Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 25 April 1867.

N°. 2889.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKDNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

NEGEN- EN-TWINTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Bit blad verschijnt geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang f 20 ; voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs der advertentiën, zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van 11H. gewone correspondenten, franco.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Hmncr van Strafzaken.

Zitting van den 12 Februarij 1867.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

Politie-overtreding. — Verzuim van het schoonmaken deb straat. — Op zich zelf staande overtreding. — Non bis in idem. — Doorgaand misdrijf.

Is er sprajce van een bis in idem , wanneer men, krachtens de bepaling eener plaatselijke verordening veroordeeld ter zake van verzuim van het schoonmaken der straat, later wegens soortgelijk verzuim wordt veroordeeld, doch op een anderen datum bevonden, en de verordening ieder verzuim, als op zich zelve staande overtreding straft ? — Neen.

Kan daarbij ook de rede zijn van een delictum continnum ? — Neen. Kan de vervolging van overtredingen als de onderwerpelijke geacht worden afhankelijk te zijn van de omstandigheid, of het Dagelijksch Bestuur der gemeente gebruik hebbe gemaakt van de bevoegdheid, bij art. ISO der gemeentewet gegeven, om de straat ten koste der overtreders te doen schoonmaken ? • Neen.

. van de Wetering, arbeider, geboren en wonende te Hattem, 18 req. yan cassatie tegen een vonnis van het Kantongeregt te Elburg van den 20 Nov. 1866 , waarbij de req. is schuldig verklaard aan het verzuim van het schoonmaken der straten, in eene gemeente , Waar dit ten laste der inwoners is gelaten; en te dier zake, met toepassing van art. 471 principio, en § 3 Strafregt, art. 1 der verordening op de reinheid en openbare veiligheid op de straten enz., binnen de gemeente Hattem, van den 26 iWei 1856, en art. 1 der Wet van den 22 April 1864 (Stbl. n°. 29) , veroordeeld tot eene geldboete van f 2.50 en in de kosten, met bepaling, dat, wanneer de veroordeelde, twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, lil gebreke mogt blijven, de opgelegde geldboete te voldoen, deze zal vervangen worden door eene gevangenis-straf van e'én dag.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Voorduin, heeft de adv.-gen. Romer de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden ! De req. had, ter vermijding van noodelcoze kosten, bij e'e'ne dagvaarding ter zake der beide overtredingen, op verschillende dagen gepleegd, gedagvaard moeten worden. , , , .

De beslissing van het vonnis is overigens geheel overeenkomstig ^t arrest van dezen Raad, dd. 9 Oct. 1866 (Ned. Regtspr., dl. 84, kh 52). Het feit, toen ten laste van den req. bewezen verklaard, was gepleegd op 30 Mei jl.; terwijl de feiten, voor welke hij nu is "veroordeeld , zijn gepleegd op 16 en 23 Junij 1866.

verdediging, welke hij nu voor den kantonregter heeft gevoerd, .a" namelijk zijne woning niet aan de straat zoude zijn gelegen , ls geheel feitelijk, en op feitelijke gronden bij het vonnis a quo wederlegd. Zij is dan ook in de memorie van cassatie niet herhaald.

Zijne bewering komt thans hierop neder, dat hij is veroordeeld wegens hetzelfde feit; dit is echter onjuist, want de nu geconstateerde feiten zijn gepleegd in Junij 1866. De req. beweert echter, 'lat het gemeentebestuur, ingevolge art. 180 der gemeentewet, na het Mrest van den Raad verpligt was geweest, de straat en goot te doen reinigen. Zoodanige verpligting vloeit echter noch uit de voornoemde Wet in art. 180, noch uit het arrest van den Hoogen Raad voort. Ook deze bewering is ongegrond.

Het schijnt echter, dat de req. meent, dat in casu toepasselijk zoude zijn de regel non bis in idem, omdat hij ter zake van hetzelfde feit is vervolgd als vroeger, of dat hier een voortgezet misdrijf is gepleegd. Ook dit is echter onjuist, E. H. A. H. Het feit, waarvoor hij is veroordeeld, is niet hetzelfde als dat waarover de vroegere veroordeeling heeft geloopen, ofschoon hetzelfde misdrijf is gepleegd en dezelfde wetsbepaling alzoo is overtreden.

Ook is hier geen delictum continuüm, in den zin van het Strafregt. Ik verwijs den Raad naar de arresten van 8 Eebr. 1859, in de Neil. Iiegtspr. dl. 61, bl. 149 volg., bij v. d. Honert , Gem. Zaken, dl- 16, bl. 68 en 77.

Ik acht dus de voorziening ongegrond, en heb de eer, namens den heer proc.-gen., te concluderen tot verwerping van het beroep, met veroordeeling van den req. in de kosten, in cassatie gevallen.

De Ilooge Raad enz.,

Gelet op hetgeen door den req. is aangevoerd bij memorie : Overwegende dat bij het bestreden vonnis als bewezen is aangenomen , wat bl) dagvaarding aan den req. was ten laste gelegd, en hierin bestaande , dat op den 16 Junij 1866 , des voormiddags ten elf ure in de Koestraat te Hattem, is bevonden, dat de goot loopende langs de woning van den req., niet van vuilnis ontdaan, en de straat langs die woning niet op- of aangeveegd was; en daarop z'jn toegepast de strafbepalingen, in den hoofde dezes vermeld;

0., dat hiertegen door den req. bij memorie is aangevoerd, dat die veroordeeling zou gebaseerd zijn op dezelfde feiten, als waardoor hij bij vonnis van den kantonregter te Elburg van den 26 Junij 1866 , reeds was veroordeeld geworden; en dat na die veroordeeling geen nieuw feit bestond, vóór en aleer de Raad der gemeente Hattem, krachtens art. 180 der gemeentewet, do straat en goot ten koste des requirants had doen schoonmaken en de vuilnis doen

wegruimen;

0., dat, bij het toegepaste art. 1 der verordening van den 26 M°i 1856, aan den hoofdbewoner van elk huis de verpligting is opgelegd , om ten minste tweemalen 's weeks, en wel des Woensdags ei1 Xaturdags, vóór des voormiddags ten elf ure, de modder en

vuilnis uit de goten langs hunne percelen loopende, te doen scheppen en de straat ter halver breedte te doen opvegen; dat het verzuim om aan die verpligting te voldoen, waarvan in dit geding sprake is, heeft plaats gevonden op den 16 Junij 1866; dat, bij het door den req. bedoelde vonnis, de req. was veroordeeld ter zake van een soortgelijk verzuim, plaats gehad hebbende den 30 Mei te voren ; dat naar den inhoud van genoemd art. 1 ieder verzuim eene op zich zelve staande overtreding daarstelt, en mitsdien geene sprake kan zijn, hetzij van de toepassing van den regtsregel: non bis in idem, hetzij van een doorgaand misdrijf (delictum continuum) ;

O., dat hiermede niets afdoet een beroep op art. 180 der gemeentewet , vermits dat artikel niets gemeens heeft met de strafvordering , en de vervolging van overtredingen als de onderwerpelijke , niet is afhankelijk gesteld van de omstandigheden, dat het Dagelijksch Bestuur der gemeente gebruik hebbe gemaakt van de bevoegdheid bij genoemd art. 180 toegekend;

0., dat hetgeen bij memorie van cassatie tegen het bestreden vonnis is aangevoerd , mitsdien is onaannemelijk ;

Verwerpt enz.

Zitting van den 13 Februarij 1867.

Het plaatsen van hekken op den openbaren weg. — Banhekken. — Motieven. — Administratieve magt. — Regterlijke magt.

Heeft de regter in deze voldoende, zoowel feitelijk als regtskundig, gemotiveerd, dat de in deze zonder vergunning geplaatste hekken waren banhekken en alzoo vielen in de uitzondering der ordonnantie van de Staten van Noordbrabant van 15 Julij 1823 en 1 April 1824 ? — Ja.

Kan, vermits bij die ordonnantie aan Gedeputeerde Staten uitsluitend ter beoordeeling is overgelaten, of een weg voor openbare passage volstrekt noodzakelijk is, de bewering opgaan, dat niet de regterlijke, maar de administratieve magt zou te beslissen hebben omtrent het plaatsen van die hekken ? — Neen.

Had niet de regter te beoordeelen de gegrondheid van des beklaagden beiveren nopens het bestaan der uitzondering ? — Ja.

Stond, ook bij het als bewezen aannemen der volstrekte noodzakelijkheid van den weg voor de openbare passage, voor den regter in casu anders te beslissen dan over de vraag, of de geplaatste hekken waren banhekken in den zin der ordonnantie 1 — Neen.

Kunnen overigens Gedeputeerde Staten, door te verklaren, dat de onderwerpelijke afgesloten weg is een openbare weg, geacht worden implicite te hebben beslist, dat de daarop geplaatste hekken geene banhekken waren ? — Neen.

Beteekenen de woorden in art. 1 der meergemelde ordonnantie: "de »zoogenaamde banhekken tot in- en uitgang van gemeene broekhof iveilanden, in sommige gemeenten alleen uitgezonderd," kennelijk , dat in die gemeenten, waar gemeene weiden zijn, de banhekken, tot afsluiting dier weiden dienende, zijn uitgezonderd1 — Ja.

De officier van justitie bij de Arrond. -Regtbank te 's Hertogenbosch heeft zich in cassatie voorzien tegen een in hooger beroep gewezen vonnis van genoemde Regtbank van den 22 Nov. 1866, waarbij, met vernietiging van een vonnis van den kantonregter te 's Hertogenbosch, van den 20 Julij te voren, de gereq. L. van Meerwijk, oud 55 jaren, geboren en wonende te Orthen , president-schaarmeester aldaar, en lid van den Gemeenteraad van 's Hertogenbosch, beklaagd van' het plaatsen van twee hekken op den openbaren weg (waterkecrenden dijk) onder Orthen , zonder daartoe octrooi te hebben verkregen , den 28 Julij 1865, te dier zake van alle regtsvervolging is ontslagen, met veroordeeling van den Staat in de kosten van beide instantiën.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Wintgens en de voorziening bij pleidooi was bestreden door den advocaat van den gereq., Mr. J. Kappeyne van de Coppkllo , heeft de adv.-gen. Karseboom de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Ileeren! Het ten laste gelegde in deze is bewezen verklaard , dat namelijk , de gereq. als president-schaarmeester van Orthen op den openbaren weg (waterkeerende dijk) onder Orthen, zonder daartoe octrooi te hebben verkregen, twee hekken heeft doen plaatsen.

In eersten aanleg is de gereq. deswegens veroordeeld tot eene boete van f 25 (in 's regters stelsel hadden twee boeten moeten zijn uitgesproken) of twee dagen vervangende gevangenis-straf; in hooger beroep is hij ontslagen van regtsvervolging; het verschil grondde zich hierop, dat de eerste regter niet, de tweede wel, aannam de verdediging, dat die hekken zouden zijn banhekken in den geest van de ordonnantie der Staten van Noordbrabant van 15 Julij 1823 — 1 April 18 24.

De heer req. voert tegen het vonnis, houdende ontslag van regtsvervolging, bij memorie in de eerste plaats aan : scliending van artt. 206, 211, 210, 234, 428 en 434 Strafvord., in verband met art. 1 van het vermelde provinciaal reglement, omdat niet zou zijn gemotiveerd, wat juridice onder banhekken, zou te verstaan zijn;

2". schending van de artt. 131 en 192 Grondwet, 137 en 140 prov. regl. en het besluit van Gedeputeerde Staten van 30 Mei 1860, g. n". 68, 2de afd.; omdat ten deze niet de regterlijke, maar de administratieve magt, zou te beslissen hebben over de bevoegdheid om die hekken te plaatsen en de laatste implicite had uitgemaakt, dat hier geen banhekken waren;

3". subsidiair: schending van art. 5 provinciaal reglement, omdat niet is beslist, dat die hekken tot do "sommige^ behoorden, die zijn uitgezonderd, en de hekken niet zijn ingerigt, zoo als bij art. 5 is voorgeschreven.

Aan de behandeling dezer middelen meen ik de vermelding te

moeten doen voorafgaan , van hetgeen is verboden , in betrekking tot het ten laste gelegde.

Art. 1 van het provinciaal reglement (waarop het voornamelijk aankomt) verbiedt het plaatsen , op de kruin der dijken , welke voor openbare passage volstrekt noodzakelijk zijn (waarvan de noodzakelijkheid door Gedeputeerde Staten is te beoordeelen) van hekken , draaiboomen of andere afsluitingen hoegenaamd, tenzij daarvoor speciaal octrooi is verkregen; doch zondert daarvan (van dit verbod) alleen uit: «de"zoogenaamde banhekken tot in- en uitgang van gemeene broek- of weilanden in sommige gemeenten.».

De vraag is, zoo als wij aangaven , hier te beslissen : is de gereq. gebleken te verkeeren in de uitzondering ? Het feit bij de dagvaarding vermeld, is als bewezen aangenomen en tevens, dat de hekken waren geplaatst op de kruin des dijks en dat de bij dagvaarding bedoelde weg voor de passage volstrekt noodzakelijk was geoordeeld.

Gaan wij nu de middelen van cassatie na.

Met het eerste kan ik mij niet vereenigen : men kan verschillen omtrent de al dan niet juistheid der beslissing, wat onder die banhekken zij te verstaan, maar eene beslissing komt in het vonnis toch voor , en die beslissing is gemotiveerd ; ik lees toch in het vonnis o. a.: «dat in het slot van dat artikel uitdrukkelijk eene uitzondering wordt gemaakt, ten opzigte van de banhekken, dienende tot in- en uitgang van gemeene broek- of weilanden , terwijl door de aan zijde van beklaagde ter eerste instantie bijgebragte getuigen wettig en overtuigend is bewezen, dat de ter dagvaarding bedoelde hekken tot inen uitgang, van zoodanige broek- of weilanden dienen, en alzoo, volgens de slotwoorden van het artikel zelf, banhekken zijn;» terwijl daarna nog het een en ander wordt overwogen omtrent de vraag, of de wetgever heeft bedoeld, zooals bij het eerste vonnis was aangenomen , onder die uitzondering te hebben willen verstaan, de dwars over, zoowel als de langs de dijkkruin gestelde hekken.

De memorie beroept zich wel op uw arrest van 23 Dec. 1857 [Regtspr. 57, 274 , v. d. Honert, G. Z., 14, 313), ten betooge, dat hier ten onregte het juridische begrip van banhek is aangenomen op grond van getuigenbewijs; doch ten onregte, het bestreden vonnis deed dit niet; het nam alleenlijk op getuigenissen aan , dat de hekken dienden tot in- en uitgang van bedoelde landen, om daaruit blijkbaar zelf af te leiden in jure, dat er dus in den zin van het artikel banhekken waren.

Dit middel berust dus op eene min juiste opvatting van het bestreden vonnis.

Ook met.het tweede middel kan ik mij niet vereenigen, daargelaten , of men den bedoelden brief van Gedeputeerde Staten een bewijsmiddel kan beweren te zijn, geschonden, zooals de geachte pleiter niet ten onregte onder uwe aandacht bragt. Ik kan, gij weet het, met de grondgedachte van het middel wel niet toegeven, dat de regterlijke magt zich zou inlaten met de beoordeeling van hetgeen kennelijk alleen aan de administratieve toekomt; doch dit geval doet zich hier niet voor; er is hier geen sprake van eene al dan niet door Gedeputeerde Staten toe te kennen bevoegdheid tot plaatsing; er is geen sprake van al dan niet geoctroijeerde hekken, waaromtrent het artikel de beslissing aan Gedeputeerde Staten opdraagt; maar er is sprake van den aard der hekken, van banhekken, waarbij geen sprake kan zijn van octrooi; en de regter heeft uitspraak te doen, of op de hekken in casu de verbodsbepaling al dan niet kleeft; en wat banhekken zijn, is niet aan Gedeputeerde Staten opgedragen te beslissen en ik acht het dan ook minder juist opgevat, waar de memorie beweert, dat Gedeputeerde Staten bij de aangehaalde beslissing van 1860, implicite, zouden hebben uitgemaakt, dat hier geene banhekken zijn.

Ten aanzien van het derde middel heb ik twee opmerkingen, welke m. i. ook daaraan de kracht ontnemen. De eerste is, dat de uitdrukking , in het aangehaalde art. 1 der provinciale verordening: »in sommige gemeenten,» geene andere beteekenis kan hebben, dan »in sommige gemeenten bestaande;» zoodat het onnoodig en doelloos zou zijn te onderzoeken, gelijk de memorie wil, of de gemeente behoorde onder die » sommige ; « waarbij ook niet kan opgaan het beweren , dat, die zich op de uitzondering beroept, dit zou hebben te bewijzen.

De tweede opmerking betreft het slot van het middel: dat de hekken niet zoodanig waren ingerigt, als bij art. 5 is voorgeschreven. Daarvoor stond de gereq. niet te regt; deze zou eene geheel andere wetsbepaling zij n ; zij zou berusten op de onderstelling, dat hier banhekken waren, dat ze mogten gesteld zijn, en de actie, tot zelfs het beweren in cassatie, berust op de stelling, dat ze geene banhekken zijn, dat de plaatsing, onder welke conditiën ook, ongeoorloofd zou zijn.

Ik kan mij dus ook niet met dit derde middel vereenigen.

De eenige vraag, welke m. i. zou overblijven, kan alleen deze zijn : is art. 1 van het reglement aldaar niet juist toegepast ? waren hier banhekken in den zin van dit artikel ? Die vraag meen ik nog kortelijk te moeten nagaan.

Wat in abstracto banhekken zouden zijn, wordt, zoo men de oplossing van het bestreden vonnis niet aanneemt, bij het reglement niet gegeven.^

De memorie meent, dat hieronder te verstaan zijn hekken, welke krachtens vroegere privilegiën bestonden, namelijk afsluitende een , door den souverein aan een dorp of villa afgestaan gedeelte van de communia sterilia, en zij meent, dat de regter het bestaan van zoodanig vroeger privilegie had beliooren te onderzoeken; zij beroept zich verder op ICiliaen, die «banne-ghebied of banne» in het latijn noemt ditio, imperium, jurisdictio, regio territorium en bepaaldelijk ook op Raepsaet, Hist. de 1'orig. et des progrès des droits des Beiges et des Gaulois,» waar hij, 1. IV, ch. 6, § 257 , (Oeuvres 4, 467) zegt: »3analité dérivée evidemment du mot bannum; ce mot signifie tantót un arrondissement de police, et tantót Tarnende elle-même; le mot banalitê vient en particulier de la signification d'un arrondissement de justice, d'administration ou de propriété, telle que la circonscription d'un villa au moyen age; ainsi on appelait bannchs les individusjusticiables d'un seigneur, quel que fut le lieu de leur domicila ou les habitants du cercle d'un villa,» niet welke afleiding de explicatie van den ^geachten pleiter, ontleend aan Waitz, «DeutscheVerf, Gesch.III, 79«

Sluiten