Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in WaS temd» g°ed had gehouden , waarvoor de aannemer moest s aan ; dat echter met liet grootste gedeelte van het geleverde het ^gendeel had plaats gehad, vermits dit ter plaatse der bestemming as afgekeurd en, ter voorkoming van grootere schade, in het open" ó°ai Verkocl;c> en dat de ingestelde vordering strekt tot vergoeding nnnVi "-i Uit het '"gehouden ée'n derde van den aannemingsprijs

en uit de opbrengst van het verkochte reeds voldane schade; on d'*. de "'gestelde vordering is toegewezen, als teregt gegrond

I ue ingeroepen overeenkomst en als voldoende bewezen; en dat de ten'tr"!?®1 vooroPSestelde bewering, dat schadeloosstelling zonhaaldl •, "g der overeenkomst zoude zijn in strijd met de aangeB.w artlkelen> met name met art. 1303, in verband met art. 1516,

O 'i'men dat deze alz0° zouden zijn geschonden, is onaannemelijk' "akoimv 'eis' dat> wel is waar' biJ' eerstgenoemd artikel, bij nietVergoed • overee»komst ■ het regt tot het vorderen van schadeovci-ür. |n^ *s verbonden aan dat tot het eischen der ontbinding dier

daarvn f St; dat echter de avtt- 1302 en 1303 B- w- • a]s eene bevattp a'W|jkende bepaling der partijen niet verbiedende, alleen desiy» algemeene regelen en voorschriften, voor het geval, dat zij onder Dlet- and6rS zij" üvereengekomen; en dat, vermits in het uitdr 'u?geval van die algemeene regelen bij overeenkomst 1Ili:!i.U; sehjk is afgeweken, noch deze, noch de in verband daarq aangehaalde artikelen zijn geschonden ;

'' i!lat a^s tweede middel van cassatie is aangevoerd : schending in Je?i '°rde toePassing van art. 14 Alg. Bep. , en art. 1292 B. W., diei ej ld m0t de alt'' *384 611 1385 van hetzelfde wetboek, doorheeft "°f de tusscilen partijen aangegane overeenkomst zoodanig Dj wtgelegd, dat daarin zouden voorkomen bepalingen, in strijd rust °Penbave orde, en de toewijzing der vordering heeft doen o en op eene, bij de wet gewraakte, naar 's Hofs uitlegging in de

weenkomst aanwezige conditio potestativa;

over'' Ciat' V0'Se°s 's Hofs uitlegging der tusschen partijen aangegane KescVn mS'' daarbiJ hebben verbonden om , ingeval van

•Iele U t6n aanz'en dezer levering, af te zien van alle regtsmiden f 6n te ^ernsten in de uitspraak der processen-verbaal van keuring of v6 verdere beslissing dienaangaande, zonder verder beroep door

, 511 J''ege het departement van Koloniën te nemen;

^et '' l i zoodan'ge vrijwillige afwijking van den anders naar de o geldenden regel omtrent de beregting van over de uitvoering der reenkomst ontstane geschillen niet strijdt met de openbare orde met de goede zeden , en alzoo niet met art. 14 Alg. Bep.; dat VanC^enmil? bevat eene verbindtenis, wier vervulling afhangt alleen ]2go yan den verbondene, en mitsdien niet in strijd met art

keliil i.' , • dat evenmin biJ de uitlegging van het daartoe betrekB. w "6 sprake zoude kunnen zijn van de artt. 1384 en 1385 ,, 'i en dat alzoo ook dit middel is ongegrond;

boet!rWerpt het beroeP en veroordeelt den eTscher'in de kosten en le van cassatie.

rpcl voor den eischer Mr. I). van Kaalte, en voor de verweer-

se Mr. A. de Pinto.)

Haiiier van Strafzaken.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

Zitting van den 5 Maart 1867.

VeezieKTEé — Veevoer van vee over de lijn van afsluiting,

n regeringswege tot wering der veeziekte bewaakt.

oninklijk besluit. — Provinciale verordening. — Prioriteit van het eerste. — Derogatie.

Ligt het feit van het vervoer als bovenbedoeld niet geheel in de verbodsbepaling van het Kon. besluit van 23 Oct. 1865 (Stbl n°. 122)? — Ja. v

Moet niet, waar toevallig een deel derzelfde afsluitingslijn als door de Regering is bepaald, loopt langs de grensscheiding tusschen twee provinciën en het feit alzoo tevens valt in de verbodsbepaling der verordening van eene dier provinciën, naar alle beginselen, bij den zamenloop van verschillende wettelijke bepalingen , de provinciale verordening ten deze wijken voor den op j wet gegronden maatregel van inwendig bestuur ? — Ja. s de beteekenis der slotbepaling van art. 1 der wet van den 17 - 1865 (Stbl. n". 121) alleen handhaving der provinciale gemeentebesturen, voor zoover zij met de voorschriften des K-onings, krachtens de wet te geven, niet in strijd zijn '! — Ja. <ih ahoo opgaan het beweren, dat die voorschriften alleen zouden moeten gelden , voor zooverre bij die verordening niet is voor_ zien ? — Neen.

Ligt in de beslissing, dat het vervoer heeft plaats gehad van Abcoude in de provincie Utrecht naar de provincie Noordholland, met noodwendig opgesloten, dat de grensscheiding tusschen die provinciën daarbij is overschreden1 —- Ja.

Is de beschikking van den minister van Binnenlandsche Zaken van 28 April 1866 , opgenomen in de Staatscourant van 1 Mei daaraanvolgende, waarbij die grensscheiding was aangewezen als deel uitmakende van de van regeringswege tot wering der veeziekte bewaakte lijn van afsluiting , eene acte van het openbaar gezag, op het Koninklijk besluit en dit weder op de wet gegrond ? — Ja.

De proc.-gen. bij het Prov. Geregtshof in Noordholland, alsmede • Brouwer, veehouder, wonende te Abcoude, zijn requiranten van assatie tegen een in hooger beroep gewezen arrest van gezegd Ilof au den 3 Dec. 1866, waarbij, met veroordeeling van den mede-req. bel 8eretV ook in de kosten van het hooger beroep bij lijfsdwang, is , Kjaehtigd het vonnis der Ai-rond.-"Regtbank te Amsterdam van den Oct. 1866, bij heiwelk hij is schuldig verklaard aan vervoer op

II 22 Mei 1866 van lammeren over de lijn van afsluiting (van Wa"ïnnaar buiten), van regeringswege tot wering der veeziekte beOct V 6n ; m6' toepassing van de artt. 1 en 2 der wet van den 17 Oct' i!f® {Stbl. n°. 121), art. 2 van het Kon. besluit van den 23 lanj . 3 [Stbl. n°. 122), het besluit van den minister van Binnenitei ia Zaken van den 28 April 1866 (Staatscourant van den 1 {Stbl ' en de ar"' ' tot s der wet van den 28 Junij 1851 dooi 'i 11 ' veroordeeld tot eene gevangenis-straf van zes dagen, , r hem in eenzame opsluiting te ondergaan, en in de kosten van

Bt geding bij lijfsdwang.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer van dek Sande dien adV0kaat van den mede-req., Mr. B. M. Vlielander Hein, K. 8 voorziening nader bij pleidooi had toegelicht, heeft de adv.-gen, ' seb°om de volgende conclusie genomen :

hdel Hoog Achtb, Heer en, President en Raden! De geëerde pleiter - den mede-req. heeft een middel van cassatie voorgedragen, hetj^c betreffen de vormen en alzoo behoort vooraf te gaan aan

middel van den heer proc.-gen., hetwelk bepaaldelijk de qualilcatie alleen van het misdrijf betreft.

2or 'Gt P^idooi aangevoerde middel heet: schending van de artt. en 211 Strafvord., in verband met art. 2 Kon. besluit van 23 ( . 1865 {Stbl. n°. 122), omdat het arrest ten opzigte van het

bewijs van het feit, dat het terrein, waarover het vervoer heeft plaats gehad, zou daarstellen eene lijn, van regeringswege ter wering der veeziekte bewaakt, niet met redenen is omkleed.

Vermits het bestreden arrest zich volkomen vereenigt met het in eersten aanleg gewezen vonnis, hebben wij eigenlijk dat vonnis in verband met het cassatie-middel na te gaan. Ik geloof echter, dat de geachte pleiter eenigermate welligt ten onregte hier heeft gedrukt op één bewijs van het feit, dat het bedoelde terrein zou zijn eene lijn van afsluiting, in dien zin , dat eene omkleeding met redenen zou worden vereischt. Het meer eigenlijke feit is de aanduiding van den bepaalden grond, ik zou schier zeggen van den geographischen streek , waarover vervoerd is. Of die plaats oplevert eene lijn, van regeringswege bewaakt, betreft meer de appreciatie van het feit, de toepassing als het ware van de ministeriële aanduiding dier lijn op het feitelijk gebleken terrein. En ik zou achten, dat, na voldoende aanduiding van dat terrein, eene aanhaling van de ministeriële kennisgeving genoegzaam ware ter motivering van het vonnis in dat opzigt.

Het vonnis nu zegt: „dat is gebleken uit de bekentenis des eersten bekl. (nu req.;, m overeenstemming met de beëedigde verklaring deigehoorde (des gehoorden ?) getuige, dat de bekl., op 22 Mei 1°866 van Abcoude (in de provincie Utrecht) naar de provincie Noordholland en alzoo over de lijn van afsluiting, van regeringswen-e tot wering der veeziekte bewaakt, heeft vervoerd vijf-en-vijftig°lammeren// enz.

Wij behoeven ons ^ dus niet eens op te houden bij de vraag of eene overweging noodig ware, dat het door de ministeriële resolutie gebleken was, dat het gebleken terrein viel in de lijn van afsluiting; want wij vinden het, overeenkomstig 's pleiters verlangen, bewezen verklaard, dat over de bewaakte lijn is vervoerd, op grond van eene getuigen-verklaring en de bekentenis van den req. zei ven (en beiden, getuige en bekl., hadden het dan ook inderdaad verklaard), welke lijn hun bekend kon zijn, omdat de minister die ter algemeene kennis had gebragt op de bij het Koninklijk besluit aangegeven wijze, In allen gevalle is de ministeriële beschikking, waaruit dit, onder aanneming, dat van Utrecht's grondgebied in Noordholland en alzoo over de provinciale grens, welke het ministerieel besluit als bewaakte lijn aangeeft, kan blijken, in het vonnis aangehaald.

Ik acht alzoo het vonnis en daardoor het arrest in dit opzigt voldoende met redenen omkleed en het cassatie-middel niet aannemelijk.

Ten aanzien van het door den heer proc.-gen. aangevoerde middel, waaromtrent de geëerde pleiter zich niet heeft uitgelaten, ben ik, op de gronden, door mij in de zaak tegen A. Tuynenburg c. 5. ontwikkeld (1), mede van oordeel, dat dit niet kan worden aangenomen, en ik heb dien ten gevolge, namens den heer proc.-gen., de eer te concluderen tot verwerping van beide voorzieningen , met veroordeeling van den mede-req. (veroordeelde) in de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie, door of namens de requiranten respectievelijk voorgesteld , als :

door den proc.-gen. bij memorie:

verkeerde toepassing van de artt. 1 en 2 der wet van den 17 Oct. ƒ865 (Stbl. n». 121), en art. 2 Kon. besluit van den 23 Oct. 1865 (Stbl. n". 122), in verband met de resolutie van deu minister van Binnenlandsche Zaken van den 1 Aug. 1866 (Staatscourant van den 2 Aug. 1866); en 1

schending van art. 1 der verordening tot wering der veeziekte in de provincie Noordholland, vastgesteld door de Staten dier provincie den 10 Nov. 1865, afgekondigd den 15 Nov. 1865 , en art 5 deiwet van den 9 Julij 1842 (Stbl. n». 21), door niet-toepassing ; en voor den mede-req., bij pleidooi:

schending van de artt. 206 en 211 Strafvord., in verband met art. 2 Kon. besluit van den 23 Oct. 1865 (Stbl. n°. 122), omdat het arrest ten opzigte van het bewijs van het feit, dat het terrein, waarover het vervoer heeft plaats gehad, zou daarstellen eene lijn, van regeringswege tot wering der veeziekte bewaakt , niet met redenen" is omkleed;

Overwegende, wat het middel in de memorie betreft, dat de medereq. is gedagvaard ter zake, dat hij, op den 22 Mei 1866, des ochtends omstreeks vijf ure, van Abcoude in de provincie Ut echt naar de provincie Noordho land en alzoo over de l£n van afsluiting, van regeringswege tot wering der veeziekte bewaakt, heeft vervoerd viifen-vijftig lammeren, ongedekt door eenig consent tot vervoer •

dat dit feit is bewezen verklaard en teregt is gequaliflceérd als vervoer van lammeren over de lijn van afsluiting, van regeringswege tot wering der veeziekte bewaakt, van binnen naar buiten, met toepassing der wettelijke bepaling, bij het cassatie-middel als verkeerd toegepast voorgesteld;

O., dat dit beweren en de mede beweerde uitsluitende toepasselijkheid ten deze van de als geschonden voorgestelde provinciale verordening, in verband met art. 5 der wet van 184 >, hoofdzakelijk daarop berusten, dat de lijn van afsluiting, welke bij het vervoer is overschreden, dair ter plaatse geene andere is dan de landgrens tusschen beide genoemde provinciën; dat derhalve het feit mede eene overtreding oplevert van art. 1 der voornoemde provinciale verordening, houdende verbod om onder anderen schapen over de landgrenzen aan te voeren of te doen aanvoeren op het vasteland der provincie Noordholland, tenzij met vergunning van Gedeputeerde Staten en met in-acht-neming der bij de vergunning gemaakte bepalingen ; terwijl de slotbepaling van art. 1 der voormelde wet van den 17 Oct. 1865 inhoudt: „een en ander onverminderd de verordeningen van provinciale en gemeentebesturen , voor zooverre zij met Onze (des Konings) voorschriften niet in strijd zijn,» waaruit zou volgen, dat daar, waar, gelijk in casu, eene provinciale verordening in het feit voorziet, aan deze en geenszins aan het daarmede overeenstemmend Koninklijk besluit, krachtens evengemelde wet van den 17 Oct. 1865 uitgevaardigd, toepassing behoort te worden gegeven;

O. echter, dat het feit geheel valt in de verbodsbepaling van het .Koninklijk besluit; en dat, al moge ook door de toevallige omstanÏgheid, dat een deel der afsluitingslijn liep langs de grensscheiding tusschen beide genoemde provinciën, het feit tevens vallen in de verbodsbepaling der verordening, dan toch, naar alle beginselen bii n zamenloop van verschillende wettelijke bepalingen, de provinciale

„em,ng ten deze voor den °P de ,vet gegronden algemeenen maatregel van inwendig bestuur moet wijken;

O., dat te vergeefs daartegen bij de memorie oen beroep wordt gedaan op de voormelde slotbepaling van art. 1 der wet van den 1/ Uct. 1865 en de geschiedenis daarvan, vermits uit deze blijkt, clat die woorden , ^ in het oorspronkelijk wets-ontwerp niet voorkomende , later daarin zijn gevoegd tot voorkoming van het mogelijk begrip, dat, wanneer bij wet en algemeenen maatregel van inwendig bestuur in het onderwerp van de beteugeling der veeziekte werd voorzien, daardoor, krachtens art. 142 der provinciale en 151 deigemeentewet, alle verordeningen van provinciale en gemeentebesturen rakende dat onderwerp, zouden ophouden te gelden;

0., dat derhalve de beteekenis dier slotbepaling alleen is handhaving der bedoelde verordeningen, voor zoover zij met de voorschriften des^ Konings, krachtens de wet te geven, niet in strijd zijn maar geenszins, zoo als de memorie wil, dat die voorschriften alleen

(I) Zie het arrest in die zaak in Weekbl. n'. 2887.

zouden moeten gelden, voor zooverre bij die verordening niet is Voorzien ;

O. eindelijk , dat aan de toepassing der verordening ten deze nog te minder kan gedacht worden, omdat zij is posterieur aan het Koninklijk besluit, op de wet gegrond; terwijl, al mogen ook zelfs latere verordeningen daarnevens bestaanbaar zijn, zij echter zekerlijk niet daaraan kunnen derogeren ;

0., dat mitsdien bij het bekrachtigd vonnis de wet naar behooren is toegepast, en het daartegen aangevoerd cassatie-middel niet is gegrond ;

O. voorts, wat het middel betreft, voor den mede-req. bij pleidooi aangevoerd, dat, op grond van de bekentenis des beklaagden, in overeenstemming met eene getuigenis en alzoo op grond van wettig bewijs, is aangenomen, dat het vervoer op den 22 Mei 1866 heeft plaats gehad van Abcoude in de provincie Utrecht naar de provincie Noordholland, waarin noodwendig ligt opgesloten, dat de grensscheiding tusschen die provinciën daarbij is overschreden ;

dat pu, bij ministeriële beschikking van den 28 April 1866, opgenomen in de Staatscourant van den 1 Mei daaraanvolgende', die grensscheiding was aangewezen als deel uitmakende van de van regeringswege tot wering der veeziekte bewaakte lijn van afsluiting ;

dat die beschikking is eene acte van het openbaar gezag, opliet Koninklijk besluit en dit weder op de wet gegrond, en dat zij is ter algemeene kennis gebragt op de wijze, bij het Koninklijk besluit voorgeschreven; dat zij bij het bevestigd vonnis is aangehaald, en dat mitsdien voor de beslissing, dat in casu zoodanige afsluitingslijn overschreden is, geene verdere motivering vereischt werd;

O., dat alzoo ook dit middel is onaannemelijk;

Verwerpt enz.

Zitting van den 5 Maart 1867.

Invoer tan rundvee , niet voor de slagtjbank bestemd ,

in eene gemeente, waar de veeziekte heerscht.

Melkvee. — Testimonium de auditu.

KUThtZ7den li", 'sre3ter' vonnis: "dat de runderen, volgens tlhZtl Verlfann?en der <"™te en derde getuigen, waren melkbeesten, en dus met voor de slagtbank bestemd,» anders

worden opgevat dan dat de regter aanneemt de verklaringen diei getuigen dat de runderen melkbeesten waren, terwijl de laatste woorden eene eigen beslissing van den regter opleveren ? — Ja. * r

^ Neen Z0°danl3e beslissin9 cassatie worden teruggekomen 1 —

G. Brouwer, oud een-en-vijftig jaren, veehouder, geboren en wonende te Abcoude, heeft zich in cassatie voorzien tegen een arrest van het Prov. Geregtshof in Noordholland van den 3 Dec. 1866 waarbij , met met-ontvankelijk-verklaring van den req. in het hooger beroep, voor zooverre het beklaagde vonnis eene vrijspraak betreft doch met veroordeeling in de kosten van het hooger beroep , wordt•tekracht'gd eer, vonnis der Arrond.-Regtbank te Amsterdam dd. 11 üct. jl., bij welk vonnis de toen bekl. is schuldig verklaard aan invoer op den 28 Mei 1866 van rundvee, niet voor de slagtbank bestemd, m eene gemeente, waar de veeziekte heerscht; en met toepassing van de artt. 1 van het Kon. besluit van den 20 Dec. 1865 {Stbl. n°. 134), 1 en 2 der wet van den 17 Oct. 1865 (Stbl. n°. !^1)> resolutie van den minister van Binnenlandsche Zaken van den 5 Mei 1866 (Stbl. van den 6/7 Mei 1866), 1 2 en 3 deiwet van 28 Junij 1851 (Stbl. n«. 68), 1, 2, 3 en 4 der wet van den 22 April 1864 (Stbl. n°. 29), is veroordeeld tot eene eenzame opsluiting van veertien dagen en tot betaling eener geldboete van J 100, met bepaling der de boete vervangende gevangenis-straf op vier dagen cellulaire opsluiting , en voorts in de kosten ten behoeve van den Staat, m solidum met toenmalige mede-beklaagden.

, Nadat te dezer zake door den raadsheer Jolles het verslag was uitgebragt en de gronden voor deze voorziening, namens den req., bij pleidooi waren voorgedragen en ontwikkeld door zijnen advokaat' Mr. B. M. Vlielander Hein, heeft de adv.-gen. Karseboom dé | volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Ileeren! Als middel van cassatie is bii nlei

S <"*• '»«■» *i'« SS»

subsidiair: schending van art. 434 Strafvord., omdat de beslissing van het Hof omtrent de bestpmm;,,™ v, . ■ ue Desiissmg

. , ,, "«stemming van het ir. casu vervoerde vee

slechts berust op een bloot testimonium de auditu.

e su si ïaire middel, als betreffende de vormen, dient vooraf te

ff1/ !! KÜ °!gen hebben ™'klaard, dat de ingevoerde runderen waren melkbeesten, en dus met voor de slagtbank bestemd. Dit is geene getuigenis de auditu, maar eene verklaring, op eigene zinnede^nTeiW^h8 geg,rond' Aan eene gissing> gelijk door den geëer-

kenne Hk n % Te ' 1S °°k ™et Wel te denken; de woorden slaan kennelijk op de bestemming van het vee. De runderen waren, volgens die uitdrukking, bestemd voor de melkerij , en dus niet voor de slagtbank, en de Regtbank heeft dan ook beslist, dat het vee niet voor de slagtbank was bestemd; welk beweren dan ook trouwens noch in eersten aanleg, noch in hooger beroep, door den bekl. ter zijner verdediging blijkt te zijn aangevoerd. Ik kan mij uit dien hoofde met het subsidiaire middel niet vereenigen en meen, dat, bij de aanneming van den grond van dit middel, het hoofdmiddel'van lelf moet vervallen; al zou ik ook van meening zijn, dat, indien men aanneemt (wat ik minder juist zou achten) , dat de bijvoeging » dus niet voor de slagtbank bestemd» eene toevoeging des regters , als apprecatie der getuigenis zou zijn, in de eerste plaats zou gelden , hetgeen ik als de kennelijke bedoeling der woorden (aangeven der bestemming) heb aangevoerd, en in alien gevalle ten hoogste aan een mal jugé, niet vatbaar voor een nader onderzoek in cassatie zou te denkeu zijn.

Vermits mij ook geene gronden zijn voorgekomen, welke tot eene vernietiging ambtshalve zouden behooren te leiden, heb ik , namens den heer proc.-gen., de eer te concluderen tot verwerping der voorziening en veroordeeling van den req. in de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie, voorgedragen bij pleidooi en bestaande in:

schending en verkeerde toepassing van art. 1 van het Kon. besluit van den 20 Dec. 1865 , n°. 134, omdat het arrest den bij dat artikel verboden invoer heeft verstaan als te betreffen alle melkvee ,-

subsidiair: schending van art. 434 Strafvord., omdat de beslissing van het Hof omtrent de bestemming van het in casu vervoerde vee slechts berust op een bloot testimonium de auditu;

Overwegende ten aanzien van het subsidiair middel, hetwelk den vorm betreft, en uit dien hoofde in de eerste plaats behoort onderzocht te worden :

dat dit middel is gerigt tegen dat gedeelte van den eersten considerans van het bij het beklaagde arrest bekrachtigde vonnis, waarbij wordt overwogen, //dat de runderen, volgens de beëedigde verklaringen

Sluiten