Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N®. 578G.

naar de landelijke marktprijzen; dat derhalve bij bloktienden , waar gedurende minstens vijftien achtereenvolgende jaren verpachting van de geheeie opbrengst der tiendpligtigheid heeft plaats gehad, de prijsbepaling niet kan worden gegrond èn op die verpachting èn op schatting; en dat alzoo die verpachting, welke den ganschen tiendblok omvatte en voor geen deel der schuldpligtigheid eenige uitzondering maakte, in deze is de wettelijke maatstaf ter bepaling van de waarde der schuldpligtigheid, zonder dat daarop van invloed kan zijn de omstandigheid, dat een deel daarvan geen tiendbare vruchten heeft opgeleverd;

O., voor wat betreft de bewering, dat de bestreden beslissing zoude zijn in strijd met het doel der aangehaalde wet , den tiend heffer schadeloos te stellen voor het verlies van zijn geheeie tiendregt,— dat bij die wet zelve, blijkens haren aanhef, als beweegreden daarvan wordt aangenomen: "het wenscheiijke bij de wet de afkoopbaarstelling te regelen van alle vóór de invoering van het Burgerlijk Wetboek trevestisrde schuldpligtigheid van tienden//; dat de daarbij voorgeschre¬

ven af koopprijs wel bedoelt vergoeding voor het verlies van het geheeie tiendregt, maar dat de wet de volkomene schadeloosstelling heeft geacht gelegen in de betaling van het twintigvoud der jaarlij ksche opbrengst, naar den maatstaf van art. 3 der wet; dat echter, ai ware de af koopprijs, zoo als die is geregeld bij gezegd art. 3 , inderdaad daarvoor onvoldoende, dan nog dit niet zoude veroorloven een^ uitlegging daarvan in strijd met deszelfs ondubbeizinnigen inhoud ;

0., dat hetzelfde geldt ten aanzien van des eischers beroep op de geschiedenis der wet en wel meer bepaald op zekere, bij de beraadslagingen daarover, door den minister van Justitie gebezigde uitdrukkingen ; daar toch, aangenomen al, dat deze zouden kunnen worden geacht overeen te stemmen met des eischers uitlegging der slotbepaling van art. 3, dan nog dit niet zoude wettigen de aanneming der uitlegging, in strijd met hare, op den zamenhang met het geheeie artikel gegronde, bij het bestreden vonnis aangenomen , beteekenis;

6., dat alzoo het éénig aangevoerde middel van cassatie is ongegrond ;

Verwerpt het beroep en veroordeelt den eischer in de kosten.

fG-enleit voor den eischer Mr. A. de Pinto, en voorden verweerder

Mrs. J. Kappeyne van de Coppello en B. M. Vlielander Hein.)

Hamer van

Zitting van den 26 October 1874.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Tapperijen. — Slüitingsucr. — Plaatselijke verordening.

Is met eene gezonde vii,anging en toepassing eener plaatselijke verordening overeen te orengen een ontslag van regtsvervolging ter zake van het zich bevinden of komen in eene tapperij na het sluitingsuur, omdat dit niet met zoovele woorden zou zijn verboden, wanneer de bepalingen dier verordening voorschrijven den tijd, binnen welken de tapperijen moeten gesloten zijn, en van of dien tijd de bezoekers, zonder daartoe aangezegd te zijn , haar moeten verlaten ? — Neen.

De ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Meppel is req. van cassatie tegen een vonnis van het Kantongeregt aldaar van den 10 Junij 1874, waarbij H. Oostra, vroeger arbeider te Wapse, thans boerenknecht, wonende te Oldendiever, gemeente Diever, bekl. ter zake dat hij in den avond van den 6 April li., omstreeks elf ure, in de tapperij van H. Noorman, te Diever, zich heeft bevonden, zonder dat hij een doortrekkend reiziger was,— van alle regtsvervolging is ontslagen ; de kosten te dragen door den Staat.

Nadat te dezer zake door den raadsheer Kalff het verslag was uitgebragt, heeft de adv.-gen. Polis de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren! Het is in deze zaak de vraag, weike de zin is van art. 6 der verordening op de tapperijen voor de gemeente Diever van den 7 Maart 1871, bepalenae : dat ieder bezoeker eener tapperij verpligt is op den bij art. 3 voor sluiting bepaalden tijd de tapperij te verlaten, ook zonder tot vertrekken te zyn aangemaand.

De regter, die het beklaagde vonnis heeft gewezen, is van oordeel, dat ia dit verband niet ligt opgesloten het voor het eerst bezoeken van of terugkeeren in eene tapperij gedurende den tijd, dat de tapperijen moeten gesloten zijn ; en op dien grond is de gereq. bij het beklaagde vonnis van alle regtsvervolging ontslagen ter zake van het hem ten laste gelegde, door den regter bewezen geoordeelde feit van zich, in den avond van 6 April jl., omstreeks elf ure, bevonden te hebben in de tapperij van H. Moorman, te Die ver.

Door die beslissing acht de heer req. art. 6 der meergenoemde verordening geschonden; en ik kan mij met die zienswijze wel ver-

ppnicfin.

De tijd van sluiting, in art. 3 bepaald, is van 's avonds tien tot *s morgens vijf ure; en bij art. 6 is dus de verpligting opgelegd, de tapperijen tusschen tien ure 's avonds en vijf ure 's morgens te verlaten. Hadde de gemeente-wetgever alleen het heengaan ten tien ure willen bevelen, hij zou dit, zoo als in art. 5, uitdrukkelijk hebben gezegd. D£ar toch heet het, dat ieder tapper verpligt is, vóór den bij art. 3 bepaalden tijd van tien ure zijne bezoekers te doen vertrekken en zijne tapperij te sluiten; terwijl bij art. 6 gesproken wordt van den bij art. 3 voor sluiting bepaalden tijd; en de bedoeling kan dus wel geene andere zijn dan gedurende den tot de sluiting bepaalden tijd het vertoeven in tapperijen te verbieden.

Zoo besliste ook de Hooge Baad bij arrest van den 20 April 1870 (v. d. Honert, Gem. Zak., XXV, pag. 185), dat eene verordening, die verbiedt het gedurende zekeren tijd toelaten van personen tot het gebruiken van gelagen, kennelijk bedoelt niet slechts het laten binnenkomen, maar ook het toestaan , dat men binnen blijve, te verbieden.

Ik acht in deze zaak de artt. 6 en 11 van gemelde verordening voor de gemeente Diever geschonden; en, onder referte overigens aan de memorie, heb ik de eer te concluderen tot vernietiging van het beklaagde vonnis, en dat de Hooge Raad, ten principale regt doende, overeenkomstig het requisitoir van den ambtenaar van het Openb. Min., den gereq. zal veroordeelen tot geldboete van ƒ 3, bij wanbetaling binnen twee maanden na aanmaning, te vervangen door gevangenis-straf van drie dagen en in de kosten van eersten aanleg en cassatie.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie , bestaande in :

schending van art. 6 der verordening op de tapperijen in de gemeente Diever van den 7 Maart 1871 ;

Overwegende, dat bij het beklaagde vonnis het aan den gereq. ten laste gelegde feit is bewezen verklaard, doch deze van regtsvervolging is ontslagen, op grond, dat bij art. 6 der aangehaalde verordening

de verpligting gelegd is op de bezoekers eener tapperij om deze te

verlaten op den voor sluiting by art. 3 der verordening bepaalden tijd, maar niet den bezoekers is verboden gedurende den tijd, waarin de tapperij moet gesloten zijn, deze voor het eerst te bezoeken of daarin binnen te treden;

0., dat art. 3 dier verordening bepaalt, dat de tapperijen van des avonds tien tot des morgens vijf ure moeten gesloten zijn, terwijl art. 6 inhoudt, dat ieder bezoeker eener tapperij verpligt is op den bij art. 3 voor sluiting bepaalden tijd de tapperij te verlaten, ook zonder tot vertrekken te zijn aangemaand;

O., dat het verband dier artikelen duidelijk aantoont, dat ae bedoeling der verordening is, dat gedurende den tijd, dat de tapperijen moeten gesloten zijn, geene personen als bezoekers daarin mogen binnenkomen en alzoo zich bevinden ;

Ü., dat, bij eene gezonde opvatting, ook de woorden van art. 6 geene andere uitlegging gedoogen ;

0.. dat toch de daarin voorkomende uitdrukking: «op den bij art.

3 voor sluiting bepaalden lijd» niet aangeeft een bepaald uur of enkel dat van den aanvang der sluiting, en hij alzoo kennelijk doelt op den ganschen tijd, gedurende welken de tapperijen moeten zijn gesloten : waaruit volgt, dat de bij art. 6 den bezoekars opgelegde verpligting om de tapperij te verlaten, dan ook niet bepaald is tot het uur, waarop de sluiting aanvangt, maar voortduurt, zoolang de tapperijen, volgens art. 4, moeten zijn gesloten ;

0. derhalve, dat, terwijl de gereq. des avonds omstreeks elf ure zich als bezoeker in eene tapperij in de gemeente Diever heeft bevonden , hij, om het even wanneer hij die zij binnengetreden , die tapperij niet op den bij art. 3 voor sluiting bepaalden tijd heeft verlaten, en dat hij hierdoor het voorschrift van art. 6 heeft overtreden ;

0., dat de kantonregter mitsdien, door gemeld art. 6 op het bewezen feit niet tot te passen, dat artikel, mitsgaders art. 11 der verordening heeft geschonden, en het aangevoerde middel is gegrond;

Verwerpt het beklaagde vonnis;

fin, regt doende krachtens art. 105 R. O.,

Verklaart dat het bewezen feit oplevert het als bezoeker eener

tapperij niet-verlaten dier tapperij op den voor sluiting bepaalden tijd ;

Verklaart den gereq. daaraan schuldig;

Gezien de artt. 6, 3 en 11 der verordening op de tapperijen voor de gemeente Diever, en art. 1, principio en al. 9, der wet van den 22 April 1864 (Stbl. n». 29), luidende enz.;

Veroordeelt den gereq. te dier zake tot eene geldboete van f 3 en in de kosten , zoo in eersten aanleg als in cassatie gevallen;

Bepaalt, dat, zoo de veroordeelde de boete niet betaalt binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, zal worden vervangen door gevangenis-straf van e'én dag.

ARliONDiSSEMENTS-REGTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE BliEDA. BSur^erlijke kamer.

Zitting van den 10 November 1874. Voorzitter, Mr. J. J. Loke.

Wet van 25 Januarij 1817.

Het aankoopen en vervaardigen buiten 's lands van werktuigen en toestellen, voor welker vervaardiging en verkoop in Nederland octrooi is verleend, en het aanwenden dier werktuigen en toestellen op Neder landschen bodem voor eigen gebruik kan niet als inbreuk op het octrooi worden beschouivd.

Ontzegging van de vordering der eischers.

De Regtbank enz.,

Gehoord de partijen;

Overwegende, dat de gedaagde firma voor deze Regtbank is geroepen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, alsmede bij lijfsdwang, ten aanzien van ieder der firmanten, ten behoeve van de eischers verbeurd te hooren verklaren zekere werktuigen en toestellen, welke zij ged. tot het maken van beetwortelsuiker buiten dit Rijk zal hebben doen vervaardigen , en in hare fabriek onder de gemeente Prinsenhage zal hebben gebezigd; en om zich voorts te hooren veroordeelen tot betaling ten titel van schadevergoeding aan den eischer J. R. van eene som van ƒ7500, en aan de mede-eischeresse eene som van ƒ 11,139, een en ander met interessen en

kosten ; _

dat tot adstructie dezer vordering bij dagvaarding is in het midden gebragt: dat aan den eerstgenoemden eischer, bij Kon. besluit van den 7 April 1868, waarvan een geauthentiseerd afschrift in het geding werd gebragt, voor den tijd van vijftien jaren , een octrooi is verleend op de invoering binnen het Rijk van eene door hem uitgevondene en daarbij omschreven wijze om het sap uit planten, vooral uit beetwortelen en suikerriet, te trekken door middel van zoogenaamde diffusie en deplacering; dat dezelfde eischer, bij acte, den 5 Nov. 1868 ten overstaan van den notatis Habel en getuigen te Amsterdam verleden , aan de destijds aldaar gevestigde firma van V. het uitsluitend regt tot exploitatie van gemeld octrooi in Nederland heeft afgestaan , onder bepaling, dat gezegde firma aan alle suikerfabrikanten binnen dit Rijk , die van de voormelde wijze van suikerbereiding gebruik mogten willen maken , de daartoe noodige werktuigen en toestellen zoude leveren, en daarvan het voordeel zoude genieten , terwijl de eischer J. R. zich zoude tevreden stellen met eene premie, door de bedoelde fabrikanten boven den prijs dier werktuigen en toestellen te betalen ; dat de regten , door de firma van V. aan deze overeenkomst ontleend, na hare ontbinding, met goedvinden van den eischer J. R. aan de mede-eischende fabriek zijn overgegaan ; dat eindelijk de werktuigen en toestellen, waarvan de gedaagde firma zich tot het fabriceren van suiker bedient, en welke zij tot dat einde buiten 's lands heeft doen vervaardigen , met die, welke door den eischer J. R. zijn uitgedacht, om zijn systeem van suikerbereiding in toepassing te brengen , immers in hoofdzaak,

zoo volkomen overeenstemmen , aat uoor geaaente nanaenngen op het voormeld octrooi inbreuk is gemaakt;

dat de eischers voorts, toen dit laatste werd ontkend, bij nadere conclusie hebben verzocht tot het bewijs van de waarheid hunner assertie te dien aanzien , ,zoo door getuigen als door deskundigen , te worden toegelaten; terwijl door de gedaagde firma, onafhankelijk van gemelde ontkentenis, is beweerd, dat de eischers in hunne vordering niet-ontvankelijk, immers ongegrond, zullen moeten worden verklaard , zoo omdat door de feiten , die haar ged. werden ton laste o-elegd, aan het octrooi, waarvan sprake, niet wordt te kort gedaan, als omdat de eischers, door gezamenlijk verbeurdverklaring, en ieder voor zich schadevergoeding te vragen , zich eene onregtraatige splitsing van actie hebben veroorloofd;

dat de gedaagde firma, bij de mondelinge toelichting van dit laat¬

ste middel, daaraan heeft verbonden het beweren , dat de eischende fabriek haar vermeend regt om als cessionnaris van den eischer J. R. in dit geding op te treden , niet door voldoende bewijzen heeft gestaafd, met name niet heeft doen blijken, dat zij in de regten van den eersten cessionaris is opgevolgd, noch ook dat de afstand en de overdragt, waarop zij zich beroept, door eene goedkeuring des Konings zijn gesanctionneerd , en door eene aanteekening ter griffie van het Provinciaal Bestuur in Noordholland zijn openbaar gemaakt, gelijk bij een reglement, bij Koninklijk besluit van 26 Maart 1817,

ter uitvoering van de wet op de octrooijen van 25 Jan. bevorens vastgesteld, is voorgeschreven ; doch dat op zoodanige beweringen , die zich in eene disqualificatoire exceptie oplossen, geen acht kan worden geslagen , tenzij zij bij conclusie zijn voorgedragen ;

dat, wordt dit toevoegsel ten zijde gesteld bij de waardering van gedacht middel, zoo als het, om tot eene niet ontvankelijk-verklaring te geraken, door de gedaagde firma is geformuleerd , niet te onderzoeken valt, of de vorderingen, door de eischers ingesteld, ieder in het bijzonder, voor toewijzing vatbaar zijn, maar alleen of de qualiteiten, waarin zij ageren , hetzij in zich zelve , hetzij in onderling verband, al dan niet bestaanbaar zijn; en dat het alsdan boven bedenking is , dat aan den houder van een octrooi, noch naar algemeene regtsbeginselen , noch naar den inhoud van de wet van 25 Jan. 1817, de bevoegdheid kan worden ontzegd om de regten en actiën, daaraan verbonden , geheel of gedeeltelijk aan een ander af te staan;

dat het verschil tusschen partijen ten aanzien van het al of niet pertinent karakter der feiten , waardoor de eischers zich bezwaard

achten, en waarvan zij bewijs hebben aangeboden, zakelijk nederkomt op de vraag, of in het octrooi, waarvan sprake, een verbod ligt opgesloten om binnen dit Rijk suiker te bereiden met behulp van de werktuigen en toestellen, door den eischer J. R. uitgedacht, om het suikerhoudend vocht uit de beetwortelen of uit het suikerriet af te scheiden , tenzij die werktuigen en toestellen bij dien eischer of bij dengene, aan wien hij het regt om ze te vervaardigen of te verkoopen heeft afgestaan , zijn aangekocht, of met zijne toestemming worden gebezigd;

dat een bevestigend antwoord op die vraag met het denkbaeld , dat, bij het verleenen van octrooijen wegens nieuwe uitvindingen op het gebied van nijverheid pleegt ten grondslag te liggen, voorzeker wei is overeen te brengen ; en dat zulk antwoord dan ook in meer dan ééne buitenlandsche wet steun zou kunnen vinden : doch dat het

van aen anaeren sant onmisiienoaar is, aat ae Depaiingen der meergenoemde Nederlandsche wet van 25 Jan. 1817, krachtens welke het quaestieus octrooi is verleend, en waarmede het woordelijk overeenstemt , zoodanige opvatting niet wettigen;

dat des noodig kan worden toegegeven, dat in de Koninklijke boodschap, waarbij het ontwerp dier wet aan de Staten-Generaal ter bekrachtiging werd aangeboden , gelijk mede in art. 1 der wet zelve enkele woorden worden aangetroffen, die aan een uitsluitend regt bij den geoctroy eerde om zijne uitvinding in toepassing te brengen, of daartoe aan anderen vergunning te geven , doen denken ; maar dat gedacht artikel, van nabij gezien, niet anders bevat dan eene opdragt aan het Hoofd van den Staat van de bevoegdheid om octrooijen te verleeuen , en bij gevolg, even als de toelichtende boodschap, uit zijnen aard is ondergeschikt aan de daarop volgende bepalingen, waarbij het onderwerp in bijzonderheden wordt geregeld ;

dat nu tot deze regeling behoort, dat de regtsgevolgen van een verleend octrooi, volgens art. 6 der wet, zullen bestaan : vooreerst, in eene uitsluitende bevoegdheid bij den houder om de geoctroyeerde voorwerpen binnen het Rijk te vervaardigen en verkoopen, ten andere in die om ten laste van degenen, die op zijn regt inbreuk maken , te vorderen verbeurdverklaring van de vervaardigde en nog onverkochte, alsmede van den koopprijs der bereids verkochte geoctroyeerde voorwerpen , en schadevergoeding, indien daartoe termenj zijn;

dat het al dadelijk opmerking verdient, dat het tweede deel dier bepalingen kennelijk met het eerste deel in het naauwst verband staat, dat is , niet anders dan eene strafbedreigende sanctie bevat van het verbod om te vervaardigen en verkoopen , dat in het laatstgenoemde voor een ieder, buiten den houder van het octrooi, ligt opgesloten , en dat het alzoo niet aangaat uit dat tweede te besluiten, dat nog op andere wijze op het verleend octrooi inbreuk kon worden gemaakt;

dat de geheeie inhoud van het artikel trouwens , zelfs onafhankelijk van deze onderscheiding, ondubbelzinnig aanduidt, dat de wetgever, toen hij het nederschreef en bekrachtigde, van het denkbeeld is uitgegaan , dat het voordeel vau een octrooi, met nauie op het gebied van nijverheid , naar den regel is te zoeken in het vervaardigen en verkoopen van de werktuigen en toestellen, waardoor de betrokken uitvinding vruchtbaar kan worden gemaakt, en, zich aan dat denkbeeld vastklemmende, geene andere inbreuk op het regt van den octrooihouder heeft voor oogen gehad, dan waarbij het debiet van dezen door eenen concurrerenden handel in genoemde voorwerpen wordt benadeeld of met benadeeling bedreigd;

dat het, om het even of men in een octrooi-regt wil zien een privilegie of eene erkenning van eigendom ten opzigte van producten van het menschelijk vernuft,— altijd zeker is, dat zoodanig regt in zich sluit eene beperking van de gewone bevoegdheid om, bij den aanleg van industriële of andere winstgevende ondernemingen, met de ervaring en het voorbeeld van anderen voordeel te doeu ; waaruit volgt, dat elke wet, rakende dit onderwerp, ten aanzien van de regten , die den octrooihouder kunnen worden voorbehouden, streng moet worden toegepast, dat is , voor geene uitbreiding buiten hare letter, hetzij bij analogie, hethij bij redenering uit de motieven van den wetgever , vatbaar is ; en

dat alzoo net oesiuit voor denand ligt, dat zoomin het aankoopen of doen vervaardigen buiten 's lands van werktuigen en toestellen, voor welker vervaardiging en verkoop binnen dit Rijk de eischer J. R. uit kracht der wet van 25 Jan. 1817 octrooi heeft verkregen, als het aanwenden dier werktuigen en toestellen op Nederlandschen bodem voor eigen gebruik, hetzij ieder op zich zelve, hetzij in vereeniging, als eene inbreuk op dat octrooi kan beschouwd worden, en dat de vordering der eischers hun reeds uit dien hoofde niet kan volgen;

Verleent aan parijen de gevraagde acten;

Ontzegt aan de eischers hunne vordering en verwijst hen in de kosten van het geding.

(Gepleit voor de eischers Mr. J. W". Tydeman , van Amsterdam % en voor de gedaagde Mr. H. A. van Mens.)

Sluiten