Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N». 3793.

0., dat bij het tweede middel is beweerd: schending van art. 442, »' in verband met de artt. 433 en 443, Strafvord., doordat de getui- d' genissen betreffende de openbaarheid van het voetpad als aanwijzingen o; lijn gebezigd , terwijl volgens de wat alleen feiten als aanwijzingen b kunnen dienen , en omdat , voor zoover mogt kunnen worden aan h genomen, dat de daadzaak, door die getuigenissen bewezen, als aanwijzing gebezigd was tot bewijs in de openbaarheid van het voetpad, v in dat geval niet de feiten, door de getuigen verklaard, maar hunne ri gissingen en gevolgtrekkingen als aanwijzing zouden zijn gebezigd, h vermits de getuigen alleen als feit konden verklaren, dat zij het & voetpad gebruikt hadden, terwijl hunne verklaring, opgevat in den d zin, dat zij dat voetpad hadden gebruikt als openbaar voetpad, eene v gevolgtrekking of gissing omtrent den regtstoestand van het voetpad 4 behelzen zou ; 0

0., dat in de vijfde overweging zijn opgenomen de verklaringen van vier getuigen, waarbij deze allen verklaren, dat zij ieder op de wijze, daarbij nader omschreven, het voetpad als openbaar voetpad v hebben gekend en gebruikt; terwijl daarop in de zesde overweging v volgt, dat deze getuigenissen met den aangehaalden staat en gelei- * dende missive van Gedep. Staten aanwijzingen opleveren, waaruit de f regter het gevolg heeft getrokken , dat het voetpad werkelijk een | openbaar voetpad is; 2

0., dat uit dezen zamenhang der beide overwegingen volkomen * blijkt, dat in de zesde overweging het woord getuigenissen is gebezigd 1 in den zin , dien men daaraan als grondslag voor het bewijs door aanwijzingen veelal hecht, dat het namelijk de getuigenissen zijn met ' het oog op den inhoud, dat zijn al zoo de feiten en omstandigheden, < die door de getuigen volgens hunne verklaringen zijn waargenomen < en die, volgens art. 442, in verband met de artt. 443 en 433, : Strafvord., als aanwijzingen kunnen dienen ; 1

O., dat de verklaringen, zoo als door de vier getuigen zijn afgelegd, dat zij ouder verschillende door hen afzonderlijk opgegeven ] omstandigheden het voetpad hadden gekend en gebruikt als openbaar voetpad, en dat het door ieder als zoodanig werd gebruikt, zoo als door den vierden getuige is opgegeven, verklaringen zijn over feiten, die niet bij gevolgtrekking of bij gissing behoeven te zijn opgemaakt, maar die zij zelve hebben kunnen waarnemen en ondervinden ; 0., dat het tweede middel derhalve is ongegrond;

O., dat het derde middel betrekking heeft op de tweede overweging van het bestreden vonnis, waarin als bewezen wordt aangennmen het door den nu req. doen daarstellen en optrekken van een beschot in het voorschreven land, waaromtrent wordt beweerd, dat, zoo al dat feitelijke is bewezen , dan nog het bewijs van dit feit is onvoldoende, omdat den req. is ten laste gelegd het belemmeren van het pad door het doen stellen en optrekken van het beschot zonder vergunning van den Gemeenteraad, ten aanzien van welke bestanddeelen der overtreding door den regter niet is beraadslaagd ;

0., dat in de tweede overweging van het vonnis uitdrukkelijk wordt gezegd, wat door de verklaringen van vier getuigen en de erkentenis van den req. wordt bevestigd, namelijk «het door den bekl. doen daarstellen en optrekken van een winkelhaaks houten beschot in het voorschreven land», nadat in de voorafgaande overweging als bewezen wordt aangenomen, dat de req. op den 18 Nov. 1873 . zonder vergunning van den Gemeenteraad van Wonseradeel, het gebruik van een openbaar algemeen voetpad, loopende van van Parraga naar Dedgum, heeft doen belemmeren , waaruit blijkt, dat de regter ook over deze beide omstandigheden heeft beraadslaagd en beslist, zoodat dit middel zijn feiteiyken grondslag mist en dus mede is ongegrond;

0., dat bij het vierde middel is beweerd: schending van art. 627, in verband met art. 625, B. W., en de artt. 430, 427 en 442 Strafvord., omdat ieder eigendom wordt vermoed vrij te zijn en tegen dat vermoeden geene lasten, ook niet van publiekregtelijken aard, op bloote aanwijzingen mogen worden aangenomen;

0., dat het feit, dat een openbaar voetpad over iemands land loopt, moet bewezen worden , doch ook door alle wettelijke bewijsmiddelen en bepaaldelijk door aanwijzingen, in de artt. 423 en 442 Strafvord. vermeld, kan bewezen worden , omdat aan de algemeene toelaatbaarheid van dat bewijsmiddel voor alle feiten en omstandigheden geene uitzondering is gemaakt voor het feit, dat een voetpad over iemands land een openbaar voetpad is;

O., dat nog is beweerd: schending van art. 3 Alg. Bep., doch dat de kantonregter geen regtsregel of regisbeginsel op grond van gewoonte heeft aangenomen, zoodat dit artikel niet kan zijn geschonden;

dat wijders in het middel is aangevoerd , dat ook art. 4 Strafregt zou zijn geschonden, omdat tegen het feit van bet stellen van het hek ten deze geene straf is bedreigd, vermits het voetpad niet voor openbaar mogt gehouden worden , en er dus niet was een corpus deiicti, waaraan de beweerde overtreding zou kunnen begaan zijn;

0., dat, wat er overigens van deze beweerde schending zijn moge, de grond daarvoor wegvalt, doordat de regter feitelijk bewezen heeft verklaard, dat het voetpad, waarop het hek was geplaatst, een openbaar voetpad is ;

0., dat het vierde middel derhalve is ongegrond;

O., dat tot staving van het vijfde middel van cassatie is gewezen op art. 18 der politieverordening van Wonseradeel van den 17 Oct. 1872, zoo als dit is aangevuld bij verordening van den 8 Mei 1873, waarbij straf wordt bedreigd tegen het belemmeren van voet- en gangpaden; dat dit artikel dus algemeene voorschriften bevat omtrent voet- en gangpaden, waartoe de Raad dier gemeentewas onbevoegd; dat de Raad des noods kon regelen het gebruik der openbare algemeene voetpaden in Wonseradeel, maar niet in het algemeen het onderwerp voetpaden, vermits dit in art. 733 en andere van het Burgerlijk Wetboek is geregeld;

dat in het beklaagde vonnis wel wordt gezegd, dat de plaatselijke wetgeving natuurlijk openbare voetpaden heeft bedoeld , maar dat zoodanige uitlegging in het strafregt is ongeoorloofd, daar niet anders mag worden gelezen dan er staat; dat alzoo door niet-toepassing art. 151 der gemeentewet is geschonden, te meer, omdat hetgeen geregeld werd in het gewijzigd art. 18 der verordening , reeds is geregeld in art. 471, al. 4 Strafregt; dat art. 18 der verordening alleen dan eene geoorloofde bepaling zou inhouden, wanneer daarbij belemmeringen werden verboden, »voor zoover die niet reeds in art. 471, al. 4, Strafregt verboden zijn»;

0., dat art. 18, zoo als het is aangevuld bij besluit van den Gemeenteraad van Wonseradeel van den 8 Mei 1873, voorkomt in het reglement, ten opschrift voerende: »van plaatselijke politie, veiligheid en openbare orde voor de gemeente Wonseradeel», vastgesteld overeenkomstig art. 141 der gemeentewet; dat daaruit blijkt, dat de Raad die onderwerpen heeft geregeld, voor zooveel die gemeente betreft, en dus met betrekking tot het onderhoud van wegen en voetpaden, voor zoover deze als gemeentewegen zijn aan te merken; dat voorts bij het bestreden vonnis teregt wordt overwogen, dat, wanneer in een politie-reglement sprake is van voetpaden, daaronder geene andere dan openbare voetpaden verstaan kunnen worden ; dat die niet-uitbreidende, gelijk verkeerdelijk in het middel wordt beweerd, maar beperkende uitleg allezins is geoorloofd, omdat op die wijze aan de woorden een zin wordt gehecht, waardoor alleen aan de bepaling gevolg kan worden gegeven; dat evenmin in art. 18 der verordening datgene is geregeld, waartegen reeds bij art. 471, n°. 4, Strafregt is voorzien, omdat deze laatste bepaling alleen betrekking

heeft op eene voorbijgaande of tijdelijke belemm3ring, terwijl art. 18

der verordening in het algemeen verbiedt net getiruns der voetpaden op eenige wijze te belemmeren, waaronder dus mede is begrepen eene

belemmering van doorgaanden en blijvenden a:ird, zoo ais niei aooi het stellen van een winkelhaaks bouten beschot is geschied;

0., dat in deze beschouwing mede ligt opgesloten de wederlegging

van de grief, opgenomen in het zesde middel, hetwelk op de stelling rust, dat in het bestreden vonnis ten onregte wordt gezegd, dit tegen

het feit straf wordt bedreigd in art. 18 der poiitie-verordening en \ al. 5 van art. 471 Strafregt, ofschoon zou zijn bedoeld al. 4 van ( dat artikel; dat das de regter in het beklaagde vonnis teregt heeft i verklaard, dat tegen het feit straf wordt bedreigd in al. 5 van art. i 471 Strafregt, vermits de verordening moet worden gerangschikt 1 onder de «règlements ou arrêtés concernant la petite voirie» ; i

0., dat mitsdien ook het vijfde en zesde middel zijn ongegrond; j O., dat met betrekking tot het zevende cassatie-middel is aange- < voerd : dat uit het vounis niet blij kt, dat uitspraak is gedaan op de vordering van den bij behoorlijke procuratie voorzienen gemagtigde ; van den ged. om dezen te vertegenwoordigen ; dat wel, blyKeus het proces-verbaal der teregtzitting , de ged. niet is verschenen en zijn i gemagtigde feitelijk voor bem is opgetreden, maar op de vordering i zelve geene beslissing is gegeven; dat in ieder geval de verschijning i van den ged. bij gemagtigde in het vonnis had behooren te worden vermeld , zoodat daardoor is geschonden art. 380, al. 2, Straivord.;

0., dat in het proces-verbaal der teregtzitting wordt geiezen: «De bekl. is present, verschijnende door deszelfs gevolmagtigde Mr. L. G. V., advokaat, wonende te Leeuwarden, ingevolge procuratie dd. Junij 1874, geregistreerd enz. De regter vermaant hem oplettend te zijn op hetgeen hij zal hooren; des gevraagd antwoordt de gemagtigde» enz.;

dat uit het proces-verbaal dus niet blijkt, dat de ged. eene bepaalde vordering heeft gedaan, waarop niet zou zijn beschikt, maar wel dat hij, gebruik makende van eene bevoegdheid, hem bij de wet toegekend, uoor een gemagtigde is verschenen ;

dat voorts van zoodanige verschijning door gemagtigde uit het vonnis niet behoeft te blijken, omdat het door geene wetsbepaling wordt voorgascbreven, en het procos-verbaal der teregtzitting uitsluitend dient om te constateren al datgene wat op de teregtzitting is voorgevallen, en dus ook of de ged. iu persoon, dün wel bij gemagtigde is verschenen :

O., dat dit middel derhalve is ongegrond;

O. eindelijk, dat het achtste middel daarop is gegrond , dat de regter zijne uitspraak heeit bepaald op den 29 Junij 1874, ofschoon het onderzoek der zaak op den 16 Jung bevorens was afgeloopen, zoodat een langer termijn is genomen dan volgens de wet is geoorloofd;

0., dat werkelijk, blijkens het proces-verbaal, de regter de uitspraak heeft bepaald op Maandag den 29 Junij, nadat het onderzoek had plaats gehad en was gesloten op Dingsdag den 16 Junij bevorens; dat daardoor wel is gehandeld in strijd met art. 205 Strafvord., maar dat op het niet-nakomen dezer bepaling geene nietigheid is bedreigd;

0., dat derhalve ook dit laatste middel is ongegroud ;

Verwerpt enz.

Zitting van den 9 November 1874.

Webpen van beer zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders. — Hom der gemeente. — Vrijspraak. — Niet-ontvankelijkheid in cassatie.

Is, in \s regters opvatting in deze , de beslissing , dat zeker perceel bouwland niet is gebleken te behooren tot de kom der gemeente, om het werpen van vuil daarop volgens de onderwerpelijke verordening strafbaar te doen zijn , anders te beschouwen dan als eene beslissing omtrent het onbawezene van eene ten laste gelegde omstandigheid 1 — Neen.

De ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Waalwijk heeft zich in cassatie voorzien tegen een vonnis van den kantonregter te Waalwijk van den 3 Junij 1874, waarbij N. van Renesse Boll, oud een-en-vijftig jaren, notaris, geboren te Poederoyen, wonende te Vlijmen, met verwijzing van den Staat in de kosten, is vrijgesproken van hetgeen hem bij de dagvaarding is ten laste gelegd. j

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Coninck Liefsting, en de advokaat van den req., Mr. A. W"'. Jacobson, de voorziening nader bij pleidooi had bestreden, heeft de adv.-gen. Uümer de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden ! De gereq. is bij bet beklaagde vonnis vrijgesproken ; en de dikwijls moeijelijke vraag, of eene vrijspraak als een bedekt ontslag van regstvervolging kan worden beschouwd, doet zich hier onder deze omstandigheid voor, dat de regter het feit niet overtuigend heeft bewezen verklaard.

Bij zoodanig dictum schijnt toch de vrijspraak het gevolg te zijn van net gemis aan overtuiging bij den regter , dat de bekl. het feit heeft gepleegd; en daartegen kan, met het oog op art. 431 Strafvord., geen beroep in cassatie worden toegelaten.

Het blijKt echter uit de motieven van het vonnis, dat het dictum niet is gegeven met het oog op voornoemd artikel, maar dat de regter alleen heelt willen uitdrukken , dat hij niet overtuigd is, dat de min van den gereq., waarin de mest is geworpen, is gelogen in de kom der gemeente, zoo als bij dagvaarding is ten laste gelegd. JSn dan is het alleen de vraag, of dat bestanddeel van het misdrijf feitelijk of regtskundig is. De beantwoording dier vraag is m. i. in ca.su niet zoo gemakkelijk. "Art. 77 van de verordening bepaalt, wat onder de kom der gemeente voor de toepassing dezer verordening wordt verstaan : de Hooge Raad kan dus onderzoeken, of de regter een gedeelte der cemeente daaronder teregt al dan niet heeft gebragt. In zooverre is de vraag juris, omdat zij betreft de uitlegging en toepassing van eenige bepaling der verordening. Indien b. v. regter had beslist, dat de Hooge Maasdijk niet behoort tot de kom der gemeente, zou het artikel iTepaald geschonden zijn. Maar de beslissing zelve is m. i. facti. Het artikel rekent onder de kom der gemeente de geheele uitgestrektheid der straten, breeder daarin opgenoemd. Het vonnis beslist , dat de plaats, waar de mest is gebragt, is een gedeelte van een perceel bouwland , gelegen achter de woningen , 20 en 25 meters verwijderd van de straat, zijnde de zoogenaamde Voorstraat, welke in art. 77 tot de kom der gemeente wordt gerekend.

r Ik geloof niet, dat de Hooge Raad bij magte is om te onderscheit den of het perceel bouwland al dan niet behoort tot de kom der gemeente in den zin van het artikel; en wel om deze reden, dat de e "reuzen, binnen welke de kom der gemeente wordt begrepen, in het a artikel niet duidelijk zijn omschreven, maar alleen de plaatsen worr den vermeld, die tot de kom behooren. Nu beslist do regter, dat het I perceel niet behoort tot de straten in hare geheele uitgestrektZ ' heid, maar dat de mest op een afstand van 20 en 25 meters van

dat die plaats niet behet artikel niet zijn ge-

de straat is geplaatst. Door de beslissing ,

hoort tot de kom der gemeente, Kan m. ï. het artikel niet zijn geschonden.

Ik geloof echter, dat uit sommigo artikelen der verordening kan worden afgeleid , dat door de kom der gemeente iets anders wordt verstaan als de geheele uitgestrektheid der straten, zoo als het vonnis zegt en zoo als art. 77 schijnt aan te duiden. In art. 60 wordt verboden snb litt. a het ledigen van privaatputten of het vervoer van privaatmest in de kom der gemeente tusschen zo is- op- en ondergang; sub litt. g wordt verboden het plaatsen van mest enz. in de kom der gemeente zonder vergunning en buiten de gevallen, voorzien bij het Kon. besluit van 31 Jan. 1824 ; sub litt. h bevat het verbod om langs de straten enz. in de kom der gemeente huiden in het water te leggen. Daardoor blijkt m. i., dat door kom der gemeente in de verordening een zekere circuitus wordt uitgedrukt, eene plaats, tusschen bepaalde grenzen omschreven.

Dit blijkt ook m. i. uit de vergelijking van art. 60 , litt. </, met art. 62 , n°. 2 , litt. a.

Bij laatstgemeld artikel is o. a. verboden op de openbare straten mesthoopen te plaatsen; een verbod, hetwelk blijsbaar strekt om iedere belemmering te weren, en mitsdien eene geheele andere strekking heefs dan het verbod, gegeven in art. 60, litt. g.

Zoo zal bet verbod, in art. 62, n°. 8, gegeven, om te harddraven in de kom der gemeente niet uitsluitend op de eigenlijk gezegde straten in hare uitgestektheid betrekiung hebben , maar evenzeer op de voetpaden , pleinen of wandelingen , die in art. 60, litt. h, van de straten worden onderscheiden.

De uitdrukking »kom der gemeente» heeft in sommige attikeleu der verordening eene meer uitgebreide beteekenis dan de uitdrukking «straten.» Maar om eerstgemelde uitdrukking te bepalen , moesten wij ons houden aan de omschrijving van art. 77 voornoemd. Wij kunnen iu geen geval met den geachten steller der memorie dat artikel ophelderen uit andere besluiten.

De uitdrukking heeft daarenboven iu verschillende verordeningen niet altijd dezelfde beteekenis. De Hooge Raad vergelijke de zaak, beslist bij arrest van 13 Junij 1871, Weekbl n". 3354, Ned. Regtspr., dl. 98, bl. 163. In casu wijst de verordening geene grenzen aan, binnen welke de kom der gemeente is begrepen ; een perceel bouwland, gelegen op een afstand van vele meters van eene straat, welke behoort tot de kom der gemeente, moet daartoe niet noodwendig worden gerekend, al behoort de straat in hare geheele uitgestrektheid er toe. Het dictum van het vonnis bevat derhalve m. i. eene zuivere vrijspraak, lir is ten laste gelegd, dat het perceel ligt in de kom der gemeente; de beslissing daaromtrent hangt af van de localiteit, waarover de judex Jacti alleen kan oordeeleu, en dit feitelijk bestauddeel van het misdrijf is niet bewezen verklaard.

Ik heb de eer te concluderen tot niet-ontvankelijk-verklaring der voorziening; de kosten te dragen door den Staat.

De Hooge Raad enz.,

Gezien de memorie, waarbij als middel van cassatie is voorgesteld :

schending van art. 609 en art. 77 der algemeene poiitie-verordening van Vlijmen van den 19 Aug. 1873 , in verband met de artt. 210 en 234 Strafvord.;

Gehoord de pleidooi van den verdediger des gerequireerden; Overwegende, dat iu eerste plaats moet worden onderzocht, of de voorziening niettegenstaande de gegeven vrijspraak ontvankelijk is ;

O., dat de gereq. bij de dagvaarding is beklaagd, w var. op den 1 April 18.4, len acht ure des avonds in zijn tuin, Jiggeude in de kom der gemeente Vlijmen, op korten afstand (7.5 mater) van de woning van den veldwachter, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders, buiten de gevallen, voorzien bij art. 3 van het Kou. besluit van den 31 Jan. 1824 , door zijn arbeider A. van Helvoirt, wien hij daarvoor last had gegeven , beer (privaatmest; te hebben doen werpen;»

U., dat in het beklaagde vonnis feitelijk is beslist, dat de overige ten laste gelegde feiten wettig waren bewezen, doch dat niet was bewezen, dat de plaats, waar de mest is gebragt, lag binnen de kom der gemeente ;

ü. toch, dat die plaats, hoewel in de eerste overweging bij de algemeene bewezen-verklaring vermeld als gelegen in dan tuin van den gereq., bij de volgende, opzettelijk aan de beoordeeling dier plaats gewijde overweging wordt gezegd te zijn «een gedeelte van een perceel bouwland, toebehooreude aan bekl., achter diens woning 20 a 25 meters verwijderd van de straat, zijnde de zoogenaamde Voorstraat;»

O. dat wel in art. 77 der algemeene poiitie-verordening van Vlijmen van den 19 Aug. 1873 bepaald is, dat de Voorstraat behoort tot de kom dier gemeente, terwijl in de memorie (volgens welke de gtigeven vrijspraak een bedekt ontslag van regtsvervolging zijn zou) wordt beweerd, dat tot de kom moet worden gerekend de aan de straten, in de verordening genoemd, gelegene, aaneengebouwde huizen, in dien ruimeren zin, dat zij in elkanders nabijheid staan en van elkander gescheiden zijn door straten, grachten , pleinen of wandelingen, door tuinon of andere opene, maar van heiningen, hagen, hekken omringde plaatsen, die als aanhangsels van die woningen kunnen beschouwd worden; doch dat zelfs iu die opvatting de beslissing , dat een perceel bouwland achter eene der aan de straat gelegen woningen op 20 & 25 meters van die straat niet is gebleken te behooren tot de kom der gemeente, niet anders kan worden beschouwd dan als eene beslissing omtrent het onbewezens van eene ten laste gelegde omstandigheid;

O., dat de gegeven vrijspraak alzoo daarop steunt, dat eene der ten laste gelegde omstandigheden, die een bestanddeel uitmaakt van de bij dagvaarding bedoelde overtreding van ait. 60, litt. g, waarbij is verboden zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders mest in eeuig gedeelte van de kom der gemeente ie plaatsen, - niet is bewezen ,°en zulk eene vrijspraak met voor een bedekt ontslag van regtsve'rvolging kan worden gehouden, maar eene ware vrijspraak is, waartegen de voorziening in cassatie bij art. 381 StraiVo^- is uit-

86 Verklaart het gedaan beroep niet-ontvankelijk; de Coaten te dragen door den Staat.

en 25 meters van

Sluiten