Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 26 Augustus 1807,

N°. 2924

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

NE GEN- EN- T WIN TIG S TE J AAR GANG.

JUS ET VERITAS.

Dit blad verschijnt geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang / 20,- voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooginq 1'rii d* d

zonder zegelregt, 20 cents per, regel. — Bijdragen , brieven, enz., behalve van HH. gewone correspondenten , franco. ertentièn

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

ÜAiuer van Strarasaken.

Zitting van den 12 Junij 1867.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

Gewelddadigheid. — Moedwil. — Tekst der wet. — Motieven. — Dagvaarding. — Beambtb. — Burgemeester. —

Wl RKKRiNG.

Ligt niet reeds in de uitdrukking: »bij de borst gegrepen en teruggestooteno het denkbeeld van geweldpleging en dus van moedwil opgesloten? — .Ja.

Is, ofschoon er tusschen artt. 311 en 309 Strafregt zamenhang bestaat, echter die zamenhang van dien aard, dat het eene artikel door het ander moet worden aangevuld of uitgelegd, en was a/zoo wel de opname van den tekst niet alleen van art. 311, maar ook van art. 3ü9 in het veroordeelend arrest vereischt ? — Neen.

Doet het iets ter zake, dat de beklaagde de betrekking van burgemeester bekleedde en als zoodanig ook in het exploit van dagvaarding als vermelding van zijn beroep werd aangeduid, wanneer daarin niet wordt vermeld en ook niet blijkt, dat hij als zoodanig bij het plegen van het hem te last gelegde feit heeft gehandeld ? — Neen.

Kon hij alzoo wel gezegd worden geweest te zijn supérieur van den geslagene, die weigerde aan zijne bevelen te voldoen? — Neen. s met art. 198 Straf regt alleen dan toepasselijk, wanneer openbare beambten, uit den aard hunner functiën met het waken tegen misdrijven belast, in plaats van aan deze hunne roeping te voldoen, door deelneming aan die misdrijven met de bedrijvers als het ware gemeene zaak hebben gemaakt; en is daarvan hier wel sprake ? — Neen.

Zoowel de proc.-oen. bij het Prov. Geregtshof in Limburg als L H Kruyen, burgemeester der gemeente Oud-Vroenhoven fijn ra.ui

ranten van cassatie tegen een arrest van genoemd Geregtshof in hoorn.beroep gewezen, van den 14 Maart 1867, waarbij, met bevestig van een vonnis der Arrond.-Regtbank te Maastricht vanden24l)ec 18G6, voor zoover de tweede req. en gereq. daarbij is schuldig verklaard aan het slaan zonder wapenen en zonder dat er kwetsuren uit ontstaan zijn van een bedienend beambte in de uitoefening zijner bediening en zijne veroordeeling in de kosten, en met vernietiging van dat vonnis, v at de te dier zake opgelegde straf en de daarbij uitgesproken vrijspraak betreft, — mede is schuldig verklaard aan het moedwillig toebrengen van slagen en stooten, waaruit geene ziekte noch beletsel is ontstaan ; en te dier zake onder aanneming van verzachtende omstandigheden en met toepassing der artt. 228, 230, 311 , al- 1, en 463 Mrafregt, art. *20 der wTet van den 29 Junij 1854 (Stbl. no. 102) en de artt. 1, 2 en 3 der wet van den 28 Junij 1851 (Stbl. n». 68), veroordeeld tot acht dagen gevangenzetting, in eenzame opsluiting te ondergaan, en in de kosten van het hooger beroep, invorderba-.ir des noods bij lijfsdwang, met vrijspraak van de hem mede ten laste gelegde omstandigheid, dat die mishandeling zoude zijn gepleegd, tijdens de beleedigde was in de waarneming zijner dienst.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Huguenin en de advokaat van den tweeden req. en gereq , Mr. B. M. Vlieland er ^in , bij pleidooi diens voorziening nader had toegelicht, heeft de adv..gen. Kömi.r de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden 1 De voorziening in deze zaaiv berust op onderscheidene midleien, welke gedeeltelijs den vorm van het arrest, en gedeeltelijk de beslissing au fond beseffen. Ik zai die middelen zeer kort kunnen behandelen. Vooraf echter moet ik eene bedenking wederleggen, die door den geachten ïaadsman aan het slot van zijne pleitrede is gemaakt. Hij beweerde, tamelijk, dat in het arrest eene beslissing over de qualificatie ontbreekt, °m< at het vonnis der Regtbank slechts is bevestigd voor zooveel de sc u digverklaring betreft. De bedenking mist allen grond. In de eveiue overweging van het arrest neemt het Hot uitdrukkelijk de qua ï catie yan |!et vonnis over, en bevestigt in het dispositief de Schuldigverklaring. En n» i • l. • i . i .

tip» hoki r " ,U1<" ^eze in het vonnis aldus : «verklaart

in de sdmldigvérkladL11»! s.laan" enz- De qualificatie is dus herhaald

Het tweede middel van . -S ^ de wet niet vei-b°den.

dragen , luidt: schendinir ^ Bssane' door den geachten pleiter voorgeel. in verband met de art" 3n ?, ' ®tra(fvord- :

dat de 1-egter heeft beraadslaagd i C' Fm'. omdat niet blijkt, bekl. op den ambtenaar; 1 moedwillig slaan van den

6. omdat de toegepaste strafwet slechts ,

opgenomen. n deele in het arrest is

De eerste bewering is geheel onaannemelijk r„

wegii'g wordt bewezen verklaard , dat de re. i n achtste over borst heeft gegrepen en teruggestooten. In de 60 am^te"aar bij <le wordt beslist, dat deze gewelddadigheid geene ziekte'h^ff overweSir,S en in de elfde overweging volgt daarop de qualificatie >t;

tamelijk het moedwillig toebrengen van slagen enz. Nu hn ,i •' do'ÜK , dat de moedwil in het feit zelf ligt opgesloten "en eene "^ouderlijke beslissing was dus met noodzakelijk. De Raad veiD-olüt„

iiod- i vi.ld op art. .'UI, aant. 1 en 9.

j-, ^ tweede giiel' beireft het niet-opnemen van den tekst van art. S09 j," ^ ' i» het arrest, waarin alleen art. 311 is uitgeschreven. Ik erken ar'.| - A. II 1 dat er een naauw verband bestaat tusschen beide hetVe •"rt- ;11' is echter alleen toegepast, en ik geloof dus ,-dat echrM,'ll°en'le 's> dat de tekst van dit artikel is opgenomen. Ik mag et met verzwijgen, dat de liaad heeft beslist, dat bij de toepas¬

sing van art 307 C. P. 0ok art. 305 ibid. moet worden opgenc men , en by de toepassing van art. 480, n . 5, C. F. de opnam van .nt. 4, , n . 8, ibid. dan eens noodzakelijk, dan weder onnoodi heeft geoordeeld. De Raad vergelijke Léon op art. 211, aant. 25

°°r ïf/' f4 d?s ^e' tweede middel van cassatie, hetwelk o den vorm betrekking heeft, onaannemelijk.

hof °frr t0^r bellandeling der middelen, welke de beslissin deiiio-ri ' '.e ' ? worden m. i. door de feitelijke beslissing we 1°: ' °° a et we"1St niet noodig zal zijn in een onderzoek de beweungen zoo van den ffear-hfon u i a t.

raadsman te treden. jachten heer req. als van den geachte,

brflnp-pr.6 vnr/ti godagvaard ,vegens het moedwillig aangrijpen en toe . ® agen en stooten aan ambtenaren van 's Rijks belastingen

aan!?ehaaldpavlrt<f^-ontvanger in dienst waren gesteld ter bewaring vat Oud-Vroenhovp enS" " Se(iagvaard als burgemeester vai

het fit in die bn JaarbUM de da"vaarding zelve blijkt niet, dat hi

gelegde misdriif statr"^ hebbe" ^pleegd. En betten last

^eiegue misarijt staat niet in verband u i • i • i n ,

derhalve, dat, daargelaten de vraag ofl , J^-8?00

den bekl. geplee-d, zoude kunnsn » f C ' °P feit, doo: casu niet kan geschieden omdat het°h,,03 t0egePast? echter i\

gelegd. De beslissing van' het Hof d J aaSvaar!llnS nlet ls ten )ast' ging gegeven, is m! i. "olkom^^Uende 0Verwe Bij het tweede middel van cassatie, door den heer proc.-o-en in d< rk7Ts afgevoerd, wordt betoogd, dat het voldoende is , dat de Tb®kl' ® , b.urgen,eester is gedagvaard. Ik kan die meening niet deelen De hoedanigheid in de dagvaarding is eene aanwijzing van den persoon die m regten geroepen is; maar daaruit volgt nu nog niet, dal het 'eit m die hoedanigheid is bedreven. Dit moet m. i. duidelijk uit de omschrijving van het feit zelf blijken; of wel uit het velband, waarin dat feit staat tot de qualificatie van den gedagvaarder persoon. ° °

Indien bijv. een persoon wordt gedagvaard, met bijvoeoino- dat hi is tapper, negens het niet behoorlijk sluiten zijner tapperij, dan zoud^ ik meenen dat daarin bleek, dat hij het feit als tapper heeft ge pleegd. indien de burgemeester wordt gedagvaard wegens het toe brengen van slagen aan beambten, terwijl zij weigerde! de hevelt

dZ™T ge«"en> Ult te voere". dan zoude ik meenen, dat uit zoo: dan ge dagvaarding kon worden afgeleid, dat hij had gehandeld in

de Z1Jller functiën- Maar in casu is niets van dit alles i„

rlqf hf .aai, ln® °Pgenomen. De bekl. is gedagvaard met de bijvoeging,

b dlJ \S ba,'ge,meester Oud-Vroenhoven; maar overigens blijkt

brap-t Vkt' m® n^ets anders dan dit, dat hij slagen heeft toege-

moesten bi'»!,enaren ™n 8 Kijks-belastingen, die aangehaalde varkens moesten bewaren op last van den ontvanger.

eeni^en" 'dan H°oge Raad zich met deze meening kan ver¬

oplossing. ' 6n overige middelen van cassatie daarin hare

eerste. plaat® betoogt de geachte heer req., dat art. 198 C. P ten deze moest zyn toegepast. Indien nu de bekl. niet heeft gehandeld als burgemeester, kan de vraag niet worden beslist, of dat artikel ook toepasselijk is op die openbare beambten, die alleen en zonder deel neming met anderen een misdrijf plegen.

Wat de vraag zelve betreft, zoo heeft de kundige steller der me™-;» het arrest van den Hoogen Raad dd. 8 April 1845, bij Schoonkv^

streden*. ^ aaI"- Va" de SCh^s ^ S

Daar nu volgens mijne beschouwing de feiteliikp ï

middel ontbreekt, wil ik eenvoudig hieromtrent aanfoeren dalTk d'e leer van den Hoogen Raad blijf aankleven en dat H ,

het artikel bij dat arrest en bij de conclusie van den adv W00'1<Jen van m. i., juist zijn opgevat. Ofschoon ik al het <rewio-f '"g , ,KETH' kingen door den proc.-gen. ontleend aan de beraadslLn^'n artikel gehouden, erken, en de moeijelijkheid uit°a"t p

gerezen, welligt kan worden opgelost, zoo laten de woorden- /• ■ a d aut.es délits qu'Us , taient chargés de survedler ou Zm?' m.i. geene andeie uitlegging toe dan die, welke de H, u ® aan gegeven heeft. de HoüSe Ka*d er

Maar ook het middel, door den geachten pleiter in ^

voorgesteld, kan evenmin een punt van onderzoek uitmak 8 6 P ats indien de hoedanigheid van burgemeester bii het fèir' *en' '

kan worden aangenomen, dat d'e hoogere ^

beambte, in lageren rang geplaatst, die weigerde de hem frea-even h» velen te gehoorzamen, zoude hebben geslagen.

Ik kan mij over het algemeen met het betoosr van raadsman wel vereenigen, lat in zoodanig geval moeije^^n l'eT lijken wedersian 1 kan worden gedacht. Ue hoogere ambtenaar behoo. t Zieh te onthouden van het plegen Van daden van geweld on den ren beambte; hij kan deswege strafbaar zijn. , och indien de We p~ beambte weigerachtig is de hem gegeven bevelen te gehoorzame kan zijne aantasting en verwijdering door deu hoogeren amhtenJ^ geen daad van rebellie worden genoemd.

Maar nu heb ik vooreerst getracht aan te toonen, dat de (reren niet beeft gehandeld als hooger ambtenaar; en dat dit hem ook nier is ten laste gelegd.

a.aar ten andere betwijfel ik zeer, of de lagere beambten in deze zaak stonden onder de bevelen van den burgemeester. De lijks-au.b tenaiea hadden eene aanhaling van varkens gedaan, welke vervoerd werden; zij bewaakten d.e op last van den ontvanger, en bet Hof heelt zeer juist beslist, dat zij op grond van het Kou.'besluit van"? Oet. 1865 handelden in de waarneming van Hunne dienst. ün wat blijkt nu ten opzigte van den veroordeelde? Volstrekt niet, dat hii als hoofd der plaatselijke politie, eenige orders heeft gegeven, of wei Zich met de zaak zene, in die hoedanigheid heeft ingelaten. Volgens de tweede ovei wegmg van dit arrest heeit hij verzo.ht 'de varte mogen zien : dit is hem toegestaan ; daarop heeft hij in oo gewonden toestand aan eender rijks-ambtenaren toegevoegd de woor f"",; "''ier B,etJe waPens ' met Seen waPens op de mestvaalt tecren je buigemeestei», en toen deze de afgifte zijner wapens weigerde, heelt

- de bekl. hem de karabijn ontnomen en met de hand een sla»- geo-ee ven. Uit die beslissing nu kan, m. i., niet worden afgeleid , dat "de g bekl zoude hebben gehandeld als hoofd der plaatselijke politie • en . dat hij eenig bevel zoude hebben gegeven hetwelk door de arnbte-

naren met is gehoorzaamd. Als zoodanig kan toch niet worden be-

rie fpInikp K r' °m W8penS °Ver te seven' waarvan volgens , de feitelijke beslissing volstreKt geen misbruik werd gemaakt. Ik ge-

! 'oot du» dat de beide cassatie-middelen, welke de toepassing der

trafwet betreffen, hare oplossing vinden in de feitelijke beslifsing

Indien de bekl. met heelt gehandeld in zijne betrekking als oren-

^g\rbr^8 Cnpkan " °°k SeenC S^ate van de to/pas-

En dan kan evenmin worden beweerd, dat zijne daad is eene p-p . welddadigheid, gepleegd door een hoogeren ambtenaar op een beambte in minderen rang, onder hem geplaatst, terwijl deze weigerde de hem gegeven bevelen op te volgen. Er blijft dus alleen over de geweldda ) digheid, gepleegd door een persoon op een bedienend beambte onder

- het waarnemen van zijne dienst ; en daarop is art. 230 ju. art 228 1 C. 1'., m. i., teregt door het Hof toegepast.

■ Ik heb alzoo de eer, namens den heer proc -gen., te concluderen ; tot niet-ontvankelijk-verklaring der voorziening, voor zooverre de

- gereq., mede-req. van cassatie, bij het arrest is vrijgesproken ; overigens tot verwerping der voorziening en veroordeeling van deu gereq. en medereq. van cassatie in de kosten, in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

, Gelet op het middel van cassatie, door den proc.-gen. voorgesteld

bij memorie, en bestaande in :

; schending van de artt. S06 en 211 Strafvord., alsmede de artt. . 198 J». 230 en 311 Strafregt, op grond, dat het Hof in casu art.

198 U I\ had moeten toepassen, vermits het woord participer, in i dat artikel voorkomende, niet in den beperkten zin moet worden opgevat van medepligtig zijn of deel hebben aan misdrijven, door andei ren gepleegd, maar in den meer ruimen van bedrijven, «commettre : se rendre coupable,» al moge dan ook geen ander dader van het feit aanwezig zijn ; dat wijders de dagvaarding alles bevat wat daarin

■ wordt vereischt, en de toenmaals bekl. daaruit kon afleiden dat de artt. 198 en VSO C. 1'. tegen hem zouden worden ingeroepen • dat het met noodig was in de dagvaarding op te nemen , dat hij te<»en dei gelijke gewelddadigneden had moeten waken, als vloeiiende°dit voort uit de artt. 11, 37 s,g. en 54 Strafvord., en dat het Hof heeft verzuimd uitspraak te doen omtrent de hoedanigheid van burgemeester die bij de dagvaarding behoorlijk was vermeld; ° ' '

daarvan Z Tnens.den tweede >'e(l- en'gereq. tot bestrijding

üaarvan bij pleidooi door zijnen raadsman is aangevoerd •

bestaande^in' °P ^ middelen> iusSeliJks door hem voorgesteld en

1". verkeerde toepassing der artt. 228 en 230 C. P. , in verhand me de artt. 186 en 311 eod , omdat in casu, waar de geslao-ene zich evond tegenover zijn superieur en weigerde aan diens bevelen te sprake kan^l' toePassin§ van genoen.de artt. 228 eu 230 geene 2'. schending van art. 211 Strafvord.:

datVi1 Ve?band ri.110 art,4- 3,1 en 309 C' P-' omdat niet blijkt, befcl . ! ! beraa,dslaagd over bet moedwillig slaan van den beivl. op den ambtenaar Hobeerst;

b. Omdat de toegepaste strafwet slechts ten deele in het arrest is opgenomen;

Overwegende ten aanzien der voorgestelde middelen, dat het door

den ".f1' ^ g6req" 'n de tweede plaats voorgestelde middel, als

in betreffende , vooraf behoort te worden onderzocht; ., dat, blijkens den achtsten considerans van het bestreden arrest, bewezen is aangenomen, dat de gereq. en mede-req den ambtenaar dij de rijks-belastingen liobeerst bij de borst heeft gegrepen en eruggestooten , en bij den negenden considerans, dat het niet is bewezen, dat die gewelddadigheid eenige ziekte of werkbeletsei heeft veioorzaakt terwijl bij den elfden considerans, houdende de qualificatie van het gepleegde feit, dit op nieuw wordt beslist te zijn eene gepleegde gewelddadigheid;

dat, daargelaten, dat reeds in de uitdrukking: bij de borst gegrepen en teruggestooten het denkbeeld van ggweldplegen en dus moedwil ligt opgesloten, bij herhaling die daad, èn bij het onderzoek naar het bewezene der feiten èu bij de daaraan gegeven qualificatie, als gewelddadig , dat is met geweld en derhalve met moedwil gepleegd is vermeld; dat dus dat gedeelte van het middel, als zijnen feitelijken gronds.ag missende, is onaannemelijk;

O. op het iu de tweede plaats beweerde: dat bij art. 2 11 Strafvord. op straffe van nietigheid wordt vereischt de opname in het veroordeelend arrest van den tekst der wet, die w ordt toegepast; dat in casu is toegepast art. 3 1 C. P. , en de tenst van dit artikel ook in het arrest is opgenomen; dat er nu, wel is waar, zamenhang en verband bestaat tusschen dit artikel en art. 309 ibid , maar geen zoodanig verband , dat het eene artikel door het andere moet w orden aangevuld of uitgelegd, vermits art. 31 genoegzaam de omschrijving van het misdrijt en de be ireigde straf inhoudt ; en dat derhalve de opname van den tekst van art. 309 in casu niet was noodzakelijk ; dat alzoo ook dit gedeelte van het voorgestelde middel en alzoo het geheele middel is onaannemelijk ;

O., dat door den eersten req. desgelijks is beweerd : schending van de artt. 206 en 2 . Strafvord. en dit dus, als den vorm betreffende, mede vooraf behoorde te worden onderzocht, maar dat het aannemen , ot verwerpen van die bewering zamenhangt met en afhankelijk is van het al of niet gegronde van het ben-eten van den tweede ïeq omtrent de toepassing van de aitikelen van den l oue 1'enaJ op het als bewezen aangenomen feit, en derhalve het voorafgaand onderzoek daarvan vervalt;

O., dat, bij exploit van den 4 Dec. 18fi6, was gedagvaard L. H. Ivruijen , burgemeester te Oud-Vroenhoven , als beklaagd van op deu , '3 Junij 1866 moedwillig te hebben aangegrepen en slagen en stooten j te hebben toegebragt aan E. B. Schoonhen, hem tevens zijn karabijn

Sluiten