Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag; 28 December 1874.

N« 3714.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

11EGTSKUNDIG NIEUWS- EK ADVERTENTIE-BLAD.

ZES-EN-DER TIGSTE JAARGANG.

JÜS ET VERITAS.

Dit blad verschijnt des Maandags en Donderdags, en om de veertien dagen, ook des Dïngsdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentièn, 20 cents per regel.— Bijdragen, brieven, enzfranco aan de Uitgevers. —■' Agenten voor OuitscAi nd: Haasenstein en Vogler, te Hamburg.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke kamer,

Zitting van den 27 November 1874.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Negotiorum gestio.— Aanneming.— Art. 1390 B. W.

Is art. 1390 B. W., in verband met art. 1839 B. Wgeschonden en verkeerd toegepast, doordien het Hof eene vordering, steunende op negotiorum gestio, alleen erkent, waar de gestor heeft uitgeoefend een regt van vorderen, toekomende aan hem, wiens zaken zijn waargenomen , en haar uitsluit, waar een belang is waargenomen op naam van den gestor? — Ja.

G. Goorkotte, eischer iu cassatie, procureur Mr. C. J. FBAN9018,

tegen

>j. A. Reimerink , verweerder , procureur Mr. M. Eysskll.

De adv.-gen. Smiü heeft in deze zaak genomen de volgende conclusie :

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden 1 Zoo als de Baad zich zal herinneren, heeft het Hof van Overijssel bij arrest van 15 Jan. 1872 geoordeeld, dat onbewezen was, dat de verweerder met den eischer en zekeren Spit was overeengekomen , dat zij te zamen zeker werk zouden aannemen, en dat de verweerder voor den eischer en Spit de aannemingsgelden zou ontvangen, en daarom de vordering van den tegenwoordigen eischer, strekkende tot voldoening van eene geldsom, die te weinig door den verweerder aan den eischer van die aannemingspenningen zou zijn uitbetaald,— ontzegd; voorts den eischer niet-ontvankelijk verklaard in zijn subsidiair beroep op negotiorum gestio , als zullende daardoor het onderw erp van den eisch zijn veranderd.

legen deze laatste beslissing werd eene voorziening in cassatie gerigt, met dat gevolg , dat bij uw arrest van 22 Nov. 1872 ( Weekbl. n°. 3530, v. D. Honert, Burg. liegt, XXXVII , 47 4, Ned. Regtspr., CII, 227) het arrest van het Hof werd vernietigd en de zaak aan dat Hof gerenvoyeerd , daar de Hooge Raad den eischer wel ontvankelijk in zijne vordering achtte, ook wat betreft zijn beroep op de vrijwillige waarneming zijner zaken , omdat de feiten, waarop de primaire vordering rust, te weten de gezamenlijke aanneming en de ontvangst der aannemingspenningen door den verweerder, alsmede het gevorderde in hoofdzaak dezelfde zijn gebleven als die, welke aanleiding gaven tot de subsidiaire vordering, en dus de feitelijke grondslag der vordering in zijn verband tot het gevorderde niet werd veranderd.

Dien ten gevolge werd de zaak weder voor het Hof 'in Overijssel aangebragt. Door het eerste gedeelte der vroegere beslissing waartegen de voorziening in cassatie niet gerigt was geweest, stónd het nu vast, dat hier aan geene overeenkomst tusschen de partijen te denken viel. Teregt merkt dan ook het nu beklaagde arrest van 22 Dec. 1873 in de eerste overweging in jure op, dat thans alleen moet worden onderzocht, of de negotiorum gestio , waarop het subsidiair beroep was gedaan , was bewezen. Het Hof overwoog verder, geheel overeenkomstig het arrest van den Hoogen Raad , dat ook de subsidiaire vordering rust op de gezamenlijke aanneming en op de ontvangst der aannemingspenningen; beslist voorts, dat de verweerder alle'en aannemer van het geheele werk is geweest, cn er geene sprake kan zijn van gezamenlijke aanneming tegenover den aanbesteder • dat de negotiorum geslio dus niet is bewezen; en bevestigt het oorspronkelijke vonnis, waarbij de vordering werd ontzegd.

Het thans tegen dit arrest gerigte eerste cassatie-middel luidt: schending en verkeerde toepassing van art. 1390 j°. i839 B. W., doordien het Hof eene vordering, steunende op de negotiorum gestio, alleen erkent, waarde gestor heelt uitgeoefend een regt van vorderen, toekomende aan hem, wiens zaken waargenomen zijn, en die uitsluit, waar een belang is waargenomen op eigen naam van den gestor.

itvoeiig en m. i. zeer juist is namens den eischer betoogd, dat het criterium van de negotiorum gestio niet gelegen is in het uitoe enen van een i egt van vorderen, aan den negotiorum dominus

jsster" """ - — •—*»»■- w-.

Die stelling wordt dan ook door den verweerder volstrekt niet tegengesproken , maar er wordt beweerd, dat het middel afstuit op de juistheid van het dictum en met-aannemelijk is , omdat de beslissing waartegen het gerigt isin, het arrest niet gevonden wordt; en omdat, waar niet beslist is, dat het gevorderde geld voor den eischer ontvangen is, nooit aan negotiorum gestio kan gedacht worden.

De vordering strekt, zoo als de tweede overweging in jUrê zegt tot betaling van het aan den eischer toekomend aandeel in de aannemingspenningen, door den verweerder ontvangen, wegens een door hem, benevens den eischer en Spit gedane aanneming. Zij rust zoo als dezelfde overweging zegt (ik merkte dit reeds op) op geza'men. lijke aanneming en op de ontvangst der aannemingspenningen.

Wanneer nu de grondslag van de vordering, de gezamenlijke aanneming, zoo als de vijfde overweging uitdrukkelijk zegt, niet bewezen '8' dan is het dictum altijd juist, en alleen ontzegging mogelijk, ook al mogt in het arrest eene minder juiste overweging over den aard van de negotiorum gestio voorkomen.

Bovendien geloof ik met den verweerder, dat de stelling, die de eiscner in het arrest leest, daarin niet wordt gevonden.

Ik zon althans uit het arrest niet durven opmaken, dat het Hof

W algeiBMi beslist, dat alleen negotiorum gestio bestaat, waar de V ">r heeft uitgeoefend een regt van vorderen, toekomende aan hem, '

wiens zaken zijn waargenomen, en niet waar een belang is waargenomen in eigen naam van den gestor. Het komt mij voor , dat het Hof in de vijfde overweging in jure redeneert uit de positie van den eischer. Gij eischt aannemingspenningen van den verweerder, omdat gij gezamenlijk met hem zoudt hebbea aangenomen , maar gij hebt niet mede-aangenomen; dus hebt gij geene aannemingspenningen van den aanbesteder kunnen vorderen, en evenmin de verweerder voor u van den aanbesteder eenig u toekomend aandeel.

Eindelijk is volstrekt bij het arrest niet uitgemaakt, gelijk ook in het systeem van het Hof niet behoefde, dat de verweerder eenige som voor den eischer, ja zelfs dat hij in het geheel eenige gelden van den aanbesteder heeft ontvangen. Zoo dus bij de feitelijke beslissing van het arrest het dictum niet juist was, en de beslissing, waartegen wordt opgekomen , in het arrest ware te vinden, zoude toch de conclusie van den eischer in cassatie niet, zoo als die gedaan is, kunnen worden toegewezen. Bij pleidooi is er wel op gewezen , dat art. 424 B. K. verwijzing zoude toelaten om dit punt nog te doen onderzoeken. Het arrest van den Hoogen Raad van 20 Febr. van dit jaar ( Weekbl. n». 3693) schijnt mij echter voor dergelijke beëindiging van deze zaak niet gunstig.

Als subsidiair cassatie-middel is voorgesteld: schending van art. 1962 B. W., omdat het Hof, niettegenstaande de bekentenis des verweerders, de door hem erkende feiten niet bewezen acht.

Namens den eischer is toegegeven, dat het middel niet tot cassatie zou kunnen leiden. En inderdaad het middel zou eerst dan kunnen opgaan, wanneer het Hof had uitgemaakt, dat er eene geregtelyke bekentenis omtrent zekere feiten bestond en toch had geweigerd die als volledig bewijs aan te nemen, hetgeen voi-trekt niet het geval is.

Beide middelen komen mij alzoo onaannemelijk voor ; en ik heb derhalve de eer te concluderen tot verwerping der voorziening , met veroordeeling van den eischer in de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Overwegende, dat ais eerste middel van cassatie is voorgesteld : schending en verkeerde toepassing van art. 1390, in verband met art. 1839, B. W., doordien het Hof eene vordering, steunende op negotiorum gestio, alleen erkent, waar de gestor heeft uitgeoefend een regt van vorderen , toekomende aan hem , wiens zaken zijn waargenomen, en haar uitsluit, waar een belang is waargenomen op naam van den gestor ;

0. te dien aanzien, dat het Hof bij hot bestreden arrest heeft geoordeeld, dat de negotiorum gestio , waarop de eischer in cassatie zich beroept, niet is bewezen , en zulks allée'n , omdat er hier van geene gezamenlijke aanneming, tegenover den aanbesteder, sprake kan zijn , en de eischer in cassatie derhalve tegen dien aanbesteder geene vordering had, welke door den verweerder kon worden ingevorderd ;

O., dat die redenering is onjuist, vermits waarneming van eens anders zaken niet vereischt, dat aan dien ander een regt van vordering toekome, maar, volgens art. 1390 B. W., iedere vrijwillige waarneming van eens anders zaak , welke dan ook , hetzij in naam des waarnemers zeiven of in naam van dien ander verrigt, den waarnemer onderwerpt aan de verpligtingen eens lasthebbers;

0., dat in deze door het Hof feitelijk is uitgemaakt, dat de verweerder in cassatie, toen geïnt., het voorstel van den eischer in cassatie, toen app., en Spit, -dat het werk maar op zijn naam moest worden gesteld», heeft goedgevonden; waaruit volgt, dat die verweerder, ofschoon dan ook in werkelijkheid het werk niet geheel op zich nemende, maar de uitvoering daarvan voor een deel aan den eischer in cassatie en Spit overlatende, echter, tegenover den aanbesteder, als aannemer is opgetreden;

O., dat hij dus bij het aannemen en het ontvangen der aannemingspenningen niet alleen zijne eigene zaak, maar ook de zaken van Spit en van den eischer in cassatie heeft waargenomen, en dienvolgens aan hen deswege, even alsof hij lasthebber ware, is rekenpligti<*;

O., dat het Hof derhalve, door aan te nemen , dat tot toepassing van art. 1390 het bestaan van eene aan den ander toebehoorende vordering vereischt wordt, dit artikel heeft geschonden ; dat het bestreden arrest dienvolgens behoort te worden vernietigd; en dat daarmede vervalt het onderzoek van het tweede, geheel subordinaat middel van cassatie;

0., dat echter door het Hof niet is uitgemaakt, welk gedeelte der ontvangen aannemings-soin aan den eischer in cassatie toekomt, en de Hooge Raad mitsdien niet ten principale kan regt doen;

Vernietigt het arrest, door het Prov. Geregtshof in Overijssel op den 22 Dec. 1873 in deze zaak gewezen ;

Wijst de zaak terug naar gemeld Geregtshof, ten einde, met inacht-neming van dit arrest, de zaak verder te behandelen en te beslissen; en

Veroordeelt den verweerder in de kosten, in cassatie gevallen.

(Gepleit voor den eischer Mr. H. Vreede, en voor den verweerder Mr. W. Thorbecke.)

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 16 November 1874.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Belemmering van een openbaar voetpad.— Voortdurende be-

| lemher1ng. — non bis in idem. exceptie. al of niet

openbaarheid. — bewijs. — aanwijzingen elqendom.

— Bekentenis. — Plaatselijke verordening. -

Auctor intellectualis. — Schorsing. — Geschilpunt van burgerlijk regt.

Waar ten laste wordt gelegd een blijvende toestand, waarvan wordt beweerd dat de persoon, die dien toestand laat voortbestaan, daardoor handelt in strijd met eenige strafverordening, levert daar het laten voortbestaan van den toestand, bij bekeuring na vroegere beregting geconstateerd, steeds een nieuw feit op, dat aan het oordeel van den strafregter kan worden onderworpen f

— Ja.

Kan het oordeel over de opvatting van zeker artikel eener plaatselijke verordening van invloed zijn op de beslissing omtrent de regtmatigheid van de afwijzing eener exceptie, waarbij het uitsluitend de vraag geldt, of het ten laste gelegde feit al of niet hetzelfde feit ts, waarover m eene vroegere vervolging het oordeel des regters gevraagd was? — Neen.

Kan de mogelijkheid om vier afzonderlijke feiten onder één gequalijiceerd feit zamen te vatten, het gewigt van elk feit als aan■ wijzing wegnemen f — Neen.

Kan de bewering, dat uit de gebezigde aanwijzingen geen bewijs voor de openbaarheid van het voetpad kan voortvloeijen, een punt van onderzoek in cassatie uitmaken t Neen.

Kan er wel sprake zijn van het aannemen door den regter van een gewoonteregt, zonder dat de wet daarop verwijst, wanneer de regter, van de aangevoerde aanwijzingen gebruik makende, om uit de uiterlijke teekens van een beweerd regt tot het werkelijk bestaan van dat regt te besluiten, geene regtsbepaling heeft atingevoerd of tot grondslag van zijne beslissing gelegd, ' waarvan hij het bestaan op grond der gewoonte aannam; en heeft hij ook gehandeld in strijd met art. 627 B. W., door te onderzoeken of er voldoend bewijs bestond om het beweerd bestaan van een openbaar voetpad over het land van den beklaagde volgens de aanqe'. voerde bewijsmiddelen aan te nemen f Neen.

Waarborgt art. 625 B. W. alleen dan het vrije gebruik van den eigendom, als het geen hinder toebrengt aan de regten van anderen en niet strijdt met de openbare verordeningen? Ja.

Konden de getuigen, voor zoover zij hebben verklaard, dat zij zeiven over het onderwerpelijke voetpad gegaan zijn, tevens verklaren dat zij van dat voetpad hadden gebruik gemaakt als van een openbaar voetpad ? — Ja.

Zijn door de wet bepaalde vormen, waarin van het gebezigde bewijsmiddel zou moeten blijken, of het noemen van dat bewijsmiddel voorgeschreven1 — Neen.

Volgens art. 443, h°. 4, Strafvord. het bestaan van aanwijzingen kunnende worden bewezen door de eigen erkentenis van den beschuldigde , zelfs buiten het geregt gedaan , volgt daaruit noodwendig, dat die erkentenis niet behoeft te zijn afgelegd in het aanhangig geding, maar mag zij, onverschillig waar of bij welke gelegenheid zij geschied zij, als aanwijzing worden gebezigd f —— J a.

Is hij, die, ter bereiking van een door hem beoogd misdadig doel last geeft aan een ander om de daarvoor noodige handelingen te verngten en die handelingen alzoo door dezen 'doet uitvoeren de dader van dat misdrijf ? — Ja.

Kunnen, waar het betreft eene overtreding van gewone politie daarop wet van toepassing zijn artt. 59 en 60 Strafreat t

— Neen. y

Bestond er, bij gebreke van eenig summier bewijs voor des beklaagden beweren, dat het bedoelde voetpad over zijn eigendom loopt, grond om het strafgeding te schorsen wegens het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk regtt — Neen.

C. Oneidus, landbouwer te Exmorra, heeft zich in cassatie voorzien tegen een vonnis van den kantonregter te Sneek van den 27 Julij IS74, waarbij hij is schuldig verklaard aan het belemmeren van de vrije passage van voet- of gangpaden op eene andere wijze dan is bedoeld bij art. 471, n». 4, Strafregt; en, met toepassing van art. 32 van het algemeen huishoudelijk reglement van politie voor de gemeente Wijmbritseradeel van den 14Febr. 1874, en art. 471, begin en n°. 5, Strafregt, benevens art. 1, initio en al. 9, der wet van den 22 April 1864 (Stbl. no. 29), — veroordeeld tot eene boete van ƒ2.50, ten bate der gemeente Wijmbritseradeel, en in de kosten van het regtsgeding, verhaalbaar bij lijfsdwang, met bepaling, dat de boete, zoo zij binnen twee maanden na aanmaning niet zal betaald zijn, zal worden vervangen door gevangenis-straf van één dag.

Nadat te dezer zake door den raadsheer Coninck Liefsting het verslag was uitgebragt, heeft de adv.-gen. Römer de volgende conclusie genomen:

Kdel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden I De onderwerpelijke zaak betreft , even als die van J. P. Sieperda no. 9743 der rol (Weekbl. no. 3793), welke nog onlangs bij den Hoogen Raad is behandeld, het afsluiten van een voetpad; en bij de geheel noodeloos op zegel geschreven memorie van cassatie worden zeven middelen waarvan sommigen met onderdeelen , aan de beslissing van den Raad onderworpen. Ik zal trachten de middelen zoo beknopt mogelnk te behandelen.

by het eerste middel wordt in de eerste plaats geklaagd over

Sluiten