Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Edel Hoog Achtbare Heeren! De verdediger van dezen req. heeft zich in cassatie voorzien en bij memorie voorgedragen twee middelen van cassatie. Het eerste heet: schending van de artt. 206 en 211 Strafvord.: a. omdat het vonnis geene overweging bevat omtrent de schuld des bekl. aan de ten laste gelegde overtreding. Ik moet beginnen met de opmerking, dat het hier alléén betreft eene politieovertreding , waarin van geenen do lus sprake kan zijn , maar de daad zelve de schuld van den ged. in zich sluit. Verder bevat het vonnis eene overweging omtrent het wettig en overtuigend bewezene, dat de bekl. met eene barge of schuit is afgevaren op de bij dagvaarding vermelde dagen van Uithuizen naar Groningen en vice versa, personen en goederen vervoerende, en alzoo de dienst in het daartusschen bestaande beurtveer heeft ondernomen, zonder de vereischte vergunning; waardoor tevens wordt aangewezen , dat de req. dit heeft gedaan en daaruit dus te gelijk zijne schuld is gebleken; terwijl daarop later eene schuldig-verklaring volgt aan die overtreding, waardoor m. i. aan de artt. 206 en 211 Strafvord. is voldaan.

Verder wordt de schending dier artikelen beweerd: b, omdat bij het vonnis geen motief is aangevoerd, waarom het vervoeren van personen en goederen door den req. daarstelt: het ondernemen van de dienst van het vaste beurtveer tusschen Uithuizen en Groningen. Het vereischt geen betoog, dat de judex facti de redenen niet behoeft aan te geven, waarom hij eenige qualificatie op de gebleken feiten toepasselijk acht. Genoeg is het, dat hij overweegt, dat zoodanig feit aldus is te qualificeren. Is de qualificatie onjuist, het staat den veroordeelde vrij zich daarover te beklagen op de bij de wet voorgeschreven wijze; doch genoeg is het, dat overwogen zij, hoe het feit te qualificeren zij. De memorie beweert wel, dat niet ieder vervoer gezegd kan worden het ondernemen van eene dienst in het beurtveer, doch dit heeft, gelijk zij zelve aangeeft, meer betrekking tot het tweede middel, hetwelk de al dan niet juistheid der qualificatie betreft.

Dit tweede middel heet: verkeerde toepassing van de artt. 2 en

26 der toegepaste verordening van 18 Mei/18 Aug. 1857, vermits de bepaling van art. 2 alleen toepasselijk zou zijn op de in dat beurtveer varende schuiten en barges en hunne schippers, maar niet op hen, die, gelijk de req., nevens het beurtveer in vrije vaart varen en niet verbonden zijn aan reglementen.

Het verwonderlijke, hetwelk de memorie aangeeft, ais zou men hem aldus tot bevoorregt schipper willen verheffen, doch alleen om hem te kunnen straffen, zonder hem de voordeelen van het beurtveer toe te kennen, behoef ik wel niet in het breede te wederleggen , omdat het berust op de petitio principii, dat art. 2 alleen zou slaan op beurtschippers, hetgeen het middel beweert, doch juist te onderzoeken is. Het kan , dunkt mij , ook niet wel worden aangenomen , dat het artikel alleen ten aanzien van beurtschippers een verbod zou inhouden, hetwelk aan anderen dan beurtschippers verbiedt de dienst in het beurtveer te ondernemen.

Ik behoef mij overigens met dit middel niet verder bezig te houden , omdat de Kaad reeds herhaaldelijk art. 2 der bedoelde verordening heeft uitgelegd in den bij het bestreden vonnis aangegeven zin, en wel bij arrest van 14 Nov. 1865 ( Weekbl. no. 2748 , Megtspr. 81, 130, v. d. Honert , Gem. Zak. 22 , 82), en later in de zaak van dezen zelfden req., toen hij bij ditzelfde Kantongeregt was ontslagen van regtsvervolging en de Raad ten principale regt heeft gedaan bij arrest van 5 Junij jl. (Weekbl. n°. 2807), waarop ik meen niet te moeten terugkomen.

Het beroep op eene andere verordening, die op het beurtveer tusschen Leek en Groningen, kan, dunkt mij , niet tot de zaak doen , omdat uit eene andere verordening moeijelijk argumenten kunnen worden geput. Was die verordening thans in behandeling ,* dan zou de vraag zijn (welke in casu niet kan gedaan worden), welke der beide strafbedreigingen alsdan, die van artt. 26 of 27 dier verordening, zou behooren te worden toegepast; in casu kan slechts sprake zijn van ééne strafbedreiging, die van art. 26, omdat die van art.

27 hier niet bestaat.

Ik heb echter nog eene bedenking ten aanzien van het bestreden vonnis. Zij is deze, dat, in overeenstemming met de dagvaarding, is gebleken, dat de req. op drie onderscheiden dagen met zijne barge of schuit van Uithuizen naar Groningen en terug personen en goederen heeft vervoerd, en dus de dienst van het vaste beurtveer zonder vergunning driemalen heeft ondernomen; waarvan het gevolg m. i. moet zijn , dat de req. niet in ééne, maar in drie geldboeten had moeten zijn verwezen. Dat het Openb. Min. deze drie overtredingen bij ééne dagvaarding heeft aangebragt, kan niet te weeg brengen, dat aan een delictum continuum te denken zou zijn. Hoe zou dan te oordeelen zijn in de 26 andere zaken tegen dezen req. wegens gelijke feiten, waarin de Kaad nog te beslissen heeft ? Het feit , dat hij op zekeren dag heen en terug in het beurtveer tusschen de genoemde plaatsen heeft gevaren en personen en goederen vervoerd, is een op zich zelf staand ondernemen van de dienst. Dat hij ditzelfde vier of zeven dagen later nog eens heeft gedaan , kan hem wel weder strafbaar doen zijn , doch niet een gedeelte uitmaken van het vroegere feit. Neemt men dit niet aan , dan zou , na eene eerste veroordeeling, de req. straffeloos telken dage weder naar Uithuizen en terug kunnen varen, onder beweren, dat er slechts aan een delictum continuum te denken zou zijn.

Mijne opvatting wordt, dunkt mij, bevestigd door de overweging, dat de mogelijkheid bestond, dat hij op de latere data bewijzen kon vergunning te hebben bekomen, maar vooral door de omstandigheid, welke zich in n". 7953 voordoet, waar de dagvaarding mede drie overtredingen bevat, en wel op 1, 8 en 12 Junij jl. gepleegd, terwijl daarbij recidive is aangenomen, op grond, dat de Hooge Raad reeds bij arrest van 6 Junij jl. terzelfder zake had veroordeeld. Ten aanzien van de feiten, op 8 en 12 Junij jl. gepleegd , is dit beginsel van recidive juist toegepast; doch er kan van geene recidive sprake zijn bij het feit, op l Junij jl. begaan. En het gaat toch niet aan om aan te nemen, dat i/3 van het feit, als delictum continuum beschouwd, zou zijn begaan als recidivist, maar Vs n'et '• en toch na 6 Junij jl. pleegde hij recidive, doch vóór 6 Junij jl. niet.

Ik heb op deze gronden , namens den heer proc.-gen. , de eer te concluderen tot vernietiging ambtshalve van het bestreden vonnis, voor zoover de req. daarbij is veroordeeld tot ééne geldboete van f 6, met vervangende gevangenis-straf van drie dagen; en dat de Raad, op nieuw in dit opzigt regt doende, den req. veroordeele in drie geldboeten, elke van ƒ' 2, met vervangende gevangenis-straf casu quo van één dag, voor elke boete, en met veroordeeling in de kosten , op de voorziening gevallen.

In drie zaken van denzelfden req., op gelijke gronden, conclusie tot gelijke vernietiging, en veroordeeling tot verschillende boeten met vervangende gevangenis-straf; — in drie andere zaken , mede van denzelfden req., tot verwerping der voorziening en veroordeeling van den req. in de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie , namens den req. voorgesteld bij memorie , en bestaande in:

I. schending van de artt. 206 en 211 Strafvord., omdat het bestreden vonnis 1°. geenerlei overweging bevat omtrent de schuld des requirants aan de hem ten laste gelegde overtreding, en 2". geenerlei motief, w£arom het vervoeren van personen en goederen j

door den req., met zijne barge, daarstelt het ondernemen van de dienst van het vaste beurtveer tusschen Uithuizen en Groningen;

II. verkeerde toepassing van artt. 2 en 26 der in den hoofde dezes vermelde verordening, omdat het beurtveer van Uithuizen en Groningen geen beurtveer is, dat de vrije concurrentie uitsluit, en nergens tegen benadeeling van dat beurtveer straf is bepaald;

Overwegende, wat betreft het eerste cassatie-middel , dat bij het bestreden vonnis als bewezen is aangenomen: 1°. dat de req. op den 10 Aug. 1866, des morgens omstreeks ten ure, met eene barge of schuit van Uithuizen naar Groningen is afgevaren, en daarmede op dien dag des avonds omstreeks ten 7 % ure te Uithuizen is teruggekomen , personen of goederen, of wel beiden te zaïnen, tegen betaling van vracht vervoerende, zonder daartoe vooraf vergunning te hebben bekomen van het Bestuur der gemeente Groningen en van dat van eene der andere bij het tusschen Uithuizen enz. en Groningen bestaande beurtveer betrokken gemeenten; en 2". dat de req., bij arrest van den Hoogen Raad der Nederlanden van den 5 Junij 1866, ter zake van gelijke overtreding is veroordeeld;

O., dat bij deze feitelijke beslissing is uitgemaakt, dat het feit, bij dagvaarding omschreven, heeft plaats gehad, en dat de req. daarvan de dader is ;

O. , dat hiermede voldoende is gemotiveerd 's regters uitspraak , in het dispositief van het bestreden vonnis vervat, waarbij de req. wordt schuldig verklaard aan de overtreding, ter zake waarvan hij is veroordeeld;

O. , dat, wanneer de regter (als in casu heeft plaats gevonden) bevindt, dat het voor bewezen aangenomen feit al de vereischten oplevert om het te qualificeren als daarstellende de overtreding, omschreven en met straf bedreigd bij de door hem toegepaste artikelen der strafwet, geene verdere motivering voor zijne uitspraak wordt vereischt;

O., dat het eerste middel mitsdien is onaannemelijk;

0. , dat het tweede cassatie-middel berust op het beweren (bij de ingediende memorie reeds tot aandrang van het eerste middel aangevoerd) , dat niet elk vervoer van goederen of personen van Uithuizen naar Groningen daarstelt het ondernemen van het vaste, tusschen die plaatsen bestaande beurtveer; dat dit alleen het geval is, wanneer het vaartuig, waarmede het vervoer is geschied, is eene der in dit veer gebruikte schuiten of barges, naar de artt. 11 en 12 der verordening met goedkeuring van het Gemeentebestuur in de beurt gebragt; dat hij req. daarentegen met zijne barge personen en goederen vervoert in de geheel vrije vaart, zonder aan eenig reglement of aan eenige verpligting te zijn verbonden; dat zijne geheele onderneming bestaat nevens het bestaande en bij de toegepaste verordening geregeld beurtveer, waarvan hij req. geen deel uitmaakt; gevolgelij k dat de bepalingen der bedoelde verordening toepasselijk zijn op de in het genoemde beurtveer varende schuiten en barges en hunne schippers , maar geenszins op des requirants vaartuig of op hem rej., en art. 26 , gelijk de redactie aanwijst, zuiver eene reglementaire bepaling is ;

0., dat het beweren , als zoude de toegepaste verordening alleen geschreven zijn voor de schuiten en barges, in het beurtveer varende , en hunne daartoe vergunning verkregen hebbende schippers, in lijnregten strijd is met de bepalingen dier verordening, waarbij, nadat in art. 1 was vastgesteld, dat er een vast beurtveer zal bestaan tusschen de gemeenten Uithuizen en Groningen en tusschenliggende aldaar genoemde plaatsen, in art. 2 is bepaald: «Niemand zal de dienst van dit beurtveer ondernemen, dan na vooraf de vergunning te hebben bekomen van het Bestuur der gemeente Groningen en van het Bestuur van eene der overige betrokken gemeenten,» en, volgens art. 26, de overtreding van eene der bepalingen van dit reglement , voor zooverre daartegen niet voorzien is door eene algemeene verordening, wordt gestraft met eene geldboete van f 1 tot f 6;

0., dat bij die strafbedreiging art. 2 niet is uitgezonderd, en dat geene algemeene verordening bestaat, als bij art. 26 is bedoeld;

0., dat in casu feitelijk is uitgemaakt, dat de req. tot het bevaren van dit veer geene vergunning had, en niettemin (als hiervoren is gezegd) de vaart heeft uitgeoefend', en mitsdien het veer heeft ondernomen, derhalve te dier zake strafbaar is, en mitsdien ook het tweede middel is onaannemelijk;

Verwerpt enz,

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN LIMBURG. Kamer van nnrrectinnnele appellen.

Zitting van den 1 Februarij 1867.

Is een bij verstek veroordeelde, die wel verzet heeft gedaan, doch door niet-v er schijning ten dienenden dage van dat verzet vervallen is verklaard, nog ontvankelijk in zijn hooger beroep, tegen het bij verstek gewezen vonnis ingesteld 1 — Neen.

Het Hof enz.,

Overwegende, dat de bekl. (P. Regout), bij vonnis der Regtbank te Maastricht dd. 31 Oct. 1866 , is veroordeeld bij verstek : dat door hem, bij exploit van den deurwaarder Reynier van den 20 Nov. 1856, daartegen is gedaan verzet, en dat bij vonnis van 28 Nov. 1866 dit verzet is vervallen verklaard;

0., dat de bekl. zich voor dit Hof tegen het eerste vonnis van 31 Oct. 1866 in hooger beroep heeft voorzien, terwijl door het Openb. Min. geen appel is aangeteekend;

O., dat de opp., die het door hem gedaan verzet tegen een vonnis bij verstek laat vervallen verklaren, in denzelfden toestand verkeert, alsof hij geen verzet had gedaan, dienvolgens het vonnis, bij verstek gewezen, waartegen het vervallen verklaard verzet is gedaan, in volle kracht blijft bestaan;

O., dat, volgens de bepalingen van art. 241 Strafvord., tegen een vonnis, bij verstek gewezen, geen hooger beroep wordt toegelaten;

Gezien artt. 241, 273 en 207 Strafvord., en art. 52 Strafregt;

Verklaart den app. niet-ontvankelijk in zijn ingesteld hooger beroep tegen voormeld vonnis van 31 Oct. 18G6, bij verstek gewezen; en

Verwijst hem in de kosten, door het hooger beroep veroorzaakt, deze des noods invorderbaar bij lijfsdwang.

NB. Tegen dit arrest is door P. Regout cassatie aangeteekend, welke op 25 Maart e. k. bij den Hoogen Raad in behandeling zal komen.

HOOGE RAAI). — Burgerlijke Kamer.

Zitting van Vrijdag, 22 Maart.

Voorzitter, Mr. F. dis Greve.

1. Beledigd als advocaat bij den Hoogen Raad, Mr. A. M. A. Hanlo.

Voorzitter, Jhr. Mr. G. A. Milokt.

II. Uitspraak gedaan in zake:

L. Koster, eischer, procureur Mr. A. Q. Kraijenhoff van de Leur, tegen II. Vink, weduwe van F. A. J. Bamberg, c. s. ql" verweerders, procureur Mr. C. J. Fran<jois. Verworpen. Voorzitter, Mr. F. de Greve.

III. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake: Jhr. L. M. C. en Jhr. D. T. A. van den Bogaerde, eischers, pr°'

cureur Mr. A. Q. Kraijenhoff van de Leur, tegen den burgemeester der gemeente Dinther, als die gemeente vertegenwoordigende, verweerder, procureur Mr. C. J. Fran?ois. Adv-' gen. Gregory concludeert tot verwerping. Uitspraak 18 April'

IV. Gepleit in zake:

(koloniaal) het Koloniaal Gouvernement van Suriname, appellat / procureur Mr. C. J. Francjois, lands-advocaten Mrs. G.

van der Linden en A. de Pinto, tegen A. J. de Vries en S. de Vries, geïntimeerden, procureur Mr. M. Eyssell, advocaat Mr. H. M. van Andel. Conclusie van het Openb. Min. bepaal op 5 April.

NB. Donderdag is er geene zitting gehouden.

BERIGTEN.

's Gravenhage , den 23 Maart.

Den 20 dezer is te Leeuwarden overleden Jhr. Mr. H. M. Speelman Wobma, oud-president van het Prov. Geregtshof in Friesland.

Groot-Brittannië. -— In de vorige week heeft het Lagerhuis me' 108 tegen 107 stemmen een voorstel van een lid tot afschaffing der geesselstraf bij de Britsche landmagt aangenomen , vooral omdat de vrees voor die onteerende lijfstraf iets impopulairs aan de krijgsdienst gaf en bet aantal van degenen , die in het staande leger dienst nemen, verminderde. Het voorstel was door de Regering en doof ervaren militairen bestreden, op grond vooral, dat het behoud dier straf nog onmisbaar voor de instandhouding der krijgstucht bij he' staande leger was.

In de jl. Maandag gehouden zitting van het Lagerhuis heeft de minister van Oorlog medegedeeld, dat het Gouvernement, eene meerderheid van éénë stem in eene gansch niet voltallige vergadering niet aanmerkende als eene definitieve beslissing, een voorstel t°' behoud der geesselstraf bij het leger zou doen.

De minister zou alzoo , bij het indienen der gewone jaarlijkscbe voordragt tot wering van muiterij bij het leger, daarin de bestaande bepalingen opnemen , waardoor het Gouvernement wordt gemagtigd om in een klein aantal bepaald omschreven gevallen en onder zekere beperkingen de geesselstraf bij het staande leger te doen toepassen-

ADVERTENTIEN.

=. —'

A. VAN DER MAST , te Qorinchem, verzond :

JAARBOEKJE DER REGTEBLIJtE MAKT, VOOR 1867.

28ste Jaargang, te zamengesteld onder toezigt van Mr. c. C. E. n'ESIGELBROMGR , Ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw enz. a . . f. 1.50.

»E REGTSPRAIU VAW I»KV IIOOGFl

OER BifilIËRIiAÏOijRi t met geschiedkundige en ander0 toelichtingen , verwijzingen enz., door Mr. D. Léon. Prijs f 37.45' (Elk deel en elke aflevering ook afzonderlijk verkrijgbaar.)

Vervolg op dit Werk, Deel I (Staatsregt). Prijs f 8, onder den titel van:

DE REGTSPRAAK EN DE ADMINISTRATIEVE BESLISSINGEN OP DE NEDERLANDSCHE STAATSWETTEN, BESLUITEN ENZ.,

van I8S» tot Ju l ij 1§65 ,

met ophelderingen, ontleend aan de geschiedenis der wetgeving * litteratuur enz., en met verdere aanteekeningen,

door

Mr. E. L. van Emdbn , Advoc. te 'sGravenhage.

Dit eerste vervolg op de REGTSPRAAK van Mr. D. LÉoS> betreft de Staatsregelingen van 1798 en 1801 ; de Grondwetten van 1815, 1840 en 1848; de Kieswet; de Provinciale wet; ^ Gemeentewet; de Wet ter uitvoering van art. 7 der Grondwet, en de Wet tot verzekering der uitvoering van sommige voorschriften va» plaatselijke verordeningen.

Dit werk, nagenoeg tot den dag der uitgave bijgehouden, is ee" onmisbaar handboek voor de beoefenaren van het staatsregt, voor <*e leden van de regteriijke magt en inzonderheid voor hen dio »ft:' het bestuur van staat, provincie of gemeente deel hebben.

Het heeft allerwege een gunstig onthaal gevonden.

I. REGTSGELEERDE ADVIEZEN (Verzameling van) "" 1843—1866. Zeven deelen.

Van deze zeer gezochte verzameling zijn de twee eerste deele" uitverkocht; — de. prijs van deel III en deel IV is elk ƒ 1 — van het Ve f 1.50 ; van het Vle f 2.60 en van het onlangs verschenen VII deel f 2,25.

II. RECUEIL DES TRAITÉS ET CONVENTIONS, CONCLÜ8 ENTRE LES PATS-BAS ET LES PUISSANCES ETRANGÈRES, par M. E. G. Laoemans, docteur en droit et référe"' daire au département de 1'intérieur. Tomé V , Livraison D-*' Prijs ƒ 3.—

Met deze aflevering is het Vde deel compleet en deze verzameld dus thans weder geheel bijgewerkt, verkrijgbaar a J 28.25. , Voor Gezanten, Consuls en allen, die in den tegenwoordigen til zich op de hoogte willen stellen van de tractaten en overeenkom' sten, die Nederland met andere Mogendheden gesloten heeft > lS dit werk onmisbaar.

III. Le Duché db LIMBOURG et la CONFÉDÉRATION GËr* MANIQUE, par T. M. C. Asser, professeur de droit et avoca a Amsterdam f 0.25'

IV. LOI FONDAMENTALE du Rotaume des PAYS-BAS, de 1848. — Traduction très-soignée j 0.6°'

(Uitgaven van GEBR. BELINEANTE, te '# Gravenh

Snelpersdruk en uitgave van (SEBROED)''^ «IKU X l1'.% * TI<' , te 's Ciravenliage.

Sluiten