Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is verleend om bij voorraad, hangende het s-edins?. met hare kin¬

deren haar verblijf te mogen houden ten huize harer moeder ; voorts bepaald , dat de gerequestreerde aan haar voorloopig wekelijks tot onderhoud zou verstrekken ƒ 10, en eindelijk aan haar verlof gegeven om bij gewone dagvaarding dén eisch tot scheiding van tafel en bed tegen den nu ged. in te stellen;

dat, ten gevolge van dit verlof, bij in het hoofd van dit vonnis vermeld exploit, de requestrante den gerequestreerde voor deze Regtbank heeft doen dagen en voorts, wegens met-verschijning des gedaagde, ten dienende dage heeft doen concluderen, gelijk de slotsom der tot dit vonnis behoorende conclusie luidt, en zulks op deze gronden :

dat de ged., hoewel behoorlijk en in tijds gedagvaard, niet is verschenen;

dat üe eischeresse den 28 Dec. 1854 is gehuwd met den ged. ; dat uit dat huwelijk zijn geboren vijf kinderen ;

dat de ged., echtgenoot der eischeresse, zich sedert ruim twee jaren heeft overgegeven aan schromelijk en doorgaand misbruik van sterken drank en hij , beschonken zijnde , in den regel verkeert in een staat van woede; dat de ged. in dien toestand vele buitensporigheden begaat en eischeresse de grofste beleedigingen toevoegt, door allerlei roerende voorwerpen te vernielen en , onder het uiten van de vreesselijkste vloeken, eischeresse en andere leden harer familie te verwenscben en met den dood te dreigen;

dat de ged., bepaaldelijk nog in den avond van den 9 Jan. 18G6, eischeresse en een der kinderen heeft geslagen en op den grond o-eworpen en verschillende meubelstukken verbrijzeld, en hij waarschijnlijk toen aan de meermalen gedane bedreiging gevolg zoude hebben gegeven , ware eischeresse met hare nog zoo jonge kinderen de gemeenschappelijke woning met, met behulp van andere menschen ontvlugt naar het huis harer moeder;

dat de eischeresse om alle deze redenen van den ged. wenscht te scheiden van tafel en bed, en zij tot het instellen der daartoe strekkende vordering van den heer president der Arrond -Regtbank het noodige verlof heeft bekomen, blijkens proces-verbaal van den 22 Jan. 1866, behoorlijk op de minute geregistreerd •

dat voorts nog onder de overgelegde stukken voorkomt een ofschoon niet in afschrift bij dagvaarding overgelegd, noch hangende het geding gegeven , extract van der partijen op den 28 Dec. 1854 te Coevorden opgemaakte huwelijks-acte;

O. ten aanzien van het regt:

dat de ged., ofschoon met in-acht-neming der bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten gedagvaard, geen procureur heeft gesteld en alzoo met is verschenen, ten gevolge waarvan het tegen hem gevraagde verstek moet worden verleend •

dat echter de conclusiën der eischeresse niet kunnen worden toegewezen, vermits zij dsr Regtbank onregtmatig zijn voorgekomen •

dat toch , ofschoon art. 288 B. W. aan een echtgenoot verdunt eene regtsvordermg tot scheiding van tafel en be[1 aan te van en tegen den ander, ter zake van buitensporigheden, niishandelingen'en grove beleedigingen, door dezen jegens genen begaan, en ook de eiseheres , door als gronden voor haren eisch op te geven , dat de ged. vele buitensporigheden begaat, haar de grofste beleedigingen toevoegt, en op zekeren avond haar en een der kinderen heeft geslagen en op den grond geworpen, en hiermede blijkbaar op dat artikel het oog had,— de wetgever gewild heeft, dat tot grondslag van een eisch als de hier ingestelde moeten gelegd worden feiten, waaruit de regter kan afleiden, of er buitensporigheden , mishandelingen en grove beleedigingen, tot zoodar.igen eisch grond gevende, hebben plaats gehad;

dat zulks ten klaarste blijkt uit art. 816 B. R. (als, volgens art. 826 ibidem, in eene zaak als deze van toepassing), houdende «dat het voor den eisch iii te dienen verzoekschrift moet bevatten de opgave der daadzaken» ;

dat echter het voormelde verzoekschrift en de daarmede overeenkomende dagvaarding slechts een feit bevatten, namelijk : «dat de ged., bepaaldelijk in den avond van den 9 Jan. 1866, eischeresse en een der kinderen heeft geslagen en op den grond geworpen , en verschillende meubelstukken verbrijzeld,» doch dit alleen staand feit niet kan opleveren zoodanige buitensporigheden, mishandelingen en grove beleedigingen, die grond kunnen geven tot scheiding van tafel en bed , en gevolgelijk niet kan worden voldaan aan het door den procureur van eischeresse gedaan verzoek om tot het leveren van bewijs, zoo noodig, te worden toegelaten;

dat eindelijk de onregtmatigheid der vordering tot scheiding van tafel en bed hetgeen als accessoir daarvan meer is geëischt evenzeer onregtmatig doet zijn;

Regt doende enz.,

Verleent verstek tegen den ged. C. J. van der Scheer voornoemd ; Verklaart de eischeresse in haren eisch niet-ontvankelijk; en Veroordeelt haar in de kosten.

MENGELWERK.

EENE VRAAG.

(Ingezonden.)

Een notaris, ziekelijk en gebrekkig zijnde, zoodat hij zijn ambt niet meer kan waarnemen, verstaat zich met een kandidaat-notaris, dat hij van zijne betrekking afstand zal doen , zoo als men dit zegt ten zijnen behoeve, en belooft zich zeer voor hem te zullen interesseren, mits de kandidaat zich verbindt, als hij in zijne plaats benoemd wordt, jaarlijks eene zekere som aan den notaris uit te keeren. Is zulk een contract wettig ? en zoude een notaris , die zoodanig contract als kandidaat heeft aangegaan, eerlijk de volgende woorden kunnen zweren van den eed, voorkomende in art. 18 der wet van 9 Julij 1842 ? »en dat ik voorts, middellijk noch onmiddellijk, onder eenigen naam of voorwendsel, tot het verkrijgen mijner aanstelling, aan niemand, wie hij ook zij , iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.»

Dordrecht. Jus.

HOOGE RAAD. — K»«ner van Strafzaken.

Zitting van Maandag, 20 Mei.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

I. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake :

J. C. Visser, tegen een arrest van het Hof in Gelderland. Adv.gen. Romer concludeert tot vernietiging van het arrest en verwijzing der zaak naar een aangrenzend Hof. Uitspraak 5 Junij.

II. Behandeld het beroep van:

1'. den proc.-gen. bij het Hof in Limburg, tegen een arrest in zake L. H. Kruijen , mede-req. ; rapp., raadsh. Huguenin ; gepleit Mr. B. M. Vlielander Hein. Conclusie van het Openb. Min. bepaald op 28 Mei.

2°. J. Feringa, tegen een arrest van het Hof in Drenthe; rapp., raadsh. Wintgens. Adv.-gen. Romer concludeert tot niet-ont-

vankelijk-verklaring der voorziening, voor zooveel de vrijspraak betreft, en overigens tot verwerping. Uitspraak 28 Mei.

Zitting van Dingsdag, 21 Mei.

I. Uitspraak gedaan in zake :

1°. W. Snooy c. s., tegen een arrest van het Hof in Zuidhofland. Verworpen.

2". A. Vromestijn c. s., tegen een arrest van het Hof in Zuidholland. Het arrest vernietigd en de requiranten ontslagen van alle regtsvervolging.

3". den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Amersfoort, tegen een vonnis in zake G. Nagel c. s. J ir' worpen.

4". en 5°. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Onderdendam , tegen vonnissen in zake respectivelijk P. Leeuw en R. J. Tuzee. Verworpen.

II. Behandeld het beroep van :

den proe. -gen. bij het Hof in Limburg, tegen een arrest in zake Ch. Guillon en J. L. Beaudrihaye; rapp., raadsh. Voorduin; gepleit Mr. J. J. van Geuns. Conclusie van het Openb. Minbepaald op 29 Mei.

Zitting van Woensdag, 22 Mei.

I. Uitspraak gedaan in zake:

1«. J. L. Kuipers c. s., tegen een arrest van het Hof in Friesland.

Verworpen.

2'. H. Spijker, tegen een arrest van het Hof iii Groningen. Het arrest vernietigd, voor zooveel de req. slechts in eene geldboete is veroordeeld, en hem veroordeeld in twee geldboeten en overigens verworpen.

II. Behandeld het beroep van:

I o. M. Koopman , tegen een arrest van het Hof in Zeeland ; rapp. > raadsh. Jolles. Gepleit Mr. D. van Eek. Conclusie bepaald op 28 Mei.

2°. Th. Niels., tegen een arrest van het Hof in Zuidholland ; rapp.. raadsh. Donker Curtius. Adv.-gen. Romer concludeert tot verwerping. Uitspraak 5 Junij.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 21 dezer, n". 64, zijn benoemd tot plaatsvervangend kantonregter te 's Hertogenbosch : F. J. Pompe > wethouder dier gemeente , en Mr. M. Pinkhoff Schlesinger , advokaa' aldaar.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n". 65, is l>e" noemd tot regter-plaatsvervanger in de Arrond.-Regtbank te 's Hertogenbosch, Mr. W. A. Verhellouw, procureur bij hetProv. Geregtshof in Noordbrabant en bij gemelde Regtbank.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n°. 66, zijn benoemd : tot officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank te 's Hertogenbosch , Mr. F. A. J. van Lanschot, thans subst.-officier van justitie bij die Regtbank ; tot subst.-officier van justitie bij de Arrond.Regtbank te 's Hertogenbosch , Jhr. Mr. P. M. F. van Meeuwen , thans subst.-officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank te Roermond.

BERIGTEN.

's Graoenhage , den 2 2 Mei.

Men leest in het I. W. v. h. R.: Naar wij vernemen, heeft de gouv.-gen. zich vereenigd met het advies van het Hof, volgens hetwelk hij onbevoegd is , eene wijziging te brengen in de regterlijke organisatie , door uitbreiding van het Hoog Geregtshof en van den Raad van justitie te Batavia. Zoo wij ons met dit besluit, op vroeger medegedeelde gronden , volkomen vereenigen, komt het ons des te zonderlinger voor, dat, ongeveer op hetzelfde oogenblik , bij ordonnantie van 9 Maart jl., Stbl. n". 26 (Jav. Cour. 12 Maart), onder nadere goedkeuring des Konings, eene wijziging is gebragt in de regtspleging bij de landmagt, door, met alteratie van de artt. 19 en 20, in de garnizoenen buiten de residentie van den Krijgsraad, aan den kommanderenden officier toe te staan om, bij gemis van een voldoend aantal officieren, de daarbij bedoelde functiën van commissaris en van secretaris op te dragen aan onder-officieren.

— Men deelt ons het volgende mede:

Het Deensche nieuwsblad Dagbladet deelt, aangaande de verwerping van het voorstel tot afschaffing van de doodstraf in de Eerste Kamer van den Rijksdag in Zweden met S9 tegen 38 stemmen, de bijzonderheid mede, dat de stemming plaats had aan het einde eener langdurige zitting, en dat daarbij van de 124 leden 47 (!) afwezig waren, terwijl een der aanwezige medeleden , die voor de afschaffing wilde stemmen , bij het oplezen van zijnen naam , door toevallig® omstandigheden in het tijdig uitbrengen zijner stem verhinderd werd. Het Zweedsche nieuwsblad Aftonbladet beklaagt zich in hooge mate over den uitslag der stemming en berispt in scherpe bewoordingen de leden, die het mogelijk wel zoo aangenaam gevonden hebben om naar den schouwburg of een souper te gaan, als aan de stemming van zulk een gewigtig vraagstuk deel te nemen.

Uit dit berigt mag men opmaken, dat de stemming waarschijnlijk een anderen uitslag zoude gehad hebben, indien de Kamer voltalligs1geweest ware.

Verbetering. — Onder het arrest van het Hof in Gelderland, geplaatst in WeeJcbl. n". 2896 , staat als gepleit hebbende voor geïntimeerden vermeld Mr. J. D. van Ketwich Verschuur. Moet zijn Mr. G. van Olden.

- -=3»

ADVERTENTIEN.

WET

HOUDENDE VOORZIENINGEN OMTRENT DES

Veetyphus,

MET

TOELICHTENDE AANTËEKENINGEN,

DOOR

IX. &. IIARTMAM Jz ,

Secretaris der gemeente Lochem.

Prijs f 0.40.

Uitgave van GEBR. BELT N F ANTE, te \? Gravenhage.

Snelpersdruk en uitgave van CUSBIlOBOm1* BËlilItFJlNil'E , te 's Clravenliage.

deskundigen in oneffen getale, terwijl in de volgende artikelen, bepaaldelijk bij art. 30, wordt bepaald, dat de partijen op de plaats des onderzoeks de bevoegdheid hebben om, behalve inededeeling van stukken , al de gronden aan den rogter-commissaris en de deskundigen op te geven , die , volgens haar oordeel, tot eene juiste bepaling der schade kunnen leiden ;

dat dus de Regtbank zich behoort te bepalen tot het benoemen van deskundigen , met vermelding der te onteigenen grondstukken , aan de partijen overlatende om ter plaatse van het onderzoek de stukken mede te deelen en de redenen aan te voeren, welke volgens hare meening op eene juiste schadeberekening van invloed kunnen zijn; uit al hetwelk volgt, dat de in de conclusie van den ged. (en speciaal sub n". 1 , 2, 3 en 5) vermelde gronden van schadeberekening, wier juistheid, althans gedeeltelijk, door den eischer bij pleidooi is betwist, niet bij vonnis aan de deskundigen ter in-acht-neming behooren te worden aanbevolen , maar dat die eerst later, bij gelegenheid van het onderzoek ter plaatse, zoo er alsdan blijkt, dat daartoe termen bestaan, door den regter-commissaris hiertoe kunnen worden opgegeven ;

O., dat de ged. almede beweert, welk beweren bij pleidooi ook door den eischer is betwist, dat reeds nu moet worden gewaardeerd, en zulks aan de deskundigen mede ter in-acht-neming behoort te worden aanbevolen , de te ontstane schade door het wettelijk servituut, hetwelk, door het graven van het kanaal (als vestingwerk), gelegd wordt op de aangrenzende gronden van den ged., namelijk het verbod om, binnen den afstand van 1000 ellen, van weerszijden vergravingen te doen ;

O. dienaangaande, dat, wel is waar, bij art. 28 der wet van 21 Dec. 1853 {Stbl. no. 128) wordt verboden om, binnen de groote kringen van vestingwerken van de 1ste, 2de en 3de klasse, dijken, kaden , wegen en dergelijke werken te maken, slooten en kanalen te graven enz.; doch dat bij art. 3 dier wet wordt gezegd, dat bij Koninklijk besluit bepaald wordt, wat vestingwerken zijn, tot welke klasse een vestingwerk of gedeelte daarvan behoort en welk vestingwerk of gedeelte daarvan in geene klasse wordt gerangschikt; terwijl in het slot van art. 5 derzelfde wet wordt gelezen, dat, indien iemand beweert, dat zijn eigendom, binnen de verboden kringen gelegen , door besluiten, krachtens art. 4 genomen , in waarde is verminderd en hij op schadevergoeding te dier zake aanspraak maakt, de regter uitspraak doet; uit welke wetsbepalingen voortvloeit, dat, zoolang in dien zin geen Koninklijk besluit ten opzigte van een te onteigenen grondstuk, zoo als in casu, genomen is, op dezen door den ged. beweerden grond bij een onteigenings-proces geene schade mag berekend worden;

dat, wel is waar, blijkens het aangehaalde besluit van 30 Mei jl., het te vervaardigen omleidingskanaal zou moeten dienen tot verbetering der Grebbelinie en deze linie in het Kon. besluit van 25 Jan. 1854 (Stbl. n". 8) wordt verklaard te behooren tot de vestingwerken der 3de klasse, maar dat hieruit nog niet voortvloeit, dat, en het tot dusverre alzoo geheel onzeker is, of de in deze bedoelde perceelen des gedaagden al of niet met het bovengezegde servituut zullen worden belast, weshalve de berekening van daardoor eventueel te lijden schade voor alsnog praematuur zoude zijn;

Gezien, behalve de reeds genoemde artikelen, art. 17 volg. der wet van den 28 Aug. 1851 (Stbl. no. 125);

Benoemt de heeren: 1". H. J. G. Mas, candidaat-notaris en grondeigenaar , wonende te Rhenen ; 2 '. G. Beijer, fabrikant, wonende te Stichts Veenendaal; en 3". C. van Zwetselaar, grondeigenaar en fabrikant, wonende te Ede, als deskundigen, ten einde, met in-acht-neming der bepalingen van de wet van 28 Aug. 1851 (Stbl. n0. 125), onderstaand perceel op te nemen en de schade te begrooten, die de ged. door de onteigening zal lüden van 25 [7] roeden en 94 n ellen, uitmakende een gedeelte van het perceel, op den perceelsgewijze kadastralen legger der gemeente Stichts Veenendaal bekend in sectie A, n°. 552, als weiland, ter grootte van 6 bunders, 38 Q roeden en 10 Q) ellen, welk perceel staat ten name van den ged.;

Benoemt den heer Mr. P. F. A. Ketelaar, lid dezer Regtbank, om als regter-commissaris bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig te zijn;

Bepaalt, dat de tijd en plaats van het te houden onderzoek der deskundigen, na door den regter-commissaris te zijn vastgesteld, door het Opeab. Min. bij deze Regtbank zal worden aangekondigd in de Amersfoortsche Courant;

Reserveert de kosten.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE ASSEN.

Oargerlijke kamer.

Zitting van den 26 Februarij 1866.

Voorzitter, Mr. D. H. Westra.

Scheiding van tafel en bed. — Buitensporigheden, mishandelingen en grove beleedigingen. — Verzoekschrift. — Daadzaken. — Verstek. — Afwijzino der vordering.

Moet, met het oog op artt. 816 en 826 B. R., het verzoekschrift tot scheiding van tafel en bed de opgave der daadzaken bevatten , waaruit de regter kan, en ook , ingeval van verstek, behoort af te leiden, dat buitensporigheden, mishandelingen en grove beleedigingen hebben plaats gehad, die tot zoodanigen eisch grond gevent — Ja.

H. Slingenberg, zonder beroep, wonende te Coevorden, eischeresse, procureur Mr. A. Vos ,

tegen

C. J. van der Scheer, apotheker, wonende te Coevorden , gedaagde, niet verschenen.

De Regtbank enz.,

Gehoord de conclusiën en de voordragt enz.;

Gehoord de conclusiën van het Openb. Min. enz. ;

Overwegende ten aanzien der daadzaken :

dst de eiseheres, blijkens bij dagvaarding overgelegde stukken , zich op den 16 Jan. 1866 heeft gewend aan deze Regtbank, door middel van een verzoekschrift van dezelfde strekking al3 hare tot dit vonnis behoorende conclusie;

dat dit verzoekschrift door haar is overhandigd aan den fungerenden voorzitter, welke tenzelfden dage (16 Jan. 1866) heeft gelast, dat zij en haar echtgenoot (nu ged.) in persoon voor Zijn Edel Achtbare zouden verschijnen op den 22 dier maand, ten tien uur vóór den middag, in de zittingzaal der Regtbank , ten einde nopens het verzoekschrift voormeld, strekkende tot scheiding van tafel en bed, zoodanige aan- en opmerkingen te hooren, als hij voorzitter raadzaam zou oordeelen om eene verzoening te weeg te brengen;

dat op dien last, ten bepaalden dage , ure en plaatse , niet de gerequestreerde, maar slechts de verzoekster is verschenen, aan welke alstoen door den voorzitter de raadzaam geoordeelde aanmerkingen zijn gemaakt, doch zonder gewenscht gevolg ;

dot daarna door Zijn Edel Achtbare aan de adressante magtiging

Sluiten