Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 22 Augustus 1867, i'! •

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

NÜGJEvV- EN-TWINTIGSTE J /tARGANG. JUS ET VERITAS.

Dit blad verschiint geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang f 20 voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs der advertentiën, zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven^enz^behalve van Hff. gewone correspondenten ^franco.

HOOGB RAAD DER NEDERLANDEN.

Hamer van Strafzah®11,

Zitting van den 12 Junij 1867.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

Proces-verbaal der teregtzitting. — Grove onnaaüwkeuheden. — Beweerde nietigheid. — Getuigen-mede-

beklaagden. hooger beroep. jagt-ovefttre-

DING. — Bevoegdheid. — Kantonregter. — Wederstand. — Gewelddadigheid. —

Bedoeling.

Is , of schoon er in het proces-verbaal der teregtzitting, in casu een gedrukt formulier , onderscheidene en grove onnaauwkeurigheden hebben plaats gevonden, als: het niet-doorlialen van sommige en het wederom niet-invullen van andere woorden, en dat, terwijl slechts één getuige is gehoord, ten opzigte van de getuigen nu in het enkel-, dan weder in het meervoud gesproken wordt, op eenige derzelve de straf van nietigheid bedreigd1 — Neen. Verbiedt de wet het hooren in liooger beroep van personen , die in

eersten aanleg mede-beklaagden waren ? — Neen.

Moeten, waar art. 6, al. 2, der wet van den 29 Junij 1854 (Stbl. n". 103) van deze wet spreekt, daaronder ook noodwendig, ten gevolge van het bepaalde bij art. 58 der wet van 13 Junij 1857 (Stbl. nu. 87), de overtredingen dier latere jagtwet worden begrepen? — Ja.

Behoorde alzoo de onderwerpelijke jagt-overtreding in eersten aanleg tot de kennisneming van den kantonregter ? — Ja.

Ligt niet in de voorhanden feitelijke beslissing voldoende het gewelddadige der gepleegde handelingen opgesloten? — Ja.

Is het voor het misdrijf, in de artt. 209—212 Strafregt omschreven, een bepaald vereischte, dat de werkzaamheden der beambten werkelijk zijn verhinderd geworden; of wordt ook eene afzonderlijke beslissing gevorderd omtrent het doel van een bekl om die werkzaamheden te belemmeren of te verhinderen, wanneer reeds voldoende van zijn wederstand jegens die beambten blijkt * — Neen.

M. Koopman, oud zeven-en-twintig jaren, landbouwer, geboren 'e St. Maartensdijk, wonende te Oosterland, is req. van cassatie tegen een arrest van bet Prov. Geregtshof in Zeeland van den 1 April 1867 , waarbij de thans req. , met veroordeeling in de kosten van het hooger beroep, is niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hooger beroep van het vonnis der Arrond.-Regtbank te Zierikzee dd. 18 Jan. jl., voor zooverre hij daarbij was schuldig yerklaard en veroordeeld wegens eene overtreding der wet op de jagt en visscherij van den 13 Junij 18S7 (Stbl. n». 87), en overigens gemeld vonnis is bevestigd, voor zooveel de toen app. en geapp. is verklaard schuldig aan «feitelijken wederstand" tegen een bedienend beambte, handelende ter uitvoering der wetten , door een persoon zonder geweer of wapenen, en, met toepassing van de artt. 212 en ao9 Strafregt, te dier zake is veroordeeld tot zes dagen correcwonnele gevangenis en in de kosten van het regtsgeding.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Jolles , en nadat de advokaat van den req., Mr. D. van Eck , de voorziening nader bij pleidooi had toegelicht, heeft de adv.-gen. Römer de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtb. Heeren, President en Raden.' De geachte raadsman heeft vier middelen van cassatie voorgedragen, welke m. i. slechts eene korte toelichting vorderen.

Het eerste middel luidt: schending van art. 227, principio en n». 4, m verband met de artt. 2' 7, 206 en 211 Strafvord., omdat het Proces-verbaal van de teregtzitting van de Arrond.-Regtbank te Ziej. zee van 11 Jan. 1867, produet n°. 6, de vereischten niet inhoudt, e noodig zijn om op grond van het op die zitting voorgevallene eene veroordeeling te kunnen bouwen.

n>, S ; H' A' H ! is een zoogenaamd gedrukt formulier. En keurip^en^sWH ee"ig® woorden in te vullen. Dit is zeer onnaauw-

is gehoord, dat^deze o^d» voldoende> dat slechts één §etuige

is beêedigd. Nu is op de ï % vraSen heeft geantwoord, en behoorlijk •217 Strafvord. geen nietigh e*-1 Van 'let Proces-verbaal bij art.

grond gelegen zijn om het^v dreiSd- En evenmin kan daarin een Zierikzee te vernietigen. De voor"' ^ de -A-1TOnd--JRegtbank van tegen dat vonnis, maar tegen hetTrDlng cassatie is niet geriSt daarbij is op nieuw de zaak onderzocht ^ he' 'J.rov" Geregtshot'; Door de minder naauwkeurige redactie "v ptuigen zlJn gehoord, dus de req. niet benadeeld; eu daar n," proces-verbaal is instructie der zaak zijn geschonden, was het HnfM°e vormen in de die mindere naauwkeurigheid van het proces.vl®v. b<rvo®Sd" alleen des eersten regters te vernietigen. l)e Raad vereeliik-ÜV* het vonms 217, bl. 1456 , aant. 3, en bl. 1459 , K d. ë ^ LeON °P ait" Ik acht dus dit middel ongegrond.

Het tweede middel van cassatie luidt: schending van de artt. 4^8 ' 434 Strafvord., omdat het Hof bewijskracht aan de verklaringen van twee voor den Ilove gehoorde getuigen heeft ontzegd, uit dg0 . ziJ eersten aanleg mede-beklaagden waren geweest'van eischer in cassatie, en dat wel ten aanzien van een ander misniett dan waaraan het Hof den eischer schuldig heeft geacht, en 'Jekl ®e"staarlt'e die getuigen zelfs van dat misdrijf, waarvan zij waren Dit^-' Waren vrijgesproken en daarin was berust.

nuddel mist eiken grondslag. Er is geen een artikel in de wet,

hetwelk den regter gebiedt de verklaringen van getuigen tegelooven; hij is in zijn oordeel omtrent de geloofwaardigheid der getuigen aan geen enkelen regel gebonden. De getuigen, door den req. bij het Hof voorgebragt, zijn gehoord; het Hof heeft dus in dit opzigt het regt der verdediging geheel ongeschonden bewaard. En nu zegt het Hof verder, dat de bewijzen van schuld van den req. niet zijn ontzenuwd door de opgaven dier getuigen , omdat het Hof de overtuiging met heeft, dat het oordeel dezer personen , die vroeger medebeklaagden zijn geweest, onbevangen genoeg is geweest.

begrijp niet, E.H.A.H. ! welk wets-artikel hierdoor zoude kunnen geschonden zijn. Art. 432 Strafvord. bepaalt voorzeker niet, dat de verklaringen moeten geloofd Worden , alleen dat de personen niet Uitgesloten zyn. En in casu zijn de vroegere mede-beklaagden door liet Hot tot het geven van eene beëedigde verklaring toegelaten.

In de «erde plaats is voorgesteld: schending van art. 232 Strafvor . , omdat het Hof den eischer niet-ontvankelijk heeft verklaard m zijn jeioep tegen het vonnis der Regtbank te Zierikzee, waarbij hg is veroordeeld wegens het zich in het veld bevinden met wilds ri een ui en openbare wegen of voetpaden, bij feitelijken weders an egen een evoegd beambte, tot welke veroordeeling de Regtbank was onbevoegd. °

lk kan tot wederlegging van dit middel volstaan met te wijzen op de vroegere arresten van den Iloogen Raad, welke aan de aandacht van den geachten raadsman zijn ontgaan, waarop hij althans bij de pleidooi niet heeft gewezen. Ik bedoel het arrest van 12 Maart 1861, . J v' D' Honert , Jagt en Visscherij, dl. VI, bl. 188, waar mede is gewezen op het arrest van 5 Jan. 1860 en 20 Mei 1857.

Bij die arresten is de vraag in terminis beslist. Het argument, door den geachten pleiter getrokken uit art. 58 der jagtwet, is mij niet regt duidelijk. Dat artikel is op voorstel van den heer Sander in de wet gebragt, en was bij het bestaan der wet van 29 Junij 1854 m. i. onnoodig.

Nu is het waar, dat in dat artikel alleen wordt verwezen naar art. 1 en niet naar art. 6 der wet van 29 Junij 1854; maar men zal toch niet willen beweren, dat voor de jagt-overtredingen na de wet van 1857 eene derde instantie bij het Hof openstaat.

Art. 6 der wet van 29 Junij 1854 is niet afgeschaft, doordat in art. 58 der jagtwet daarnaar niet is verwezen. De jagt-overtredingen zijn onderworpen aan de kennisneming der kantonregters , dit zegt art. ] der wet van 1854; en nu zegt art. 6, dat bij al die misdrijven art. 233 Strafvord. toepasselijk is. en derhalve ook bij de jagtovertredingen.

erkennen, dat ik de bedenking van den pleiter, uit art.

.. , lagtwet ontleend, niet kan begrijpen.

t0epassfnffkvinaISMVie,roe-middel v00rSesteld : schending en verkeerde toepasoing van art. 212 jo. art. 209 C. P., en van 41 In en litf c

'f/'/*,? den eischer cas^tie «iS beambte p-pn1pp5d fm'i at de feitelijkheden, tegen een bedienend beambte gepleegd, zouden zijn geweest gewelddadig, en evenmin dat ze ten doel hadden dien beambte te belemmeren in de uitoefening van zijne werkzaamheden , welke vereischten noodig zijn om schuldig te kunnen verklaren aan de misdrijven van wederstand, in de genoemde artikelen bedoeld.

Wat nu vooreerst de dagvaarding betreft, zoo is daarin ten laste gelegd, dat de req., toen de rijks-veldwachter de beklaagden naar den burgemeester wilde geleiden, een mes in de hand houdende den beambte bij de jaskraag heeft gegrepen, onder het zeggen van: »kom nu zal ik wel eens alleen met u den weg naar den burgemeester gaan.»

Nu kan het niet ontkend worden, dat in de te-laste-legging van het aangrijpen in de kraag met een mes in de hand, onder het uiten van woorden, die dubbelzinnig zijn en evenzeer kunnen aanduiden de bereidwilligheid om mede te gaan , als de bedoeling om met den beambte alleen op weg te zijn, de aanduiding van eene gewelddadige leitehjkheid kan liggen, en dus voor den regter vol-

aantasting ^ *Chuldig te verklaren aan gewelddadige en feitelijke

vJ" Z. iwft hei Hof infact0 beslist> da' liet feit zich in dier voege heeft toegedragen , dat de req. echter het mes aan den rijksveldwachter niet heeft voorgehouden, en hem daarmede niet heeft geaard dsf°d h v aanta6ting iS geWeeSt onyerh^ds, en van dien aard dat de verbalisant daardoor van de plaats, waar hij stond is

LntaS o^teen.el'jke ^ ^eldaddige van'de

Er zijn geer.e slagen of stooten toegebragt, en het Hof heeft dus teregt uitgemaakt, dat art. 230 j». 228 C. p! te„ deze niet vn toe! passing zijn. *

De eerste grond voor het middel is dus onaannemelijk

In de tweede plaats werd beweerd , dat „iet is gebleken van het doel om den beambte in zijne werkzaamheden te verhinderen Dit is ook m. i. geheel onnoodig Er heeft plaats gehad aantasting, attaque, deze is geweest gewelddadig, en gepleegd op den beambte, handelende ter uitvoering der wet en onder de uitoefenino- van zijne dienst. ° J

Hierin zijn de elementen van het misdrijf opgesloten. Het is geen vereischte , dat de werkzaamheden der beambten werkelijk zijn verhinderd, en de regter behoefde ook over het doel van den bekl. om heil te belemmeren geene beslissing te geven. De Raad vgl. Schooneveld op art, 209 , aant. 32 , 57.

En nu blijkt nog uit het arrest, dat de aanval onverhoeds is gedaan op het oogeublik, toen de beambte, ten einde de door hem waargenomen , tot het jagtdelict betrekkelijke , feiten tot klaarheid te brengen , de teklaagden voor den burgemeester wilde geleiden. In die verrigting is de beambte door den onverlioedschen aanval van j den req. verhinderd.

I Het is mij dus voorgekomen, dat geen der voorgestelde middelen gegrond zijn; en ik heb uit dien hoofde de eer, namens den heer | proc.-gen., te concluderen tot verwerping der voorziening en veroor| deelmg van den req. in de kosten, in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie, namens den req. voorgedragen en toegelicht bij pleidooi;

Overwegende, dat bij het eerste middel wordt beweerd: schending van art. 227, aanvang en n\ 4, in verband met de artt. 217, 206 en 211, 2de lid, Strafvord., en wel omdat het proces-verbaal van de teregtzitting der Arrond.-Regtbank te Zierikzee van den 11 Jan. 1867 de vereischten niet inhoudt, die noodig zijn om op grond van het op die zitting voorgevallene eene veroordeeling te kunnen bouwen;

0. daaromtrent, dat het bewuste proces-verbaal is een gedrukt formulier, waarin sommige woorden niet zijn doorgehaald, andere wedeiom niet zijn ingevuld; dat voorts ten opzigte van de getuigen nu in het enkel-, dan wederom in het meervoud gesproken wordt; dat evenzoo in het hoofd van het vonnis zelf van getuigen en verklaringen melding wordt gemaakt; dat dit alles evenwel niet wegneemt, dat voldoende uit beide stukken volgt, dat slechts e'e'n getuige is gehoord, en ten opzigte van dien getuige de voorschriften der w°et zijn in acht genomen ; dat bovendien wederom in hooger beroep getuigen zijn gehoord, en daaronder ook de in eersten aanleg gehoorde voorkomt;

0., dat, ofschoon dan ook onderscheidene en grove onnaauwkeurigheden ten deze hebben plaats gevonden, op geene derzelve straf van nietigheid bij de wet is vastgesteld, en de wettelijke formaliteiten overigens zijn in acht genomen; dat derhalve de bij het eerste middel aangevoerde wetschennis is ongegrond;

O., dat bij het tweede middel wordt voorgesteld: schending van de artt. -128 , 429 en 432 Strafvord., omdat het Hof bewijskracht aan de verKlaringen van twee voor den Hove gehoorde getuigen zou hebben ontzegd, uit hoofde zij in eersten aanleg mede-beklaacden waren geweest van den req., en dat wel ten aanzien van een ander misdrijf dan waaraan het Hof den req. schuldig heeft geacht, en niettegenstaande die getuigen zelfs van dat misdrijf waren vrijgesproken en daarin berust was ;

0. te dien aanzien , dat dit middel betrekking heeft op den voorlaatsten considerans van het beklaagde arrest, waarbij het Hof overweegt, dat het wettig en overtuigend bewijs van het den req. ten laste gelegde feit niet is ontzenuwd door de verklaringen van twee voor het Hof gehoorde getuigen, daar het Hof de overtuiging niet heeft, dat het oordeel van deze personen, vroeger mede-beklaagden, onbevangen genoeg is geweest om het bewijs, ontleend aan het verbaal van den rijks-veldwachter en diens afgelegde getuigenis ter teregtzitting, van kracht te berooven;

u., dat de wet niet verbiedt het hooren in hooger beroep als getuigen van personen, die in eersten aanleg mede-beklaagden waren ; dat daarom dan ook door het Hof de getuigenis der thans bedoelde personen is toegelaten; dat echter omtrent elke getuigenis, en derhalve ook omtrent de getuigenissen van die personen , het voorschrift van art. 435 Strafvord. voor den regter verpligtend is, om namelijk bij de beoordeeling der waarde van de getuigenis acht te geven op de bij dat artikel aangegevene omstandigheden; dat dit nu blijkbaar in casu het geval is geweest; dat toch niet uitsluitend om den vroegeren toestand van mede-beklaagden alle geloof wordt geweigerd , maar de verklaring der getuigen om hunne vroegere verhouding met onbevangen genoeg is geacht om de kracht van het overigens ge everd beswijsi te ontzenuwen; dat nu daarenboven dergelijke gevo gtre mg, uit afgelegde getuigenissen opgemaakt, geheel aan het oordeel van den judex facti, naar de kennelijke bedoeling van den wetgever, in de artt. 435 en 444 Strafvord. uitgesproken/moet worden overgelaten, en in cassatie niet verder mag worden onderzocht;

0., dat alzoo ook bij het tweede middel ten onregte eenige wetschennis is aangegeven;

O., dat bij het derde middel is beweerd: schending van art. 23? Strafvord., omdat het Hof den toen app. niet-ontvankelijk heeft verklaard iii zijn beroep tegen het vonnis der Regtbank te /ierikzee, waarbij hij is veroordeeld wegens het zich in het veld bevinden met wildstrikken buiten openbare wegen of voetpaden, bij feitelijken wederstand tegen een bevoegd beambte, tot welke veroordeeling de Regtbank onbevoegd was;

0., dat tot staving van dit beweren hoofdzakelijk is aangevoerd: dat wel in art. 6 der wet van den 29 Junij* if<54 (>£ó/. nw\ 103) worde bepaald, dat de misdrijven, door deze wet ter kennisneming der kantonregters gebragt, hun karakter van wanbedrijf niet verliezen , en in al. art. 233 Strafvord ook geldende wordt verklaard, wanneer eene Regtbank bevindt, dat het feit een der misdrijven daarstelt, welke krachtens deze wet ter kennisneming deikan ton regters staan; en dat dan ook dientengevolge de uitspraak van het beklaagde arrest volkomen juist zou zijn , wanneer de in art 1 van opgemelde wet van Junij 1854, litt. b, aangehaalde wet van den 6 Maart 1852 (Stbl. n». 4 7) nog van kracht was; dat evenwel deze wet is vervangen door die van den 13 Junij 1857 ( itbl. n . 87) en deze laatste wet alleen in art. 58 voorschrijft de toepasselijkheid van art. 1 der wet van den 29 Junij I8">4, zonder in het minst te gewagen van art. 6, 2de lid, waardoor, naar 's requirants oordeel, deze bepaling omtrent art. 233 Strafvord. zich zou beperken tot de gevallen, dat het feit een der misdrijven daarstelt, welke krachtens die wet ter kennisneming der kantonregters staan, en waartoe de wet van 185" niet zou behooren; dat VDorts bij deze toedragt van zaken de Regtbank over eene correctionnele zaak heeft geooideeld, en het Hof te dien opzigte over de vraag van bevoegdheid mogt kennis nemen;

O. met betrekking tot dit beweren, dat, al moge de wet van 1854 alleen het oog hebben gehad op de toen bestaande wet, regelende de overtredingen der jagt en visscherij van den 6 Maart 1852 , uit art. 58 der latere jagtwet van 1857 duidelijk volgt, dat het de bedoeling van den wetgever in 1857 is geweest om daarin uit te spreken , dat de bepaling van art. 1 der wet van den 29 Junij 1854 (Stbl. n°. 103) mede van toepassing zoude zijn op de overtredingen der wet van 1857, en van de in de artt 9, 10 en 11 van die wet bedoelde verordeningen; en dat tevens daardoor ook de

Sluiten