Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N*. 2870,

de notariële wetenschap (droit notariël). De vraag, of dit voorbeeld bij eene aanstaande nieuwe regeling van liet hooger onderwijs navolging verdient, behoort mede in aanmerking te komen. Ook in het lilde Hoofdstuk der wet op het Notaris-ambt is veel voor verbetering vatbaar. Het publiek heeft er het grootste belang bij, dat de wet eenvoudige , duidelijke , volledige en doeltreffende voorschriften geve over den vorm der notariële acten. Eene veeljarige ondervinding heeft geleerd, dat de wret van 1842 aan die voorschriften in menig opzigt niet voldoet. Eindelijk zal het bij eene stelselmatige herziening der bestaande wetgeving op het notariaat een punt van overweging moeten uitmaken, of het regterlijk toezigt over de notarissen behouden moet moet worden op den voet der geldende wet, dan wel of de waardigheid van het ambt beter zoude worden gewaarborgd door terug te keeren tot het Fransche stelsel der kamers van notarissen, gelijk door velen wordt beweerd.

Is om deze redenen eene herziening der bestaande wetgeving op het notariaat eene wezenlijke behoefte, de ondergeteekende is daarbij van oordeel, dat het doen der daartoe strekkende voorstellen aan Uwe Majesteit het best kan worde toevertrouwd aan eene Commissie in welke, ook om de andere haar opgedragen werkzaamheden , zoowel notarissen als andere ambtenaren, die in dagelijksche aanraking komen met het notariaat, zitting hebben.

Het is . op deze gronden, dat de ondergeteekende de vrijheid neemt Uwer Majesteit in overweging te geven, eene Staatcommissie in te stellen voor de herziening der wetgeving op de eigensdoms-overdragt van onroerende goederen, het hypotheek-stelsel en het notariaat, door het nemen van het besluit, waarvan hiernevens een ontwerp aan Uwe Majesteit wordt aangeboden.

De Minister van Justitie, Borret.

9Febr. 1867. Wij WILLEM III enz.

n°. 58.

Overwegende, dat het wenschelijk is eene Staatscommissie in te stellen, ten einde aan Ons de noodige voorstellen te doen voor de herziening der wetgeving op de eigendoms-overdragt van onroerende goederen , het hypotheek-stelsel en het notariaat:

Op de voordragt van onzen Minister van Justitie, van den 8 Febr. 1867 , n". 155, Hde Afdeeling;

Hebben goedgevonden en verstaan :

1 Eene Staatscommissie in te stellen voor de herziening der wetgeving op eigendoms-overdragt van onroerende goederen , het hypotheek-stelsel en het notariaat;

2». Aan deze Lommissie op te dragen, aan Ons tot dat einde de noodige voorstellen te doen in den vorm van ontwerpen van wetten en besluiten, met daarbij behoorende memoriën van toelichting;

3». Te bepalen, dat deze Commissie zal vergaderen te 's Uravenhage, na voor de eerste maal te zijn bijeengeroepen door onzen Minister van Justitie:

4~'. Te benoemen tot lid en voorzitter dezer Commissie:

Mr. C. H, B. Boot, lid van den Raad van State;

en tot leden :

Mr. J. A. Mutsaers, lid van den Raad van State;

Mr. C. H. Gockinga, raadsheer in den Hoogen Raad;

Mr. K. T. H. P. L. A. van Boneval Faure, hoogleeraar in de faculteit der regtsgeleerdheid bij de hoogeschool te Leyden ;

Mr. J. G. Kist, raadsheer in het Provinciaal Geregtshof in Zuidholland ;

Mr. J. Pols, regter inde Arrondissements-Regtbank te Rotterdam;

Mr. A. de Pinto, lands-advokaat, deken der orde van advokaten bij den Hoogen Raad;

J. Stam , inspecteur-generaal, belast met het bestuur der afdeeling registratie en domeinen bij het Departement van Finantiën ;

H. Manger Muntz, bewaarder van de hypotheken en het kadaster te Leyden ;

B. Tidemau, notaris te Amsterdam;

Mr. B. van Berkel, notaris te Delft;

Mr. J. de lias, notaris te 's Gravenliage ;

5". Te bepalen, dat het secretariaat bij deze Commissie zal worden waargenomen door een ambtenaaar van het Departement van Justitie, daartoe aan te wijzen door onzen Minister van Justitie.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat, met de daartoe betrekkelijke voordragt, zal worden geplaatst in de Staats-Courant.

's Gravenhage, den 9 Febr. 1867. WILLEM.

De Minister van Justitie.

Boeket.

HOOGE BAAD DER NEDERLANDEN.

llnrgerlijke

Zitting van den 21 December 1866.

Voorzitter, Mr. f. de Grkve.

Scheepvolk. — Desertie van boord. — Aanneming bij de reis. — Aanvang voor een bepaalden tijd.

Moet art. 897 , n°. II W K. worden beperkt tot het geval van huur van ééne of meer zeereizen, doch zonder bijvoeging van tijd, of is deze bepaling mede van toepassing ingeval van verlating van den dienst vóór de afdanking na volbragte reis, doch na verloop van den tijd, waarvoor de scheepsgezel is aangenomen 't

In laatstgemelden zin beslist.

J. Metselaar, eischer, procureur Mr. J. van der Jagt.

tegen

J. BJitz en J. P. Dudok van Heel , verweerders, procureur Mr. C' j : J. franfois.

De adv.-gen. Gregory heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen:

Edel Boog Achtbare Beeren, President en Raden! De eischer heeft tegen het vonnis der Arrond.-Regtbank te Amsterdam van den 5 Julij 1864, waarbij bevestigd is een vonnis van den regter in kanton één van Amsterdam dd. 30 Oct. 1863, één middel van cassatie aangevoerd, hetwelk naar mijn inzien de bijzondere aandacht van den Raad allezins verdient.

Dit middel bestaat in schending en verkeerde toepassing der artt. 397, n". 4 en 1.1, 401, 440, 444, 2de lid, 446 cn 447 W. K., 1374, 1637 B.W., en 17, 23 en 24 der wet van 7 Mei 1856, op de tucht

der koopvaardijschepen, (Htbl. n'. 32), doordien ae regter neett geoordeeld, dat de opneming eener bepaling van diensttijd in de monsterrol, den schepeling, na expiratie van dien tijd, het regt niet geeft

zijn ontslag uit scheepsdienst te nemen , viórdat de reis , waarvoor hij is aangemonsterd, afgeloopen is, en dat de schepeling, die zijn ontslag neemt, daardoor zijn te goed zijnde loon verbeurt.

Volgens art. 394 W. K. bestaat het contract tusschen den schipper en de scheeps-ofiicieren , matrozen of gezellen in de verhuring van hunnen dienst tot het doen van eene of meer zeereizen, ieder in zijne betrekking, voor een bedongen loon.

Bij dat contract verbinden dus de scheepsofficieren en scheepsgezellen hunne diensten voor eene bepaalde onderneming.

Bij art. 397 , sub n». 11, is voorgeschreven, dat de monsterrol moet bevatten de bepaling, dat degene , die deserteert en het schip vóór de afdanking verlaat, zijn te goed zijnde loon verbeurt.

Uit dit voorschrift volgt dus, dat de Nederlandsche wetgever op het deserteren en het verlaten van het schip vóór de afdanking tot straf heeft gesteld de verbeurte van het te goed zijnde loon, daar het anders niet te pas kwam voor te schrijven , dat die bepaling in de monsterrol moet worden opgenomen.

De eerste vraag, die zich nu opdoet, is deze: wat beteekenen de woorden: «die deserteert en het schip vóór de afdanking verlaat.»

De pleiter van eisch heeft bij pleidooi alleen van desertie gesproken. Hij noemde dit heimelijk verlaten of, indien het openlijk geschiedde, met geweld zich uit de voeten maken. Van het verlaten van het schip vóór de afdanking maakte hij geene melding. Welligt beschouwde hij dit één met of hetzelfde als desertie.

De pleiter van antwoord heeft bij de pleidooi alleen van het verlaten van het schip vóór de afdanking gesproken. Hij zeide, dat desertie hier geen afzonderlijk vereischte was, maar hetzelfde als en nader gedefinieerd werd door schip verlaten vóór afdanking.

Naar mijn inzien moet men aannemen, dat het woordje en in nQ. 11 beteekent of, zoodat het ten eenemale onverschillig is, of desertie hetzelfde beteekent als het verlaten van het schip dan wel een afzonderlijk vereischte uitmaakt, daar in elk geval een van beide voldoende is om het loon te doen verbeuren.

Bij het wetboek van 1830 kwam n'. 11 van art. 397 van het tegenwoordig wetboek letterlijk voor in n". 11 van art. 287. En hoe luidde nu de Fransche tekst? »La clause que celui qui déserteraou quitfcera le navire avant d'être congédié, perdra les loyers e'chus.-/

De Fransche tekst bezigt dus het woord ou voor en, en daar nu deze tekst even officieel is als de Nederduitsche, zoo heeft men het volste regt het woordje en in den zin van of op te vatten.

De tweede vraag, die zich voordoet, is deze: wat beteekenen meer in het bijzonder de woorden: «het schip vóór de afdanking verlaat.»

Beteekenen deze het zich van boord verwijderen zonder verlof van den schipper? Neen, zij beteekenen meer.

Op het verlaten van het schip, vóór de afdanking, heeft de wetgever, blijkens art. 397, n°. 11, tot straf gesteld de verbeurte van het te goed zijnde loon, terwijl, volgens art. 437, n°. 5, in verband met art. 436 , verwijdering van boord zonder verlof alleen wordt aangemerkt als eene wettige reden tot ontslag, welke het te goed zijnde loon niet doet verliezen, maar behouden, daar de schipper, indien hij de schepeling wegens verwijdering van boord zonder verlof

ontslaat, nem ae veraienue nuur moet betalen, berekend naar evenredigheid van de afgelegde reis tot den dag van de afdanking toe.

De woorden : het schip vóór de afdanking verlaat, beteekenen dus het zich van boord verwijderen, zonder verlof van den schipper, voor goed, voor altijd, met het doel van niet weder terug te keeren en dienst te doen, en mitsdien het nemen van ontslag.

Art. 441 W.K. bepaalt, dat, wanneer de schipper, buiten 's lands zijnde, mogt goedvinden naar eene andere vrije haven te zeilen en het schip te lossen of te herladen, het scheepsvolk, al wierd ook de reis daardoor verlengd, in dienst zal moeten blijven, in welk geval echter zij, die bij de reis zijn aangenomen, naar evenredigheid meerder loon bekomen.

Uit dit een en ander volgt dus, dat, wanneer een schepeling voor eene reis is aangemonsterd en deze verlengd wordt, doordien de schipper mogt goedvinden naar eene andere vrije haven te zeilen en het schip te lossen of te herladen, de schepeling in dienst moet blijven en alzoo, vóórdat de reis is afgeloopen , zijn ontslag niet ma"

nemen, zoodat, wanneer hij zulks evenwel mogt doen, hij daardoor zijn te goed zijnde loon verbeurt.

De vraag blijft nu overig, of deze regtsbeschouwing van kracht blijft, wanneer de schepeling, die blijkens de monsterrol zijnen dienst heeft verhuurd tot het doen van eene zeereis en tevens, blijkens dezelfde monsterrol, zich heeft verbonden desgevorderd gedurende eenen bepaalden tijd in dienst van het schip te blijven, na het verstrijken van dien bepaalden tijd, doch vóór de afdanking, zijn ontslag neemt en mitsdien het schip verlaat.

Naar mijn inzien blijft die regtsbeschouwing ook in dat geval van volle kracht.

Ik heb reeds opgemerkt, dat, blijkens de bepaling van art. 394 W. K., de scheepsofficieren en scheepsgezellen hunnen dienst verhuren tot het doen van eene of meer zeereizen en dus voor eene of meer bepaalde ondernemingen. Dit artikel bevat dus eene afwijking van art. 1637 B.W., hetwelk bepaalt, dat men zijne diensten slechts voor eenen tijd of voor eene bepaalde onderneming kan verbinden.

De overeenkomst van huur van diensten alleen voor eenen bepaalden tijd zonder huur van diensten tot het doen van eene of meer zeereizen is onbestaanbaar. Dit neemt echter niet weg, dat het een met het ander kan worden verbonden, zoodat eene huur van diensten voor eene bepaalde onderneming, gepaard met eene verbindtenis voor eeneu bepaalden tijd, allezins bestaanbaar is.

Zeer teregt merkt dan ook prof. de Wal op, dat het scheepsvolk zich niet voor eenen bepaalden tijd zou kunnen verhuren, wanneer namelijk die tijdsbepaling ten gevolge kan hebben, dat de schepeling niet voor minstens ééne reis zou verbonden zijn (1).

Het verhuren van diensten tot het doen van een of meer zeereizen is het doel der overeenkomst. Nu kan men daarbij wel eene bepaling van tijd voegen, doch die bijvoeging mag het hoofdbeginsel der overeenkomst niet omverwerpen , maar moet daaraan ondergeschikt blijven, zoodat zij vóór het afloopen der reis, waarvoor inen zich verbonden heeft geene werking kan hebben.

Zeer juist zegt dan ook prof. de Wal (2) dat uit de verbindtenis van het scheepsvolk tot het doen van eene of meer zeereizen volgt, «dat de schepeling, die zich verbonden heeft om te varen naar zoodanige haven , als de schipper zal goe ivinden, en desgevorderd een bepaald getal maanden in dienst te blijven, het schip niet verlaten mag, al zijn ook die maanden verstreken, eer de reis is afgeloopen."

Die leer is volstrekt niet nieuw. Zij bestond zeer stellig ten opzigte van het krijgsvolk te lande in vroeger jaren.

Ti* Zurk ("31 zegt: »Ouaeritur, zo een soldaet heeft bedonaen

maer voor zekeren korten tijt te dienen. Het zelve is gereguleert. En moet de Campagne ten minsten uitdienen.» Tot staving hiervan haalt hij aan Feltman, over de instructie van het jaar 1590, art. 16, lit. E.

Diezelfde leer ten opzigte van het scheepsvolk vermeen ik te mogen afleiden uit art. 5 van den titel, ten opschrift hebbende: van den schiplieden ende heure officiën, van het Placaet van Koning Philips,

(1) Het Nederlandsche Handelsregt, deel II, 2de afiev., bl. 115.

(2) Op 1., tom. 1., bl. 115 en 116.

(3) Codex Batavus, uitgave van van der Schelling , 3de druk ,

op de woorden Desertie van de Militie, § 1, n°. 4.

op 't faiet van der Zeevaert (1) van 31 Oct. 1563. Daarbij toch is bepaald, dat, wanneer een schipper eene reis heeft aangenomen en goedvind onderweg eene of meer andere reizen aan te nemen , '"J zijne scheepsgezellen in zijnen dienst mag blijven houden, mits hu» besproken loon en huur verbeterende naar het beloop van de mijlen. die zij verder zullen reizen , behalve die voor een zeker saizoen of voor een tijd nog loopende zijn aangenomen, welke zonder ander voordeel het schip moeten volgen.

Naar mijn inzien volgt hieruit, dat, wanneer een schipper onderweg eene of meer andere reizen aanneemt, de scheepsgezellen , 0111 het even, of zij voor de reis, dan wel alleen voor een zeker saizoen of voor eenen zekeren tijd zijn aangenomen, op het schip moeten blijven, met dit onderscheid alleen, dat degenen , die voor de reis zijn aangenomen, verbetering van loon en huur verkrijgen naar beloop van de reizen, die zij verder zullen reizen, terwijl voor degenen, die voor een zeker saizoen of tijd zijn aangenomen het loon en de huur dezelfde blijven, zoolang de tijd, waarvoor zij aangenomen zijn, nog loopende is.

Bij de Groot, in zijne Inleiding tot de Hollandsche Regtsgeleerdheid (2), vindt men diezelfde bepaling van het Placaat terug, doch in eenen beteren en meer duidelijken stijl ingekleed.

Van der Keessel (3) zegt, dat de schipper de schepelingen in zijnen dienst kan houden, ook tegen hunnen wil, mutato itinere, <" quod operas suas locaverant, zonder dat hij ten hunnen opzigte eenig onderscheid maakt.

Diezelfde leer wordt ook voorgestaan door Pardessus (4) , welke het volgende zegt: " II ne serait pas impossible, quoique trés rare, que des gens de mer se louassent pour un temps déterminé, pal' exemple, quatre, six mois. Dans ce cas même, on suivrait la regie que nous avons donne'e n". 672 ; et 1'homme engage' ne pourrait quitter qu'aprés la fin du voyage, sauf s'il avait servi plus longtemPs qu'il ne s'y e'tait obiigé, a reclamer une augmentation proportionnelle-"

Van ditzelfde gevoelen zijn, met opzigt tot ons regt, de heeren dB Pinto (5), prof. de Wal (6) en prof. Diephüis (7); terwijl ik geenen schrijver heb aangetroffen, die eene andere leer heeft verkondigd.

Doch waarvoor dient dan, zal men zeggen, de opneming eener bepali g van diensttijd in de monsterrol?

De Regtbank geeft er eene reden voor op. Zij zegt, dat zij strek' ken kan om te verhoeden, dat de schipper misbruik make van zijne exceptionnele bevoegdheid de bepaalde reis te verlengen en zeer wel is te rijmen met die bevoegdheid des schippers, omdat deze hiervan kan afstand doen.

Bij deze reden, die mij allezins gegrond voorkomt, vermeen & nog eene andere te mogen voegen. Volgens art. 394 kan de sche¬

peling zijnen dienst verhuren tot het doen van meer zeereizen. Indien hij nu zijnen dienst verhuurd heeft voor vier zeereizen, met bep8' ling, dat hij desgevorderd gedurende veertien maanden in diens' van het schip zal blijven en ten gevolge van deze of gene reden de veertien maanden reeds op de derde zeereis zijn verstreken , dan moet hij desniettegenstaande die derde zeereis wel tot den einde toe volbrengen , doch dan kan hij , wanneer die afgeloopen is , naar bet mij voorkomt, niet gedwongen worden de vierde reis mede te maken.

Naar alle waarschijnlijkheid bestaan er nog andere redenen, b!) schippers en scheepsgezellen bekend, die het wenschelijk doen 'zij" eene bepaling van diensttijd in de monsterrol op te nemen. Doch ware dit niet het geval, dan zou het toch altijd waar blijven, hetgeen van Zukk van de soldaten zegt, dat, zoo een soldaat (in deze een schepeling) bedongen heeft voor zekeren korten tijd te dienen > hij ten minste de campagne (in deze de zeereis) moet uitdienen.

Is dit nu zoo , dan is hierdoor de ongegrondheid van het raidd0^ van cassatie uitgesproken. In facto toch staat het vast, als zijnde tusschen partijen buiten eenig geschil, dat de eischer den 26 Aug> 1859 als matroos is aangemonsterd en in dienst getreden op het barkschip Louisa; dat die aanmonstering is geschied voor eene reis naar Antwerpen, Havre en Santander, en voorts naar zoodanige andere plaatsen, als de schipper of diens opvolger zal goedvinden, en daarmede terug te komen op eene Nederlandsche haven, blijkens het hoofd der in confesso zijnde monsterrol, met bepaling, dat hij, desgevorderd, gedurende veertien maanden in dienst van het schip zou blijven; en dat hij , na expiratie van dien termijn, te Batavia zijn ontslag genomen heeft en dus met het schip op eene Nederlandsche is teruggekomen.

Naar aanleiding van dit een en ander , concludeer ik mitsdien tot verwerping van den eisch tot cassatie , met veroordeelino- van den

eischer in de kosten, in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Overwegende, dat als éénig middel van cassatie is voorgesteld: schending en verkeerde toepassing van de artt. 397, n"s. 4 en ll> 401, 440, 444, 2de zinsnede, 446 en 447 W. K., de artt. 1374 en 1637 B. W., en de artt. 17, 23 en 24 der wet van den 7 Mei 1856 (Stbl. n°. 32) op de tucht der koopvaardijschepen, omdat de bepaling van art, 397 , n°. 11 , W. K., dat hij , die deserteert of het schip vóór de afdanking verlaat, zijn te goed zijnde loon verbeurt, alleen is toepasselijk bij de aanneming bij de reis, zonder bepaling van tijd, en alzoo niet in het onderwerpelijk geval, waar de eischer is aangenomen voor een bepaalden tijd en den dienst heeft verlaten na het einde van dien tijd en alzoo na het vervallen der overeenkomst i O., dat feitelijk vaststaat, dat de eischer, blijkens de monsterrol, den 26 Aug. 1859 als matroos is aangemonsterd en in dienst getreden op het barkschip Louisa, voor eene reis naar Antwerpen, Havre en Santander, en voorts naar zoodanige andere plaatsen , al# de schipper zoude goedvinden, en daarmede terug te komen in ee»e Nederlandsche haven, met bepaling, dat hij, desgevorderd, gedurende veertien maanden in dienst zoude blijven ; doch dat hij , na verloop van dien termijn, te Batavia zijn ontslag heeft genomen en dus niet het schip niet is teruggekomen in eene Nederlandsche haven, en dat, naar aanleiding daarvan, op hem is toegepast art. 39 7, n°. 11,W. K-> O., dat de beantwoording der vraag. of de beweerde verkeerde

toepassing daarvan in deze al of niet is gegrond, alleen daarvan afhangt , of de genoemde bepaling behoort te worden beperkt tot het geval van huur voor eene of meer zeereizen, doch zonder bijvoeging van tijd, of wel mede is toepasselijk ingeval van verlating van den dienst vóór de afdanking na volbragte reis, doch na verloop van den tijd, waarvoor de scheepsgezel is aangenomen;

O., dat, naar art. 394 W. K., de overeenkomst tusschen den schipper en de scheepsofficieren of scheepsgezellen bestaat aan de zijde van dezen in de verhuring van hunnen dienst tot het doen van eene of meer zeereizen , voor bedongen loon; en dat uit deze, in het belang der zeevaart daargestelde, bijzondere bepaling volgt, dat ieder,

(1) Te vinden in het Groot Placaatboek, deell, bl. 796 en volg-»

bepaaldelijk bl. 810.

(2) Boek III, deel 20, § 39.

(3) Theses Selecta, thes. 693.

(4) Cours de Droit Commercial, n°. 674 der Bruss. uitg. van 1836-

(5) Handleiding tot het Wetb. van Kooph., 2de gedeelte , § 292 > bl. 234 en 235. '

(6) Op 1. tom. 1. p. 1.

(7) Handboek voor het Nederl. Handelsregt, deel 2, bl, 103 en 104, § 48, n°. 36.

Sluiten