Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Revindicatie. Zie Overeenkomst. 2923. 2.

Revindicatoir arrest. Zie Schipper. 2863. 3.

Revisie. Aanneming door het Wetgevend ligchaam in Frankrijk van de wet betreffende de — cler correctionnele en criminele vonnissen. 2895. 4.

Ridder (B.) c*. J- M. C van Bern, wed. J. van der Meulen. Noordh. 2887. 3.

Ridderorden. Zie Kanselarij. 2954. 1.

Rijden (Hard). Zie Reglementen. 2943. 1.

Rijks-advokaten. Over de—. Aanmerking in het voorloopig verslag ter Tweede Kamer over hoofdst. VII B der staatsbegrooting voor 1868 {Dep. van Fin. i, en antwoord der Regering. 2948. 4.

Rijn (P. van) in cass. 2*77. 2.

Rijnland. Dijkgraaf en Hoogheemraden van — ca. den voorzitter van het Bestuur van den polder Nieuwkoop en c'. Dijkgraaf en Hoogheemraden van Amstelland. Zuidh. 2920. 2.

Rijn-spoorweg-maatschappij (Ned.). De — c'. den Staat der Nederlanden. Noordh. 2907. 3.

— De — c». J. ten Holderen C. van der Heyden. Arnh. 2917. 2.

Rijtuigen (Ondernemer van openbare). Zie Ondernemer. 2901.3.

Rittmeijer en Comp. (J. E.) ca. D. B. N. 1'iebes. Amst. 2942. 3. (Verbetering 2943. 4.1

Rivier. Het door den vruchtgebruiker en den huurder van gronden langs eene bevaarbare en vlotbare — niet-wegruimen van een door hen in die — veroorzaakt beletsel, nadeelig voor den afvoer van het water, binnen drie maanden, na daartoe aangemaand te zijn. — Puinstorting. — Artt. 207 en 227 Strafvord. — Artt. 52 en 55 C. P. _ Arrete' van 19 Ventöse an VI. — Wet van 22 April 1864.

Geldt in ons land alsnog het decreet van 19 Ventöse an VI? — .Ta.

Is door dat decreet de ordonnantie van Aug. 1669 tot wet verheven? — Ja.

Wordt onder het woord engagiste in die ordonnantie aangeduid de vruchtgebruiker of pachter? — Neen.

Wordt daaronder alleen aangeduid hij, die aan de Kroon voorschotten deed en tot zekerheid daarvan eenig kroondomein in pand ontving? — Ja. Koerm. 2866. 3.

— Zie Puinstorting. 2926. 8.

Rochüssen rMr. J. J). 50 jarige regterlijke betrekking door hem gevierd. 290/. 4. ö

Roijen (Mr. J. A. van). Den heer - 0p verzoek eervol ontslag verleend als commissaris des Komngs in de provincie Groningen.

Roldaan. Uit het Zondagsblad. - Eene vreemde zaak. - tiegts-

geding van de gemeente Rotterdam c». — Mene 2956 3 Boxxmch regt. Over Modderman's opvatting van'het -'.2907. 4.

Rook (W.) in cass. 2876. 1.

Rook-uitgang. Zie Plaatselijke verordeninqen. 2912. 1.

Roos (J. M.) c'. Mr. J. C. de Vries qq. Amst. 2913. 4.

Roozenburg J.) liet Openb. Min. c. -. Kant. Naaldw. 2915. 3.

Ross (J.) c . C. H. Quien. Amst. 2858. 3.

Rossüm (L. van) c*. J. van den Berg c. s. en c». P. Broeren. Zuidh. 2865. 3.

Rotterdam. Uit het Zondagsblad. — Bene vreemde zaak. — Regtsgeding van de gemeente — c». Roldaan. Meng. 2956. 3.

Rottingslagen. Over de afschaffing der — in Ned. Indië; uittreksel uit het voorloopig verslag der Tweede Kamer over hoofdstuk IX der staatsbegrooting voor 1867 (Dep. van Kol.), en uit het regenngs-antwoord. 286 7. 4.

Rusland. Verblijdende uitkomsten van het nieuwe regtswezen. 2890. 4. Openbare en mondelinge behandeling van regtszaken ook bij de krijgsraden en militaire geregtshoven ingevoerd. 2914. 4.

— Bepalingen van het nieuw militair strafwetboek. 2920. 4.

■ Commissie benoemd tot onderzoek van het vraagstuk der afschaffing van den lijfsdwang. 2936. 4.

— Geregtelijke statistiek van —■. 2957. 4.

Rustverstoring. De bepaling van art. 478, n". 8, Strafregt kan niet worden toegepast, indien het bewijs wordt geleverd, dat de rust der ingezetenen niet is verstoord. Kant. Wageningen. 2946. 4.

Rutokrs (J.) in cass. 2869. 1.

Rijks-advokaten. Over de—. Aanmerking in het voorloopig verslag

s.

Salarissen. Zie Advokaten. 2913. 1; 2913. 4.

Schade. Niet-ontvankelijkheid in het hooger beroep van een vonnis des kantonregters, bij het voorhanden zijn der uitzondering, vermeld bij art. 44, n0. 2, R. 0. — Opzettelijk toebrengen van — aan eens anders roerende eigendommen.

Graankorrels, als nog niet met hunne wortels in den grond vastzittende, kunnen niet als onroerend goed worden beschouwd.

Bij het gebleken met opzet herhaaldelijk laten loopen op eens anders land van zijne kippen, die de daar onlangs gezaaide graankorrels hebben opgepikt, werkelijk — toegebragt aan eens anders roerend eigendom, en alzoo al de elementen aanwezig van het misdrijf van art. 479 , n". 1, C. P.

De niet-ontvankelijkheid in het hooger beroep van het vonnis des kantonregters verkeerdelijk gegrond op de overweging, dat het feit bij geene wet strafbaar zou zijn, omdat rogge, waarmede bouwland bezaaid is, geene roerende zaak zou zijn, en de uitzondering van art. 44, n". 2, R. O. aanwezig was.

Die niet-ontvankelijkheid alleen te gronden op de boete, bij art. 479, n1. 1, C. P. bedreigd, als zijnde beneden de som, bij art. 44, n". 2, R. O. vermeld. H. R. 2928. 2.

Schadevergoeding. Toewijzing door de Regtbank te Lyon van een eisch tot — van een koopman aan den ander wegens het in een brief min gunstig beoordeelen van diens soliditeit. 285 7. 4.

— Ontbinding. —• Contract.

Is eene vordering tot vergoeding, gegrond op eene uitdrukkelijke bepaling van het contract, ontvankelijk, zonder dat tevens wordt gevorderd ontbinding van het contract?—.Ta. H. R. 2895. 2.

—- Zie Bank \Nederlandsche\. 2943. 4; — Beslag. 2894. 1; — Betaling. 2901. 2; — Gemeente. 2875. 3; 28<5. 4; 'i908. 3; — Gemeentegoederen. 2907. 4 ; — Huur en verhuur. 2862. 4; 2865. 4; 2940. 2 ; — Jagt. 2954. 2; — Kerkelijke gemeente. 2s77. 3 ; — Koop en verkoop. 2900. 3; 2942. 4 ; — Lastgeving. 2886. 2; — Ligterbrief. 2888. 3 ; — Meel- en broodfabriek. 2890. 2 ; — Onteigening. 2861. Ij 2879. 2; 2882. 1; 2883. 1; 2897. 3; 2900. 2; 2906. 3; 2908. 3; 2952. 2; 2954. 2) 2954. 3; 2959. 1 ;— Overeenkomst. 2862. 2; — Plaatselijke verordeningen. 2874. 3 ; — Revindicatie. 2885. 2 ; — Schepeling. 2889. 2 ; — Schipper. 2929. 2 ; — Spoorweg-maatschappij. 2917. 2; — Straat. 2857.2;—Verzekering. 2859. I ; 2-81. 3; 2881. 4; 2898. 3; 2950. 2; — Voetpad. 1-914. 2.

Schekpsaandeelen Zie Zeeschepen. 2916. 2.

Scheepsvolk. — Desertie van boord. — Aanneming bij de reis. — Aanvang voor een bepaalden tijd.

Moet art. 397, n°. 11, W. K. worden beperkt tot het geval van huur voor eéne of meer zeereizen, doch zonder bijvoeging van tijd, of is deze bepaling mede van toepassing ingeval van verlating van de dienst vóór de afdanking na volbragte reis , doch 11a verloop

Scheiding en deeling eener huwelijks-gemeenschap. Nalatenschap.

— Natuurlijk erkend kind. — Regten van derden.

Gold onder het Fransche regt de toestemming door de moeder tot de huwelijks-verbindtenis harer natuurlijke dochter, gegeven bij de voltrekking van hetzelve , als erkenning ? — Ja.

Moet, al wordt de wettigheid der erkenning, geschied vóór de invoering van ons Burgerlijk Wetboek, teregt naar het Fransche regt beoordeeld, de regeling der nalatenschap aan het tegenwoordig regt worden getoetst, wanneer de moeder onder vigueur van dat regt is komen te overlijden ? — Ja. Drenthe. 2936. 3.

Is een eisch, gedaan te gelijk met de actie tot —, dat de Regtbank den publieken verkoop gelaste van de tot den boedel behoorende onroerende goederen, ongegrond en onregtmatig, te dien effecte, dat hij bij verstek moet worden ontzegd ?

— Ja.

Zijn door de dagvaarding alleen de mede-eigenaren in deze behoorlijk opgeroepen ? — Neen. Zwolle. 2946. 4. Zie Boedelscheiding. 2928. 2 ; — Gemeenschap. 2901. 1 ; — Huwelijk. 2931. 2 ; 2938. 3; — Registratie. 2904. 2 j 2905. 2. Scheiding van tafel es beo. Heeft het vonnis , waarbij de is uitgesproken, ten aanzien der scheiding van goederen de achteruitwerkende kracht, bedoeld bij art. 244 , 2de al., B. W. ? -— Ja. Gor. 2882. 3.

— Buitensporigheden, mishandelingen en grove beleedigingcn. — Verzoekschrift. — Daadzaken. — Verstek. — Afwijzing der vordering.

Moet, met het oog op artt. 816 en 826 B.R., het verzoekschrift tot — de opgave der daadzaken bevatten, waaruit de regter kan, en ook, ingeval van verstek, behoort af te leiden, dat buitensporigheden , mishandelingen en grove beleedigingen hebben plaats gehad, die tot zoodanigen eisch grond geven ? — Ja. Assen. 2897. 4.

— De van tafel en bed gescheiden vrouw, die bij het vonnis, waarbij de scheiding is uitgesproken, eene zekere som tot wekelijksch onderhoud heeft bekomen , heeft daartoe slechts verhaal op haren man in evenredigheid van diens staat en vermogen, maar heeft nooit regt daarvoor als creditrice op te komen in het faillissement haars mans.

Het regt der vrouw met betrekking tot het faillissement des mans bepaalt zich alsdan tot haar vermogen om in natura terug te nemen de goederen, die haar toebehooren en niet in de gemeenschap vallen , terwijl het effect der scheiding geen ander kan zijn, dan dat de goederen verdeeld worden volgens den stand der gemeenschap op den dag van het instellen der vordering tot —.

De tempore utili 11a de scheiding gedane afstand der gemeenschap strekt slechts om de vrouw te ontheffen van hare verdere aansprakelijkheid voor de gemeenschapsschulden, maar brengt overigens in het bovengestelde beginsel geene verandering. Amst. 2908. 4.

— Kinderen, aan de moeder toevertrouwd. — Overlijden der moeder. — Vervanging of voogdij ? Artt. 284, 285 B. W.

Is, als de echtgenoot, wie bij vonnis der Regtbank, waarbij

is uitgesproken, de kinderen zijn toevertrouwd, komt te overlijden, de Regtbank bevoegd op verzoek van een der bloedverwanten, de overledene moeder door een ander persoon te doen vervangen ? —Neen, volgens het Openb. Min. Ja, volgens de Regtbank.

Maakt art. 284, 3de al., B. VV. onderscheid, of de overledene persoon een der ouders of een derde persoon is ? — Ja, volgens het Openb. Min. Neen, volgens de Kegtbank.

Behoeven door de ontbinding des huwelijks de regelen omtrent voogdij in toepassing te worden gebragt. — Ja, volgens het Openb. Min. Neen, volgens de Regtbank. Midd. 2950. 2.

— Zie Echtscheiding. 2948. 4j — Faillissement. 2955. 1 ; 2956. 2; — Revindicatie. 29U3. 1.

Scheidslieden. — Pactum de compromittendo. — Oneven getal. Geldt ook bij het pactum de compromittendo de bepaling van art. 623 B. R., dat de — in oneffen getale door partijen in gemeenschappelijk overleg moeten worden gekozen? — Ja. Breda. 2890. 3.

— Appel. — Compromis. — Arbiters. — Hoofdsom.

Is het vonnis, waarbij op de vordering van e'éne der partijen arbiters zijn benoemd, vatbaar voor hooger beroep, indien de hooldzaak volgens de wet in het hoogste ressort door den gewonen regter zou moeten beslist worden ? — Neen. Noordbr. 2892. 3.

— Exceptie van incompetentie. — Koopman. — Domicilie. — Benoeming van arbiters.

Reglement voor den roggehandel op termijn van 18 Nov. 1859. Indien een koop en verkoop is gesloten onder bepaling, dat alle des betreffende geschillen zullen worden beslist door — , door de Regtbank te Amsterdam te benoemen, voor het geval partijen zieh omtrent die benoeming niet kunnen verstaan, kan, bij gerezen geschil , tegen de vordering tot benoeming van —, voor gezegde Kegtbank ingesteld, door den gedaagde niet worden voorgesteld de exceptie van onbevoegdheid ratione personae, op grond, dat hij geen koopman is en in een ander arrondissement gedomicilieerd. Art. 624 li. R.

Voormelde exceptie moet, ook waar de hoofdzaak eeniglijk is de benoeming van —, op zich zelve worden uitgewezen. Amst. 2960. 3.

— Zie Hooger beroep. 2954. 1.

Scheidsmuur (Gemeene;. Zie Eigendom. 2860. 1.

Schi ld woorden. Zie Beleediging. 2869. 3.

Scheltes (P.j e'. J. lioekholtz. Amst. 2943. 4.

Schenking. — Uitlegging van acte. — Res inter alios acta. — Bouwen op eens anders grond met toestemming des eigenaars. — Negotiorum gestio. — lugen belang.

Wanneer de schenker bij de acte van donatie, aan de kerkfabriek van een gehucht uit eene gemeente gedaan, heeft bepaald, dat het geschonken erf zal strekken ten voordeele van den tijdelijken koster en onderw ijzer van dat gehucht, dan put de gemeente uit die acte geen regt tot het instellen van eenige actie om het geschonkene ter vrije beschikking te laten liggen, hetzij van den onderwijzer, hetzij van de gemeente, om het tot dat einde te doen strekken.

l'.venmin kan de gemeente het werkloon en de bouwstoffen terugvorderen voor hetgeen zij op het geschonken erf heeft gebouwd, indien dit heeft plaats gehad 11a toestemming van, en overleg met de begiftigde kerkfabriek ; ook kan zij geene negotiorum gestio voorwenden , vermits zij moet geacht worden te hebben gehandeld in haar eigen belang. Maastr. 2919. 2.

>, chepeling. Verminking. — Blindheid. — Schadeloosstelling. Bewijs. — Expertise.

Begrip van verminking in den zin van art. 423 W. K. erminking, ofschoon meestal het gevolg van verwonding, kan evenzeer het gevolg van ziekte zijn.

. einde de vordering tot schadeloosstelling wegens verminking te kunnen beoordeelen, moet niet alleen zijn bewezen, dat die is ontstaan tijdens de dienst op het schip, maar ook ten gevolge van geweldige zee-wederwaardigheden, rustelooze bemoeijingen tot redding en behoud van schip en lading, en stooten en schokken, daarbij opgedaan en ondervonden; deze, zonder nadere aanwijzing, als oor-

e afdoende omstandigheden TOintrent moet worden ont¬

zegd en ook geene termen aanwezig zijn om een onderzoek van deskundigen te bevelen. Noordh. 2889. 2.

Schepeling. De afgedankte—is in het algemeen bevoegd te bewijzen, dat zijne afdanking zonder wettige redenen heeft plaats gehad, ook al wordt de daad der afdanking met de redenen daarvan in het scheepsjournaal en het strafregister vermeld.

Aan voornoemd regt, bij art. 438 W. K. gegeven, derogeert niet de bepaling, voorkomendein art. 397,n°.7, W. K., volgens hetwelk de monsterrol moet bevatten het vermogen van den schipper om af te danken en zonder gagie vóór zijn vertrek aan land te zetten ieder lid der equipage , die zich in eene qualiteit verhuurt, waartoe hij onbekwaam is.

In de bepaling van art. 397, n°. 7, ligt alleen opgesloten de bedoeling des wetgevers om het scheepsvolk bijzonder opmerkzaam te maken op de gevolgen van onbekwaamheid en de buitengewone straf [geen gagie), daaraan verbonden, maar niet om het scheepsvolk te verpligten zich contractueel ten aanzien hunner bekwaamheid geheel en alleen aan het oordeel van den schipper te onderwerpen, zonder later beroep op den gewonen regter, die èn naar algemeene regtsbegmselen èn ook naar den geest der wet van 7 Mei 1856 {Stbl. n«. 32), op de tucht op de koopvaardijschepen (meer speciaal art. 17), geroepen is de al of niet wettigheid der afdanking ook op grond van onbekwaamheid te appreciëren.

De speciale vermelding van onbekwaamheid bij art. 397, al. 7, obsteert daaraan niet, dewijl bij art. 3:)7, n". 15, evenzeer stellig wordt voorgeschreven de vermelding der algemeene verpligting «bovendien na te komen, hetgeen verder bij het Wetboek van Koophandel is voorgeschreven,» waartoe mede behoort de verpligting des schippers, bij art. 438 vermeld. Amst. 2918. 3.

—1 Zie Kwetsuren. 2891. 3.

Schetsteekening. Zie Deskundigen. 2860. I.

Schieebaan (Mr. G. P.). De heer — benoemd tot ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw. 2879. 4.

Schierbeek (M.) in cass. 2873. 2.

Schip. Zijn kosten, gemaakt om een gezonken — boven water te brengen, reparatiekosten 2 — Ja. H. K. 2896. 1.

Ltie bremeente. 2875. 3j 2875. 4j 2908. 3 ; —• FTuiir en verhuur• 2862. 4; — Verzekering. 2859. I; 2898. 3.

Schipper. — Stoomboot. — Spoorwegbrug. — Doorvaart. — Nietafsluiting van stoom. — Afstandborden. —• Bevelen van den brugwachter. — Beweerde overtreding van art. 6 van het reglement voor de scheepvaart bij de spoorweg- en stadsbrug over de rivier den IJssel bij Zutphen. — Ontslag van regtsvervolging.

Houdt niet de bepaling van gemeld artikel eene volstrekte en onvoorwaardelijke verpligting in van de schippers, ook zonder voorafgaande waarschuwing of bevel, om. bij het naderen der bruggen, vóór het bereiken der afstandborden, naar gelang zij zeil- of stoomschepen voeren, zooveel noodig de zeilen te strijken of in de gij te brengen of wel den stoom af te sluiten, en in het algemeen het noodige aan te wenden tot zooveel vaartvermindering van het schip, dat bij de bedoelde borden het zoo noodig kan worden stilgehouden? — Ja.

Bestaat derhalve, terwijl de mate der aan te wenden middelen ter verantwoording des schippers is gelaten, het criterium der al dan niet voldoening aan hunne eerstbedoelde verpligting in het vermogen om de schepen bij de afstandborden te doen stilhouden ? — Ja.

Was er dus in deze sprake van overtreding van meergemeld artikel? — Neen. H. R. 2858. 2.

— Is in casu bewezen, dat de eischer is geadresseerde? — Ja.

is de instructie, door den Raad van Utrecht op 24 April 1797 vastgesteld voor de commissarissen van het schietschuitenveer van Utrecht op Amsterdam, nog van kracht? — Neen.

Bestaat er eene regtsbetrekking tusschen den — en geadresseerde, zoodat laatstgemelde van eerstgemelde de afgifte der aan zijn adres ingeladen goederen kan vorderen? — Ja.

Is in casu dus toepasselijk art. 1353 B. W.? — Ja.

Is de zin van art. 312 B. R., dat alleen dagvaardingen en bovendien alleen aan boord van zeeschepen kunnen worden gedaan, of is de strekking van dit artikel algemeen, zoodat ook andere exploiten en aan boord van elk schip kunnen gedaan worden in zaken, welke de scheepvaart betreffen en onmiddellijk voorziening bij voorraad vereischen? — In laatstgemelden zin beslist.

Is het ten deze door den eischer, geadresseerde, op de in het schip geladen goederen gelegd revindicatoir arrest wettig? — Ja.

Kan de gedaagde — de van-waarde-verklaring van dit arrest tegenhouden, op grond, dat de geadresseerde niet heeft bewezen eigenaar der in beslag genomen goederen te zijn? —Neen.

Moet de geadresseerde als eigenaar worden aangemerkt, totdat het tegendeel wordt bewezen? — .Ta.

Is het woord bezitter in art. 721 B. R. op te vatten in den zin van art. 585 B. W,, of wordt daarmede ook verstaan de houder ?

— In laatstgemelden zin beslist. Regtb. Utr. 2863. 3.

— Lading. — Geregtelijke bezigtiging. — Graan. — Verhitting. Vrachtberekening.

Het verzuim der formaliteit van de geregtelijke bezigtiging, voorgeschreven bij artt. 494 en 495 W. K., kan door den — niet worden tegengeworpen, indien het geschil alleen loopt over de verschuldigde vracht in betrekking tot de beschadigde hoeveelheid der lading.

Evenmin kan in dit geval de aanteekening van de beschadigde hoeveelheid op het cognoscement door hen , die voor den geconsigneerde de lossing bewerkstelligden, eenig regtsgevolg hebben.

De clausule in de cherte-partij, dat de — bij de vracht-berekening eener lading graan, wanneer die geheel ol' ten deele beschadigd wordt uitgeleverd, de keuze heeft om te vorderen halve vracht voor het beschadigd ontlaste, of wel volle vracht over degeheele bij cognoscement uitgedrukte ingenomen maat, is ook van toepassing ingeval van eene geheel tijdelijke verhitting van een deel der lading, al heeft die geen blij venden schadelijken invloed op de qualiteit. Amst. 2883. 2.

— De geconsigneerde is ongehouden tot betaling, zoolang hem niet de geheele lading is uitgeleverd , en is mitsdien geregtigd te bewijzen, dat die volledige aflevering geen plaats heeft gehad.

legen deze bevoegdheid tot bewijslevering doet niet af, dat het cognoscement achter de woorden: »volle en complete lading" vermeldt: »in 152 ton gietijzer,» en dat de — beweert en aanbiedt te bewijzen, dat hiervan aflevering heeft plaats gehad. Zuidh. 28:14. 4.

—- raking van getuige. — Bediende — Ontslag in fraudem legis.

— Belang bij het geding.

De kapitein eener stoomboot is bediende van den eigenaar van het schip.

Het gaat niet aan hem uit de dienst te ontslaan, alleen om hem als getuige te kunnen doen hooren.

llij heeft belang bij het geding, dat gevoerd wordt ter zake eener aanvaring, die aan zijne schuld wordt toegeschreven. Maastr. 29u9. 4.

— Is in casu bewezen, dat de geïntimeerde is geadresseerde ? — Ja.

Bestaat er eene regtsbetrekking tusschen den —- en geadresseerde, zoodat laatstgemelde van eerstgemelde de afgifte der aan zijn adres ingeladen goederen op eigen naam kan vorderen? — Ja.

Is in casu dus toepasselijk art. 1353 B. W. ? — Ja.

Is de sommatie, in casu ten verzoeke van den geïntimeerde ,

Sluiten