Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overeenstemt, namelijk verbod, afkomstig van de bevoegde magt.

In het algemeen dit aannemende betrekkelijk den oorsprong van het -noord, meen ik, dat uit eene vergelijking met de slotwoorden van art. 1 der provinciale verordening volgt, ivat die wetgever heeft bedoeld mot het werd banhekken ; ik lees toch : »de zoogenaamde banhekken,» en de omschrijving volgt, dunkt mij, «tot in- en uitgang van gemeene broek- of weilanden."

Zoodra nu die bestemming in fado is uitgemaakt, meen ik, dat aan banhekken is te denken, en omgekeerd in casu is op grond van wettelijk getuigenbewijs uitgemaakt, dat in deze de hekken dienden tot in- en uitgang van zoodanige broek- of weilanden, atqui ergo vielen zij m. i. in de uitzondering van geoorloofde plaatsing en is dien ten gevolge de req. van regtsvervolging ontslagen.

Ik mag niet ontveinzen dat die feitelijke beslissing mij bedenkelijk voorkomt, en dat uit den aard der zaak meer aanleiding zou bestaan om de beslissing des eersten regtors te verkiezen, dat "hieronder moeten worden verstaan de hekken op de wegen, welke den toegang tot de weiden afsluiten, maar nimmer de hekken, welke op de kruin der dijken en openbare wegen zijn geplaatst," omdat in casu hij, die door dit dwars over den weg geplaatste hek gaat, wel den toegang tot den verderen openbaren weg, maar niet zoo zeer dien tot de daar naast gelegene weide zich ontsluit; omdat ik met het bestreden vonnis de mogelijkheid aanneem, «dat in de algemeene verbodsbepaling, behalve de hekken dwars over den weg, ook de hekken op zijde van den weg zijn bedoeld,» en ik bijzonderen grond daarvoor vind, zoowel in de vooropgezette gronden van het reglement, waarin wordt gesproken van: «bij zooverre hier en daar het grasgewas op de afhellingen der dijken en langs de openbare wegen in den bijzonderen eigendom der gemeenten, polders, collegiën of particulieren mogt vallen , dat de beschikking over dien eigendom in hare gevolgen nimmer strijdig kan of mag zijn met de algemeene wetten en reglementen van policie en van openbare zekerheid, terwijl in allen gevalle die bijzondere eigendom zich niet tot de oppervlakte der dijken en wegen, tot publieke passage bestemd, kan uitstrekken ;» als in den aanhef van het besproken art. 1: «Onverminderd den eigendom van het grasgewas, op de hellingen der dijken en langs de wegen, waarover de eigenaar, hetzij door afmaaijing en inoogsting, hetzij door laten weiden van vee onder hoede vrijelijk zullen kunnen beschikken, is en blijft het aan een elk en een iegelijk, hetzij gemeente , polderbestuur , collegie of particulier , verboden op de kruin der dijken, hekken te plaatsen," waarbij ook niet wordt onderscheiden, hoe de hekken op de kruin zijn geplaatst, in de lengte of in de breedte des dijks; en ik zou meenen, dat toegang tot de weide (de hellingen van den dijk daaronder aangenomen), niet wordt gegeven door een hek over de breedte van de kruin des dijks geplaatst, maar wel door een hek langs den weg op die kruin , tot de daardoor afgeslotene helling of weide; doch , wat daarvan ook zij, die meening zou wel kunnen leiden tot het aannemen van een mal jugé omtrent dit feitelijke; maar, nu dit feitelijke van het verleenen van den toegang alzoo door den judex facti is beslist, kunnen wij in cassatie niet in tegeuovergestelden zin beslissen, dan de judex facti in dit opzigt, en kan ik niet aannemen, dat art. 1 is geschonden.

Op dezen grond heb ik, namens den heer proc -gen., de eer te concluderen tot verwerping der voorziening, de kosten te dragen door den Staat.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie door den req. voorgesteld bij memorie:

Overwegende, dat aan den gereq. was ten laste gelegd, en bij het bestreden vonnis als bewezen is aangenomen, dat hij, als presidentschaarmeester van Orthen, op den openbaren weg (waterkeerenden dijk) onder Orthen, zonder daartoe octrooi te hebben verkregen, twee hekken heeft doen plaatsen;

0., dat bij de ordonnancie der Staten van Noordbrabant van den 15 Julij 1823 en 1 April 1824, in de artt. 1 en 6, onder bedreiging eener geldboete van f 25 , wordt verboden het plaatsen op de kruin der dijken en op de wegen, welke voor openbare passage volstrekt noodzakelijk zijn, waarvan de noodzakelijkheid door Gedeputeerde Staten is te beoordeelen, van hekken of andere afsluitingen hoegenaamd , tenzij daarvoor speciaal octrooi is verkregen; van welk verbod alleen worden uitgezonderd de zoogenaamde banhekken tot in- en uitgang van gemeene broek- of weilanden in sommige gemeenten ;

O., dat de Regtbank den gereq. van alle regtsvervolging heeft ontslagen, op grond, dat de door hem geplaatste hekken zouden zijn banhekken , en de gereq. dus zoude verkeeren in de uitzondering der ordonnancie;

0., dat tegen deze uitspraak als eerste middel van cassatie is voorgesteld: schending van de artt. 206 en 211 j's. 210, 234, 428 en 434 Strafvord., in verband met art. 1 van het Provinciaal reglement van 1 April 1824 (Provinciaal blad n°. 55) ; en zulks op grond , dat het vonnis niet behoorlijk met redenen zoude zijn omkleed, omdat de Regtbank het bestaan van banhekken in casu zoude hebben aangenomen zonder in eenige beschouwing te treden over het juridisch begrip van banhekken en alleen op de verklaringen van daartoe onbevoegde getuigen;

0., dat dit beweren berust op eene onjuiste opvatting van het bestreden vonnis; dat toch de Regtbank op de verklaringen van getuigen alleen als bewezen heeft aangenomen het feit, dat de bedoelde hekken dienen tot in- en uitgang van gemeene broek- of weilanden, en op grond van dat bewezen feit zelve heeft uitgemaakt, dat, volgens de slotwoorden van het artikel, de hekken banhekken zijn, terwijl nog nader wordt overwogen, dat de eerste regter ten onregte tusschen hekken dwars over den weg en langs den weg geplaatst eene onderscheiding buiten de bewoordingen en den zin der ordonnancie gemaakt had ;

0., dat dus de Regtbank hare uitspraak, dat de meerbedoelde hekken banhekken zijn , quoad factum op de verklaring van getuigen en quoad jus op de definitie van banhekken , zooals die in de ordonnancie zelve wordt gegeven, heeft gemotiveerd, en alzoo het eerste middel van cassatie is ongegrond;

O., dat als tweede middel van cassatie is aangevoerd: schending van de artt. 131 en 192 der Grondwet, 137 en 140 der provinciale wet en van het besluit der Gedeputeerde Staten van den 30 Mei 1860, g, no. 6S, 2de afdeeling, omdat ten deze niet de regterlijke , maar de administratieve magt zou te beslissen hebben over de bevoegdheid om die hekken te plaatsen en de laatste implicite had uitgemaakt, dat hier geene banhekken waren;

0. daaromtrent, dat aan den gereq. ten laste gelegd zijnde van, in strijd met de ordonnancie, hekken op eenen openbaren weg geplaatst te hebben , en te zijner verdediging aangevoerd zijnde , dat de door hem geplaatste hekken, als zijnde banhekken, bij de ordonnancie van het verbod waren uitgesloten , uitsluitend aan den regter te beoordeelen stond, of de beweerde uitzondering gegrond was; terwijl daarentegen bij de ordonnancie uitsluitend aan Gedeputeerde Staten te beoordeelen is overgelaten of een weg voör openbare passage volstrekt noodzakelijk is;

O., dat die volitrekte noodzakelij kheid in casu dan ook teregt bij liet bestreden vonnis is bewezen verklaard, op grond van den in bet geding gebragteu brief van Gedeputeerde Staten aan don officier van justitie te 's Hertogenbosch van den 30 Mei 1866, bij het middel van cassatie verkeerdelijk «besluit» genoemd; doch dat in casu niet te beslissen stond, of de door den gereq. afgesloten weg voor openbare

passage volstrekt noodzakelijk is, maar alleen of de tot afsluiting ge, plaatste hekken, in den zin van art. 1 der ordonnancie, banhekken zijn , en daarom van de verbodsbepaling zijn uitgezonderd ; ■ 0., dat dan ook Gedeputeerde Staten, door in hunnen voormelden brief te verklaren, dat de afgesloten weg, in den zin van art. l der publicatio van den 1 April 1824 een openbare weg is, niet implicite hebben beslist, hetgeen ook aan hen niet te beslissen stond, dat de daarop geplaatste hekken geene banhekken zijn;

0., dat mitsdien geene quaestie van administratief regt door den regter is beslist, en alzoo ook het tweede middel is ongegrond;

O., dat als derde middel subsidiair is beweerd: schending van de artt. 1 en 5 van het provinciaal reglement (ordonnancie) van den 1 April 1824, en zulks op grond: 1". dat niet is uitgemaakt, dat de geplaatste hekken behooren onder die, welke in sommige gemeenten uitgezonderd zijn, daar niet het plaatsen van alle banhekken, alleen die in sommige gemeenten zijn toegelaten; 2°. omdat de hekken niet zoodanig zijn ingerigt als in art. 5 is voorgeschreven ;

0. ad Iu,n, dat de woorden van art. 1 der ordonnancie, «de zoogenaamde banhekken tot in- en uitgang van gemeene broek- of weilanden, in sommige gemeenten alleen uitgezonderd,« niet beteekenen, dat in sommige gemeenten de banhekken zijn uitgezonderd, in andere gemeenten niet; maar kennelijk, dat in die gemeenten, waar gemeene weiden zijn , de banhekken, tot afsluiting dier weiden dienende, zijn uitgezonderd;

0., dat dus niet behoefde te worden onderzocht, of de hekken geplaatst zijn in eene gemeente waar de plaatsing van banhekken was toegelaten;

O. ad II1"" , dat de gereq. niet te regt stond ter zake, dat de hekken niet overeenkomstig de voorschriften van art. 5 der ordonnancie zouden zijn ingerigt, maar wegens de plaatsing zelve , zoodat dan ook aan den regter niet te onderzoeken stond, of de hekken behoorlijk waren ingerigt, maar alleen of do plaatsing zelve was geoorloofd;

O., dat alzoo ook dit middel is ongegrond ;

Verwerpt het beroep, de kosten daarop gevallen, te dragen door den Staat.

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN NOORDHOLLAND.

HargerlijUe kuiuejr.

Zitting van den 1 November 1866.

Voorzitter, Mr. J. M. van Maanen.

Schepeling. — Verminking. -— Blindheid. — Sciiadbloosstelling, — Bewijs. — Expertise.

Begrip van verminking in den zin van art. 423 W. K.

Verminking, ofschoon meestal het gevolg van verwonding, kan

evenzeer het gevolg van ziekte zijn.

Ten einde de vordering tot schadeloosstelling wegens verminking te kunnen beoordeelen, moet niet alleen zijn bewezen, dat die is ontstaan tijdens de diénst op het schip, maar ook ten gevolge van geweldige zee-wederwaardigheden, rustelooze bemoeijingen tot redding en behoud van schip en lading, en stooten en schokken daarbij opgedaan en ondervonden ; deze, zonder nadere aanwijzing, als oorzaak der verminking opgegeven, zijn geen afdoende omstandigheden of feiten, zoodat een getuigen-verhoor daaromtrent moet ivorden ontzegd en ook geene termen aanwezig zijn, om een onderzoek van deskundigen te bevelen.

II. B. A. Kramer, appellant, procureur L. Boas,

tegen

A. van Praag en Comp., geïntimeerden, procureur Mr. E. J.Asser. Het Hof enz.,

Ten aanzien der feiten en procedures zich vereenigende met en alzoo overnemende de voordragt daarvan in het vonnis, door de Arrond.Regtbank alhier op 29 Sept. 1865, tusschen partijen gewezen, waarbij op de gronden daarin vermeld den eischer zijn principale en subsidiaire eisch en conclusie ontzegd is, strekkende dezelve tot veroordeeling zonder borgstelling en bij voorraad der leden der gedaagde firma, ter voldoening aan hem eischer eener som van f 3000 of zoodanige andere som als de Regtbank zal oordeelen te behooren, voor vergoeding van schade van het door hem eischer aan boord en in dienst van der gedaagden barkschip de Vereeniging op reis naar Boston geleden verminking en verlies van gezigtsvermogen, en subsidiair voor het geval, de gedaagden mogten ontkennen het feit, dat zijn gezigtsverlies in dienst van gemeld schip voorgevallen is, tot toelating om door alle middelen regtens, ook door getuigen, te bewijzen , dat het verlies van zijn eisehers gezigtszintuig in dienst en aan boord van der gedaagden schip Vereeniging plaats gevonden heeft; en Overwegende wijders, dat de eischer van gemeld vonnis in hooger beroep gekomen is , en bij memorie in appel als eenige grief tegen het vonnis a quo in het midden gebragt heeft, dat daarbij hem eisclier het leveren van nader bewijs ten onregte ontzegd geworden is, weswege hij in een breedvoerig betoog is getreden; concluderende hij alzoo tot vernietiging van het vonnis a quo en ten principale zoo en in dier voege als door hem in eersten aanleg geschied en hierboven gemeld is, en subsidiair voor den app. toe te laten, door alle middelen regtens, ook door getuigen te bewijzen: dat hij de verminking, bestaande in het verlies van zijn gezigtszintuig, geleden en bekomen heeft: a. aan boord van, en op de reize begonnen Nov. 1864 , met der geïntimeerden barkschip Vereeniging van het Nieuwe Diep naar Boston in Noord-Amerika; b. in dienst van het schip, dat is, ter zake van scheepsdienst, bepaaldelijk ten gevolge van met het schip op de reis ondergane en geledene wederwaardigheden en des appellants rustelooze bemoeijingen tot redding of behoud van schip en lading, en de stooten en schokken daarbij opgedaan en ondervonden;

Geheel subordinaat, dat, indien van het feit b, volgens het oordeel van het Hof, na de enquête een onderzoek van deskundigen plaats moet hebben, alsdan zoodanige expertise naar den teestand van het gezigtsvermogen van den app. en naar de vermoedelijke oorzaken daarvan, met kennisneming door de deskundigen van het procesverbaal der verklaring van de gehoorde getuigen, door het Hof bevolen zal worden, in beide gevallen, zoo van enquête als van expertise, met veroordeeling van de geïntimeerden bij tegempraak in de kosten van het incident en anders met reserve daarvan tot het eindarrest ; .

dat de geïntimeerden bij memorie van antwoord betoogd hebben, dat art. 423 W. K. tusschen ziekte, verwonding en verminking onderscheidt, en slechts in het laatste geval schadeloosstelling verleent; voorts, dat de regter a quo teregt geoordeeld heeft, dat geen getuigen-bewijs toegelaten kan worden, zoolang do app. niet aanbiedt te bewijzen bepaalde en ter zake dienende en afdoende feiten, die a priori aan de wet getoetst kunnen worden, of zij, bewezen zijnde, verminking in dienst

van het schip daarstellen; dat de app. zich niet kan bepalen om datgene door getuigen te bewijzen, 't geen misschien alleen door deskundigen verklaard kan worden; dat geene expertise zonder feitelijke gegevens, dieniet gearticuleerd zijn, noch bestaan, doel treffen kan, en dat waar de wet onderscheidt tusschen ziekte en verminking gedurende de reis en in dienst van het schip, het niet aangaat enkel onderzoek te doen naar den tegenwoordigen toestand van het gezigtsvermogen , concluderende geïntimeerden alzoo tot bekrachtiging van het vonnis a quo-, cum expensis ;

0. in regten:

dat, volgens art. 423 W. K., ieder schepeling, die in dienst van het schip verminkt wordt, geregtigd is tot schadeloosstelling;

dat verminking in den zin van genoemde wetsbepaling moet «-eacht worden te zijn verlies of schending van eenig ligchaamsdeel, ten gevolge hebbende onherstelbaar verlies van of belemmering in het gebruik van hetzelve , waardoor de schepeling voor altijd heeft verloren de geschiktheid van het door hem, vóór de verminking , uitgeoefend bedrijf, waar te nemen en het daaraan verbonden loon te verdienen; dat voiminking, ofschoon meestal het gevolg van verwonding evenzeer het gevolg van ziekte kan zijn;

dat alzoo een onherstelbaar verlies van het gezigtsvermoo-en als verminking moet beschouwd worden, onverschillig of dit verlies is veroorzaakt door verwonding dan wel door ziekte;

O. , dat mitsdien de vraag is: heeft de app. liet'bewijs aangeboden van afdoende feiten, waaruit zoude moeten worden aangenomen, dat de app. in dienst van het schip voor goed blind is geworden ?

0., dat zoo al bewezen ware , dat de app. tijdens de dienst op het schip zijn gezigtsvermogen verloren heeft, dan nog de vraag zon blijven, ten gevolge waarvan?

O., dat de app. als oorzaak opgeeft «geweldige zeewederwaardigheden , rustelooze bemoeijingen tot redding en behoud van schip en lading en schokken en stooten, daarbij door den app. opgedaan en ondervonden,» zonder op te geven, waarin die wederwaardigheden en rustelooze bemoeijingen hebben bestaan, noch waar ter plaatse van het hgchaam de app. schokken en stooten heeft bekomen;

0., dat zoodanige omstandigheden of feiten niet als afdoende kunnen worden beschouwd eu dat het Hof,f in hetgeen overigens door den app. is aangevoerd geen aanleiding heeft gevonden om ambtshalve het bewijs van andere feiten op te leggen;

O., dat waar geen afdoende feiten als oorzaak van de beweerde verminking zijn, er ook geen termen zijn om een onderzoek van deskundigen te gelasten;

Zich alzoo vereenigende met de uitspraak van den eersten regter; Ontzegt den app. zijne subsidiaire conclusiën tot liet leveren v»n bewijs ,•

Bekrachtigt het vonnis van de Arrond.-Regtbank te Amsterdam > den 29 Sept. 1865 tusschen partijen gewezen;

Verwijst den app. in de kosten van het hooger beroep.

(Gepleit voor den appellant Mr. J. van S. Mulder, en voor de geïntimeerden Mr. F. S. van Nierop.)

~ . , ■ - . ... .-^==s

ARRONDISSEMENTS-REGTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE AMSTERDAM.

Tweede kamer.

Zitting van den 14 November 1866.

Voorzitter, Mr. A. E. Penning.

Distantievracht.

Het beding, in de cherte-partij, van restitutie der reeds betaalde vracht, wanneer het schip de bestemmingsplaats niet heeft mogen bereiken, derogeert niet aan de wettelijke regeling omtrent de verschuldigdheid van distantievracht. Art. 483 W. K.

P. Carst, eischer, procureur II. van Eys,

tegen

W. L. van Coeverden , gedaagde, procureur F. E. Dammers.

De Regtbank enz.,

Overwegende in facto:

dat de vordering strekt tot betaling eener som van f 1637.26 , als teruggaaf van het saldo der door den eischer betaalde helft der vracht van het schip Jacqueline, op grond, dat de eischer op 17 Jan. 1865 met den ged. heeft aangegaan eene overeenkomst van be- en vervrachting , waarbij de ged. zich heeft verbonden gemeld schip ter beschikking des eisehers te stellen voor eene reis naarKanagawa en Decima, tegen eene vracht van f 10,500, betaalbaar de helft n» het vertrek uit de zeehaven, onder verband van restitutie, wanneer het schip deszelfs bestemmingsplaats niet heeft mogen bereiken, en de wederhelft na geheele ontlossing;

dat, daar dat schip zijne bestemmingsplaats niet heeft bereikt, doch bij Leparo is gestrand en als wrak verkocht, de ged. volgens gezegd beding gehouden is hem eischer de halve betaalde vracht te restitueren , maar dat de ged. tot hiertoe, in strijd met de overeenkomst, geweigerd heeft zulks ten volle te doen , bewerende de thans geeischte som als distantievracht te kunnen vorderen;

dat de ged. heeft geantwoord, dat het Nederlandsche zeeregt aan de reederij vracht toekent tot de plaats der schipbreuk, in evenredigheid tot de geheele vracht, zoogenaamd distantievracht, indien goederen na schipbreuk worden geborgen en de reis niet kan worden ten einde gebragt, en dat aan die wettelijke bepaling bij de overeenkomst niet is gederogeerd; weshalve hij tot niet-ontvankelijk-vorklaring, immers ontzegging van den gedanen eisch heeft gecon" cludeerd ;

O. in jure :

dat, naar aanleiding der door partijen, zoowel schriftelijk als mondeling gevoerde instructie, in deze de éénige te beslissen vraag is: of het hierboven vermelde in de cherte-partij voorkomende beding derogeert aan de wet, dan wel of daaraan de zin moet worden toegekend, dien de eischer er aan gehecht wil zien;

O. daaromtrent, dat, bij eene vergelijking van de bepalingen dei' artt. 482 en 483 W. IC., beide regelende wat regtens is tusschen be- en vervrachting, ingeval van stranding, in het oog springt, dat omtrent goederen, door stranding vergaan, bepaald is, dat hiervoor geene vracht verschuldigd is, ja zelfs restitutie der betaalde vracht kan gevorderd worden , indien niet het tegendeel bedongen is, terwij' omtrent goederen, na schipbreuk geborgen, distantievracht wordt toegekend, zonder dat daarbij aan den bevrachter het regt tot terugvordering van de reeds op rekening betaalde vracht expressis verbis wordt gegeven;

dat hieruit volgt, dat, zoo het in geschil zijnde beding in do cherte-partij ontbrak, de ged. in casu zoude hebben kunnen beweren, dat hij niet verpligt was de reeds betaalde halve vracht terug te geven, en het beding de duidelijke strekking heeft dit casu q"° te voorkomen;

dat deze strekking nog te stelliger blijkt uit het feit der doorha*

Sluiten