den bij sommatie toegestanen termijn is bewezen, en ook de geëischte schadevergoeding den eischer toegewezen moet borden ; dat toch twee vereischten aanwezig moeten zijn, opdat eene overeenkomst eene huur-overeenkomst zij, eu wel: 1°. een bepaalde prijs ; 2°. het genot eener zaak, in casu den molen cum annexis; dat Uit gedaagde's eigen beweringen reeds volgt, dat in casu geen bepaalde prijs door ge l. aan eischer moest worden betaald, daar het maalloon, dat ged. voor eischer ontving en dat, volgens ged., ter voldoening der huur zou moeten strekken , in zijn bedrag zeer onbestemd en geheel onbepaald was, nog gezwegen daarvan , dat de praestatie van ged. bestond niet in dat door de kalanten betaalde maalloon, maar in zijne verpligting om te malen en het maalloon voor den eischer te ontvangen en aan den eischer over te leveren; dat eveneens volit uit de door ged. erkende feiten, dat hy, bewerende huurder van den molen cum

annexis te zijn , het genot van den molen niet had; dat immers de eischer dien molen gebruikte, de lusten daarvan genoot, door zijn eigen koren en het door hem bij groote partijen gekochte graan daaiop te laten bewerken, en bewerkt weder te verknopen, zonder daarvoor iets aan den ged. als maalloon te betalen, of door naar zijn

willekeur door particulieren hun graan op den molen te doen malen en het maalloon, door deze verschuldigd, met hen te verrekenen of ten zijnen behoeve door ged. te laten ontvangen; dat de eischer, die

ue lusten genoot, volgens gedaagde s erkentenis, evenzeer de lasten droeg, immers de onkosten, aan het bedrijf verbonden; de betaling van een jaargeld aan ged., de betaling der loonen en kostgelden der knechten, bet onderhoud der fabriek en annexen , terwijl ook de zorg voor de aanstelling van het dienend personeel en alle vervoer van graan en meel van en naar de kalanten ten laste van den eischer was; dat op grond van dit alles alle schijn en schaduw van een huur van goederen vervalt, terwijl uit de erkentenis van ged., dat hij van eischer, volgens het gemaakte contract, voor zijne dienstpraestatie,

jaarlijks f 390 ontving, voorts schaapsweide en andere voordeelen genoot, en voor de woning en het gebruik van den grond niets uit eigen zak betaalde, maar bloot de dienst van te malen ten behoeve en voor rekening van eischer had te vervullen,— integendeel duidelijk blijkt, dat hier niets aanwezig is dan een contract van diensthuur, dat ged. verpligtte om voor eischer te werken , en eischer om daarvoor aan ged. geld, vrije woning en andere voordeelen te verschaffen; dat bij dit alies de ontkentenis van zoodanig dienstcontract en het verzet, dat men voert tegen de bewering, dat de woning cum annexis als loon werd genoten , eenvoudig neérkomt op een schermen met woorden , een woordenspel, dat ged. wel zal moeten opgeven , nu eischer in het geding brengt een geregistreerden brief van den regtsgeleerden raadsman, dien ged. erkent te zijner adsistentie te hebben ingeroepen, en die, namens ged., bij eischer doleert, »dat deze aan Veenhuis, die voor hem arbeidt, hoegenaamd geen Loon meer uitbetaalde^; dat eindelijk de bestaande diensthuur, hetzij ze dan voor negen jaren zij aangegaan of voor onbepaalden tijd, ieder oogenblik door eischer kon worden opgezegd; dat eischer derhalve het bewijs zijner posita op de meest afdoende wijze heeft geleverd en des coods zijne beweringen nader onder eede wil staven ;

dat vervolgeus voor dupliek door ged. is geconcludeerd : dat hij zijne conclusie van antwoord inhaereert, ten allen overvloede ook zijnerzijds onder aanbod om de onwaarheid van eischers bewering, zoomede de waarheid zijner stelling met plegtigen eede te bezweren, en wel op grond: dat eischer bij dagvaarding stelt zeker dienstcontract van ged. als molenaarsknecht, met genot van vrije woning en grond, bij dagvaarding omschreven, welke huur van diensten aan ged. is opgezegd, alsmede aangezegd ontruiming van huis en grond, waaraan ged. niet heeft voldaan, terwijl hij wegens het geëindigd dienstcontract tot ontruiming is verpligt, waartoe de eisch dan ook strekt; dat ged. bij antwoord het geposeerd dienstcontract heeft ontkend en eischer dit zal hebben te bewijzen ; dat toch ged. hem het regt betwist, op grond van zijn geïsoleerd eigendomsregt, toewijzing van deu eisch te vorderen, in voege de eischer, gevoelende, dat hij, na het verhoor op vraagpunten van ged., in het bewijs van het ge¬

poseerd dienstcontract zal te kort schieten, hiertoe bij repliek pogingen aanwendt, waardoor het eigenlijk middel van eisch, ontkend en niet bewezen, geheel ter zijde zoude worden geschoven; dat gezegd dienstcontract niet alleen niet bewezen is, maar zelfs geen schijn of schaduw van eenig bewijs hiervoor is bijgebragt: dat het door ged. beweerd huurcoutract daarentegen niet weinig schijn vau waarheid voor zich bekomt door het feit, dat hij , die volgens eischer niet eens het genot van den molen had , als molenaar was gepatenteerd en als zoodanig de regten betaalde, hetwelk toch zeker met het door den eischer gewild begrip van molenaarsknecht niet is overeen te brengen ; dat de bewering van eischer, dat nu het maalloon in de plaats van den huurprijs kwam, deze zoude zijn onbepaald en hierdoor een der vereischten van een huurcontract ontbreken , zoo klaarblijkelijk is ongegrond, dat zij geene weêriegging behoeft; dat ged. ook wel degelijk het genot van den molen cum annexis had, waarbij men niet moet vergeten, dat ged., schoon hij wegens gebrek aan fonds dit al niet heeft gedaan, ook wel voor eigen rekening had mogen malen en pellen , hebbende hij voor f 390 in het jaar in eens af het malen en pellen voor den eischer aangenomen, terwijl voor het genot van al het ander het vau anderen te ontvangen losse maailoon zou strekken; dat de uitdrukkingen in den brief van Mr. Oppenheiui (hiervoren aangehaald), waarin van arbeiden en loon gespro kei wordt, volstrekt niet doelen op een dienstcontract, maar zijn de gewone uitdrukkingen van een molenaar, die maalt (arbeidt voor een ander) en daarvoor loon (maalloon) ontvangt, doelende gemeld schrijven mede op loon , dat ged. als losse arbeider op eischers boerenplaats van hem te vorderen meent te hebben ; dat eischer dus niet heelt bewezen wat door hem bij dagvaarding is gesteld, en er, wegens volslagen gebrek aan eenig bewijs, zeker geene termen zijn aan hem eenigen eed op te dragen ; dat in ieder geval niet is gebleken van het bestaan van zoodanig dienstcontract, dat den eischer regt zoude geven om de overeenkomst eenzijdig zonder regterlijke tusschenkomst te ontbinden , en den eischer hierom zijn eisch nimmer zal kunnen volgen;

dat de zaak vervolgens door partijen over en weder is bepleit;

In regten :

O., dat eischer bij dagvaarding stelt een tusschen hem en ged. bestaan hebbend contract van diensthuur , dat door opzegging van zijne zijde zoude zijn geëindigd, met vruchtelooze sommatie a m ged. om de goederen in quaestie, die deze krachtens gemeld contract bewoonde en gebruikte, te verlaten, en op grond hiervan vordert, zoowel ontruiming dier goederen als schadevergoeding wegens gedaagde's onregtmatige bewoning en gebruik; dat derhalve het beweren van eischer, bij conclusie van repliek en pleidooi aangevoerd , nadat ged. het bestaan van gemeld contract had ontkend , dat gezegde ontruiming hem zoude moeten volgen alleen op grond van zijn onbetwist eigendomsregt op die goederen , en hij slechts voor het tweede gedeelte zijner vordering, n. 1. het bekomen van schadevergoeding, het bestaan van bovengenoemde overeenkomst zoude behoeven te bewijzen,— onjuist moet worden geacht, aangezien hij daardoor van den bewijslast van een deel zijner fjosita zou worden ontslagen, en deze bewijslast aldus op den ged., als zekere regten op die goederen bewerende te hebben, in strijd met alle regtsbeginselen, zou te worden overgebragt;

0., dat derhalve behoort te worden onderzocht, of de eischer het bewijs heeft geleverd van de door hem gestelde overeenkomst van diensthuur, die door enkele opzegging van zijne zjjde zoude zijn ontbonden en geëindigd;

O. te dien aanzien :

dat bij het verhoor op vraagpunten van ged., na diens ontkentenis, dat zoodanige overeenkomst tusschen hem en eischer zou hebben bestaan , op verzoek van eischer gehouden , in hoofdzaak door ged. is verklaard: dat er in der tijd tusschen hem en den eischer mondeling eene overeenkomst is gesloten voor den tijd van necen iaren.

in te gaan 1 Mei 1868, krachtens welk contract ged. zou hebben i het gebruik, zoo van eischers molen als van de bij dagvaarding om¬

schreven woning en perceelen land, zoo als hij noemt in huur ;

dat ged. echter bij dat verhoor onder meer als voorwaarden dier overeenkomst heeft opgegeven: dat het koren van den eischer, zoo¬

wel van diens plaats als wat hij elders kocht, op dien molen door ged. zou worden gemalen en gepeld, waarvoor hij jaarlijks van eischer zou genieten eene som v*»n f 390 ; dat het maalloon, van derden te ontvangen, door ged. aan eischer zou worden verantwoord; dat door eischer het koren naar den molen en het meel naar de kalanten zou worden gebragt, en dat het pelmeel of de afval zou zijn voor eischer; dat het onderhoud van den molen cum annexis zou blijven ten laste van den eischer en door dezen de noodige knechts op den molen zouden worden aangesteld, ontslagen , gevoed en betaald; dat, met uitzondering van den eersten tij I, na het siuiten van het contract, ten verzoeke van hem ged., de administratie van den molen werd geboekt door een zoon van eischer, die steeds voor zijn vader met hem afrekende;

dat deze opgaven van ged., wel verre van zijn beweren omtrent eene huur van goederen, tusschen hem en eischer bestaan hebbende, te staven, veeleer doen denken aan een contract van diensthuur, volgens hetwelk ged. als molenaar op eischers molen en voor diens rekening op tusschen hen overeengekomen voorwaarden zou werkzaam zijn en daarvoor, behalve eene zekere som gelds en andere voordeelen, zou genieten vrije woning en gebruik van de bij dagvaarding omschreven onroerende goederen ;

dat, al mogt nu uit gemeld verhoor een begin van bewijs voortvloeijen om te kunnen aannemen, dat er tusschen partijen een contract van diensthuur en niet van huur van goederen zou hebben bestaan , welk bewijs door een suppletoiren eed, aan den eischer op te leggen, zou kunnen worden aangevuld,— dan nog behoort te worden onderzocht, of dit contract aan den eischer de bevoegdheid zoude hebben gegeven om het ten allen tijde door enkele opzegging te doen eindigen, zoo als door hem bij dagvaarding wordt gesteld, met andere woorden, of het zoude zijn eene overeenkomst van diensthunr, vallende onder de bepalingen van artt. 1637—i639 B. W.;

0dat deze laatste vraag ontkennend moet worden beantwoord, en wel op de navolgende gronden:

dat de bepalingen van evengenoemde artikelen niet van toepassing zijn op alle huur van diensten, vermeld in art. 1585 B. W., maar alleen op de huur van hen , die de wet onder dienstboden en werklieden verstaat; en dat derhalve in elk bijzonder geval door den regter moet worden beslist naar de verhouding, die krachtens de gesloten overeenkomst tusschen partijen bestaat; dat, al werd nu ook bovenbedoeld contract van diensthuur tusschen partijen volledig bewezen , de ged., krachtens de uit het verhoor op vraagpunten gebleken voorwaarden van dat contract, wel zijne diensten aan den eischer zoude hebben verhuurd, doch niet bloot als molenaarsknecht, zoo als in de dagvaarding wordt gezegd, maar veeleer als molenaar;

dat hij toch wel de verpligting op zich genomen zou hebben om op eischers molen voor dezen te malen en hem het van derden te ontvangen maalloon te verantwoorden ; maar dat hij in de wijze, waarop hij op dien molen wilde werken, niet regtstreeks aan de bevelen van eischer onderworpen zou zijn geweest; dat hij da&r in die wijze van werken veel meer als zelfstandig handelend peis>on en als plaatsvervanger des eischers zou zijn opgetreden, en dat derhalve de betrekking tusschen eischer en ged. van geheel anderen aard zoude zijn geweest ais die van den meester tegenover den dienst- of werkbode, over wien hij ieder oogenblik willekeurig kan be?>chikkeu;

0., wat betreft de door den eischer in het geding gebragte boeken, waaronder het zoogenaamde gortboek, en brieven van Mr. Oppenheim , advokaat te Groningen , daargelaten welke bewij-h.racnt aan deze stukken zou kunnen worden toegekend,— dat, hetgeen daaruit door eischer tot staving van zijn beweren is aangevoerd, n. 1., dat ged. loon van eischer zou hebben genoten, slechts vau invloed zou kunnen zijn op het bewijs vau het bestaan hebben eener overeenkomst van diensthuur in het algemeen, en niet op de bovenvermelde verhouding, dien ten gevolge tusschen partijen hebbende gevigeerd;

0., dat mitsdien door bovenbedoeld vei hoor op vraagpunten, ook al werd het daaruit voortvloeijend begin van bewijs door tenen den eischer op te drageu suppletoiren eed aangevuld, het bewijs van het door eischer gesteld en door ged. ontkend contract van diensthuur niet zou zijn geleverd, en er derhalve geene termen zijn tot het opleggen vau dien eed, terwijl eischer ook overigens in het bewijs van evengemeld contract is te kort geSwh >ien ;

O., dat den eischer zijne vordering, als onbewezen, zal moeten worden ontzegd ;

Regt doende enz.,

Ontzegt den eischer zijne vordering, en veroordeelt hem in de kosten van het geding.

(Gepleit voor den eischer Mr. M. RüTOERS van deb Loeff , procureur te Apf»ingedam , en voor den gedaagde Mr. W. ToNC&tNS , advokaat te Groningen.)

De eischer is van dit vonnis in hooger beroep gekomen bij het Hof in Groningen.

JURISPRUDENTIE.

VERKOOP. — VASTE GOEDEREN. — REGTBANK. — IiANTONGEREGT.

De ordonnantie van de Arrond.-Regtbank te Gorinchem , gegeven in de raadkamer van den 4 Nov. 1874 , en opgenomen in het Weekbl. van het Hegt n°. 3779 , steunt hoofdzakelijk op de beide volgende stellingen :

1°. dat art. 691 B. R. ook van toepassing is, waar zoo als in casu geen sprake is van verkoop van aan meer- en minderjarigen onverdeeld toebeboorend onroerend goed, ten einde tot scheiding en verdeeling van eenen boedel of eene nalatensehap of ander gemeenschappelijk eigendom te geraken, maar waar door de requestranten alleen als motieven voor den gewenschten verkoop worden aangevoerd : »dat de aangeboden som zeer hoog en daarom de verkoop allezins wenschelijk is te achten, terwijl de verkoop als noodzakelijk moet beschouwd worden , daar genoemd psreeel anders door de burgerlijke gemeenten Gv en P., welke bovengenoemde som hebben aangeboden, ingevolge de wet op het begraven zal moeten worden onteigend ;*

2°. dat art. 454 B. W. alleen in het geval voorziet, waar vergunning tot onderbandschen verkoop wordt gevraagd van onroerend goed, uitsluitend aan minderjarigen toebehoorende.

Beide stellingen zijn m. i. onjuist; en met het Openb. Min. bij de Regtbank acht ik dat collegie in het onderhavige geval onbevoegd.

Het zoude vervelend zijn door toelichting van mijn gevoelen het ten aanzien van deze materie zeker meer dan verzadigd regtsgeleerd publiek reeds dikwijls voorgedragen beschouwingen op te disschen.

In het belang van de eenheid van jurisprudentie wil ik er liever op wijzen , dat in het arrest van den Hoogen Raad van den 6 Nov. 11., in het belang der wet door den heer proc.-gen. bij dat collegie uitgelokt, ofschoon alleen gerigt op eene juiste toepassing van de artt. 451 en 1122 B. W., in verband met art. 1 der wet van 8 April 1874 (Stbl. n°. 68), tusschen de regels te lezen is, dat dat

Sluiten