Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 15 Augustus 1867.

N°. 292if

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

NE GEN- EN- T WIN TI GS TM J/l AR GANG.

JUS ET VERITAS.

Dit blad verschijnt geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang f 20 ; voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs der advertentiën. zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van IIII, gewone correspondenten , franco.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Hamer van Strafzaken.

Zitting van den 29 Mei 1867.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

Diefstal. — Arglistice wegneming eener aan de runderpest gestorven en ter begraving bestemde koe. — Beweerde res derelicta.

Kan eene wettelijke verordening, krachtens welke een aan de runderpest gestorven stuk vee moet worden begraven, geacht worden mede te brengen ontzetting of opheffing van eigendom1 — Neen. Kan alzoo ten aanzien van eene als voormeld ter begraving bestemde koe sprake zijn van eene res nullius ? — Neen.

Moet derhalve eene arglistige wegneming van zoodanige koe worden gequalificeerd als die/stal ? — Ja.

J. Gorlee, koopman, geboren te Loenen en wonende te Loosdrecht, M. van Ee, werkman, geboren te Maarsseveen, wonende te Loosdrecht, B. Buurman , arbeider, geboren en wonende te Oud-Loosdrecht, G. Dolman, werkman, geboren te Loenen , wonende te Oud-Loosdrecht, C. van Dijk, winkelier, geboren te Nederhorst den Berg , wonende te Loenen , A. Zwanik , tapper , geboren te Breukelen, wonende te Loenen , — zijn requiranten van cassatie tegen een in hooger beroep gewezen arrest van het Prov. Geregtshof in Utrecht van den 26Eebr. 1867 , waarbij, met vernietiging van twee vonnissen van de Arrond.-Regtbank te Utrecht van den 10 en den 17 Jan. bevorens , zij zijn schuldig verklaard aan diefstal hij nacht, door meer dan één persoon gepleegd , op eene plaats, die niet als bewoond huis wordt beschouwd of daarmede gelijkgesteld; en te dier zake, met aanneming van verzachtende omstandigheden, en met toepassing van de artt. 14, principio en n". 5, en 20 van de wet van den 29 Junij 1854 (Stbl. n". 102), art. 463 Strafregt en art. 2 der wet van den 28 Junij 1851 [Stbl. n°. 68), veroordeeld ieder tot gevangenis-straf voor den tijd van twee maanden, te ondergaan in eenzame opsluiting, alsmede in de kosten der beide instantiën , des noods bij lijfsdwang en op ieder hunner voor het geheel te verhalen; met vrijspraak van het overige hun ten laste gelegde.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Wintgens , en de advokaat van de requiranten, Mr. J. J. van Geuns , bij pleidooi nader de voorziening had toegelicht, heeft de adv.-gen. Römer de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren, Presidenten Raden! In deze zaak is hetzelfde middel van cassatie voorgesteld als in de zaak tegen W. van 't Veld, n°. 8099 der rol. De geachte raadsman heeft dit middel nog nader ontwikkeld , omdat hij eenige bedenkingen tegen mijne conclusie, in die zaak genomen, wilde aanvoeren, en omdat de Iiooge Raad in die zaak nog geene beslissing had gegeven.

Thans E. H. A.II.! heeft de Hooge Raad in die zaak beslist en wel bij arrest van 8 Mei jl. ( Weekbl. n". 2917), waarbij het stelsel van den geachten raadsman is verworpen.

Het arrest van het Prov. Geregtshof in Utrecht is hoofdzakelijk op dezelfde wijze gemotiveerd als twee vroegere arresten, waartegen de voorziening in cassatie is verworpen.

In de achtste overweging wordt het feit, zoo als dit uit het onderzoek is gebleken , bewezen verklaard, en daarna in de negende overweging zeer juist gequalificeerd. Ik kan dus zeer kort zijn, en mij bepalen tot de oplossing van een paar bedenkingen, door den geachten raadsman in het midden gebragt.

Ik had beweerd, dat het eigendom een regt en geen feit is. De geachte pleiter stemt dit toe, maar beweerde, dat het eigendom tegen den wil van den eigenaar wordt verloren door feiten, namelijk wanneer de zaak te niet gaat, en wanneer zij buiten den handel wordt gebragt. Beide omstandigheden waren volgens den geachten raadsman aanwezig.

Ik geef de stellingen toe, doch moet opmerkzaam maken, dat het verlies van het eigendom iu beide een zeer verschillenden grond heeft. Bij het te niet gaan der zaak gaat de eigendom verloren, omdat er geen voorwerp is, waarop het regt kan worden uitgeoefend. Indien de zaak buiten den handel wordt gebragt, gaat zij niet te niet, maar wordt onvatbaar voor burgerlijk eigendom; zij wordt juris dwmi, namelijk sacra, religiosa of sancta, of zij blijft humani juris, maar wordt communis of publica. Om nu eene zaak, die vroeger in en ïan el was, daarbuiten te brengen, is er eene wettelijke veror-

noch SeerfeU nochnetZrLtTStanhdigheden Zijn Wer aamVezig' Br iS betrekking van den eigenaar of d w® getreden' waardoor de gestorven rund kan niet gezegd wn T 1S "iet SeSaan- Van het Ook na den dood blijft het vooTwé^ res ™terllt■ of extincta est. gend worden, zoo ais dan ook in casl hefft fT ""u^" t0eg6ëi"

Evenmin is er eene wet of verordent?^ gehatL gestorven koe tot eene res divini juris zoude zi»™0' waardo°r d® eene res publica of communis zoude zijn geworden g-^maakti » °f ™el selen is zij dus niet gebragt extra commercium. ' ^ reStsbeSln" Het beroep van den geachten pleiter op het'Romeinsche resrt kan m. i. 'nier niets beslissen. *-au

In dal. 7. D. § 5, de acq.rer.dominio, zegt Gajus , dat de nieuw gemaakte bedding der rivier publicus juris gentium wordt. Die bedding komt dus krachtens de Romeinsche regtsbegrippen extra commercium. Bij overstrooming gaat de eigendom niet verloren, ZOo &ls do pleiter beweerde. Dit leert § 6 , eod. coll. 1. 1 , § 9, Z). de fluminibus. (Vgl. art. 649 B. W.) De geachte pleiter beriep zich op de 1. 23, D. quibus modis usufr. amittitur, zonder echter de antinomie tusschen de beide wetten te doen opmerken. Het blijkt echter, at de regtsgeleerde in deze wet niet het geheel te niet gaan, maar

een tijdelijk verlies van den overstroomden grond op het oog heeft. Dit blijkt uit het slot der wet: indien het water weder wegloopt, restituitur proprietas, en dit wel zonder eenige nieuwe daad van toeëigening van den vroegeren eigenaar. Het regt van eigendom is dus door de tijdelijke overstrooming niet verloren gegaan, zoolang er geene rivier is ontstaan, welke eene nieuwe bedding heeft gemaakt , in welk geval deze publicus juris gentium zoude worden.

Ik moet nog eene bedenking van den geachten raadsman ter sprake brengen, namelijk de wettelijke kracht der verordening, waarbij de begraving is bevolen. Het betoog kwam mij op dit punt minder duidelijk voor, daar de gestorven koe dan eens werd beschouwd als extra commercium gebragt, en dus als eene zaak, welke voor geen burgerlijk eigendom vatbaar is ; en dan weder als onteigend, zonder voorafgaande schadeloosstelling, en mitsdien als overgegaan uit e magt van de onteigende in die van de onteigenende pai ij. e Hooge Raad heeft bij het arrest van 8 Mei jl. de strekking ei veroi ening, in deze bedoeld, reeds aangegeven. Zij beperkt e ®'gcnaar in zijn gebruik ; of zij in dit opzigt te ver gaat

U e eigendom opheft, kan m. i. door den regter niet nV-Pt Hp onderzocht- deze voorziening in cassatie geldt het dan ook

welke bii "hpt VaU 'f • 8 °f vei'keerde toepassing der verordening, welke bij het arrest met toegepast is. De strekking der verordening

ïmn 61ff. 1S f1"0 °m Za8li' tS hengen extra commercium , noch om haar te onteigenen.

jeb ejn ai?dermaal dergelijke zaken behandeld, en m. i.

e e ju ex facti bij eene aanklagte als de onderwerpelijke alleen

6 v,0" ,fi °c !i vooreerst > °f de aangeklaagden dolo malo hebben gehandeld of de toeeigening arglistig is geschied, en ten andere , of uit feitelijke omstandigheden kan worden afgeleid , dat de eigenaar bij de begraving de animus derelinquendi heeft gehad. Het bloote feit van begiaven is geen bewijs van de animus derelinquendi. Omtrent beide punten is bij het arrest beslist. Die beslissing is feitelijk, en het op eene wettige wijze gebleken feit is dus juist bij het arrest gequalificeerd.

Ik heb alzoo de eer, namens den heer proc.-gen., te concluderen tot niet-ontvankelijk-verklaring van het beroep, voor zooveel de requiranten bij het arrest zijn vrijgesproken; voorts tot verwerping der voorziening en veroordeeling der requiranten solidair inde kosten, in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Geiet op het middel van cassatie, namens de requiranten voorgesteld bij pleidooi, bestaande in: verkeerde toepassing van art. 14 principio en n». 5, der wet van den 29 Junij 1854 [Stbl n" 109/'

dooThtr? r schendinS der artt- 575 , 625, 639 en 640 B. W.

oJ bedreven reit te qualifieeren als diefstal;

van eeT'pum "der aVnkla^ °iijn° vrl^sTotL^^p6' beS'reden arrest schuld aan dat feit niet was bewezen . echter' de voZt 6

satie tegen het geheele arrest onbeperkt islngesteld "g ^

dat in dit geval, volgens art. 381 StrafVnrW ' ,

in cassatie niet is toegelaten ; '1 gewoon beroep

steld6 teroep re(1Uiranten zooverre niet-ontvankelijk in het inge-

0. verder, dat bij het bestreden arrest als bewezen is aankomen, dat de requiranten gezamenlijk, in den nacht van den 4°op 5 Dec. 11., tusschen tien en vier ure, in de gemeente Loenen, in eene onbewoonde schuur op het land van H. Roos, eene aan dezen toebehoorende doode koe hebben stuk gesneden , en vervolgens ieder daarvan een gedeelte hebben medegenomen en zich arglistig toegeeigeud , zonder daartoe van of namens dien eigenaar verlof te hebben gehad; en wijders, dat die koe aan de veepest was gestorven, en op last van den eigenaar in die schuur was neêrgelegd , met het

begraven. °m 26' volSens de °P rustende verpligting, te

O., dat dit feit teregt is gequalificeerd als diefstal bil nacht door

38 " '• -•s-™W5 as

0. , dat tot staving van het voormelde middel ™ i. e.i

zakelijk is aangevoerd, dat een aan de veenest p-estn hoofd" hetwelk krachtens eene wettelijke verordening en op de daarbijTor! geschreven wijze inoet begraven worden, is trewnJ»,, ,

iSLtfeigendom wordt dengeRe< d-~Xenhe:

0. echter, dat zoodanige wettelijke verordening niet met zich brengt ontzetting of opheffing van den eigendom, maar moet worden gerangschikt onder de openbare verordeningen, bedoeld bii art 625 B. W., en mitsdien moet beschouwd worden als eene verbodsbepaling, waardoor de eigenaar belet wordt over zijne zaak op de volstrektste wijze te beschikken en daarmede te handelen in sti-iid mpt de wettelijk bestaande voorschriften;

0., dat dus in casu de koe, welke de requiranten zich arglist^ hebben toegeëigend , niettegenstaande hare bestemming om te worden begraven , aan den eigenaar was blijven toebehooren, en mitsdien de als geschonden aangehaalde artikelen van het Burgerlijk Wetboek waarbij wordt gehandeld over roerende zaken , die aan niemand toebehooren , niet kunnen zijn geschonden;

Verwerpt enz.

Zitting van den 4 Junij 1867.

Plaatselijke belasting. — Tuue-accijns. — Onjuiste aangifte

j en invoer. nlet-strafbaarheid van het feit bij het niet

meer van kracht zijn der toepasselijke strafbepalingen tijdens de beregting in hooger beroep.

art. 52 der wet op den overgang.

j Behoort niet, bij het vernieuwd onderzoek eener zaak, door den

hooger en regter in te stellen, deze, onafhankelijk van den stand der zaak in eersten aanleg, op nieuw na te gaan, of het ten laste gelegde feit naar eisch der wet is bewezen , of het eene strafbare daad oplevert en, zoo ja, welke straf behoort te worden toegepast, alles met het oog op den alsdan bestaanden stand der strafwetgeving ? — Ja.

Naar aanleiding hiervan door dien hoogeren regter in casu aangenomen zijnde, dat het ten laste gelegde feit' met der daad was bewezen , heejt hij dan niet met juistheid een ontslag van regtsvervolging uitgesproken, hoezeer daarbij dan ook min juist zij overwogen, dat dat feit daarstelt overtreding enz., wanneer uit de voorafgaande overwegingen duidelijk blijkt, dat aan die woorden, in stelligen zin ^ gebezigd, geene andere beteekenis is te hechten , dan dat het feit zou hebben daargesteld eene overtreding , zoo niet de onderwerpelijke belasting ware afgeschaft f Ja.

Doen overigens hier iets af artt. 271 volg. gemeentewet, straffen bedreigende op ontduiking of overtreding van plaatselijke belastingen, bij het niet meer gelijktijdig aanwezig zijn, ter toepassing daarvan, eener verordening, die de verpligting tot betaling eener belasting oplegt op eenig voorwerp , in die verordening genoemd f — Neen.

De proc.-gen. bij het Prov. Geregtshof in Noordholland heeft zich in cassatie voorzien tegen een arrest van dat Geregtshof van den 11 Febr. 1867 , waarbij de nu gereq. J. G. C. Maasman , handelaar in brandstoffen, wonende te Amsterdam, met verklaring, dat de aan dezen ten laste gelegde feiten en zijne schuld daaraan, in zooverre hij daarvan bij vonnis der Arrond.-Regtbank te Amsterdam van den 12 April 1866, in verband met het vonnis dier Regtbank van den 15 Eebr. bevorens, bekrachtigd bij arrest van dat Hof van den 14 Jan. 1867 , niet was vrijgeproken, wettig en overtuigend zijn bewezen, en dat die daarsteiien overtreding ter zake eener plaatselijke belasting, door het als handelaar in het artikel geven van den last tot het doen eener onjuiste aangifte voor den stedelijken accijns omtrent de soort eener in te voeren partij turf, — met toepassing van art. 52 der wet op den overgang, is ontslagen van alle regtsvervolging te dier zake, de kosten te dragen door de gemeente Amsterdam, met last tot teruggave der stukken van overtuiging aan den eigenaar of regthebbende en de voor de lading turf geconsigneerde waarde.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Huguenin, en de voorziening bij pleidooi was bestreden door den advokaat van den gereq., Mr. Ph. A. Haas Az., van Amsterdam, heeft de adv. gen. Karshboom de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren ! Wederom eene vraag omtrent de toepassing van art. 52, al. 3. In casu is wettig en overtuigend bewezen verklaard, dat de gereq. op 20 Aug. 1865 zich heeft schuldig gemaakt aan het doen bewerkstelligen eener onjuiste aangifte voor den stedelijken accijns omtrent de soort eener in te voeren partij turf binnen Amsterdam en zulks als handelaar in turf. Het bestreden arrest geeft zelf aan die feiten eene qualificatie en wel van : ^overtreding ter zake eener plaatselijke belasting, door het als handelaar in net artikel geven van den last tot het doen eener onjuiste aangifte voor den stedelijken accijns omtrent de soort eener in te voeren partij turf binnen Amsterdam en het Hof neemt aan, «dat destijds belasting door die gemeente werd geheven en daarop, door die onjuiste aangiften, ƒ 32 te weinig als belasting is betaald./'

Op die als overtreding gequalificeerde daad heeft het Hof echter geene straf toepasselijk geacht, omdat »ten gevolge der wet van 7 Julij

1865 [Stbl. n". 79), bij besluit van den Raad der gemeente Amsterdam van 20 Dec. 1865 (goedgekeurd bij Kon. besluit van 17 Jan.

1866 , n». 45, afgekondigd 31 Jan. 1866), is bepaald, dat op 1 Mei 1866 , en alzoo ten dage der beregting, de belastingen op den turf enz. zijn afgeschaft, en op dien dag alle daartoe betrekkelijke verordeningen vervallen," en «dat het voor de toepassing van genoemd art. 52, al. 3, der wet op den overgang voldoende is, wanneer eene vroegere verordening , waarbij straf was bedreigd, is afgeschaft en buiten werking gesteld en dus ten dage der beregting niet meer bestaat.»

Als middel van cassatie is door het Openb. Min. daartegen aangevoerd : verkeerde toepassing van art. 52 , al. 3, der wet op den over gang, artt. 234 en 210 Strafvord., en schending door niet-toepassing van de artt. 271, 272 en 282 gemeentewet, in verband met artt. 12a en 89 der algemeene verordening op de wijze van heffing en invordering van de plaatselijke belastingen binnen Amsterdam van 10 Sept. 1863; artt. 1 en 2 der verordening op de heffing dezer belasting van 29 Sept. 1863 ; art. 1 der verordening op de invordering dier belasting van denzelfden datum en art. 1 der wet van 22 April 1864 [Stbl. n°. 29).

Ik laat den paradox, dat niet geschonden kan worden, wat niet is toegepast, door den pleiter voor den gereq. aangevoerd, in zijne duidelijke onwaarde, en ga liever tot den inhoud van het middel over; die komt mij allezins gegrond voor. Toetsen wij slechts den grond, door het bestreden arrest aangevoerd. Het Hof zegt, dat voor de toepassing van art. 52, al. 3, der wet op den overgang genoegzaam is, dat eene vroegere verordening, waarbij straf is bedreigd, is afgeschaft enz. Er is hier inderdaad eene vroegere verordening, welke is afgeschaft en buiten werking gesteld, en dus ten dage der beregting niet meer bestaat. Maar was bij die verordening straf bedreigd ? Volstrekt niet; die verordeningen bepaalden, dat er eene plaatselijke belasting op zeker voorwerp zou worden geheven, en de wijze van invordering; maar plaatselijke verordeningen kunnen op de overtreding dier voorschriften niet straf bedreigen, en hebben het niet gedaan. De art. 271 sqq. der gemeentewet alléén bedreigen die straf; zijn nu die artikelen der strafwet afgeschaft, buiten werking gesteld? Bestonden zij niet meer tijdens 'sHofs uitspraak? Niemand kan het zelfs, met schijn van regt, beweren; die artikelen zijn en blijven nog van volle kracht. Overtreding en, gelijk in casu, ontduiking van plaatselijke belasting is nog altijd §en strafbaar

Sluiten