Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No,.,57bö,

Regtbank zich, des onbewust, tot allerlei knoeijerijen laat gebruiken, zonder zich aan eenige de minste wets-overtreding schuldig te maken, daar de wet hem tot niets meer verpligt dau bij doet.

Indedaad toch is eenstemmigheid der belanghebbenden voldoende om tot den openbaren verkoop over te gaan van vastigheden, tusschen | meerder en mindeijarigen gemeen, en dit heeft de wetgever juist in ; het belang der minderjarigen willen voorkomen. Hij heeft daarom ! alleen de oorspronkelijke redactie van art. 1122 B. W. in 1843 in ' den aanhef veranderd en heeft voorzeker daarmede geene bloote formaliteit, altoos tijdroovend en kostbaar, op het oog gehad; maar natuurlijk eene serieuse magtiging, op behoorlijk onaerzoek steunende , bedoeld.

Welligt wordt niet overal aldus gehandeld; ik meen zelfs, dat bij de Regtbank te Sneek eene andere gewoonte wordt, althans vroeger werd gevolgd, daarin bestaande, dat op alle requesten tot aankoop van vastigheden, waarin minderjarigen deelgenooten zijn , de oproeping van toeziende voogden en bloedverwanten wordt bevolen.

Die maatregel is ongetwijfeld allerheilzaamst; en om daarop de aandacht van allen, die geroepen worden om hun oordeel uit te spreken op verzoeken om magtiging tot openbaren verkoop van vastigheden, aan meerder- en minderjarigen gemeen, zooveel mogelijk bevestigen, is het vooral, dat ik het der moeite waardig geacht heb, boven aangehaald arrest van den H. R. in dit blad te bespreken. De bevoegdheid der Regtbank om de bedoelde oproeping te gelasten, kan niet in ernst betwijfeld worden, dunkt me; en bestaat ze, gelijk ik als zeker durf aannemen , dan acht ik voor mij — een ieders afwijkend gevoelen respecterende— de verleening van de gevrasgde magtiging, zonder voorafgaand verhoor van toezienden voogd en bloedverwanten , onverantwoordelijk.

Assen, den 23 Nov. 1874. W. van Nauta Leuke.

functiën van directeur van politie, eerstgenoemde in de provincie Overijssel, laatstgenoemde in de provincie Drenthe.

— De N. Ruit. Ct. deelt, tot aanvulling van het berigt in de Staats courant, dat de heer Vaillant benoemd is tot president van de Arrond.-Regtbank te Rotterdam, mede, dat de vice president der Regtbank , Mr. G. Mees Az. voor de benoeming tot president had bedankt.

Door den goov.-gen. van Ne 1. Indië is : verleend een tweejarig verlof naar Europa, wegens ziekte, aan den president van den Raad van justitie te Makassar, Mr. W. A. ISngelbrecht, en aan den notaris, tevens vendumeester, te Bezoeki, W. Kühler; — benoemd: tot president van den Raad van justitie te Makassar, Mr. A. J. Immink , laatstelijk lid in den Raad van justitie te Soerabaya , onlangs van verlof uit Nederland teruggekeerd; tot omgaanden regter in de tweede afJeeling op Java en Madura, de president van den Landraad te Bondowosso, Mr. A. Stibbe Lzn.; — bij den Raad van tucht op de Nederlandsch-Indische koopvaardijschepen: ontslagen, eervol, wegens vertrek, als lid, tevens president, de kapitein-ter-zee N. M. J. Kroef, onder dankbetuiging voor de door hem in die betrekking bewezen diensten; en benoemd tot lid, tevens president, de kapitein-ter-zee J. K. van de Kruysse Pilaar, benoemd commandant van Zijner Majesteits korvet van iSpeyk, dieustdgend wachtschip ter reede van Batavia.

BERIGTEN.

's Gravenhage , den 2 December.

wijziging dan ook reeds, met andere, bij de wet van 31 Mei 1843 {Slbl. n<>. 12) tot stand kwam.

Men is bij deze wet tot de beginselen der wet van 1816 teruggekeerd; en met het oog daarop is de kennis der laatste nu nog van eenig belang bij de interpretatie van de tegenwoordige wettelijke bepalingen op dit punt.

Bij het eerste ontwerp werd art. 1122 aldus voorgesteld: «Indien een of meer erfgenamen van oordeel zijn, dat de onroerende goederen des boedels of sommige daarvan, hetzij in het belang van den boedel, tot betaling van schulden als anderzins, hetzij om eene behoorlijke verdeeling te kunnen daarstelieii, verkocht behooren te worden, wordt daartoe overgegaan overeenkomstig de voorschriften van de artt. 690 tot 694 van het Wb. v. B. Rv.» enz.

Het voorloofig verslag der centrale afdeeling bevatte onder meer de volgende opmerking in § 27 : De inhoud van dit artikel schijnt aan te duiden, dat, wanneer alle erfgenamen en derzei ver vertegenwoordigers den verkoop van onroerende goederen der nalatenschap noodig of nuttig oorüeelen, de regterlijke magtiging daartoe niet zoude worden gevorderd. Dit strijdt met het gevoelen van de meerderheid der leden , die wel eene ruimere bevoegdheid aan de regtbanken tot het verleenen van dusdanige magtiging wijlen hebben toegekend, maar de geheele opheffing der noodzakelijkheid dier magtiging voor de belangen der minderjarigen schadelijk achten en icderen twijfel omtrent de voortduring dier noodzakelijkheid wenschen te zien weggenomen. De Regering wijzigde hierop, zeker ter bevordering van 't gemeen overleg of bloot uit complaisance , zonder de al of niet gegrondheid diér opmerking behoorlijk te overwegen, het artikel in den aanhef volgenderwijze : «Indien de erfgenamen of een of meer hunner van oordeel zijn» enz., en lichtte deze wijziging b(j de Mem. v. B. in § 27 aldus toe: »De nieuwe redactie heeft in de hierbedoelde onzekerheid voorzien». Het is nu volkomen duidelijk, waaraan de, zonder hel licht der geschiedenis onbegrijpelijke, uitdrukking «de erjgenamen moet worden toegeschreven». De voordragt der Regering was juist en verstaanbaar. Daarbij werd alleen geregeld het geval, dat verkoop noodzakelijk zou worden geoordeeld in het belang van een boedel tot betaling van schulden als anderzins, of voor eene behoorlijke verdeeling en bij verschil van gevoelen, minstens bij gebreke van aller zamenwerking, eene regterlijke beslissing (bevel) noodzakelijk zou zijn. Tot den verkoop moest dus worden overgegaan overeenkomstig de voorschriften van artt. 690—694 Wb. v. B. Rv. Wanneer alzoo de onroerende goederen toebehooren voor het geheel of ten deele aan minderjarigen enz., of ook wanneer de erfgenamen niet eenstemmig zijn , zal de verkoop plaats hebben op de wijze, voorgeschreven bij art. 453 B. W. (art. 69U). Wanneer alle belanghebbenden er in toestemmen, zal de Regtbank den verkoop kunnen toelaten op de wijze, bij art. 454 B. W. voorgeschreven (631). Indien de verkoop in het openbaar moet geschieden (n. 1. in de ge vallen, bij art. 690 omschreven), zal de Regtbank op verzoek van eene der partijen kunnen bevelen, dat tot denzelven worde overgegaan (692). De vrees , in het verslag der Tweede Kamer geopperd , was even ongegrond als de wijziging der voordragt door de Regering ongemotiveerd. Immers art. 1122, zoo als het oorspronkelijk in 1843 werd voorgesteld, moge de redactie misschien niet onverbeterlijk zijn geweest, liet artt. 451 en 455 B. W. in hun geheel en kon op die artikelen ook implicite geene inbreuk maken. Nogtans die ongelukkige wijziging is geschied en aangenomen; en nu moge de bedoeling des wetgevers, die, bij gebreke eener scherpe onderscheiding van twee verschillende casus-positien, deze beide met elkander verwarde, in strijd zijn met de letter van zijn voursehrift, waar dat voorschrift in zoo ondubbelzinnige bewoordingen is vervat als hier het geval is (de erfgenamen of één of meer hunner) , — 'moet het door den uitlegger worden genomen zoo als het ligt, en mag het niet naar de min of meer duidelijke bedoeling des wetgevers worden verwrongen. De beslissing van den H. R. is alzoo m. i. onberispelijk. Eene andere vraag evenwel is het, of met die beslissing nu alle bezwaren zijn opgeheven? De tijd zal weldra het tegendeel leeren , geloof ik. Het arrest van den H. R. beslist e'e'niglijk , dat de Regtbank niet onbevoegd of wel bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek, door de gezamenlijke eigenaren van vast goed aangeboden en strekkende tot openbaren verkoop, maar laat geheei onbeantwoord de vraag — waarvan de H. R. niet gesaisisseerd was, en waarover ook verschillend wordt gedacht — «waar de eigenaren zich gezamenlijk tot de Regtbank kunnen wenden , mag daar de voogd alle'e'n niet den kantonregter adiëren met verzoek om magtiging?» Ik zou in het belang der minderjarigen wel wenschen die vraag onvoorwaardelijk in bevestigenden zin te mogeu beantwoorden; doch vind daartoe geene vrijheid. Art. 1122 B. W., in verband beschouwd met de wet van 1874, sluit de algemeene bevoegdheid va., d3:i k:.ntonregter wel niet regtstreeks uit; men kan niet zonder eenigen grond beweren, dat dit artikel aan belanghebbenden in het da£r gestelde geval het regt geeft om een bevel tot verkoop van de Regtbank te vragen, en dat daarbij, zoo er geen verschil bestaat, de verpligting geenszins wordt opgelegd ; maar toch zou ik denken, dat dergelijke interpretatie meer spitsvondig dan juist is te achten.

Desniettemin is het waar, dat art. 1122, als zijnde van exceptieven aard, niet buiten zijne grenzen mag worden uitgebreid, en dus de bevoegdheid, daarbij aan de Regtbank gegeven, moet worden beperkt tot de uitdrukkelijk aangewezen gevallen. Bij gevolg behoort de Regtbank geadieerd, zoo belanghebbenden willen geraken tot den openbaren verkoop, op grond van het belang des boedels tot betaling van schulden als anderzins, of ter verkrijging van eene behoorlijke verdeeling; doch overigens blijft de kantonregter de bevoegde regter j om te beoordeelen, of eene magtiging tot openbaren verkoop, door voogden als zoodanig verlangd, behoort te worden verleend, zoo dezen zich bij de aanvrage daartoe gronden op eene volstrekte noodzakelijkheid of een klaarblijkelijk oordeel der minderjarigen, overeenkomstig art. 451 B. W. In de waardering van die noodzakelijkheid en van dat voordeel — natuurlijk altoos naar eed en geweten — is de kantonregter ook volkomen vrij. Hij kan die noodzakelijk vinden even goed in de onmogelijkheid van de betaling van schulden of van de uiikeering van legaten buiten verkoop van vastigheden , ook wanneer er meerderjarige deelgenooien zijn; in de onmogelijkheid om zonder verkoop tot verdeeling te geraken , of in den onwil van alle meerderjarige deelgenooten om anders dan na den verkoop van zekere vastigheden tot de verdeeling over te gaan, als in zoovele andere, a priori niet te bepalen omstandigheden. Bij slot van rekening zal m. i. de bevoegdheid van den regter geheel afhangen van de inkleeding van het verzoekschrift, wanneer n. l. al de belanghebbenden overeenstemmen; en ik schroom niet als meest wenschelijk te verklaren, dat de voogden, in overeenstemming met art. 451 B. W., zich wenden tot hun bevoegden kantonregter. Ik heb daarvoor een deugdelijken grond. Waarom toch wenden zich de gezamenlijke belanghebbenden veelal tot de Regtbank ? Dit vreemde verschijnsel, dat meerdeijarigen , die bevel noch magtiging behoeven , wel magtiging vragen, doet zich voor, omdat het een zoo gemakkelijk, zeker spoedigwerkend middel is om tot verkoop te geraken. De opdragt wordt door één voor allen aan een procureur gedaan; deze dient een request aan de Regtbank in , en de Regtbank geeft binnen weinige dagen , zonder eenigen omslag en tegen geringer kosten dan vroeger (niet thans evenwel), volgens art. 451 B. W., eene gunstige beschikking. De zorg voor der minderjarigen belang ontaardt alzoo niet alleen in eene ijdele formaliteit, maar de mogelijkheid bestaat zelfs, dat de

HOOGE RAAD. — S&iïiisiep StraS'as&Sies».

'Zitting van Maandag, 30 November.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

i. Uitspraak gedaan in zake :

1°. j. A. Warnaars, tegen een vonnis der Regtbank te Almelo. Verworpen.

2°. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Delft, tegen een vonnis in zake W. Zijlmans en A. Bosman. Het vonnis vernietigd en de zaak verwezen naar de Regtbank te 's Gravenhage.

3o. A. Hooijer en D. Schipper, tegen een arrest van het Hof in

Groningen. Verworpen.

4». J. A. H. Jennisseii, tegen een arrest van het Hof in Noordbrabant. Verworpen.

5°. M. E. Ackermans, huisvrouw van A. Emonts, tegen een vonnis van het Kantongeregt te Heerlen. Verworpen.

II. Behandeld het beroep van:

1°. M. van der Harst, huisvrouw van A. B. Eringaard, en J. H. Eringaard, weduwe van F. A. van der Linden, tegen een vonnis der Regtbank te Rotterdam. Ii.ipp., raadsh. Gertsen. Adv.-gen. Romer concludeert tot verwerping. Uitspraak 21 December. 2°. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Asten, tegen een vonnis in zake Th. liasselo. Rapp., raadsh. Kalff. Adv. gen. Römer concludeert tot niet-ontvankelijk-verklaring. Uitspraak 21 December.

3°. W. Sluis en J. van Dok, tegen een arrest van het Hof in Noordholland. Rapp., raadsh. Jolles. Conclusie bepaald op 7 December.

Zitting van Dingsdag, 1 December.

I. Conclusie genomen in zake:

1°.—9°. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Elburg, tegen vonnissen in zake: G. van Olst, de Erven

G. van de Weg, J. van Hattem Az., de Erven W. van de Stouwe, W. Mol, J. Brouwer, A. Tikse, weduwe van Vlesch,

H. Steert en A. Bosch , huisvrouw van J. Pette. Adv.-gen. Polis concludeert tot vernietiging der beschikkingen en dat de Hooge Raad , ten principale regt doende, den ambtenaar van het Openb. Min. niet-ontvankelfik zal verklaren in zijn beroep. Uitspraak 21 December.

II. Behandeld het beroep van :

1". G. R. Zijlstra , tegen een arrest van het Hof in Friesland. Rapp., raadsh. Coninck Liefsting. Gepleit Mr. P. W. A. Cort van der Linden. Conclusie bepaald op 8 December. 2°. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Grave, tegen een vonnis in zake P. Janssen. Rapp., raadsh. Schuurman. Adv.-gen. Polis concludeert tot vervallenverklaring van het beroep. Uitspraak 21 December.

Den 28 Nov. jl. is overleden de heer Mr. N. W. Blom, procureur en regter-plaatsvervanger bij de Arrond.-Regtbank te Gorinchein.

— De Hooge Raad der Nederlanden heeft bet beroep in cassatie verworpen, door L. E. J. Scheurleer en J. Wolflf aangeteekend tegen het arrest van het Prov. Gereglshof in Overijssel, waarbij zij naar de openbare toregtzitting voor criminele zaken van bovengenoemd Hof zijn verwezen.

— Den 30 Nov. ten tien ure werd te Utrecht het stoffelijk overschot van Mr. J. van Hoytema naar zijne laatste rustplaats gebragt. Een tal van belangstellenden en vrienden van den overledene had zich op het kerkhof verzameld en volgde de lijkbaar naar de geopende groeve. Hier werd door den president van het Hoog Militair Geregtshof, Mr. J. H. Telders, in vlugtige trekken herinnerd, wat de be r van Hoytema gedurende al de jaren, dat hij de gewigtige betrekking als advokaat-fiskaal voor 's Koi.ings zee- en lanOmagt bekleedde, gedaan had ; hoe hij steeds met helderen blik en degelijke wetenschappelijke kennis de misdaad wist te vervolgen of vooroordeelen te bestrijden; hoe kalm en goedhartig, maar tevens hoe waardig hij zich steeds daarbij gedroeg, en zich ook daarom ieders achting en liefde had weten te verwerven. — Daarna nam de hoogleeraar Mr. H. P. G. Quack, als rector-magnificus der hoogeschool, liet woord op en wees op al hetgene, wat de overledene sinds vijftien jaren als secretaris var. enratoren voor de akademie verrigt htd; op zijne buitengewone activiteit, zi.ne behartiging der belangen van de akademie, die nog lang al het goede zou ondervinden, wal de ontslapene voor haar gedaan had eu gewtust was. — Door den oudsten zoon van den waardigen afgestorvene werd voor de blijken van belarigstellinh dank gezegd. (U. D.)

Duitsch'and.— De Rijksdag heeft den 26 dezer het ontwerp van een Wetboek van Strafvordering, en den 27 dat der Burgerlijke Regtsvordering, na eerste lezing, gesteld in handen eener commissie van 28 leden, aan welke reeds het ontwerp eener wet op de regterlijke organisatie verzonden was. Daarna heeft de Rijksdag met bijna algemeene stemmen een voorstel van den afgevaardigde Lasker aangenomen , om deze commissie voor het onderzoek van de drie judiciële wets-ontwerpen permanent te verklaren , zoodat zij ook na de sluiting van den Rijksdag hare beraadslagingen zal mogen voortzetten.

Italië. — Bij de opening van het Parlement heeft de Koning nopens de wetgeving o. a. gezegd :

«In de burgerlijke wetgeving is eenheid gebragt; de strafwetgeving, ten aanzien van welke hetzelfde moet geschieden , is op nieuw aan het grondige onderzoek van den Senaat onderworpen en zal u andermaal voorgelegd worden. Ik hoop, dat uwe beraadslagingen leiden zullen tot het tot stand komen van een wetboek, hetwelk den Italiaan-ehen naam waardig is. De hervorming van het handelsregt, door het land gewenscht en door de Regering toegezegd, zal zich vooreerst bepalen tot de vennootschappen. De invloed der R: gering zal daarbij beperkt, de verantwoordelijkheid der bestuurders daarentegen uitgebreid worden.»

ADVERTENTIEN.

NB. Woensdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 27 Nov. jl., n°. 2, is, met ingang van 1 Dec. 1874, benoemd tot notaris binnen het arrondissement Leiden, ter standplaats Oude-Wetering, gemeente Alkemade, P. van Greuningen , candidaat-notaris aldaar.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n». 3 , is, met ingang van 1 Dec. 1874, benoemd tot plaatsvervangend kantonregter te Zalt-Bommel, B. van de Werk , candidaat-notaris aldaar.

— Bij Z. M. besluit van den 28 Nov. jl., n°. 4, zijn benoemd, met ingang van 1 Jan. 1875 : tot hoofdcommissaris van politie te 's Hertogenbosch, A. G. F. A. van Oirschot, thans commissaris van politie aldaar ; tot commissaris van politie te 's Hertogen bosch , H. J. F. A. A. M. van Goor, thans inspecteur van politie aldaar.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n°. 7, is benoemd tot raadsheer in het Prov. Geregtshof in Groningen , Mr. M. van der Tuuk. thans procureur bij de Arrond.-Regtbank te Winschoten.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n». 8, is benoemd tot regter in de Arrond.-Regtbank te Utrecht, Jhr. Mr. M. A. Wichers, thans regter in de Arrond.-Regtbank te Alkmaar.

— Bij Z. M. besluit van den 29 Nov. jl., n°. 42 , is aan A. G. Schepers, met ingang van 15 Dec. aanst., vergund zijne notariële stan dplaats van de gemeente Gorssel over te brengen naar de gemeente Zelhem.

Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n". 46, zijn benoemd : tot procureur-generaal bij het Prov. Geregtshof in Overijssel, Mr. T. H. Bondam, thans procureur-generaal bij het Prov. Geregtshof in Drenthe; tot procureur-generaal bij het Prov. Geregtshof in Drenthe, Mr. W. L. Schiffer, thans advokaat-generaal bij het Prov. Geregtshoi in Groningen, — zijnde de benoemden tevens tijdelijk belast met de

A. "VAN DER MAST, te Gorinchem, verzond:

Jaarboekje der Regterlijke Magt,

voor 1875, 35ste Jaarg., te zamengesteld onder toezigt van Mr. C. G. E. d'Engelbronner , Ridder der Orde van den Nederl. Leeuw enz., ^ ƒ 1.50.

DE RIJKS-

I BSII1-IL1II

VOOE ÏÖT'Ö

— Vijftigste Jaargang -

is aan de inteekenaren , tot den prijs van f2.50 verzonden. Buiten inteekening zijn thans nog enkele exemplaren a f 3 verkrijgbaar.

Snelpersdruk en uitgave van

BKI>lJk'fc'\AjïTE % te 's («ravciilm^e.

Sluiten