Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgt het, dat in cas van verstek alle de verdere handelingen van de onteigeningswet zullen plaats vinden. Integendeel in art. 4 der wet vind ik een afdoend argument tegen dat denkbeeld.

In cas van niet-verschijuing, verstek tegen den achterwege blijvenden gedaagde.

Geene afwijking is voor dit geval bij de onteigeningswet te vinden ; alzoo moet de regter recurreren tot de regelen der gewone procesorde, d. i. art. 76 B. R.

Bij niet-verschijning — niettegenstaande de voorgeschreven termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen — verstek. Dit is in casu geschied — en dan :

«De conclusiën van den eischer zullen toegewezen worden, ten ware zij den regter onregtmatig of ongegrond voorkomen.»

Ik onthoude mij van over die onregtmatig- of ongegrondheid hier uit te weiden. Bij vorige conclusiën had ik daartoe de gelegenheid, en dat wel in zaken, waarbij de openbare orde was betrokken — gevallen, waarop door den advocaat der eischeresse is gewezen — dus die zich in deze zaak niet voordoen.

Zijn die conclusiën nu niet onregtmatig of ongegrond, dan moeten zij worden- toegewezen.

En wanneer ik nu zie, dat door de eischeresse de bij de wet (art. 25 , n°. 1—4) vermelde formaliteiten zijn vervuld; dat voorts de dagvaarding inhoudt, dat de gedaagden zijn in regten geroepen om te hooren uitspreken :

1, 2, 3, zie dagv.

en ik voorts in de conclusie lees enz.,

dan meen ik, dat er geen grond is om van den gewonen regel af te wijken, en houde ik het er voor, dat conform die conclusiën zal moeten worden gewezen.

Er zijn, ik erken het, bezwaren tegen deze handelwijs, die ook door den advocaat der eischeresse zijn uiteengezet; doch het zijn bezwaren , die in het algemeen tegen het bij de wet anagenomen beginsel voor het verstek zijn aan te voeren, bezwaren, die m. e. wel opwegen tegen de nadeelen, die door eene andere wijze van procederen zouden ontstaan.

Met betrekking tot de vragen omtrent de juistheid der dagvaarding in twee dezer zaken vereenig ik mij geheel met de argumenten van den advocaat der eischeresse.

Ik heb mitsdien de eer te concluderen, dat door de Regtbank de primitieve conclusiën der eischeresse zullen worden toegewezen, met veroordeeling van den ged. in de kosten.

In de zitting van den 13 daaraanvolgende beval de Eegtbank de opneming door deskundigen van de schade, aan den eigenaar of aan derde belanghebbenden te veroorzaken, en wijders, zoo als bij art. 27 der onteigeningswet is voorgeschreven, met voorbehoud der kosten van het geding, en dit wel op deze gronden:

Overwegende, dat, vermits in deze voldaan is aan de vereischten, bij art. 25 der wet op de onteigening, te onderzoeken valt, of, na het verleend verstek, de conclusiën van de eischende maatschappij reeds nü moeten worden toegewezen, zoo zij den regter niet ongegrond of onregtmatig voorkomen, dan wel vooraf een onderzoek van deskundigen moet worden bevolen;

O., dat dit voorafgaand onderzoek door art. 76 B. R. gewis niet wordt uitgesloten; dat het voorschrift van art. 27 der wet op de onteigening is algemeen voor alle daar niet uitgezonderde gevallen ; dat het onderzoek van deskundigen bij die wet niet enkel voor de gedaagden wordt bevolen , maar ook voor de begrooting der schade van allen, die beweren eigenaren, mede-eigenaren of derde belanghebbenden te zijn; dat ook de plaatsing van art. 51 aanduidt, dat de vaststelling der schadeloosstelling bij verstek wordt voorafgegaan van opneming door deskundigen ;

O. , dat dien-onverminderd de dadelijke toewijzing der onteigening en vaststelling der schadevergoeding niet kan verondersteld worden te liggen in de bedoeling der wet;

dat, zoo van den eenen kant aan de onteigenende partij de bevoegdheid is gegeven om, met afwijking van alle regelen van algemeen regt, over den eigendom te procederen met hem, ten wiens name de goederen bij het kadaster bekend staan en die, luidens den inhoud van art. 3 en de geschiedenis van dat artikel , slechts beschouwd wordt als eigenaar, op grond van eene vermoedelijke aanwijzing,— de wet van den anderen kant aan den mogelijken waren eigenaar, mede-eigenaar en derde belanghebbende, gelegenheid heeft willen geven, zoo ruim als het onderwerp gedoogt, om hunne belangen te doen gelden;

O., dat die regthebbenden geen kennis krijgen van den dag, waarop het geding wordt aangebragt, den éénigen dag, waarop zij , daarvan tijdig genoeg- onderrigt, zouden kunnen interveniëren, zoo op het verstek geen onderzoek volgde; daargelaten de vraag, of zelfs dan, wanneer de eischeresse zich niet tegen de interventie mogt verzetten , ten verzoeke van den interveniënt, de begrooting door deskundigen zou kunnen worden bevolen, en zij op verstek niet altijd moest plaats hebben ; dat de eenige kennisgeving, dat het onteigeningsproces is begonnen, gelegen is in de bekendmaking, bedoeld bij artt. 27 en 28, zonder welke de geheele onteigening, niettegenstaande de voorafgegane openbare maatregelen, en eveneens de betaling der schadeloosstelling, buiten hun weten kunnen afloopen;

O., dat die bekendmaking, uitwijzens den inhoud van art. 28, niet geschiedt ten dienste van de partijen of van de deskundigen, die allen afzonderlijk worden opgeroepen, en dus wel niet anders kan geschreven zijn dan voor derden, wier regten ten openbaren nutte worden ingenomen; dat die bekendmaking dan ook van Staatswege is opgedragen aan het Openb. Min.;

O., dat de bedoeling om die éénige waarschuwing, dat het geding aanhangig is, af te snijden, te minder kan verondersteld worden in eene aangelegenheid, waarin geen verzet door derden is toegelaten en waarin het onteigende veelal in zoodanigen toestand wordt gebragt, dat eene latere waardering van belangen en van aanspraken op vergoeding hoogst moeijelijk, zoo niet dikwerf onmogelijk wordt; _

O., dat de wet den kadastralen eigenaar ook geenszins heeft gesteld als onvoorwaardelijk vertegenwoordiger van het eigendomsregt, met al de aankleven van dien, en als daarover beschikkende; dat vooreerst bij minnelijke overdragt zijne bewilliging niet voldoende is; dat, wanneer hij, bij gemis van betere openbare aanwijzing, als vermoedelijke eigenaar in regten is geroepen, de wet hen, die aanspraken willen doen gelden, ondanks zijne tegenspraak en in weerwil van zijn verzet tegen hunne tusschenkomst als partij in het geding , toelaat om hunne belangen voor te staan, en die belangen zelfstandig wil begroot hebben; ten gevolge, dat de toestemming, welke hij in het geding mogt geven op het aanbod, hem wel binden kan en vrijwaren voor kosten, maar omtrent de regten van eigenaar, mede-eigenaar of derde belanghebbende niets beslist; dat ook hieruit volgt, dat het niet-opkomen van den ged., die welligt geenerlei belang of regt meer heeft, of immer gehad heeft, niet voldoende is om de niet verwittigde regthebbenden alle gelegenheid te benemen hunne belangen te doen gelden;

Regt doende enz.,

Beveelt de opneming door drie deskundigen enz.

(Yoor de eischende maatschappij trad op de advocaat Mr. H. Maarschalk, te Breda, en als procureur occupeerde voor haar Mr. J, Sassen.)

ARRONDÏSSEMENTS-REGTBANK TE AMSTERDAM.

Eerste kamer.

Zitting van den 30 October 1866.

Voorzitter, Jhr. Mr. C. Dedel.

Vonnis van echtscheiding. — Termijn van inschrijving in de registers van den burgerlijken stand.

Artt, 48, n°. 3, en 276 B. W. hebben niet alleen op het oog vonnissen , op tegenspraak, maar ook bij verstek gewezen; een vonnis van echtscheiding kan, na verloop van zes maanden na de uitspraak, ingevolge art. 88 B. B., niet meer in de registers van den burgerlijken stand worden ingeschreven.

W. F. Buseling, eischer, procureur H. J. de Blaadw,

tegen

den ambtenaar van den burgerlijken stand, gedaagde procureur J. G. Kuhn. '

De Regtbank enz.,

Gehoord de conclusie van het Openb. Min. tot ontzegging van den eischer in de kosten;

0. in facto :

dat, bij geregistreerd vonnis dezer Regtbank, bij verstek den 7 Nov. 1864 gewezen, het huwelijk van den eischer is verklaard door echtscheiding te zijn ontbonden;

dat, na behoorlijke beteekening van partijen, eene aanplakking en bekendmaking van dit vonnis, op de wijze, bij de wet bepaald, blijkens geregistreerd proces-verbaal van den deurwaarder B. Farret de eischer zich gewend heeft tot den ged., met verzoek 'voormeld vonnis in te schrijven in de registers van den burgerlijken stand te Amsterdam;

dat die inschrijving door den ged. is geweigerd, blijkens geregistreerd exploit van den deurwaarder W. F. Schrikker van den °17 Aug. 1865 ;

dat de eischer hierop, bij introduetieve geregistreerde dagvaarding van den 7 Oct. 1865 , en later zoowei bij conclusie van eisch als van repliek, op de breeder daarbij uiteengezette gronden alsno°- de inschrijving van het vonnis van echtscheiding in de registers van°den burgerlijken stand heeft gevorderd, met veroordeeling van den ged. in de kosten °

dat de ged. bij conclusie van antwoord heeft geconcludeerd tot ontzegging van den eisch en veroordeeling in de kosten, op grond dat meer dan zes maanden sedert de uitspraak van dat vonnis ver' loopen waren, vóórdat men die inschrijving daarvan in de registers heeft aangevraagd;

0. in regten :

dat het verschil tusschen partijen kennelijk ontstaat uit eene verwarring van, denkbeelden tusschen vonnissen , welke contradictoir , en die, welke bij verstek zijn gew ezen;

dat toch, waar de wet spreekt in art. 48, no. 3 , B. W., van geen wettig middel, en in art. 276 , al. 1 , B. W. van den dag, waarop dit vonnis voor geen wettelijk beroep vatbaar is, de wetgever in beide gevallen kennelijk gedacht heeft aan vonnissen, op tegenspraak gewezen, en hieruit niet mag worden gededuceerd, dat op eenige wijze zoude zijn afgeweken van de algemeene bepalingen voor vonnissen, bij verstek gewezen , vastgesteld en het éénige daartegen bij de wet erkende middel van verzet;

dat toch hooger beroep en cassatie aan eene vaste bepaling zijn onderworpen, terwijl verzet vrijstaat, zoolang het vonnis niet is geëxecuteerd;

dat de éénige executie van een vonnis van echtscheiding is de inschrijving, en, daar nu juist die inschrijving pas het middel van verzet, dat de bij verstek veroordeelde partij volgens de wet heeft, doet ophouden, het ongerijmd zoude zijn te beweren, dat partijen ' in strijd met art. 88 B. R., eenen algemeenen termijn van executie vaststellende voor alle vonnissen, bij verstek gewezen, geheel willekeurig den termijn van inschrijving in de registers van den burgerlijken stand zouden kunnen verlengen tot zoolang hun goeddacht;

dat dit ook in bepaalden strijd zoude zijn met art. 2 76 , al. 2, B. W., hetwelk voor de inschrijving van een vonnis van echtscheiding eene vaste tijdsbepaling voorschrijft, en daarvan de constitutieve kracht van het vonnis afhankelijk stelt, zoodat, wanneer daaraan niet tempore utili voldaan wordt, het vonnis te achten is als nimmer te hebben bestaan;

dat de wetgever niet gewild heeft, dat de staat van partijen, in zulk een gewigtig punt als het huwelijk is , in het onzekere zoude blijven , of aan willekeur worden overgelaten , en daarom juist in art. 276, al. 2, B. W. voor vonnissen, waarvan wettelijk beroep (dus contradictoir) , denzelfden termijn bepaald heeft, welke in het algemeen voor alle vonnissen, bij verstek gewezen , in art. 88 B. R. is vastgesteld;

dat in casu de inschrijving na verloop van meer dan zes maanden na de uitspraak van het vonnis is gevraagd;

Gezien, behalve de reeds aangehaalde artikelen, art. 56 B. K.; Regt doende enz.,

Ontzegt den eischer zijnen eisch en genomen conclusiën en veroordeelt hem in de kosten.

(Gepleit voor den eischer Mr. C. A. Cosman, en voor den gedaagde Mr. Brugmans.)

HOOGF, R/VAD. — SïurwerïiJUe Hamer.

Zitting van Vrijdag, 15 Maart.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

1. BEëEDiGD als advocaat bij den Hoogen Raad, Mr. A. M. B. Hanlo.

II. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake:

K. H. Siertsema , eischer, procureur Mr. A. Q. Kraijenhoff van de Leur, tegen de Soerabayasche zee-assurantie-maatschappij en cons., verweerders , procureur Mr. C. J. Franijois. Adv.gen. Gregory concludeert tot verwerping. Uitspraak 26 April.

III. Conclusie door procureur des eischers genomen in zake: D. J. Klink, secretaris-penningmeester van den Tedingerbroek-

polder , eischer, procureur Mr. M. Eyssell, tegen den Staat der Nederlanden, gedaagde, procureur Mr. C. J. Fran^is. Op verzoek van den heer Fran^is wordt voor den gedaagde verleend veertien dagen uitstel tot onderzoek dier conclusie.

IV. Gepleit in zake:

(koloniaal) A. N. Monsanto en A. J. da Costa, appellanten, procureur Mr. M. Eyssell, advocaat Mr. H. M. van Andel, tegen F. C. Vereul, als gemagtigde van H. H. Geveke, geïntimeerde,

procureur Mr. C. J. Fran^ois, advocaat Mr. A. M. van Söpriaan Luïscius. Uitspraak 26 April.

NB. Donderdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

===== —

Bij Z. M. besluit van den 12 dezer, no. 61, is benoemd tot notari3 binnen het arrondissement Roermond, ter standplaats Blerick, gemeente Maasbree, Mr. J. M. L. H. Clerx, advocaat en candidaflt" notaris, thans burgemeester van gemelde gemeente.

— Bij Z. M. besluit van den 14 dezer, n». 49, is, ter vervanging van den heer Mr. J. H. Fhilipse, emeritus geworden, tot hoogleer^ in de regtsgeleerde faculteit aan de hoogeschool te Groningen benoemd de heer Mr. W. Modderman, advocaat te Groningen.

BERIGTEN.

's Gravenhage , den 9 Maart.

In het jaar 1839 werd door Gebr. Belinfa.nïe uitgegeven de we' op de octrooijen van 1817, met eenige andere tot dit onderwerp betrekkelijke stukken. Eene nieuwe, veel vermeerderde uitgave daarvan thans het licht, waarin wordt medegedeeld de wetgeving » zoowel in het moederland, als in de Oost- en West-Indische bezf' tingen, gevolgd door de meest belangrijke vonnissen en arresten Nederland en in het buitenland. Het werkje wordt besloten met eenige historische aanteekeningeii, en eene vrij volledige bibliogr»' phie van het onderwerp.

Bij dezelfde uitgevers ziet het licht eene zeer nette zak-uitg»vfl van het Wetboek van Strafregt voor Ned. Indië.

Op den 3 dezer overleed te Leeuwarden de heer Toussaint Goslig"' in leven gepensionneerd griffier van het Kantongeregt te Rauwerd.

ADVERTENTIEN.

—a

Bij GEBROEDERS BELINFANTE, te ,s Graoenhagv * ziet het licht:

Wetgeving en andere officiële stukken betreffende de OCTROOIJEN YAN UITVINDING. INVOER EN VERBETERING in Nederland en zijne overzeesche bezittingen. Prijs f 1.—

De eerste uitgave van dit werkje was sinds lang uitverkocht' Van verschillende zijden aangespoord een nieuwen druk hiervan 46 bezorgen, hebben de uitgevers dezen aanmerkelijk vermeerderd , als o. a. met de Reglementen nopens de Octrooijen in Neêrl. ovef' zeesche bezittingen; met de Regtspraak betrekkelijk het onderwerp hier en in België; voorts met Aanteekeningen en eene Bibliograpb'13 over de Octrooijen hier te lande en elders , waardoor dit werkje tot eene beknopte handleiding strekken kan voor hen, die zich praktisch of theoretisch met de zaak der Octrooijen of Brevetten va» uitvinding enz. willen bekend maken.

Ter perse, om zoo spoedig mogelijk het licht te zien het nieuw OITWKHF van IVKTBOCH van STRAff^©!*" HERIIKH.

ONTWERP VAN WET

TOT REGELING DER

SCHUTTERIJEN,

gevolgd van de

MEMORIE VAN TOELICHTING

door de Regering aan de Staten-Generaal aangeboden. De officiële editie is uitverkocht.

Prijs / 0.75.

Verzonden en bij alle Boekhandelaren verkrijgbaar :

PROSPECTUS

van een werk, getiteld :

BESTUUR EN ADMINISTRATIE

der

GEMEENTEN IN NEDERLAND,

door

EK. ft. HARTMAUT Jz

Secretaris der gemeente Lochem.

Dit werk, dat reeds geheel voor den druk in gereedheid 's gebragt, is ingerigt als een leiddraad voor gemeentebesturen e" ambtenaren , bij de behandeling van de zaken der gemeentehuishouding'

De onderwerpen zullen in alphabetische volgorde voorkomen. opname van den voornaamsten inhoud der betrekkelijke besluiten en2, zal de schrijver aanwijzen, hoe volgens deze moet gehandeld worden, zoo noodig opgehelderd door voorbeelden, terwijl ten slotte in eeI1 uitgebreid register naar de verschillende onderwerpen verwezen wordt. Het werk zal compleet zijn in hoogstens 15 afleveringen. Inteekening-prijs per aflevering ƒ O.GO.

Bij de verschijning van afl. 2 wordt de prijs van het werk vef" hoogd en gebragt op f 0.80 per afl.

Snelyergdrnk en uitgave van GEBROED^I1^ BSEIjïWF'AWI'IS , te 's Gravenhage.

Sluiten