Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 14 Februarij 1867. N°.

WKEK BLAD VAN HET REGI

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

NMQEN-ÜN- T WIN TL GS TM JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit blad verschijnt geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs der advertentiën, zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van HTI. gewone correspondenten, franco.

— —««WW. L.UL L h,. ...I.» -■

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 21 December 1866.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Bordelscheiding. — Verschil over de wijze van scheiding.

Notaris. — Reoterlijke tüsschenkomst.

Kan de regterlijlce tüsschenkomst om tot scheiding te geraken worder ingeroepen, en is alzoo eene actie tot boedelscheiding ontvankelijk , zoowel in het geval, dat eene der partijen onwillig is om te scheiden, als wanneer er verschil bestaat over de wijze van scheiding? — Ja.

Kan er sprake zijn van toepassing van art. 1120 B. W., zoolang er tussschen partijen verschil bestaat over de wijze van scheiding1^ — Neen.

J. C. P. E. Menso, eischer, procureur Mr. O. .t. Francois tegen

m. m. van Doesburgh, weduwe van r. Hellendoorn, c. s., verweer- I ders, procureur A. F. de Bas.

13e adv.-gen. Gkeqory heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtb. Heeren, President en Raden! Tegen het arrest van het Prov. Geregtshof in Gelderland van den 20 Dec. 1865 , ^'aarbij bevestigd is een vonnis der Arrond.-Regtbank te Tiel van "Sn 19 Mei bevorens, is door den eischer als éénig middel van cas®at'e aangevoerd: schending en verkeerde toepassing van de artt. 28. 11 li, 1115, 1117, 1120 en 1902 B. W., en de artt. 695, 696 611 697 B. K,, omdat de door de eerste verweerderesse ingestelde 'ordering tot verdeeling der aan de partijen te zamen toebehoorende ^oereude goederen is ontvankelijk geoordeeld en toegewezen, ofö°on tusschen partijen geen ander verschil dan omtrent de wijze van weiding en verdeeling als feitelijk vaststaande is aangenomen.

Bij de eerste overweging quoad facta van het beklaagde arrest heeft "et Hof te kennen gegeven , dat de eerste verweerderesse den eischer "enevens den mede-verweerder, voor de Regtbank te Tiel heeft o-e! J^gvaard, ten einde hen te doen veroordeelen om dadelijk, na°de "eteekening vau het te vellen vonnis, ten overstaan van een door de Regtbank te benoemen notaris, op diens oproeping met haar, eerste verweerderesse , over te gaan tot de verdeeling der aan de partijen te zamen toebehoorende goederen.

is dus hier ingesteld de vordering tot deeling der gemeen"chap, krachtens artt. 695 en 696 B. R., in verband met art. 628 B. W".

De eischer was van oordeel, dat voor die vordering geen grond ®stond, terwijl hij in cassatie voorts beweert, dat de zwarigheden, daarvan de eerste verweerderesse gewaagt, uit den weg konden woren geruimd door opvolging van het voorschrift van art. 1120 B. W. eo door het instellen der regtsvordering, bedoeld bij art. 697 B. r., welke het Hof met die van de beide voorafgaande artikelen , d. i. met 6 '°t scheiding en deeling, zou hebben verward.

Be vraag, of er in deze grond bestond voor het instellen der vordering tot deeling der gemeenschap, moet uit de feitelijke beslissingen van het Hof worden beantwoord.

Bij de eerste overweging quoad jus geeft het Hof te kennen, dat . ' tusschen partijen in confesso is, dat zij tot scheiding en deeling der 111 onverdeelde gemeenschap bezeten onroerende goederen wenschen oyer te gaan, doch dat evenzeer uit de ten processe erkende feiten ™n duidelijkste is gebleken, dat, niettegenstaande herhaalde bijeenkomsten , zelfs in April 1864, ten overstaan van den notaris van ^ey6t, om tot scheiding en deeling dezer goederen in der minne te geraken , partijen , hoezeer tot scheiding en deeling geneigd, omtrent de wijze van uitvoering tot geene overeenstemming hebben kunnen komen.

^ij de tweede overweging quoad jus heeft het Hof verklaard, dat 'le eerste verweerderesse, alvorens de scheiding en deeling in regten e vorderen, door haren procureur, bij missive van den 18Nov. 1864, en eischer, in de hoop eener minnelijke schikking, van haar voorpuien heeft doen kennis geven; dat reeds op den 19 Nov.de eischer j schriftelijk bereid heeft verklaard tot scheiden en deelen, zonder echter door den eischer verder eenig nader blijk dezer bereidv ardigheid is gegeven , met dit gevolg, dat de eerste verweerderesse eis > te'00s tot c'en ® ec' daaraanvolgende heeft gewacht om den te ,1<:r en den tweeden verweerder voor de Arrond.-Regtbank te Tiel ]jn a§vaarden, niet om de noodzakelijkheid eener scheiding en dee'le K 6 ®l00ren uitspreken, doch om de uitvoering daarvan door m enoeming van eenen notaris te verzekeren, ten wiens overstaan, sch ver^ere in-acht-neming der formaliteiten, door de wet voorgegeven , de gemeenschap zou worden gescheiden.

Uit 'i c'erl'e overweging quoad jus heeft het Hof uitgemaakt, dat de voorafgaande onderhandelingen , om bij scheiding tot eenstemin'^l Te tornen , overtuigend gebleken was , dat de verschillende der minne door de beide verweerders voorgestelde wijzen van jtidintr des eischers goedkeuring niet hadden mogen wegdragen. v "'J de vierde overweging quoad jus heeft het Hof te kennen gegeen j dat eene overeenstemming over de wijze van verdeeling der gemeenschap in deze, blijkens de aan de dagvaarding voorafgaande eiten tusschen partijen, in casu ontbreekt; terwijl het eindelijk nog 'J de zesde overweging quoad jus heeft verklaard , dat, hoezeer van geen onwil van den eischer is gebleken om de bestaande gemeenschap ,e scheiden , het echter vaststaat, dat omtrent de wijze van scheij^ng verschil van gevoelen tusschen partijen onderling is blijven

De wetgever heeft tot beginsel aangenomen, dat niemand genood¬

zaakt is in eenen onverdeelden boedel te blijven, en heeft daaraan zooveel waarde gehecht, dat hij bepaald heeft, dat de scheiding, niettegenstaande eenig daarmede strijdig verbod, ten allen tijde kon worden gevorderd, en niet gewild heeft, dat er mogt worden overeengekomen de scheiding langer dan telkens gedurende vijf jaren niet te doen plaats grijpen.

Hij heeft dus de scheiding en deeling eener gemeenschap, wanneer die gevorderd werd, zooveel mogelijk trachten te bevorderen en zulks teregt, omdat zij tot zooveel twist en oneenigheid aanleidinggeeft.

Van daar dan ook, dat hij aan hen, die het vrije beheer over hunne goederen hebben en tegenwoordig zijn, vergund heeft de scheiding te doen plaats hebben, op de wijze en door middel van zoodanige acte als zij goedvinden.

De wetgever heeft dus de scheiding en deeling bij minnelijke schikking toegelaten. Zal die echter kunnen plaats hebben, dan moeten, gelijk het Hof teregt opmerkt, alle belanghebbenden eenstemmig denken over de wijze van verdeeling der gemeenschap. Zonder die overeenstemming is geene minnelijke scheiding denkbaar en schiet er geen ander _ipiddel over, om van het regt, bij art. 1112 B. W. toegekend, gebruik te maken en zich van het genot daarvan te verzekeren , dan eene regtsvordering tot deeling der gemeenschap in te stellen.

■En daar nu het Hof feitelijk heeft uitgemaakt, dat, niettegenstaande herhaalde voorafgaande bijeenkomsten en onderhandelingen, omtrent de wijze van scheiding verschil van gevoelen tusschen partijen onderling is blijven bestaan , zoo kan het Hof niet gezegd worden door zijne uitspraak de artt. 628, 1112 en 1115 B. W. en de artt. 695 en 696 B. R. te hebben gesehonden of verkeerd toegepast.

De eischer beweert voorts: 1°. dat er door partijen reeds een notaris was gekozen , omdat het arrest zegt, dat er herhaalde bijeenkomsten ten overstaan van den notaris van Heyst hadden plaats gehad; en 2". dat, voor het geval dit niet had plaats gehad, en men het over het verkiezen van een notaris niet had kunnen eens worden , de eerste verweerderesse zich dan , naar luid der bepaling van art. 1120 B. W., bij verzoekschrift tot de Regtbank had kunnen wenden tot benoeming van eenen notaris.

Ten aanzien van het eerste beweren moet ik aanmerken, dat uit het arrest allée'n blijkt, dat er herhaalde bijeenkomsten, zelfs in April 1864, ten overstaan van den notaris van Heyst, hebben plaats gehad om tot scheiding en deeiing der goederen in der minne te geraken, welke echter tot niets hebben geleid, doch dat uit liet arrest volstrekt niet blijkt, dat de notaris van Heyst of eenig ander notaris door partijen was verkozen , ten wiens overstaan de scheiding en deeling zou worden tot stand gebragt; en met opzigt tot het tweede beweren moet ik doen opmerken, dat dit, noch in eersten aanleg, noch in hooger beroep, maar voor het eerst in cassatie is te berde gebragt, alsmede dat van de toepassing van art. 1120 nog geen sprake kon zijn, zoolang omtrent de wijze van scheiding verschil van gevoelen tusschen partijen onderling bleef bestaan

Doch hoe is het nu met art. 697 B. R. gesteld ? Is het werkelijk waar, dat het Hof de regtsvordering van art. 697 met die van artt. 695 en 696 heeft verward? Ingeenen deele. Waarover toch handelt art. 697? Over het geval.dat er in den loop der werkzaamheden van de scheiding zwarigheden ontstaan; alsdan zal de notaris daarvan een afzonderlijk proces-verbaal opmaken, terwijl de meest gereede partij in dat geval hare wederpartij tot opheffing van die zwarigheden voor de Regtbank moet dagvaarden.

Dit artikel veronderstelt dus het geval, dat er reeds een notaris benoemd is, ten wiens overstaan de deeling zal worden tot stand gebragt, en dat met de werkzaamheden der scheiding reeds een aanvang is gemaakt.. Dit geval echter bestaat ten deze nog niet. Niet alleen is men nog niet met de scheiding begonnen, maar zelfs is er nog geen notaris benoemd.

De ingestelde vordering dient juist om een notaris te benoemen, en op diens oproeping ten zijnen overstaan tot de verdeeling over te gaan.

Het geval van art. 697 kan zich dus eerst voordoen, wanneer, nadat de onderwerpelijke voorziening zal zijn verworpen en de uitspraak des regters in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, de werkzaamheden van de scheiding eenen aanvang zullen hebben genomen, en dan in den loop daarvan zich zwarigheden mogten voordoen.

Eerst dan en niet eerder kan aan de regtsvordering van voornoemd artikel gedacht worden.

Ik vermeen dus, dat 's regters uitspraak volkomen juist is gewezen , dat daarbij geen der bij het middel aangeduide wets-artikelen zijn geschonden of verkeerd toegepast, en dat mitsdien het voorgestelde middel van cassatie als ongegrond moet worden aangemerkt.

Naar aanleiding van dit een en ander concludeer ik derhalve tot verwerping van den eisch tot cassatie, met veroordeeling van den eischer in de kosten en boete van cassatie.

De Hooge Raad enz.,

Overwegende, dat als éénig middel van cassatie is voorgesteld: schending en verkeerde toepassing van de artt. 6 28, 111*2, 1115, 1117, 1120 en 1902 B. W. en de artt. 695, 696 en 697 B. R., omdat de ingestelde vordering tot scheiding der gemeenschap is geoordeeld ontvankelijk en is toegewezen, ofschoon tusschen partijen geen ander verschil dan omtrent de wijze van scheiding en verdeeling als feitelijk vaststaande is aangenomen ;

O., dat, volgens de feitelijke beslissing van het beklaagde arrest, niet is gebleken van onwil van den eischei om de bestaande gemeenschap te scheiden, doch dat omtrent de wijze van scheiding verschil van gevoelen tusschen partijen is ontstaan en is blijven ontstaan, en dat dit aanleiding heeft gegeven tot ^ het tegen den eischer instellen ! eener vordering tot scheiding, ten einde de uitvoering daarvan door ! de benoeming van een notaris te verzekeren;

0., dat uit de artt. 1112 en volg» B, W♦ en arte 695 B. R. volgt,

dat, niet alleen voor het geval van onwil tot scheiding, maar ook indien eenig tusschen de deelgenooten bestaand geschil hen verhindert tot de scheiding over te gaan en eene scheiding in der minne daardoor wordt belet, mag worden gevorderd boedelscheiding, en s regters tüsschenkomst, ter verkrijging eener veroordeeling daartoe , kan worden ingeroepen; en dat, vermits in het onderwerpelijk geval bestond zoodanig geschil, zij het dan ook slechts over de wijze van scheiding , ,de ingestelde vordering tot scheiding is toegewezen , zonder schending of verkeerde toepassing van eenige der aangehaalde artikelen;

O., dat, wel is waar , door den eischer wordt beweerd , dat de ingestelde vordering niet te pas kwam , omdat 1°. reeds door den notaris , en 2°., ook bij verschil van gevoelen over de keus van een notaris, partijen zich, naar art. 1120 B.W., slechts hadden behooren te wenden tot de Regtbank tot benoeming van een notaris; dat echter, wat betreft de eerste bewering, uit het beklaagde arrest wel blijkt, dat er herhaaldelijk hebben plaats gehad bijeenkomsten van partijen in tegenwoordigheid van een' notaris, ten einde later tot scheiding en deeling der gemeenschap in der minne te geraken, doch niet dat zij reeds hadden verkozen een notaris, om inden daartoe te komen en tot de scheiding over te gaan: en, [ÏÏiad/ wat aangaat de tweede bewering, dat van de toepassing van art. 1120 B. W. nog geene sprake kon zijn, zoolang omtrent de wijze van scheiding verschil van gevoelen tusschen partijen onderling bleef bestaan;

0. voorts ten aanzien der bewering, dat bij het beklaagde arrest zoude zijn verward de regtsvordering, bedoeld bij art. 697 B. R., met die, toegekend bij de artt. 695 en 696 van dat wetboek, en dat daardoor zoude zijn geschonden eerstgenoemd artikel » — dat, terwyl dit artikel veronderstelt het geval, dat reeds is benoemd een notaris ter tot-stand-koming der scheiding en slechts bedoeld de regterlijke tüsschenkomst tot opheffing van zwarigheden, ontstaan in den loop der werkzaamheden van de scheiding, daarentegen de ingestelde vordering strekt tot de benoeming van een notaris, om ten zijnen overstaan tot de scheiding over le gaan; en dat mitsdien ook deze bewering is ongegrond;

"Verwerpt her beroep en veroordeelt den eischer in de kosten en boete van cassatie.

(Gepleit voor den eischer Mr. A. M. van Stipria\n Luïscius } en voor de verweerders Mr. J. G. Rochussen.)

8iAmep van Strafaaken.

Zitting van den 21 November 1866.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

Bijzit. — Overspel. — Dienstbode.

Is, vermits de wet geen onderscheid maakt, of eene vrouw als bijzit in de woning des beklaagden is gekomen of zich uit anderen hoofde aldaar bevindt, met juistheid door den r eg ter inden zin van art. 'ÓM Straf regt als bijzit beschouwd de loonbediende, met wie de man in de gemeenschappelijke woning gewoon was overspel te plegen, en die hij als meesteresse in huis behandelde? — Ja.

J. Rutgers, oud zeven-en-twintig jaren, zaakwaarnemer, geboren te Eelde en wonende te Jede, heeft zich in cassatie voorzien tegen een in hooger beroep gewezen arrest van het Prov. Geregtshof in Drenthe van den 14 Aug. 1866, waarbij, met vernietiging van het vonnis der Arrond.-Regtbank te Assen van den 13 Junij te voren, de req. is schuldig verklaard aan het wanbedrijf van het als man onderhouden van eene bijzit in de woning, door hem en zijne vrouw bewoond; en te dier zake, met toepassing van art. 339 Strafregt en art. I der wet van den 22 April 1864 (Stbl. n°. 29), veroordeeld tot betaling eener geldboete van f 1000 en in de kosten van beide instantiën, deze laatste des noods te verhalen bij lijfsdwang, met bepaling, dat de [ boete , zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden , na daartoe te zijn aangemaand, zal worden vervangeu door gevangenis-straf van zes maanden.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Wintgens , heeft de adv.-gen. Romer de volgende conclusie genomen;

Edel Hoog A.chtbarc Heeren, President en Haden! De voorziening in cassatie berust op eene verkeerde toepassing van art. 339 Strafregt. De req. beweert n. 1., dat de persoon, met welke hij het overspel heeft bedreven, niet als zijne bijzit in zijne woning is gekomen, dat zij als zijne dienstbode loon ontving, en hij haar niet als bijzit heeft onderhouden. Ik kan mij met die meening niet vereenigen , maar ben van oordeel, dat de bewezen verklaarde feiten de gegeven qualificatie wettigen. Het is niet betwist, dat de dienstbode, met welke het overspel is gepleegd, in de gemeenschappelijke woning is opgenomen geweest. En nu is door wettige bewijsmiddelen gebleken, dat de req. met deze dienstmeid nu en dan vleeschelijke gemeenschap pleegde. Dit wordt dan ook in de memorie erkend. In die feiten ligt m. i. het criterium van het misdrijf, bij art. 389 C. P. omschreven , opgesloten. »Concubina est, quae, cum uxor non sit, cum aliquo tarnen vivit, et sine nuptiis in domo est. Cf. 1. 144, D. verb. signif." De wet onderscheidt niet, of zoodanige vrouw als bijzit in de woning is gekomen, dan wel uit anderen hoofde zich in de gemeenschappelijke woning bevindt. De verachting, welke de man betoont aan zijne vrouw, is dezelfde, of zoodanige vrouw tegen loon in de woning verkeert, dan wel, zonder geld te ontvangen, zich in het gemeenschappelijk huis ophoudt. Zeer belangrijk is omtrent dit artikel de aanteekening van Chauveau, Theorie, éd. de Brux., tom. 11, § 2888—2891 , p. 231.

Aldaar is tevens het gevoelen van Merlin opgegeven , hetwelk blijkbaar door de schrijvers wordt gedeeld. Vooral vestig ik

i

Sluiten