Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oliede de dag qi\ het uur, "waarop dc god. ui regten moet verschijnen; dat dc zaak? tegen den bepaalden dag bij den regter aangebragt, wordt • v-elioudcn aanhangig te zijn en de instantie geboren ten gevolge van 3 de verschijning van partijen óf van eene derzelvc voor den regter, : . in verband met de beteekende dagvaarding;

0., da*, indren op den hatcekenden regtsdag geen der partijen verschijnt en de zaak ter rolle is ingeschreven, de regter, volgens het bestaande reglement, hé: royement der zaak beveelt; dat, indien geen der .partijen verschijnt en de zaak evenmin ter rolle is ingeschreven, hetr:èr voor meet gehouden worden, dat partijen, door de zaak niet yoor den regter te brengen, van de dagvaarding hebben afgezien, en geene instantie op dio 'dagvaarding' hebben verlangd;

° O. , dat uit liet s'uorufgaande volgt, dat het exploit van dagvaarding (Ui. 9 Aug. IS00, waarbij de ged., thans geapp., voor het Kantcngcregt te Meer^sen is opgeroepen tegen den 22 dier maand, op welken dag noch de eischer, noch de ged. in den gcrigte is verschenen , door den wil dor daarbij betrokkene partijen als ingetrokken behoort te worden aangemerkt, waaraan geen regtsgevolg hoegenaamd moer verbonden is ;

O., dat mitsdien de a pp., zoo hij vermeende den geapp. andermaal in 'r eg ten te moeten aanspreken voor hetgeen hij beweert van dezen te vorderen te hebben , daartoe eene nieuwe dagvaarding had moeten laten beteekenen, voldoende aan al dc vereischtcn , in art. 5 Ij. I\. aangeduid; dat de eerste regter in zijn vonnis a quo op volkomen luiste gronden heeft beslist, dat eene enkele aanzegging en oproeping, gelijk die, beteekend bij exploit van den 30 Aug. aan den geapp. ten verzoeke van den app., daaraan in gecnen dcele beantwoordt;

O., dat die regtsbeschouwingen den eerston regter evenwel niet hadden moeten leiden tot eene niet-ontvankelijk-verklaring van den eischer in zijne vordering;

O. toch dat het tussehen partijen vaststaat, dat de oorspronkelijke ged. evenmin voor den kantonregter te lVIeerssen is verschenen op den 5 Sept. 11., waartoe hij bij het aangehaald exploit van den 30 Aug. te voren was opgeroepen;

ö., dat derhalve de eerste regter, alvorens het gevraagde verstek tegen den ged. te verlcenen, had behooren te onderzoeken, of dat exploit al de vereischien bevatte, vermeld in art. 5 B. K., om als dagvaarding te gelden en waarvan dc niet-nakoming bij art. 92 eodem met straffe van nietigheid is bedreigd, daar hij, bij verzuim van eene dier formaliteiten bij niet-verschijning van den ged., het verstek moest weigeren en, de nietigheid uitsprekende, den ciseher in de kosten veroordeelen als art. 9 2, al. 2, bepaalt;

O. nu, dat het meergemeld expioit van den 30 Aug. 11. niet behelst de middelen en iiet onderwerp van den OiSeh met eene duidelijke en bepaalde conclusie, hetgeen art. 5, n . 3, uitdrukkelijk voorschrijft; dat derhalve, die dagvaarding aan nietigheid laborerende, geen verstek tegen den ged., die niet verschenen was, verm >gt te worden verleend;

Regt doende enz.,

E11 voorbijgaande de subsidiaire concïusien van partijen ,

Vernietigt het vonnis van den kantonregter te iVLeerssen van den 5 Sept. 18G6, waarbij tegen Al. Smeets verstek is verleend, gelijk mede het vonnis van dienzelfden regter van den 12 Sept. daaropvolgende, hetwelk 1J. Dolmans niet-on$vankoiij& verklaart in zijnen eisch;

En , doende wat de eerste regter had behooren te doen ,

Weigert het tegen den ged. gevraagd verstek, op grond van nietversehijuing, op het exploit van den .'30 Aug. 18 -ö ;

Verklaart hetzelve nietig en van onwaarde, en Veroordeelt den oorspronkelijk eischer en app. in de kosten, zoo van eersten aanleg als die, in hooger beroep gevallen.

(Gepleit voor den appellant Mr. E van Oppbn cn Mr. J. P. Boots, en voor den geappelleerde Mr. Thkod. Mioiieels.^

Kantongekegten.

KANTONGEUEGT TE LEMMER.

Zitting van den 5 Februari) 1867.

Kantonregter, Mr. J. O. II. Ramaeii.

Opschortende yookwaap.de. — Art. 129G 11. W.

H. A. S. , wonende te Amsterdam , eischer,

tegen

T. B., weduwe R. D., wonende te Lemmer, gedaagde. De kantonregter enz. ,

Overwegende, dat de vordering strekt tot veroordeeling van de ged, om aan den eischer te betalen eene som van ƒ 1G.80, ter vergoeding van door den eischer geleden schade , uit hrfofdc eener door hem ondernomen , maar door toedoen van de ged. veroorzaakte en "eheol vergeefsehe reis van Amsterdam naar de Lemmer en terug, met de legale interessen en veroordeeling van de ged. in de proceskosten, zijnde de gezegde schade bij de dagvaarding gespecificeerd als volgt: reiskosten per stoomboot van Amsterdam naar Lemmer/2.50, vertering/" 1.30, kosten van logies te l.eramer /' 1 terugreis over land, omdat geen stoomboot of zeilschip vaart J 8,' zoomede voor twee a drie dagen minstens oponthoud zonder

salaris ƒ 4;

O., dat tussehen partijen is in con/esso :

dat de ged. den 3 Jan. 1867 bij oproeping gevraagd heeft een meesterknecht-zadelmaker, en eischer daarop aan ged. beiigt heeft zich als zoodanig aan te bieden en gaarne van Amsterdam naar de Lemmer te willen reizen, om over de voorwaarden van verhuring te spreken, mits hem de reiskosten werden vergoed; I

dat de eischer op dit berigt den 11 Jan. van de ged. ten antwoord] heeft ontvangen, dat zij hem gaarne te Lemmer zou zien komen, j om in persoon met hem over zijne inhnring te spreken, en dat, wat de vergoeding der reiskosten betreft, zij zich hiertoe bereid verklaarde, doch alleen voor het geval, dat werkelijk eeno overeenkomst Van huur tussehen hen tot stand kwam;

dat de eischer hierop den volgenden dag, zijnde 12 Jan., aan ged. hoeft doen weten, den eerstkomenden Dingsdag te Lemmer aanwezig te zullen zijn, en dat hij hieraan ook werkelijk voldaan en zich in den morgen van dien dag bij de ged. vervoegd heeft, om over de huur te onderhandelen ;

dat echter de ged. toon reeds den vovigen Zaturdag, 12 Jan., een ander *js meesterknecht gehuurd had, zofider hiervan aan den eischer vóór diens overkomst iets te doen weten, hoezeer hiertoe wel in de gelegenheid zijnde, terwijl zij hem eerst te Lemmer kennis gaf, dat dit geschied was, en er bij gevolg tussehen haar en den eischer van geene verhuring meer sprake zijn kon;

O., dat alzoo feitelijk vaststaat, dat tussehen eischer en ged. was gesloten eene overeenkomst, daartoe strekkende, dat gene van Amsterdam naar de Lemmer zou komen, • om over zijne inhuring hit ' - - 1 o irifitfstfii-knecht-zndelntaker te onderhandelen, met,

van huur werkelijk tot staivd kome»; en. verder dat de ged. de vervulling dier voorwaarde willens en weten» heeft verhinderd, door reeds vóór de komst van en onderhandeling met den eischer, en zonder dezen iets te laten weten, een ander tot meesterknecht aan

te nemen ;

0. in regten, dat, volgens art. 1296 B. "W. , de voorwaarde wordt gehouden voor vervuld, indien de schuldenaar, die zich onder dezelve verbonden heeft, de vervulling der voorwaarde heeft verhinderd ; en dat alzoo in casu de inhuring van den eischer als meesterknecht bij de god., zijnde de gestelde voorwaarde voor de vergoeding der reiskosten, moet worden gehouden voor vervuld, en dus die kosten komen ten laste van de god.;

O. echter, dat hetgeen bovendien bij de dagvaarding is gevorderd , ter zake van eenige dagen oponthoud zonder salaris, in casu niet kan worden toegewezen, omdat dit geen nadeel is, veroorzaakt door de ged. , maar eene winstderving, wier last de eischer, blijkens do overeenkomst, die alleen van reiskosten spreekt , op zich nam, ook zelfs ingeval eene verhuring werkelijk tot stand zou zijn gekomen , en die alzoo, bij gebreke hiervan, hem in geen enkel opzigt achteruit zet;

Gezien de artt. 1296 en 1299 B. \V., art. 38 B. O., en art. 56 B. R.;

Regt doende enz.,

Veroordeelt de ged. om aan den eischer , tegen behoorlijke quitantie, te hctalen de som van f 12.80 wegens door hem gemaakte kosten, uit hoofde van zijne bovenvermelde reis van Amsterdam naar de Lemmer en terug , met de interessen dier som sedert den dag der dagvaarding;

Ontzegt aan den eischer hetgeen daarenboven door hem is gevorderd ;

Veroordeelt de ged. in de proceskosten.

MENGELWERK.

IIET REGT VAK DEN UITVINDER.

Vóór nu ruim vijfjaren schreef ik in het tijdschrift Themis eene verhandeling over de regten des uitvinders , waarin ik gepoogd heb dat regt juridisch te construeren en den grond van dat regt aan te toonen. In verband mot die beschouwing trachtte ik in de N. Bijdr. van 1864, p. 140 en volg., den grond van het copieregt en de overige regten des schrijvers aan te wijzen.

Voor zoover mij bekend, was tot nog toe nimmer op die wijze het regt van den uitvinder (en van den schrijver) geconstrueerd, noch de grond daarvan aangetoond.

Ziehier kortelijks, waar het betoog op neerkwam : ,

Elk arbeider heeft regt op de vruchten van zijn arbeid; indien een ander die vruchten plukt, Dooit middel van zich het werk van dien arbeider toe te eigenen, en indien hij, door dit te doen, dien arbeider nadeel toebrengt, dan pleegt hij ouregt, want bij ons geldt in vollen omvang de regel: »nemo èum damno alterius locuplctior J fieri debet» ; de namaker nu pleegt zoodanig onregt, dus mag hij niet namaken; zelfs al bestond'er geen ocfrooiWet, zou de uitvinder eene actie tot schadevergoeding hebben tegen den namaker.

Stelde de uitvinder zoodanige actie in , hij zou zijn regt moeten bewijzen; dit kan hij niet, tenzij de Staat hem een bewijs verschaft, dat hij zich op een zeker tijdstip als uitvinder heeft aangegeven. Dat bewijs ontvangt hij door het octrooi, 't welk tevens de openbaarmaking van den titci van eigeudüms-verkrijging is.

De uitvinder hóeft eigehdonisregt op de uitsluitende bevoegdheid, doch dit regt is niet eeuwigdurend; ziedaar liet slot van het nog al uitvoerig betoog.

Tot nog toe viel mij niet de eer eener openlijke bestrijding te beurt; doch in het Feurua'rij-liommer van de Gids van dit jaar schreef de hoogleeraar Thlleoes een stukje, getiteld: Kanlteekeni.ngen, waarin o. a. (p. 2.">4 cn iöbj voorkomt: »jUen vond ergens (Themis 1862) onder de gronden ter verdediging der octrooijen van uitvinding den regtsregel van Pomvgnius aangevoerd: JVenio cum damno alterius locapletior jicri debet."

Ik zou niet op het den'kWëkl-gekomen zijn, dat die wellevende wijze van aanhaling— door da-Nieuwe llotterd. Courant veelal gebruikelijk tegenover het Haagsche Dagblad, vooral dan, wanneer zij schijnt bevreesd te zijn , dat iemand liet geïncrimineerd artikel van laatstgenoemd blad mogt naslaan —door den'hoogleeraar gebezigd zou zijn ter aanduiding van bovenstaand betoog, indien het vervolg van 's hoogleeraars woorden mij daarvan niet liad overtuigd.

Z.H.Gel. voort twee personen , Cajus en Titius, sprekende ik ; beide bespreken gezegden regtsregel, doch begrijpen hem niet. Pomponius komt en geeft de oplossing j waarna een discipel van Bentham, boven de Romeinsche regtsregelen verre verheven, beseheiden ' vraa't: of die regel, zoo als Pomponjus zelf hem ^xpliceert, niet is eene volslagene onbeduidendheid, eene eineptie.

Het schijnt, dat met Cajus bedoeld wordt do schrijver vau bovenstaand betoog over de octrooijen. Is dit zoo, dan merk ik op, dat Gajus geheel iets anders zegt dan die schrijver, zoo als blijkt uit eene vergelijking van de woorden van Cajus met de bladz. 233 tot 236 van dat betoog.

Ik oordeelde het echter onnoodig mij tegen den hoogleeraar te verdedigen,daar ik niet dacht,dat/^.II.Gel. in einst had gesproken; dat Z.H.Gel. inderdaad zou hebben over lipt hoofd gezien, dat de regel van Pomponic.s, zóó als. hij door mij aangehaald is, voorkomt in°l. 14 ff. de condictione indebitii, 1'2, 6); dat de woorden etinjuria in 1. 206 de lieg. juris eene versterking is van cum detrimento; dat de zoo bekende regtsregel beteekent, dat niemand door middel van het toebrengen van nadeel aan een ander (cum detrimento, dus zonder eeuigen anderen titel van verkrijg te hebben) zich verrijken mag ; en dat de discipel van Bentham met Todllier, niettegenstaande deze is teregtgewezen door Marcadé, ad art. 1375 C. P., sub IV, in eene zelfde dwaling vervallen kon, en zulks nog wel, na zelf ingezien te hebben, dat door zijne_uitlegging aan den regtsregel van PompÓniu's zijne gausche beteekenis werd ontnomen; dat in elk geval da regel, zoo als ik hem opvat — nl. dat de arbeid van iemand niet ten diens nadeele de uitsluitende oorzaak van verrijking van een J ander mag zijn, — in ons regt is opgenomen, b. v. in de leer der specificatie. .

Maar bovendien achtte ik verdediging onmogelijk, wanneer de aanvaller uit een geheel systeem eene ankele zinsnede neemt, en dan die zinsnede, na haar alzoo uit haar verband gerukt te hebben, bestrijdt en zegevierend uitroept: Ziet eens, welke dwaasheden mijne tegenpartij verkondigt!

In het belang echter van het door mij verdedigd systeem en van de wa:;-heid, wensch ik op te komen, niet tegen de bestrijding, maar tegen do wijze van bestrijding, n« die wijze gevolgd wordt door een der discipelen van den hoogleeraar, Mr. Star Busmann , in eene onlangs te Groningen verschenen dissertatie: Octrooijen van uitvinding.

Ik had mo^en verwachten, dat die schrijver of mijn systeem uiteengezet en wederlegd had, of dat hij , zich er mede vereenigende, op economisch politische gronden had aangetoond: dat, wèl bezien, de uitvinder door de handhaving van zijn regt op uitsluitende be-

beding van vergoeding der daaruit voortvloeiende reiskosten door de ■ged-, onder de "opschortende voorwaarde: «mits eene ovei eenkomst

voegdheid van vervaardiging eigenlijk meer nadeel ondervindt, dan wanneer de namaak onbeperkt wordt toegelaten.

Door een naauwkeurig en onpartijdig onderzoek der vraag: welke is de werking eener octrooiwet ten opzigte van haar hoofddoel: bescherming van de regten d§s uitvinders op de vruchten van zijn albeid , zou de schrijver inderdaad^e staathuishoudkunde aan het reg dienstbaar hebben gemaakt, zonder daarom het al- of niet-bestaaii van die regten te laten afhangen van de vraag: wat is het voordeeligst voor het algemeen ?

In plaats daarvan vermijdt de schrijver, even als zijn leermeestei, met de meest mogelijke zorg, het systeem van hem, dien hij bestrijdt, uiteen te zetten. Alsof een of meerdere personen in de The>'"s eenige op zich zelve staande, voorwaar niet nieuwe argumenten hadden opgeteekend, ten einde het goed regt des uitvinders aan te toonen , worden in vijf verspreide paragrapl-ien enkele zinsneden van cïl betoog weergegeven en wordt dan gezegd: «deze stelling gaat nie op, zoolang gij die andere stelling niet bewijst.» Wat ik nu over'd'e andere stelling '^eg, wordt eenvoudig weggelaten. Zoo b. v. zegt " schrijver, p. 35 in f., dat ik heb beweerd, dat elk, die een andö' benadeelt, onregt pleegt. Juist het tegendeel betoog ik uitdrukkehj op bi. 235; alsmede op de voorafgaande bladzijde, waarin word gezegd, dat des namakers winst niet alleen gepaard gaat met, waar voortvloeit juist uit het verlies van den uitvinder van de vruchten zijlier uitvinding. Op bl. 41 en volg. betoogt de schrijver in he breede, alweer naar aanleiding en ter bestrijding van eeno genee op zich zelf staande zinsnede van mijn betoog, dat vergoeding va kosten en moeite nimmer een grond kan zijn van 's uitvinders >e8' Juist hetzelfde wordt door mij uiteengezet op pagg. 243 en 244 va mijn betoog. Waarom dat verzwegen ?

Kortom, iemand, die de dissertatie leest, zal, evenmin als de lez van de Kantteekeningen van den hoogleeraar T., op het denkbe komen, dat beide schrijvers een systeem bestrijden; nog veel m111' zal hij zich door het lezen genoopt gevoelen om den ongenoemde schrijver in de Themis na te slaan, ton einde nader kennis te mak met de tastbare ongerijmdheden, door dien schrijver verkondigd-

Op die wijze wordt mijn betoog zooveel doenlijk geïgnoreerd valt bestrijding inderdaad niet moeijelijk.

Ik kom tegen die handelwijze op, doch wensch niet ze te quau'^ ceren. Toch merk ik nog tweederlei op: 1°. dat bij weêrleggino van andere schrijvers Mr. Bdsmann «het noodzakelijk acht van w systeem eene korte ontwikkeling te laten volgen», bl. 54 ; 2». dat, op bl. 51 van zijn geschrift, de schrijver uit eene zinsnede van in^ betoog juist datgene weglaat, waar het op aankomt om mij wegens dat ontbrekende te bestrijden. _

De Staat, zoo zou ik gezegd hebben op bl. 255 van mijn bete => moet den individu helpen, wanneer deze zelf dit niet kan. De geloovige lezer zal meenen , dat ik behoor tot hen, die zeggen . Staat moet alle hulpbehoevenden bijstaan ter bevordering humi belangen; hij zal zich welligt zelfs vermaken met de krachtige ^ strijding dier oohoudbare stelling door Mr. B. Maar, wat staat e ■ de Staat moet het individu helpen zijne regten te handhaven en te oe schermen, wanneer deze zelf zulks niet kan; en daarna bezig ik nol, twee bladzijden tot de uitlegging dier stelling, zonder in de verste verte te spreken over het regt van de individus op den bijstand vau den Staat ter bevordering hunner belangen ! .

Zoodanige mistasting is moeijelijk te begrijpen. Edoch ,

lezen van dc dissertatie van Mr. E. Bdsmann kau ik mij voorsteiw • dat de schrijver niets van mijn betoog heeft begrepen, en dat J zelf niet opmerkt, dat hij geheel iets anders bestrijdt dan door zj tegenstander beweerd wordt. Ik zou dan ook mij de wijze van delen van den heer 13. minder hebben aangetrokken, indien l£ 3 uit de laatste bladzijde van diens dissertatie vernomen had, dat z'Jn geschrift is samengesteld onder leiding van den hoogleeraar Tellegb*-' 011 indien ik niet eene zonderlinge eenstemmigheid tussehen dei' schrijver der Kantteekeningen en den Groningschen doctorandus ha'

bemerkt. el

Van den hoogleeraar Tellegen onbegripzaamlieid aan te nem durf ik niet; en evenmin zóó twijfelen'aan '8 hoogleeraars scherp zinnigheid, dat ik zou meenen, dat de hoogleeraar, om liet systeem te bestrijden , de noodzakelijkheid, zou gevoeld hebben daarvan W eene averegtsche voorstelling te géven.

Maar waaraan dan dio meer dan zonderlinge wijze van beiiai» ling van mijn betoog toe te schrijven? Was zij welligt in hot alf meen belang en daardoor gerogtvaardigd ?

Ik weet het niet cn verlang ook niet het te weten; doch iK een verzoek, niet aan den heer Tellegen of Uusmann, maar t den lezer; een verzoek, met hot oog waarop ik het bovenstaar heb geschreven. Indien de lezer bij den hoer Tellegen of Z. H. discipel in de boven aangehaalde geschriften woorden aangelw vindt als door zeker iemand in het tijdschrift de Themis, jaarg» 1S6J geplaatst, verzoek ik hem dringend die woorden in meerg meld door mij geschreven betoog na te lezen, en na te gaan, o daar werkelijk staan en, zoo ja: in welk verband? Daarna zal dan kunnen beoordèeien, hoe juist de bestrijding op het bestredene pa»

\ Bosch, 22 Julij 1867. A. F. de SavokNIN LoiimAK-

AD VEETENT [EN. —»

MABTINUS NU HOEP, Boekhandelaar te Gravenhage , heeft verzonden :

VERZAMELING VAN ARRESTEN

van den

ilOOGEJi RAAD DER NEDERLANDEN,

begonnen dook "wijlen den hepi jwaik ïa® 39 ew saojwesfcï' teïz-»

voortgezet door S2r. J. C. M. CAH 19B5TS EOSEBÏ

en

Mr. C. C. B5,

Jaargang 1867. 1ste Aflevering. Inhoudende:

Geraengcle Zaken . . • Deel XXII, blad ^

Burgerlijk Regt.... " XVII, // ^

Strafregt 1865, reg. 1866 . . • • ' "

Prijs per jaargang van 96 bladen f 14.40. ^

Suelyersslruti en uitgave van «SïSsaSOK»®'1

BSKfc.SlïF'AW'SnE , '» ««■aveoiiage.

Sluiten