Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 2866.

verhandelde ter teregtzitting, het Hof, bij incidenteel arrest van denzelfn datum als het eind-arrest, het verzoek des requirants heeft afgeweW j' °*'. ër°iiden , in dat arrest vermeld;

dat, ingevolge extract uit de registers, ter griffie van het Prov. Geregtshof in Friesland ter aanteekening van het beroep in cassatie gehouden, de req. op den 6 Aug. 1866 is in cassatie gekomen tegen et arrest, op dienzelfden dag gewezen door dat Geregtshof, regt sprekende in cas d'appel , en derhalve niet tegen dat incidenteel arrest;

O., dat dus alleen tegen het veroordeelend arrest voorziening in cassatie zijnde aangeteekend, hetgeen door den req. is aangevoerd zoowel tegen genoemd incidenteel arrest als tegen hetgeen dien ten gevolge verder in de instructie voor het Hof heeft plaats gevonden /nogt zijn nagelaten, geen onderwerp van onderzoek in dit cas'a je-proces kan uitmaken ;

■ aangaande het in de laatste plaats beweerde omtrent schending van de bepalingen van het burgerlijk regt, dat daarbij geene artieten ^ als geschonden zijn aangegeven, en dat, bij de feitelijke , issing omtrent het bewezen zijn van het ten laste gelegde feit, 1 aarvan in cassatie geene sprake kan zijn; dat dus het geheele voorgestelde middel is ongegrond;

verwerpt enz.

Zitting van den 13 November 1866.

Ontvankelijkheid in cassatie. — Vbijspraak. — Bedekt

n ontslag van regtsvervolging. — plaatselijke ver-

;t ordening. — Het op de openbare straat enz.

.. , "werpen van puin.

- *-s eene voorziening in cassatie ontvankelijk tegen eene vrijspraak,

g gegrond op de regtskundige beschouwing, dat de plaats , waar

|fl een zeker feit gepleegd is, niet behoort tot die, bij de onderwer-

, pelijke politie-verordening bedoeld ? — Ja.

i. j Is een Gemeentebestuur , krachtens art. 13 ï der gemeentewet, in

i/i verband met art. 6*25 B. W., bevoegd op alle open plaatsen

, in de gemeente, en daaronder ook wallen enz., het neerwerpen

jt "O" onreinheden en dergelijken te verbieden, ook dan, wanneer

die plaatsen aan bijzondere personen in eigendom moijten toebehoor en? — Ja.

is

De ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Haarlem is req. van cassatie tegen een vonnis van gezegd Kantongeregt van den 20 Julij 1866 , waarbij de thans gereq. N. P. Blesgraaf koopman in puin, wonende te Haarlem, is vrijgesproken , de kosten te dragen door den Staat, van het hem ten laste gelegde feit van, °P den 22 Junij 1866 , des namiddags ten half drie ure, bevonden y 'e zijn een aanzienlijken hoop puin te hebben geworpen of'doen werpen op den openbaren weg of straat, vóór zijne woning, aan de wal„ zijde.

Nadat te dezer zake door den raadsheer van der Sande het p Verslag was uitgei,ragt > heeft de adv.-gen. Romer de volgende con¬

clusie genomen;

Boog Achtbare Heeren, President en Raden 1 Ofschoon bij de tl Y em°rie van cassatie geene artikelen zijn aangewezen, welke bij het

j ni}'s a quo geschonden zouden zijn, zoo berust echter de voor-

ening blijkbaar op de schending van art. 6 en verkeerde toepassing an art. 210 Strafvord. Het dispositief van het vonnis bevat eene ^ Vrijspraak, en de gewone vraag doet zich dus voor, of het beroep in

cassatie ontvankelijk is. Ter beantwoording dier vraag moet ik de aandacht van den Raad vestigen op de dagvaarding, op het feit, hetWelk bewezen is verklaard, en op de verordening, welker toepassiuc het geldt.

Er is ten laste gelegd aan den gereq. het werpen van puin op den Openbaren weg of straat, vóór zijne woning, aan de walzijde.

De kantonregter beslist, dat het puin was geworpen niet op, maar aan de openbare straat, en deze beslissing schijnt alzoo feitelijk te zijn. Wanneer wij haar echter in verband beschouwen met de gronden, waarop zij berust, dan vermeen ik, dat hij steunt op de uitlegging der verordening, en dus regtskundig en niet feitelijk is. Het feit 18 door den gereq. niet ontkend, en de kantonregter neemt in de zesde overweging als bewezen aan, dat het puin was geworpen op den wal, doch beslist tevens, dat de bewering van den gereq., dat uie wal zijn bijzonder eigendom is, is aannemelijk ; dat die wal dus niet { behoort tot de openbare straat en de politie-verordening geene be-

( t,ekking heeft op het privaat eigendom. De beslissing berust derhalve °P de uitlegging van art. 174 der politie-verordening. Zij betreft de j ^'aag, welke plaatsen aldaar worden bedoeld, en de Hooge Raad kan onderzoeken, of de regter het criterium van het feit al dan niet «regt in het eigendomsregt heeft gezocht.

„ Al't. 174 bepaalt, wat de verordening begrijpt onder straten en

egen. Onder de straten worden onder anderen begrepen de bestrate r ballen, en onder de wegen onder anderen de onbestrate wallen.

Het eigendomsregt doet hier derhalve niets ter zake.

H Het werpen vau puin op straten of wegen is onvoorwaardelijk

D verboden, onverschillig wie daarvan eigenaar is. De verordening is

®e"e politie-verordening, welke ook het gebruik van het eigendoms( kan beperken. Evenzeer behooren de stoepen der woningen in

de" 'e?e' aau de eigenaren en moeten door deze onderhouden wor5 het' 'Jlt neenlt echter niet weg, dat het uitstallen van goederen of

ij P'aatsen van voorwerpen op de stoepen bij politie-verordening, ö ',1J ln het belang der openbare veiligheid, hetzij uit anderen hoofde,'

i, m w°rden verboden.

dekt151 mij"e meening moet de gegeven vrijspraak dus als een be-

i , OtltsW Vnn TirAfHon VlPKI'h nnwrl nmrlnt. Ho

* ntterdn 1 ® ICgtÖ YCI VUigAllg, >

" strafh heslist, dat het nederwerpen van puin op den wal geen

t . *n<üen oplevert >. ■wanneer de wal is privaat eigendom,

ft dan ise^ regter nu in die opvatting van het artikel heeft gedwaald,

ij art. 6 «f1 Sevolg van deze beschouwing, dat geene schending van

JUy cje ralvord. bij het vonnis a quo heeft plaats gehad.

regt van !*ll5niorie wordt, wel is waar, beweerd, dat het eigendomsniet w'0 ,, Sereq. op den bèwusten wal door de gemeente Haarlem e'Sendo' er^e"d- Uit het vonnis blijkt echter volstrekt niet, dat dat Pont v "16re°t 's betwist, en dat er dus hier zoude zijn een geschilkelüu a" 'nu'gei'lijk regt, van weiks beslissing de straf-actie afhan^ z°ude zijn.

zinsl'16n echter bij de verordening het werpen van puin als anderj 'oiire vvallen onvoorwaardelijk is verboden , dan had de kan¬

aal 5 ' na in facto te hebben uitgemaakt, dat het puin op den feit d nedergeworpen door of op last van den gereq., ook op dat ^et tf dreigde straf moeten toepassen. In zooverre vereenig ik mij Van i bewering van den heer req. van cassatie , dat, afgescheiden

' Vforri "aa§ over het eiëendom van den wal» niet mogt gehandeld

«en in strijd met de politie-verordening. i ^ ® kantonregter heeft dus mijns inziens art. 210 Strafvord. ver¬

der toegepast en art. 70, in verband met artt. 174 en 31, Jitt. a, » v®rordening en art. 1 der wet van 22 April 1864 geschonden.' *k heb alzoo de eer, namens den heer proc.-gen., te concluderen

tot vernietiging van het beklaagde vonnis j en voorts, dat de Hooge Raad, op het bewezen verklaarde feit regt doende ten principale, den gereq. zal schuldig verklaren aan het werpen van puin op een wal in de gemeente Haarlem; en hem te dier zake zal veroordeelen tot betaling eener boete van f 3, bij niet-voldoening, na aanmaning ingevolge de wet, tot eene subsidiaire gevangenis-straf van e'én dag , en met verwijzing in de kosten , zoo voor het Kantongeregt als in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie;

Overwegende, wat de ontvankelijkheid dezer voorziening betreft, dat in de eerste overweging van het beklaagde vonnis als bewezen is aangenomen, dat de nu-gereq., ten tijde voormeld, eene aanzienlijke hoeveelheid puin op den openbaren weg of straat, vóór zijne woning, aan de walzijde, aan het Spaarne, te Haarlem, heeft nedergeworpen en doen nederwerpen, gelijk zulks bij dagvaarding hem was ten laste gelegd ;

dat echter bij de verdere overwegingen nog is aangenomen, dat die puin was liggende aan de straat, tusschen het Spaarne en de Rijbaan, en dat de wal en grond, waarop de puin lag, blijkens overgelegde bescheiden, is de eigendom van den gereq., waaruit zou volgen, dat, ook in den zin van art. 174 der algemeene politie-verordening voor Haarlem van den 6 Mei 1861, die plek geenszins als openbare straat of weg kon worden aangemerkt; en dat derhalve , vermits slechts bleek van het liggen der puin aan en niet op den openbaren weg of straat, gelijk de dagvaarding luidde, het ten laste gelegde feit niet was bewezen;

0., dat de vrijspraak , daarop gegrond, dus niet berust op het ontbreken van eenig feitelijk bestanddeel van het ten laste gelegde, maar op de regtskundige beschouwing, dat de plaats, waar het feit gepleegd is, niet behoort tot die, bij de politie-verordening bedoeld;

U., dat die vrijspraak alzoo niet is zulk eene ais waartegen, volgens art. 381 Strafvord., geen gewoon beroep in cassatie openstaat, maar werkelijk is een bedekt ontslag van regtsvervolging; en dat mitsdien de tegenwoordige voorziening is ontvankelij k ;

O. nu, dat, ofschoon bij de memorie geene wets-artikelen bepaaldelijk als geschonden of verkeerd toegepast zijn aangewezen, de strekking daarvan kennelijk doelt: 1°. op schending , door niettoepassing , van de tegen het feit ingeroepen artikelen der gemelde verordening; en 2°. op schending van art. 6 Strafvord, door het niet-schorsen der regtsvervolging, totdat de praejudiciële quaestie zou zijn beslist;

O., wat het eerste beweren betreft, dat art. 31a der verordening , op straffe der bij art. 70 bedreigde boete van ƒ 3 , verbiedt: " onreinheden, asch, vuilnis of puin op straten of wegen , of in openbare wateren te werpen, of te laten vallen, u terwijl art. 174 der algemeeue bepaling inhoudt, dat: «onder straten in deze verordening begrepen worden alle straten, stegen , markten, pleinen en bestrate bruggen en wallen; onder wegen alle onbestrate wegen, lanen , voetpaden , onbestrate wallen en opene plaatsen ; <>

O., dat in die artikelen alzoo geen spraak is van openbare wegen of straten in engen zin, maar, zoo algemeen mogelijk, van alle openbare plaatsen, waaronder ook wallen enz., zonder eenige onderscheiding van publiek of privaat eigendom;

O., dat het Gemeentebestuur, krachtens art. 135 der gemeentewet, in verband ook met art. 625 li. VV., allezins bevoegd is op zoodanige plaatsen het neerwerpen van onreinheden, asch, vuilnis of puin te verbieden, ook dan zelfs, wanneer die plaatsen aan bijzondere personen in eigendom mogten toebehooren ;

O., dat nu, injacto vaststaande, dat het puin is geworpen op een niet van de rijbaan afgesloten en dus open gedeelte wal, ook al zij dit het bijzonder eigendom van den gereq., de vermelde verbodsbepaling daarop van toepassing moet zijn :

O., dat alzoo het eerste beweren is gegrond, waardoor het onderzoek van het subsidiair aangevoerde vervalt;

Vernietigt het vonnis, door den kantonregter te Haarlem op den 2u .Juiij jj. in deze zaak gewezen ;

krachtens art. 105 R. O., regt doende ten principale op de als bewezen aangenomen daadzaken,

on eeue^smJnfd'f het werpen van Puiu °P een open wal, en alzoo

t , • °, ^_eS te Haarlem, daarstellende overtreding van , ' ar " .'4 der aigemeene politie-verordening voor Haar¬

lem van den 6 Mei 1861, waartegen straf is bedreigd bij art. 70, aanhef en 2de lid, derzeiide verordening en art. 1, aanhef en voorlaatste lid, der wet van den. 22 April 1864 {Stbl. n". 29], luidende genoemde artikelen enz.;

Verklaart den gereq. schuldig aan de daadzaken, gequalificeerd als boven, en veroordeelt hem te dier zake tot eene geldboete van f3, met bepaling, dat, zoo hij die niet betaalt binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, de boete vervangen zal worden door gevangenis-straf van e'én dag ;

Veroordeelt hem tevens in de kosten, zoo voor het Kantongeregt als in cassatie gevallen.

ABRONDISSEMENTS-REGTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE ROERMOND. Rainer van Strafiahen.

Zitting van den 18 September 1866.

Voorzitter, Jhr. Mr. H. Michiels van Verdütnen.

Artt. 207 en 227 Strafvord. — Artt. 52 en 55 C. P. — Arreté van 19 Ventöse an VI. — Wet van 22 April 1864.

Geldt in ons land alsnog het decreet van \ 19 Ventóse an VI ? —: Ja.

Is door dat decreet de ordonnantie van Aug. 1669 tot wet verheven t — Ja.

Wordt onder het woord engagiste in die ordonnantie aangeduid de vruchtgebruiker of pachter? Neen.

Worut daaronder alleen aangeduid hij, die aan de Kroon voorschotten deed en tot zekerheid daarvan eenig kroondomein in pand ontving ? — Ja.

Het Openb. Min.

tegen

lo. C. Guillon , te Roermond, voor wien bij onderhandsche volmagt verschijnt Mr. Guillon ;

2°. J. L. Baudrihaye, oud vijf-en-zestig jaren , aannemer, geboren te Luik, wonende te Roermond, in persoon verschenen.

De Regtbank enz.,

Gezien de acte van dagvaarding, aan de beklaagden behoorlijk

beteekend, ten einde te worden teregtgesteld ter zake van, op deu 15 Julij 1S65, beiden niet te hebben voldaan aan een besluit van den heer commissaris des Konings in Limburg van den 23 Maart 1865 , n°. 1138/6, waarbij aan hen was aangezegd om binnen drie maanden op te ruimen eene vóór den 16 Maart 1865 door den eersten bekl., als vruchtgebruiker, en door den tweeden bekl., als huurder, veroorzaakte puinstorting aan de perceelen nis. 1117 en 1342, sectie A, gelegen te Maasbracht, aan de rivier de Maas, welke voor den afvoer van het water van de rivier de Maas belemmerende puinstortingen voorhanden zijn langs en tegen den oever van perceel no. 1342, mede op en tegen en voor den rivier-oever aan meergemeld perceel n". 1117, en waardoor de oever van perceel n". 1342 over eene lengte van ongeveer 200 el op onregelmatige wijze is verhoogd en de oever van perceel n°. 1117 rivierwaarts is vooruitgebragt minstens 3%, el, gemeten op de hoogte van den waterstand 21.05 el boven A. P. aan de peilschaal te Maasbracht, zoodat een gedeelte van de rivier ter oppervlakte van 180 vierkante el is ingenomen;

Gehoord de lezing van een proces-verbaal van den 14 Oct. 1863, opgemaakt door den kantonnier, wonende te Ohe en Laak, van een, opgemaakt den 16 Maart 1866 (zegge 1865) door den ingenieur van den waterstaat, gestationneerd te Roermond ; besluit van den commissaris des Konings in Limburg dd. 23 Maart 1865 , verklaringen van ontvangst dd. 25 Maart 1865 van de heeren Guillon en Baudrihaye; proces-verbaal, opgemaakt den 15 Julij 1865 door voornoemden ingenieur, en de acte van verwijzing dezer zaak naar de openbare correctionnele teregtzitting;

Gehoord de onder eede afgelegde verklaring van vijf getuigen ;

Gelet op het overgelegd requisitoir van het Openb. Min., ten deze vertegenwoordigd door den Ed.Achtb. heer subst.-officier van justitie, waarbij wordt geëischt en geconcludeerd, dat de beklaagden voornoemd zullen worden schuldig verklaard aan voormeld feit, welk feit behoort te worden gequalificeerd : het, door den vruchtgebruiker en den huurder van gronden langs eene bevaarbare en vlotbare rivier niet-wegruimen van een door hen in die rivier veroorzaakt beletsel, nadeelig voor den afvoer van het water, binnen drie maanden na daartoe aangemaand te zijn; en zullen worden veroordeeld ieder tot eene geldboete van f 250, met bepaling, dat de boete, zoo de veroordeelden haar, twee maanden na daartoe te zijn aangemaand, niet betalen, zal vervangen worden door gevangenis-straf van eene maand voor ieder, alsmede inde kosten van het regtsgeding, deze hoofdelijk des noods invorderbaar bij lijfsdwang, overeenkomstig de artt. 207 en 227 Strafvord., en de artt. 52 en 55 Strafregt, arreté van 19 Ventöse an VI, I der wet van 22 April 1864;

Gehoord de beklaagden in hunne antwoorden en in hunne middelen van verdediging, voorgedragen door Mr. Guillon;

Overwegende, dat door een proces -verbaal, opgemaakt door W. H. Beumen, kantonnier der rijkswerken langs de rivier de Maas en onbezoldigd rijks-veldwachter, wonende te Ohe en Laak, op den eed, bij den aanvang zijner bediening gedaan, is gebleken, dat hij op den 12 Oct. 1863 bevonden heeft, dat J. M. Janssen, M. Ledang en L. Helwegen, allen wonende te Maasbracht, bezig waren met kruiwagens puin, afkomende van brikkenovens, geplaatst op een perceel weiland, genaamd de Meersengriend, onder de gemeente Maasbracht, te storten op den oever der rivier de Maas, tegenover gemeld perceel, over eene lengte van 25 ellen ;

0., dat door een proces-verbaal, opgemaakt door H. A. J. W. van Beusekom, ingenieur van den waterstaat in het noordelijk arrondissement van het 7de district (hertogdom Limburg), den 16 Maart 1865 op den ambtseed opgemaakt , is voortgevloeid: dat sedert eenigen tijd aan de perceelen n's. 1117 en 1342, sectie A, in de gemeente Maasbracht, beide gelegen aan de rivier de Maas en in eigendom toebehoorende aan den heer C. Guillon , notaris te Roermond , puin stortingen zijn geschied langs den rivier-oever, hunnen aanvang genomen hebbende ongeveer in Sept. 1863; dat die puin afkomstig was van steenbakkerijen, opgerigt door en voor rekening van den heer J. L. Baudrihaye c. s., te Roermond; dat die puinstortingen geschied zijn op last van gemelden heer Baudrihaye; dat cToor dezelve tegenover den vroeger bestaan hebbende oever-rand een gedeelte van de rivier, ter oppervlakte van 180 vierkante ellen, is ingenomen ; en dat die puinstortingen gedaan zijn op plaatsen, welke liggen binnen de zoogenaamde normaallijn , die voor wenschelijken oever is aangenomen voor het rivierbelang, zoo als in verband met den afstand in de rigting van den tegenover liggenden oever wordt geacht noodig te zijn; en dat diezelfde puinstortingen, de rivieroevers wegvoerende en vooruitbrengende, dezelve vernaauwen, daar integendeel, in het belang van eene stelselmatige normaliserinn-, deze diende verruimd te worden; en eindelijk, dat die puinstortingen° alsmede dooide vernaauwing van de rivier, in welke mate dan ook, aan den afvoer van het water een beletsel in den weg brengt;

0., dat, bij besluit van den heer commissaris des Konings in het hertogdom Limburg van den 23 Maart 1865, aan de heeren C. Guillon en J. L. Baudrihaye de aanzegging is gerigt om alsnog de zonder vergunning gestorte puin ter vermelde plaatse, overeenkomstig de wet en binnen den daarbij bepaalden tijd , op te ruimen, zijnde dit besluit door den heer burgemeester der gemeente Roermond den 24 dier maand aan die heeren ter kennis gebragt, welke beiden de ontvangst daarvan op dien datum hebben geteekend;

0., dat door een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal door voormelden heer ingenieur van Beusekom den 15 Julij 1865 is gebleken, dat de termijn, waarvan hier de rede is, bij de wet bepaald zijnde op drie maanden , tot opruiming der aangeduide puinstorting, bij de plaatselijke opneming op den 13 bevorens is daargesteld nog niet te hebben plaats gehad;

O., dat ter teregtzitting van den 11 Sept. 11. vijf getuigen onder eede zijn gehoord, en wel bepaaldelijk door de verklaringen van den tweeden , vierden en vijfden is gevolgd : dat zij op den Meersengriend, onder Maasbracht, aan de steenovens van den heer Baudrihaye hebben gewerkt en het puin , daarvan afkomstig, op het bolwerk gestort, doch dat ook een gedeelte daarvan in de rivier de Maas is gevallen ;

U., dat de twee beklaagden , in diezelfde zitting over de punten der aanklagt ondervraagd, hebben opgegeven, Mr. Guillon , als gevolmagtigde van den heer notaris Guillon, dat deze vruchtgebruiker is van gemelde perceelen, en dat hij niet heeft voldaan aan het bevel

van opruiming, nem scnrirtelijk medegedeeld ; terwijl de tweede bekl. voorgeeft, dat, ten gevolde van een schrifteliik contract, waar¬

van dan ook het afschrift bij de stukken aanwezig is, met den eersten

beKl., ny op de bedoelde plaats het puin moest nederstorten, en dat hij daaraan alleen heeft voldaan;

O., dat door bovengemelde relazen en verklaringen van getuigen alle de punten der aanklagte wettig zijn bewezen ;

0., dat het decreet van den 19 Ventóse jaar VI, door het Openb. Min. ingeroepen, voor geheel Frankrijk verbindend was; dat Maasbracht, behoord hebbende tot Staats-Limburg, door het tractaat van den 8 Prairial jaar Hl, gesloten den 27 Floréal van hetzelfde jaar, tot Frankrijk is overgegaan, en dat aldus hier te lande bedoeld decreet, als zijnde door geene latere wet afgeschaft, van kracht is;

0., dat, door dit decreet de ordonnantie van Aug. 1669 tot wet zijnde verheven, verder te beslissen valt, of de beide beklaagden onder de termen daarvan kunnen gerangschikt worden ;

0., dat ten processe is geacquideerd, dat de eerste als vruchtgebruiker van meerbedoelde Meersengriend voorkomt, terwijl de laatste

Sluiten