Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noch aan een vonnis gebonden is, gratie mag geven , ook al was de veroordeelde na het vonnis onschuldig bevonden.

Men ziet, dat het gratieregt van den Souverein zich onder den invloed der reeds vóór onze revolutie in de 16de eeuw krachtig geworden landsheerlijke magt, van ue studie des Romeinschen regts en van de vreemde juristen, op onzen republikeinschen bodem tamelijk wel ontwikkeld had.

Volgens Mr. d. F. werd echter de plenitudo potestatis van den Princeps door onzen Matthaeüs in hare grondslagen betwist. Dit is minder juist. — De oude juristen, terwijl zij hetregtom straf te remitteren alleen voor den Vorst vindiceerden, en terwijl zij de onbegrensdheid van dit regt in hunne Romeinsche bronnen uitgedrukt vonden, waren daarom nog geenszins voor eene willekeurige uitoefening van dit regt gestemd. Hunne Germaansch strafregtelijke denkbeelden deden hen eene voorafgaande compositie met den beleedigde of diens toestemming verlangen. Hunne middeneeuwsch Christelijke denkbeelden voerden hen tot de uitzondering der delicta juris divini. Ook het algemeen belang wilden zij niet roekeloos opgeofferd hebben , en geheel onwaardigen niet straffeloos zien heengaan. Zij zochten daarom naar goede redenen voor het oefenen van gratie en somden die op (zoo reeds bij de Italiaansche juristen, bij Carpzoviüs enz.); en zij waren bedacht op maatregelen (interinement, d. i. regterlijke van-waarde-verklaring der gratie) om bedriegelijk verkregen (bij sub- en obreptie) gratiën krachteloos te doen zijn. Met wet, usantie en praktijk waren zij daarin, met name ook bij ons, veeleer eenstemmig dan in strijd. Terwijl echter sommigen eene minder gebonden uitoefening door den vorst voorstonden , waren anderen jegens het geheele gratieregt, uit vrees voor misbruik en verlamming der regtspleging, ongunstig gezind. Zoo bijv., gelijk ik bij Matthaeüs vind (p. 936), de beroemde Fransche jurist Jean Bodin, die aanmerkt, dat toch al zoo weinig misdadigers tot hunne straf komen, en dan vraagt: » quod si rei veritate perspecta scelerati principum beneficio effugiant, quae tandem peccatorum ultio in republica futura sit?«

Op datzelfde standpunt staat Matthaeüs (de crim. 1. 48. t. 9, a°. 164-1). Juridisch of politisch bestrijdt hij noch het gratieregt van den princeps , noch de «volheid en vrijheid» van dat regt. Hij wijst er zelfs op, dat de Romeinsche leges van geene gronden of voorafgaande transactie met den beleedigde spreken. Hij constateert, dat in overeenstemming met het jus civile de princeps gratie geeft «non solum ob aliquam probabilem causam, veluti ob vitae anteactae merita, ob insigfie artificium, aetatis commiseratione, et si quae similes, verum sine ulla causa». Maar hij acht het volgen van den »iy>dus animi motus et inclinatio», het gratie geven zonder redenen, verkeerd ; hij zou het met name bij crimina atrocia , ook na transactie met de beleedigden, en bij recidive willen uitsluiten. Bovenal acht hij het souverein regt uit een hooger, een zedelijk godsdienstig oogpunt beperkt ten aanzien der misdrijven, welke volgens goddelijk regt of volgens natuurlijke en algemeen-menschelijke wetten met den dood moeten gestraft worden. Aan de goddelijke en natuurlijke wetten toch is de princeps als mensch gebonden. In de bewijsvoering voor deze stelling is Matthaeüs nog uiterst Mosaïsch ; hij bedoelt ook slechts ééne categorie van onvergeefbare misdrijven. «De recta ratio of lex naturae leert dezelfdfe onverbiddelijke strafbaarheid, die wij duidelijker vinden in de heilige schriften, welke niet slechts aan lagere regters, maar aan den princeps zeiven het sparen van misdadigers verbieden». In hoever hij de gratieoefening als goed zou willen toestaan, zegt Matthaeüs niet (l);in zijne ongunstige stemming spreekt hij slechts over beperkingen.

Ongunstig schijnt ook Bijnkershoek gestemd. Hij zegt 1.1. : «Ne ulla crimina remitterentur, publicae disciplinae vigor exigebat, sed hunc, ob bene merita forte , aliasve causas, saepe subegit Keipublicue utilitas.» Hij verzet zich dus niet tegen gratie in het publiek belang wegens de verdiensten des schuldigen of dergelijken, te meer daar ook «Populus Romanus virtutis alioquin verae custos rigidusque satelles» het regt in dien zin gebezigd heeft; maar later, zegt hij, is er schandelijk misbruik van gemaakt. Overigens bestrijdt hij de volheid van het gratieregt, dat hij, gelijk wij zagen, voor den princeps alleen vindiceert, geenszins.— Ook onze Simon van Leeüwbn (R. Holl. r., a». 1675, B. i', D. 43) toont zich voor een ruim gebruik der gratie ongunstig gestemd : hij wil haar ten aanzien van misdaden tegen leven of ligchaam, speciaal doodslag, tot de niet of min boosaardige gevallen beperkt zien: «Want andersints geen Hoogste Magten toekomt opentlijke misdaden quyt te schelden of ongestraft te laten, als de welk het Swaard niet te vergeefs in handen is gegeven, maar om na juiste regtvaardigheid te straffen." Maar overigens raakt hij de grond slagen van het regt niet aan. — Desgelijks meent Bort 1.1., dat de Souverein zijne magt tot gratie niet behoort te gebruiken dan «als eenige apparente equiteit (vooral nederslach niet gedelibereert gedaan, noch met opsetten wille) vereischt, dat gratie geprefereert worde voor rigueur en strengheid van justitie.» Hij voegt er bij : «Ik zegge niet en behoort, want ook zonder redenen die magt willende gebruiken , mag hij dit ex infinita gratiae potestate en vi supremae et absolutae potestatis doen. Bort verlangt voorts, dat geene gratie worde verleend, tenzij concordata parte en ingeval van berouw , niet aan consuetudinarii, noch bij homicidium dolosum, noch te snel.

De politische onbegrensdheid van het gratieregt ratione causae wordt alzoo door Bort en Bijnkershoek evenzeer als door Matthaeüs uitdrukkelijk erkend, door anderen niet ontkend.

Uit het voorafgaande blijkt, dat het Vorstelijk gratieregt, haar Romeinsche voorbeeld nastrevende, zich betrekkelijk langzaam en met moeite uit de middeneeuwsche windselen ontwonden heeft, en (behoudens althans het niet geheel verstommende morele protest tegenredelooze en het algemeen belang kwetsende uitoefening) ten slotte de oude beperkingen heeft afgeworpen. Die beperkingen, ook de op Mosaïsch-Christelijke beschouwing berustende uitzondering ten aanzien der delicta juris divini, behooren tot de vormingsperiode van de gratie-instelling.

Wat Montesqüieu (Esprit des lois VI, 21 «de la clémence du Prince») van de gratie zegt (a°. 1748), bevat de zuivere uitdrukking van het wezen van het Vorstelijk genaderegt vóór de revolutie. Hij beveelt de « clémence « vooral aan voor de « monarchies« , noemt haar «la qualité distinctive des monarques», en zegt: «Les monarques ont tant a gagner par la clémence, elle est suivie de tant d amour, ils en tirent tant de gloire, que c'est presque toujours un bonheur pour eux d'avoir 1'occasion de 1'exercer.. .. Mais, dira-t-on, quand faut-il punir ? Quand faut il pardonner ? C'est une chose qni se fait mieux sentir qu'elle ne peut se prescrire. Quand la clémence a des dangers, ces dangers sont très-visibles. On la distingue aisément de cette faiblesse qui mène le prince au mépris et a 1'impuissance même de punir.» De Vorst heeft dus slechts toe te zien, dat zijne «clémence» niet, in de eerste plaats tot zijn eigen nadeel, in zwakheid ontaarde. Men ziet, dat aan de gratie gean ander begrip, bestemming of karakter wordt gegeven, dan die in het woord «clémence» ligt opgesloten.

Het zal thans ook duidelijk geworden zijn, dat de oude juristen — ofschoon het opkomend gratieregt binnen zijne in hun oog natuur-

(1) Hij bestrijdt ook, doch zonder hem te noemen, H. de Groot, die z. i. te veel ruimte aan eene redelijke uitoefening der gratie had toegestaan [de jurebelli et pacis, a°. 1625, II, c. 20, n(J. 21 sfjq.) en geene uitzondering voor delicta juris divini vermeld had. De door Grotiüs voor gratie ingeruimde gevallen, welke thans voorzeker weinig bijval zouden vinden, worden door Püfendori? (lib. 8, cap. 3, a». 1672), niettegenstaande Maxihaeus, weder opgenomen.

lijke grenzen trachtende te houden, en alzoo willende verhoeden , dat het in strijd met Goddelijk regt, belang der beleedigde partij en publiek belang werd uitgeoefend —• naar geene karaktermatige begrenzing van het regt hebben gestreefd.

Geen wonder, dat zich tijdens en reeds vóór de Fransche revolutie een krachtig protest deed hooren tegen de gratie, opgevat als monarchale willekeur in strijd met regt en wet en met het publiek belang , als gunstbetoon aan boosdoeners en verzwakking van de efficaciteit der strafregtspleging.

In Frankrijk vond het gratieregt reeds vóór de revolutie bestrijding, met name door den even ijverigen schrijver als revolutionair Brissot de Warville (1). Ook de bestrijding door Beccaria (1764) en Filanqieri (1784) zal in Frankrijk indruk hebben gemaakt. Op voorstel van den radicalen Lepelletier de St. Farqeaü , schafte de Code Pénal van 1791 het geheele oude gratieregt af «pour tous crimes poursuivis par voie de jurés.» Maar na den coup d'état werd het hersteld, en zonder eenige beperking met de woorden «le premier consul a le droit de faire grace », alleen onder verpligting om het geheim advies van negen aangewezen hooge ambtenaren in te winnen, aan den eersten Consul opgedragen. Ongetwijfeld lag in dit verpligte advies het denkbeeld opgesloten, dat de gratie niet aan monarchale willekeur of grillen of persoonlijk gunstbetoon moest dienstbaar zijn, doch om goede redenen moest verleend worden. Overigens echter werd blijkbaar reeds in den aanvang der Napoleontische reactie het gratieregt van vóór de revolutie ten behoeve des eersten Consuls hersteld. Dit bleef zoo onder het Keizerrijk ; deamnistie onder de gratie begrepen geacht wordende. In de Charte van 1814 werd echter het advies weggelaten. Desgelijks in die van 1815 (100 dagen), en zelfs in die van 1830. Wel schreef de Constitutie van 1848, het gratieregt aan den President opdragende, advies van den Staatsraad voor en vorderde zij voor amnistie eene wet; maar de Constitutie van 1852 (na den coup d'état) zegt weder eenvoudig, dat de President (Keizer in spe) «a le pouvoir de faire gr&ce».— De conclusie is dus, dat niettegenstaande de revolutie het oude monarchale onbeperkte gratieregt zich in Frankrijk gehandhaafd heeft.

Dit gratieregt nu heeft in Frankrijk bij sommige schrijvers wel eenige bestrijding gevonden ; maar in het algemeen, en met name door de meer 'gezaghebbende criminalisten, is de bestaande instelling goedgekeurd geworden. Bij hunne behandeling der gratieleer nemen zij echter eene overwegend de/ensive houding aan. Zij streven niet naar eene definitie of begripsbepaling, maar vergenoegen zich met het aanwijzen van verschillende heilzame aanwendingen, die het regt legitimeren of zelfs vorderen. Overigens vindt men bij hen geene politische noch op haren aard gebaseerde beperking der gratie. Veelmin wijzen zij eene bepaalde begripmatige bestemming, eene idee der instelling aan. Zij verwerpen dus ook het oude begrip van genade geenszins. Tkébütien bijv. noemt de grace «un acte de clémence et de miséricorde». Haüs noemt haar «un acte de clémence» en zegt uitdrukkelijk, dat zij ook «ratione causae» absoluut is.

Bene uitzondering maakt echter Rossi, wel is waar geen Franschman, doch Italiaan van geboorte en tot zijn 28ste jaar in Italië verbleven. In zijn Traité du droit pénal, hetwelk in Frankrijk veel indruk heeft gemaakt, wijst hij (1828) twee aanwendingen der gratie aan, die bij hem inderdaad als stelselmatige bestemming der instelling gelden. Rossi belijdt eene absolute straftheorie ; de straf is voor hem sociale geregtigheid of vergelding , welke echter 1«. door de voorwaarde van het algemeen nut, 2". door de onvolmaaktheid harer middelen , beperkt is De gratie nu moet bij hem dienen: 1°. om bestraffingen uit te sluiten, die ofschoon regtvaardige.vergelding daarstellende voor het algemeen belang schadelijk zouden zijn, 2". om processuele dwalingen te herstellen.— Aan de gratie wegens te groote hardheid der wet in enkele trevallen verleent hij dus geene jlaats, evenmin als aan afslag na reeds ondergane gevangenisstraf.

DoorDALLOz (Répert., in voce grace — 1852), die zich geheel op het voormelde standpunt stelt, vindt men tot betoog der nuttigheid van het gratieregt gewezen : 1°. op den afslag van straf in verband met de penitentiaire verbetering; 2°._ op hardheid der wet in sommige gevallen; 3". op de gebrekkigheid der wetten, welke het toch onwenschelijk is dikwijls te veranderen; 4°. op te herstellen regterlijke dwalingen.

Trébütien (1854) regtvaardigt de gratie: 1°. als «moyen de gouvernement", in zoover zij in het belang der verbetering van misdadigers tot afslag of kwijtschelding van nog overblijvende gevangenisstraf aanleiding geeft (2); en 2°. als «complément de la justice« : a. in zoover het arbitrium judicis dikwijls niet ver genoeg strekt om eene harde toepassing der wet te voorkomen ; en b. in zoover , wanneer de juistheid eener veroordeeling betwijfeld wordt, gratie verkieslijk is boven de het gezag der gewijsde zaak ondermijnende revisiën (3).

Ortolan (1856) regtvaardigt de gratie, omdat zij een complément nécessaire de la justice aanbiedt, en zulks: 1°. comme mesure ordinaire fonctionnant régulièrement, nl. om aan de verbetering eene hoop, eene belooning' te verbinden, en zulks vooral als palliatif des peines perpétuelles; 2°. comme mesure extraordinaire. Als zoodanig (zegt hij) a. la grace répond aux cas dans lesquels la loi pénale se trouverait en défaut ou trop rigoureuse a 1'égard de certains condamne's, ten gevolge der abstracte, het gewone betreffende, regelen der wet; vooral voor exceptionnele toestanden, die zich après-coup na het vonnis voordoen, zou de gratie moeten dienen, b. Meer nog is de gratie als buitengewone maatregel noodig in de wetgevingen, oh se trouvent maintenues les peines extrêmes, telles que celle de mort, dont 1'effet comminatoire n'est pas toujours nécessaire a réaliser.»—Men merke op, dat alzoo Ortolan de gratie bepaaldelijk wil doen strekken om in stand gehouden harde straffen ten deele buiten werking te stellen. De herstelling van regterlijke dwalingen vermeldt hij daarentegen niet als nuttigen grond.

Ook Chauveaü en Hélie wijzen ter loops op de gratie als op een nuttig middel om het bezwaar, aan levenslange straffen verbonden, te bestrijden, ook onafhankelijk van de verbetering. — In zijne aanteekeningen op Beccaria (4) wijst Faüstin Hélie (1856) eenigzins weifelend op twee nuttige gronden : 1°. gratie in verband met het penitentiaire systeem; en 2°. tot reparatie van regterlijke dwaling. «Binnen deze grenzen, zegt hij , kan er geene bedenking tegen de gratie ojn-ijzen, omdat zij dan het algemeen belang dient. De moeijelijkheid is slechts om de juiste grens te wijzen, waar het regt des Souvereins moet halt houden (s'arrêter) om de intimiderende kracht der strafwet niet te verzwakken. In plaats van eene instelling, qui peul produire des re'sultats utiles, te vernietigen, moet men de regelen

(1) Théorie des loix criminelles. Paris 1781. — Desgelijks werd het gratieregt bestreden door S er vin, de la législ. crim., Basle 1782, en door Pastoret, des lois pénales. 1798.

(2) De qualificatie «moyen de gouvernement» is hier zeker zeer vreemd. «Moyen d'amendement» was juister.

(3) De zin is, dat hetgeen inderdaad revisie en regtverschaffing is, nu maar, om het prestige der vonnissen niet te ondermijnen, in het kleed der genade moet optreden, en aldus iets schijnen wat het niet is ! !

(4) In zijn groote werk Traité de Vinstr. crim. (zie III, § 195, en IX, §761; zegt F. Héue eigenlijk niets betrekkelijk de gratieleer.

trachten te stellen, die (in het algemeen belang) haar gebruik ö hooren te besturen.»

De Gendsche — tot de Fransche school behoorende—-hoogleeiaar Haüs noemt het gratieregt «le complément de la justice sociale" , omdat: «c'est le seul moyen d'éviter les dangers de la peine de mor et les inconvenier.ts de la perpétuité de certaines peines ; c est^ e moyen le plus puissant d'opérer la réforme morale des condamnes , c'est enfin le dernier secours que la société offre a 1'innocent condamné par Terreur.» Derhalve, zegt hij, kan de legitimiteit van he gratieregt niet betwijfeld worden.

De Straatsburgsche met de Duitsche wetenschap bekende hoogleeraar Raüter had reeds veel vroeger de gratie op nuttige gronden verdedigd. «Plusieurs motifs politiques se réunissent pour justifier cette prérogative; tels sont etc.» Hij noemt dan, niet limitatie maar bij wijze van voorbeelden: 1". dat soms het geschreven reg met de «justice intime ou morale» in overeenstemming moet worden gebragt, bijv. in gevallen als een doodslag in duel of in billijke verontwaardiging , of si la loi pénale est évidemment surannée; 2". wanneer de straffeloosheid een groot nadeel afweert of voordeel aanbreng > bijv. als prijs voor delatie van medepligtigen; 3°. als de bestraffing eene wreedheid of barbaarschheid zou zijn, bijv. als zij eene gr0° massa personen zou moeten treffen (1).

Men ziet, dat de opgegeven heilzame aanwendingen bij de velschillende Fransche schrijvers vrij wat uiteenloopen.

P. van Bemm®i'bn"

(Wordt vervolgd■)

(1) Zie Traité du droit criminel. (Ik weet niet, in welk jaar ® werk verschenen is. Ik heb de Belgische uitgave van 1837.) —"

drie voorbeelden zijn door Raüter ontleend aan Feüerbach.

HOOGE RAAD. — Ilainer tan Vacantie.

Zitting van Maandag, 12 Augustus.

« Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

Behandeld het beroep van : .

1». den proc.-gen. bij het Hof in Noordholland, tegen een arrest in zake J. L. Munter en L. Borst; rapp., raadsh. Voorduin. Gepleit Mr. A. de Pinto. Adv.-gen. Romer concludeert tot verwerping. Uitspraak 27 Augustus.

2». den officier bij de Regtbank te Nijmegen, tegen een vonnis in zake W. Scholten en J. Scholten; rapp., raadsh. Donker Curtins. Gepleit Mr. J. Kappéyne van de Coppello. Adv.-genRömer concludeert tot niet-ontvankelijk-verklanng. Uitspraa* 27 Augustus.

Zitting van Dingsdag, 13 Augustus.

I. Uitspraak gedaan in zake:

lo. A. T. Helder , tegen een arrest van het Hof in Groningen-

Verworpen.

2». P. P. H. A. Thieman, tegen een arrest van het Hof in Noordholland. Verworpen.

II. Behandeld het beroep van:

1°. G. Wooldrik en H. Wooldrik, tegen een arrest van het Hof in Overijssel; rapp., raadsh. Elias. Gepleit Mr. H. Gaade. Conclusie van het Openb. Min. bepaald op 23 Augustus. 2°. F. P. Smit, tegen een arrest van het Hof in Groningen; raPP'_' raadsh. Donker Curtius. Adv.-gen. Römer concludeert tot ve werping. Uitspraak 27 Augustus.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij besluit van 9 dezer, n°. 44, heeft Z. M. goedgevonden: 1°. aan Mr. J. A. van Roijen, op zijn verzoek, met den 30 Sep • aanstaande, eervol ontslag te verleenen als commissaris des Koning8 in de provincie Groningen, onder dankbetuiging voor de vele en goed diensten, in die betrekking bewezen ;

2°. met ingang van 1°. Oct. aanstaande te benoemen tot commlS" missaris des Konings in de provincie Groningen, Mr. L. Graaf v^° Heiden Reinestein , lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaali kantonregter te Assen.

— Bij Z. M. besluit van den 11 dezer, n". 13, is aan J. W. Callenfels, op zijn daartoe gedaan verzoek , eervol ontslag verleend als plaatsvervangend kantonregter te Groenlo.

BERIGTEN.

's Gravenhage , den 14 Augustus.

Thans wordt te Amsterdam gevierd het 50jarig bestaan van de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels i Nederland; eene vereeniging, welke zich bijzonder heeft laten gelege liggen aan de wering van den nadruk, die tijdens hare oprigting hie

zeer toegenomen was. _

Het Bestuur dier Vereeniging had zich onlangs tot den minister v Binnenl. Zaken gewend, met overlegging van het vervolg van ö Verzameling over den Letterkundigen Eigendom, ~ Der algemeene vergadering is nu medegedeeld het daarop ingekomen antwoord ministers, die daarbij kenbaar maakt, dat hij de behoefte aan ee® herziening der bestaande wetgeving nopens het kopyregt erkent, dat het zijn voornemen is, daaraan zoo spoedig doenlijk de han1d slaan, zoodra andere werkzaamheden van wettelijken aard hem mogelijk zullen maken.

De Broederschap der Notarissen in Nederland hield den 6

11. hare algemeene vergadering te Leeuwarden. Deze vereeniging;. thans op weinige na al de notarissen omvat, zal in het volgend Ja^ haar 25jarig bestaan te Amsterdam gedenken en sprak den ,vells0j5 uit, dat de vrucht van het werk der staats-commissie , van welke o praèadvies over verandering in de wet op het notaris-ambt w01ffC[ verwacht, dan zooverre moge gerijpt zijn , dat het de feestvreog verhooge dier Broederschap, die zoo veel tot de benoeming van commissie bijdroeg.

België. — Het Belgische regeringsblad berigt de aftreding van den heer Gerlache, den eersten voorzitter van het hof van cassatie, en v verscheiden andere regterlijke ambtenaren, ten gevolge der wet v ^ 25 Julij jl., waarbij bepaald is, dat onafzetbare regterlijke ambte^ ren op zekeren ouderdom moeten aftreden (zie deswege ons vorig n ■

Snelpersdruk en uitgave vs»n

■ m ■ -1 ■ VmrB^ A mTW 'fit A V(*I1 II üiTCt

■BJCUJLiJLIW tm-L-m * ** 9 =

Sluiten