Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of vroeger zou hebben moeten aanvoeren, maar de app. niets dienaangaande te berde gobragt heeft;

O. , dat ook en meer bepaaldelijk bij pleidooi door den app. gewezen is op een vermoeden van regt , praesumtio juris, namelijk 4e algemeene erkentenis van de zoo even vernielde stelling van domaniaal tiendregt op novalia, en bij gevolg, dat, uitgaande van deze stelling, tiendvrijheid tegen den decimator universalis zou moeten bewezen worden ;

O., dat zoodanige praesumtio jitris niet opgaat, vooreerst, omdat eene regtsleer, die tegen het in de wet geschreven vermoeden van onbezwaauUn eigendom aanloopt, niet als erkend kan aangemerkt worden; ten tweede, oiud«c the praoeumtio juris in wederspraak zou zijn met den duidelijken zin van art. 1953 is. V7.•. ten derde, omdat als middel van bewijs niet kan gebezigd worden, wat Juiot bewezen worden moet ; en eindelijk, omdat de bewijslast niet mag overgebragt worden van dengene, die beweert regt op eens anderen zaak te hebben, op den eigenaar, die zich op het wettelijk vermoeden van vrijheid beroept; en dat dus de door den app. aangevoerde beweegredenen voor den hoofdgrond van zijne vordering ongenoegzaam zijn ;

O. , dat eene ambtshalve ingestelde nasporing in de geschiedenis van het tiendregt, zoo als het in deze provincie Zeeland heeft gegolden , aan de vooruitgezette stelling van den app. geenen naderen grondslag verschaft heeft;

dat toch de algemeene ordonnantiën van Keizer Karei den Vden, van 1520 en 1529, niets behelzen wat dienen kan ter beslechting van de vraag, of aan den Graaf het algemeen tiendregt op novalia regtens toekwam, en dat het voorts wel geene herinnering behoeft, dat noch de placaten der Staten-Generaal, ten aanzien der generaliteitslanden , bij voorbeeld Staats-Vlaanderen, genomen, in Zeeland van toepassing waren;

dat wel de Staten van Zeeland het bezit van novaal tiendregt bij de Grafelijkheid hebben beweerd, ex ratione primarii, supremi et originarii dominii; dat wel, om een paar voorbeelden aan te halen , in 1629 (blijkens de Staten-notulen van 1 l Julij) zekere novalia aan de Staten zijn betwist door de geestelijkheid, het kapittel van oud Munster, dat er is besloten arrest te doen leggen op de vruchten, indien te velde of in handen van den kooper van de tienden, maar dat het betwiste vraagpunt onbeslist gebleven is, gelijk uit bescheiden van eene eeuw later uitdrukkelijk blijkt;

dat toch in 1730 (blijkens Staten-notulen van 23 Maart, vergeleken met een advies van de Rekenkamer van 12 April 1734) bij een octrooi wegens bedijking de tienden zijn voorbehouden: «voor zooverre dezelve der Grafelijkheid als novalia zouden mogen toekomen», maar de bedenkelijkheid daarvan door de Staten in hunne resolutie erkend wordt;

O., dat het regt der Zeeuwsche -Grafelijkheid op novalia wel door sommige schrijvers zonder bewijs is aangenomen , maar ook door anderen is bestreden, en de regtsgrond nooit tot klaarheid isgebragt;

O. , dat uit deze geschiedkundige nasporing volgt, vooreerst, dat de Staten van Zeeland het regt der Grafelijkheid op novalia niet hebben beschouwd als een souverein regt, maar als een onderwerp van burgerlijk regt; ten tweede, dat dit regt door de Staten is erkend een betwist punt te zijn; voorts dat geene uitspraak bij placaat op wetgevend, en evenmin bij sententie op regterlijk gebied daarover gegeven is; maar dat het onbetwist is gelaten, en (zoo als in het aangehaalde advies gelezen wordt) »in de rekening der domeinen bij een memorie-post levendig is gehouden»; eindelijk, dat de Staten wel feitelijk over eenige nieuw ingedijkte landen novalia mogen geheven hebben , zelfs , bij uitgifte van een octrooi tot bedijking van schorren , de novalia bedongen mogen hebben, en weiligt, in enkele gevallen, de tiendheffing door erkentenis en verjaring verkregen hebben; maar dit een en ander onvoldoende is om den grond te bewijzen, waarop het novaal tiendregt aan den Graaf zoude hebben toegekomen, en om thans in regten de Grafelijkheid van Zeeland als decimator universalis te doen erkennen;

O., dat dienvolgens het tegenwoordig staatsdomein in het regt op novalia niet heeft kunnen opvolgen , en dat alzoo de historische grondslag voor des appellants vooruitgezette stelling niet kan worden aangenomeu;

Op deze gronden , j

Gezien, behalve de reeds aangehaalde wetsbepalingen, de artt. 1902 en 1954 R. W., en art. 56 B. R.;

Doet te niet het appel;

En, ofschoon op andere gronden,

Bevestigt de uitspraak, door de Arrond.-Regtbank te Zierikzee op den 12 Sept. 1865 tusschen partijen gewezen, en waarbij de door het appellerend Domeinbestuur gedane eischen zijn ontzegd;

Verwijst het Domeinbestuur in alle kosten, in beide instantiën gevallen of nog te vallen.

(Gepleit voor den appellant Mr. Pu. van den Broecke, en voor de geïntimeerden Mr. W. C. Borsius.)

PROVINCIAAL GEREGTSIIOF IN UTRECHT.

Hurgerlijkn hamer.

Zitting van den 4 Maart 1867.

Voorzitter, Jhr. Mr. J. O. de Jong van Beek en Donk.

Is in casu bewezen, dat de geïntimeerde is geadresseerde ? — Ja.

Bestaat er eene regtsbetrekking tusschen den schipper en qeadi*esseerde, zoodat laatstgemelde van eerstgemelde de of gif te der aan zijn adres ingeladen goederen op eigen naam 'kan vorderen ? — Ja.

Is in casu dus toepasselijk art. 1353 B. W. ? Ja.

Is de sommatie, in casu ten verzoeke van den geïntimeerde, aan het schip van den appellant gedaan, legaal en deze alzoo behoorlijk in mora gesteld 1 — Ja.

v. d. B., appellant, procureur Mr. D. J. II. van Eeden ,

tegen

M., geïntimeerde, procureur Mr. A. S. van Hengelaar Jr.

(Cf. het aangehaalde vonnis in Weekbl. n°. 2863.)

Het Hof enz.,

Gezien de stukken der procedure en daaronder het vonnis, dooide Arrond.-Regtbank te Utrecht op 17 Oct. 1866 tusschen partijen gewezen en waarvan beroepen is ;

Gehoord de pleidooijen;

Zich vereenigende met de daadzaken, zoo als die bij het vonnis, waarvan appel, zijn vermeld en waarbij onder anderen als bewezen is aangenomen, dat door N. M., zoon van den geïnt., op 30 Julij 1866, te Amsterdam, in het schip van den app! eene partij meubelen en ander huisraad is geladen ter overbrenging naar Utrecht aan het adres van den heer M. te Utrecht, met opgave, dat die goederen zouden worden afgehaald; dat die goederen werkelijk door den app. naar Utrecht zijn vervoerd, en"dat voor den app. door inlichtingen , hem onmiddellijk na zijne aankomst te Utrecht door gemelden N. M. gegeven, geen twijfel kon bestaan, j

dat de geïnt. was de geadresseerde, of degene, voor wien de goederen waren bestemd ;

Overwegende , dat hieruit volgt, dat tusschen den inladen* der goederen N. M.,hetzij deze voor zich zeiven, dan wel als gemagtigde voor zijnen vader, den geint., heeft gehandeld, met den app. te Amsterdam was aangegaan eene overeenkomst van huur van diensten, waarbij de app. zich verbond als schipper van daar naar Utrecht eene partij goederen, tegen betaling van den daartoe staanden vrachtprijs , over te brengen en aldaar af te geven aan den heer M., die de goederen zou afhalen;

0., dat gevolgelijk de app., zoodra hij van den inlader zeiven te utrecht had vernomen , dat de geïnt. was de op het adres bedoelde persoon , niet mogt weigeren de vervoerde goederen aan dezen af te geven ;

0., dat, terwijl bij de overeenkomst, tusschen den inlader en den app. als schipper gesloten, was bedongen, dat de geadresseerde door den app. zou gesteld worden in het bezit dier goederen, door afgifte van dezelve, wanneer die werden afgehaald, mitsdien die geadresseerde daardoor bevoegd werd om , gebruik makende van dit beding, ten zijnen faveure gemaakt, de goederen van den schipper op te vorderen , en alzoo ook tusschen deze beiden eene regtsbetrekking is ontstaan, waarbij de geadresseerde geregtigd werd het aan hem toegezonden goed van den schipper te vorderen, die verpligt was hem hetzelve tegen betaling der vracht af te geven ;

O., dat bij gevolg wel en teregt door den eersten regter is beslist, dat de geïnt. allezins was geregtigd het aan hem geadresseerde goed op eigen naam op te vorderen;

0., dat, terwijl de geïnt. is uitdrager van beroep en mitsdien de vei v-oei de goederen kunnen beschouwd worden als koopmanschappen, bedoeld bij art. 4, n". 5, W. K., het ten deze geldt eene zaak van koophandel, en alzoo door den eersten regter, op gronden , waarmede het Hof zich vereenigt, wel en teregt is verstaan, dat de sommatie door den geïnt. op 21 Julij 1866 tot afgifte der goederen aan het schip van den app. mogt worden gedaan, en deze alzoo behoorlijk in mora is gesteld;

0. ten aanzien der van-waarde-verklaring van het revindicatoir beslag, door den geïnt. op voormelde goederen gelegd, dat de geïnt. ui facto heeft geposeerd eigenaar der vervoerde en gerevindiceerde goederen te zijn , welk feit door den app. niet is tegengesproken, zoodat er geene gronden bestaan om aan den geïnt. een nader bewijs dienaangaande op te leggen;

Adopterende overigens, ten aanzien der zoo in conventie als in ïeconventie gevorderde schadevergoeding, de motieven van den eersten regter;

Gezien artt. 1279, 1353 , 1585 en 1653 B. W., art. 4, n". 5 W. K., artt. 313, 315, 721 en 56 B. R. ;

Doet te niet het appel;

Bevestigt het vonnis, waarvan beroep, en beveelt, dat het geheel I en volkomen zal worden ten uitvoer gelegd, met veroordeeling van den app. in de kosten van het hooger beroeu.

(Gepleit voor den appellant Mr. C. Th. Baron van Lijnden van Sandeneuro, en voor den geïntimeerde Mr. S. M. A. du Mosch.j

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN GRONINGEN.

Hurgerlijke kamer.

Zitting van den 16 Januarij 18C6.

Voorzitter, Mr. B. Wichers.

De debiteur, wiens onroerende goederen door den lnjpothecairen tot verkoop onherroepelijk gemagtigden crediteur zijn verkocht, nadat de dag van verkoop hem is beteekend, kan, indien hij zich vóór den verkoop tegen dien voorgenomen verkoop niet heeft verzei, na den plaats gehad hebbenden verkoop daartegen niet meer opkomen.

De debiteur wordt, door zich tegen dien verkoop niet te verzetten , geacht de handelingen van zijn gemagtigde stilzwijgend te hebben goedgekeurd.

Ingeval de gemagtigde zijne vohnagt is te buiten gegaan, heeft de debiteur in allen gevalle geene actie tégen den kooper der goederen tot vernietiging van dien verkoop , maar moet zich met zijne vordering tegen zijn gemagtigde tevreden stellen.

Mi. C. M. N. en mevrouw A. B. R., elielieden, eischers en Geïntimeerden , procureur Mr. A. Modderman,

tegen

S. M. en G. B., ehelieden, gedaagden en appellanten, procureur Mr

J. Lohman.

De Regtbank te Winschoten had den 31 Julij 1865 tusschen partijen het volgende vonnis gewezen;

De Regtbank enz.,

Gelet op de gewisselde conclusiën, de verdere stukken van het geding en de gevoerde pleidooijen ;

Overwegende, dat, ingevolge door den heer voorzitter dezer Regtbank op den 15 Julij 1865 verleend verlof, behoorlijk geregistreerd de eischers, bij exploit van den deurwaarder P. A. Dronrijp U«-es van den 17 Julij 1865, behoorlijk geregistreerd, de gedaan-den "op eenen korten termijn bij voormelde beschikking bepaald hebben Gedagvaard om te verschijnen ter rolle van de Arrond.-Regtbank van Winschoten, op Vrijdag, den 21 Julij 1865 , in het paleis van justitie te Winschoten, ten einde alsdan te hooren doen eisch dat de Regtbank de gedaagden zal veroordeelen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet, hooger beroep of cassatie, en zelfs ingeval van verstek binnen den termijn van acht dagen na 'beteekening van het vonnis aan gedaagden, mits door eischers gesteld worde voldoende zekerheid om met al het hunne en de hunnen te ontruimen en te verlaten:

1°. eene boerenbehuizing en schuur, thans door gedaagden nog bewoond, met de vaste ook in de zijdlinie verervende beklemming van het erf, hof, tuin en heerd lands, kadastraal bekend enz., zulks binnen eenen door de Regtbank bij het in deze te vellen vonnis te bepalen korten termijn, met magtiging op de eischers om, voor het geval de gedaagden in gebreke mogten blijven binnen dien door de Regtbank bepaalden tijd dio goederen met het hunne en de hunnen te ontruimen, de gedaagden met al het hunne en de hunnen die goederen te doen ontruimen door eenen deurwaarder, bijgestaan door twee getuigen, te benoemen bij het in deze te vellen vonnis , met veroordeeling van gedaagden in de kosten dezer procedure, allés op grond, dat de eischers bij publieken verkoop, gehouden ten overstaan van Mr. A. J. de Sitter, notaris te Winschoten, en getuigen, op den 12 Junij 1865 koopers en eigenaren van voormelde goederen zijn «-eworden; dat het proces-verbaal van verkoop ten kantore van hypotheken en het kadaster te Winschoten is overgeschreven den 17 Junij 1865, behoorlijk geregistreerd, en de eerste grosse dier acte aan de gedaagden is beteekend bij exploit van den deurwaarder J. F. Wam- , ders, te Wildervank dd. 3 Julij 1865, behoorlijk geregistreerd; dat

do verkoop is geschied onder beding, dat de goederen gedeeltelijk dadelijk , gedeeltelijk eene maand na den verkoop zullen kunnen worden aanvaard, en eischers het regt hebben die goederen te aanvaarden en in gebruik te nemen, en de gedaagden in gebreke blijven en weigeren de goederen te ontruimen en te verlaten met de hunnen en het hunne, niettegenstaande daartoe gesommeerd ;

0., dat ten dienenden dage door de gedaagden procureur zijnde gesteld bij Mr. D. de Ruiter Zylker , door eischers is geconcludeerd ^ als ter dagvaarding; dat daarop op een volgenden regtsdag, van \\ oensdag, den 27 Julij 1865, door gedaagden is geconcludeerd, onder overlegging van later te melden stukken en , op grond, dat de rente, waarvoor sommatie en bevel tot betaling was gedaan, zoude zijn onverschuldigd, dat bij den gehouden verkoop der ter dagvaarding omschreven perceelen de plaatselijke gebruiken niet zouden zijn in acht genomen, en dat de verkoop niet lang genoeg te voren en niet behoorlijk zoude zijn geannonceerd, — «dat "het der Regtbank mogt behagen den geposeerden verkoop te verklaren nietig en van onwaarde, met alle gevolgen van dien; voorts de eischers in hunnen eisch te verklaren niet-ontvankelijk, immers hen dien te ontzeggen, met eisch van kosten; en voorts, in reconventie eisch doende op de reeds aangevoerde gronden en op grond, dat de geposeerde verkoop zoude zijn eene onregtmatige daad, dat daardoor, alsmede door handelingen , die eischers zich na en ten gevolge van dien verkoop hebben veroorloofd , aan gedaagden , eischers in reconventie, groote schade is veroorzaakt, welke de gedaagden in reconventie behooreu te vergoeden, — dat het der Regtbank behage de eischers in conventie, gedaagden in reconventie, te verbieden voort te gaan met dergelijke onregtmatige handelingen en hen te veroordeelen om aan eischers in reconventie te vergoeden de schaden en nadoelen , daardoor geleden of nog te lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen ingevolge de wet, alles met uitspraak over de kosten ;

0., dat hierop de wederzijds genomen conclusiën zijn ceïnhaereerd door partijen en pleitende zijn geadstrueerd;

Wat het regt betreft:

0., dat de eisehers door het door hen beteekend proces-verbaal van pubheken verkoop van de ter dagvaarding omschreven goederen, gelegen te Uiteiburen, gemeente Zuidbroek, het bewijs hebben geleverd , dat zij door aankoop eigenaren zijn geworden van die goederen ; dat de verkoop dier goederen heeft plaats gehad ten gevolge van -eene overgelegde, behoorlijk beteekende grosse van eene acte, verleden den 15 Mei 1863 voor Mr. W. Laman Trip notaris te Groningen, waarbij de heer Mr. C. M. N. aan gedaagden heeft geleend eene kapitale som, groot f 35,000, tegen betaling van interest naai vijf ten honderd, verschijnende jaarlijks op 1 Nov. en 1 Mei, en zulks onder hypothecair verband op de bij dagvaarding omschreven goederen, met bepaling, dat, bij gebreke van betaling van hoofdsom en renten, de geldschieter onherroepelijk zal zijn gemagtigd om het verbonden goed in het openbaar overeenkomstig de plaatselijke gebruiken en ten overstaan van eenen bevoegden ambtenaar te doen verkoopen;

dat de gedaagden in gebreke zijn gebleven het halfjaar rente verschenen den 1 Nov. 1864 , ten bedrage van f 875 , te voldoen' en, bij exploit van den deurwaarder P. A. Dronrijp Uees dd 23 Nov. 1864, behoorlijk geregistreerd, vruchteloos zijn gesommeerdtotbl-

w !"g 'i sTf T i°°r de"zelfJen deurwaarder , bij exploit van den 6 iebr. 1865, bevél is gedaan tot betaling; terwijl eindelijk aan de debiteuren, thans gedaagden, bij exploit van dienzelfden deurwaarder van den 31 Mei 1865 , is beteekend, dat de dag van verkoon was bepaald op den 12 Junij 1865, ten huize van G. IL Monkhorst te ZuidbroeK; dat die verkoop op den bepaalden dag, plaats en uur, ten overstaan van den notaris A. J. de Sitter, te Winschoten residerende, is gehouden, zonder dat tegen den verkoop door de hypothecaire debiteuren eenig verzet is gedaan, noch eenige daad of handeling is gepleegd, waaruit kan worden opgemaakt, dat de gedaagden met den voorgenomen verkoop geen genoegen namen, zoodat het zlker 13 > df!t gedaagden de handelingen van den hypotliecairen crediteur stilzwijgend hebben goedgekeurd;

0., dat de gedaagden zich hebben beroepen;

1°. daarop, dat de plaatselijke gebruiken in deze niet zouden ziin geobserveerd; J

20. dat de verkoop niet lang genoeg te voren en niet behoorlijk zoude zijn geadverteerd ; J

3». dat de rente, waarvoor sommatie en bevel tot betaline is gedaan, zoude zijn onverschuldigd; en tot staving van dit beweren hebben overgelegd:

1°. eenen staat van S. Middel en vrouw van ] Mei 1863 tot 1 Mei 1864, behoorlijk geregistreerd;

2". eene rekening-courant van Mei 1863 tot Mei 1864, geteekend C. M. JN., behoorlijk geregistreerd;

3». eene rekening-courant, loopende van Mei 1864 tot Mei 1865 zijnde eene copy, waarop staat: geregistreerd enz., voor eensluidend afschrift geteekend P. A. Dronrijp Uges, deurwaarder; alle welke stukken in afschrift aan de eischers zijn gecommuniceerd *

O., dat het bewijs van niet-observeren der plaatselijke 'gebruiken in cas subject rust op degenen , die zich daarop beroepen ; dat de gedaagden het bewijs van het niet in acht nemen der plaatselijke gebruiken met bewijzen, noch het bewijs daarvoor aanbieden zoodat dit middel van nietigheid van den verkoop is ongegrond en ongestaafd ;

0., dat de tweede grieve hierin bestaat, dat de verkoop niet lan^ genoeg te voren en niet behoorlijk zoude zijn geadverteerd, het uit de productie der Provinciale en Groninger, Veendammer en IVinschoter couranten, behoorlijk geregistreerd^ blijkt, dat, wel verre dat aan den verkoop geen genoegzame publiciteit zoude zijn <^e«-even de gemagtigde Mr. C. M. N. gedurende voldoenden tijd te voren achtmaal van den te houden verkoop advertentiën heeft geplaatst ■ dat de gewoonte medebrengt ook te Zuidbroek om niet meer dan hoogstens twaalf dagen tot zestien dagen vóór eenigen verkoop de advertentiën te doen plaatsen en in casu de eerste advertentie twaalf dagen vóór den verkoopdag is geplaatst geweest; dat daarom deze grond ook is onwaar en zelfs, zoo hij waar ware, niet afdoende ! zoude zijn om den verkoop te doen vernietigen;

0., dat de derde grond, het niet-verschuldigd zijn van de rente waarom sommatie en bevel is gedaan , misschien wel aanleidingzoude kunnen geven tot eene actie van den debiteur te«-en den onherroepelijk gemagtigde, maar dat die omstandigheid in hoe judicio geen punt van onderzoek mag uitmaken , daar de gedaagden zich daarop met hebben beroepen vóór den verkoop, uoch dien ten gevolge zijn gekomen in verzet, en de koopers van het met hypotheek bezwaard goed niet zijn aansprakelijk voor de daden van den »cmagtigde der gedaagden;

0; dat mitsdien alle der gedaagden beweringen zijn ongegrond en den eischers hun eisch behoort te worden toegewezen; °

Gezien artt. 1223 en 1844 B. W., en artt. 52 en 56 B. R. ■

Regt doende enz.,

Verklaart de eischers wel ontvankelijk in hunne vordering;

Wijst die dien ten gevolge toe; en

Veroordeelt S. M. en zijne ehevrouw G. B. om de gelibelleerde goederen: 1°. eene boerenbehuizing en schuur, met de vaste , ook in de zijdlinie verervende beklemming van het erf, hof, tuin en bouwland, kadastraal bekend gemeente Zuidbroek enz'., te 'verlaten, met al het hunne en de hunnen, binnen drie dagen na insinuatie van dit vonnis;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande

Sluiten