Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

o ? van de bijzondere staatsinstellingen af. In ieder geval is in dit pzigt het gratieregt nooit speciaal maar slechts als deel van het

V vorsteliik praerogatief beperkt geworden.

£, an waar nu echter die stabiliteit van het gratieregt, niettegenaande. de groote verandering inde sociale denkbeelden en de sterke vH? ' die in liet laatst der vorige eeuw aan dat regt ten deel > e t De oorzaak ligt vooreerst in de handhaving van de magt der 01 sten, die aan een regt, sedert lang onder de regalia gerekend en warpCn raa^ste'tsregt bij uitnemendheid gekenschetst, zeer gehecht souveréi T b°venal als magtsvertoon wensehten te behouden. De eezap- pn yePub'ikeinsche collegiën , naijverig op hun eigen hoogste om het erat^ V°°r vorsten willende onderdoen , waren ook geneigd zoo de strafinlVt T°°r *n sta,,d te houden. Inde tweede plaats, regt om straf 'lfwrt" aanzien heeft, het genade-regt, het

vooral voor' den V ^ scb?^en > heeft een aangenaam voorkomen, de wet hard is barmhar?6 Zi°h yoorstclt zacht te kunnen zijn, waar

zsj&S j-s »»'»»«'" :

rTafrllnl^ 6 w eene c^ergelijke instelling als correctief weto-evino- wóiv S®ns den verouderden toestand der straf-

weeens riVto ^61 groote gebrekkigheid werd ingezien, en bovenal straffen wil i groote hardheid der bestaande strafbepalingen. Sommige alleen «nnf ? men bijna niet meer of slechts voor een gedeelte of Wa e eigs^ gevallen van een misdrijf, waartegen ze bedreigd

of oePaBfen- dommige misdrijven vond men in het algemeen dreigt" TS0I?™£® cateJ>°r®l van gevallen met te zware straffen be11 het. ^f,<-nd1er, gaf de luxe der doodstraf aanstoot. Wel tino- n 111 veisc 1 en e binden herhaaldelijk verbetering en verzachting aangebragt maar aan de eischen van het algemeen gevoel en van de regtswetenschap werd daarmede nog „iet genoeg voldaan. De wetgeving, zoo als veelzins gebeurt, bleef bij voormelde eischen, vooral ten aanzien der strafverzaehting, ten achteren, b. Wegens de te groote limitatie der strafbepalingen, zoodat de regter in geval van geringere (objective en subjective) strafbaarheid veelvuldig volgens de wet veel te zware straffen moest opleggen Terwijl men bij de qualificatiën zich weinig beijverd had om alleen de rubrieken van gevallen, waarop men eigenlijk het oog had, te omvatten en andere rubrieken van verschillenden aard en geringer strafbaarheid uit te sluiten om die afzonderlijk strafbaar te stellen- waren daarentegen de straf-minima dikwijls hoog, of lieten de straffen <»een maximum en minimum toe, gelijk dood, geesseling enz., en was den regter het vermogen niet gelaten om bij geringere dan gewone strafbaarheid of zoogenaamde verzachtende omstandigheden beneden het strafminimum af te dalen of eene zachtere dar. de bedreigde ondeelbare straf uit te spreken. In dit tweede opzigt is veelzins verbetering aangebragt, maar de fout is niet geheel weggenomen.

Deze dubbele behoefte heeft dan ook werkelijk in deze eeuw, zoo in als buiten Duitschland, tot eene uitgebreide toepassing van bet gratieregt aanleiding gegeven. — Hoe frequent het gratieregt ter voldoening aan die behoeften en om andere redenen — als tot herstelling van feilen der regtspleging, tot revisie wegens later aan het icht gekomen feiten, om de verdiensten des veroordeelden of de a gemecne belangstelling in zijn persoon , wegens politieke motieven —aangewend is geworden in verschillende landen , daarvan kan , bij gebreke van eenige statistieke opgaven en van onderzoekingen dienaangaande, moeijelijk iets naders gezegd worden. Twee dingen echter mag men omtrent de gratieoefening beweren: 1°. dat onder den invloed der gewijzigde staatkundige denkbeelden en der controlerende publieke opinie, de gratie meer dienstbaar is geworden aan verschillende heilzaam of wenschehjk geachte einden , en de willekeur niet slechts maar ook de barmhartigheid, (cle'mence) des Vorsten of de inspraak van zijn hart is teruggetreden, en dat tegelijk de uitoefening van het gratieregt, althans buiten belangrijke de aandacht prikkelende gevallen en buiten de toepassing der doodstraf, meer dan vroeger eene gewone regeringszaak , eene bureaucratische-admi• nistratieve aangelegenheid is geworden, met welke de Vorst zich niet pleegt in te laten; 2". dat ook in Duitschland deze gratieoefening, onder den invloed der werkelijke toestanden en van praktische tendances, haar eigen weg is gegaan, onafhankelijk van het intusschen gevoerde wetenschappelijk criminalistisch-philosophisch debat.

Alvorens dat debat in oogenschouw te nemen , nog een woord over de geschiedenis van het gratieregt in ons land.

Na de pas verworven zege der Unitariërs beijverde men zich in de constitutie van 1798 om het tot de opgeheven provinciale souvereiniteit behoord hebbende gratieregt aan het //vertegenwoordigend ligchaam// of //vertegenwoordigende hoogste magt// toe te kennen: art. 50. //Aan het Vertegenwoordigend Digchaam behoort (onder vele andere liooglieidsregten) uitsluitenderwijze: q. Het verleenen van gratie, na ingenomen consideratiën en op gunstig berigt van den regter, aan wien de zaak behoort.-/ Dat men destijds op het denkbeeld gekomen is om behalve de consideratiën (1) ook een gunstig advies des veroordeelenden regters te vorderen, mag vreemd schijnen, maar het is duidelijk, dat men het gratieregt zelf, onafhankelijk van dengenen die het uitoefent, met een min gunstig, een wantrouwend oog beschouwde (2) en eene te ligte bekoming van gratie heeft willen voorkomen. Men bedenke daarbij, dat de tegen het gratieregt sedert Beccaria gevoerde polemiek ook hier te lande indruk moet hebben gemaakt , en dat in 1798 in Frankrijk de voormelde bepaling van den C. P. van 1791 nog gold ei! de eerste Consul het vorstelijk gratieregt nog niet ten zijnen behoeve weêringevoerd had. Na die weêrinvoering werd door de Staatsregeling van 1801, die het gratieregt, even als alle dispensatie van wetten, bij uitsluiting aan het Wetgevend Ligchaam opdroeg, alleen het advies van het Nationaal «wegtshof gevorderd en is het gunstig advies van den regter a quo verdwenen (art. 53). In de Constitutie van 1806 blijft het advies van het ationaal Geregtshof, doch komt de voordragt van den Raadpensionnaris aan de vergadering van Hun Hoog Mogenden (het Wetgevend vnff i,-61 -,ij 2?)- Constitutie van 1800 gaf natuurlijk het

vvert oor, T—YaillOVU iiai

__ ' m®t behoud van gezegd advies, en zulks in

ö 4 16 cte van 16Thermidor an X (3) van den

(1 \ Overeenkomstig Ti Af

i.. ~ o » uui i iHp.n T«.

advies van het Hof van Holland en van den „ Ke « van het

De constitutie van 1798 stelde geen hool„PJ magistraat.—

(•2) In de Nationale Verg. (geopend 1 Maart iV™ T , arntiprervf: hprandslaaffd en werd dit rlnn,. weid overliet

fe. --- ' auiiunio-en C/ehpel roWmn,

pen. Eender leden noemde het: eene despotieke aanmftioW dieden geregelden loop der justitie eigendunkelijk stremt, en waarvoor i

eene welgeordende vrije repuoiiek geen piaats is. — Het werd evenwel lr> dit ontwerp van staatsregeling van 1796 opgenomen en zonder discussie aangenomen in dezen vreemden negativen vorm: «Het wetgevend ligchaam verleent geen gratie dan na ingewonnen advys van bet Nationaal Geregtshof.» (a. 260). Men wees als het ware op het traditioneel regterlijk advies, hetwelk aan het hoogste regterlijk coll®gie werd opgedragen , als waarborg tegen ligtzinnige en voor het regt schadelijke gratieoefening.

(3) Le premier consul a le droil de faire gr&ce. II l'exerce après sJ°u' entendu dans un conseil privé le grand-juge, 2 ministres , 2 natem-s, 2 conseillers d'e'tat et 2 juges du tribunal de cassation.

eersten Consul herinneren: //De Ivoning lieeft het regt van gratie enz

Niettemin vermag hij dat regt met oejenen. dan na alvorens de leden van het Nationaal Geregtshof in geheimen liade te hebben gehoord.// (a. 38). HetCrimmeelW et boek van 1809 bevatte eene merkwaardige uitdrukking van de vrees voor willekeurige uitoefening van het vorstelijk praerogatief: »(a. 34) Vergiffenis moet niet dan'zeer zelden en om de allerdringendste redenen verleend worden, (a. 35) Deze dringende redenen hebben in het algemeen dan plaats, wanneer de bij de wet bepaalde straf in eenig bijzonder geval hard en onbillijk zoude zijn.» De bedoeling is blijkbaar, dat de gratie slechts de hardheid of onbillijkheid der wet moet verhelpen , hetgeen men onderstelde dat slechts in zeldzame bijzondere gevallen noodig zou zijn, doch dat zij niet de willekeur, de gunst, de subjective barmhartigheid des Souvereins behoort te dienen. Aan de behoefte aan gratie wegens te groote hardheid der wetten, te hooge minima, te bepaalde strafbedreigingen dacht men bij de gelijktijdige invoering van de nieuwe in het wetboek van 1809 vervatte strafwetgeving gewis niet. Doch evenmin, meen ik, bedoelde men de uitsluiting der gratie voor die gevallen. Wat men wilde was : gratie, zoo dikwijls de wet te hard bevonden wordt voor het misdrijf, niet waar de Koning gratie mogt willen geven. Deze schoon ook slechts adviserende echter met de Constit. van 1806, volgens den historisehen zin harer bepaling omtrent de gratie, strijdige artikelen werden met het geheele wetboek door de weldra gevolgde inlijving in het Keizerrijk weggevaagd.— In de Schets van Hogendorp was het advies niet opgenomen: »de Souvereine Vorst heeft het regt van gratie bij den Hoogen Raad, zoo als bij alle andere regtbanken// (art. 47). Doch inde Grondwet van 1814 werd de inneming van het advies van den Hoogen Raad weder gevorderd. Men was dan ook reeds onder de Republiek en van 1798 tot aan de inlijving in Frankrijk aan een regterlijk advies gewoon, en na die inlijving had men onder het zoo even vermelde Napoleontische advies geleefd. De grondwetten van 1815 en 1840 behielden het advies van den Hoogen Raad. Eerst die van 1848 , in overeenstemming met het ontwerp der commissie, ontlastte den Hoogen Raad van den aandrang der gratie-adviesen, door haar de adviesen ter zake van condemnatie tot geldboete en tot gevangenis van hoogstens 3

jaren te ontnemen en daarmede weder even als in 1798 den regter

a quo te belasten. levens werd bepaald, dat amnestie en abolitie van het vorstelijk gratieregt zijn uitgesloten, en werd daarvoor eene wet gevorderd. Deze uitsluiting van abolitie en amnestie was reeds bij de Grondwets-herziening van 1840 beproefd door bet voorstel eener gewijzigde redactie: //regt van gratie van straffen bil reo^erliik: vnnnis rintreletrd.//

Doch de Regering verklaarde zich toen ongenegen om tot deze inkorting van de magt der Kroon mede te werken. Een bewijs, hoezeer aan de geheele gratie als ,ia- Ti"™,.,,

gehecht. ö

Dit overzigt der lotgevallen van het gratieregt ten onzent toont voldoende, dat onze grondwetten serWf- ,u vnpfn„,.„t;A

, -" 1 1 , . ^ . Vit- iwiamam/ gtciicx ici JUia-

ri )epei -mg of beperking ratione causae van het vorstelijk gra ïereg evatten. Het gevorderde regterlijk advies — bovendien eene traditionele instelling, geene innovatie — heeft wel den zin van een middel of waarborg tegen redelooze, ligtvaardige, willekeurige uitoefening; maar de gratie blijft vrij en onbeperkt, en eene strekking

uit uiooie barmhartigheid (of bijv. wegens heugelijke gebeurtenissen in s Vorsten geslacht) tegen te gaan ligt er niet

UI. vyat UC m iom aan net vorstelijk regt onttrokken abolitie en amnestie betreft, waardoor aan den vroeger omtrent dit imnt mvoerden

strijd een einde werd gemaakt, daarmede werd de eigenlijke gratie

m. 1. uiuuciiiug van uoor ueu regter uitgesproken straften) in het minst niet verkort. Veeleer werd in het helderst licht gesteld, dat de Kroon dit gratieregt in eugeren zin in ziine vnlhe.'rl hiopf Kp.

houden.

Het hoofdzakelijk in Duitschland gevoerde p-rat.ift-flp.hflt. is nito-A-

gaan van of begonnen met bestrijding van het absolute vorstelijk gratieregt aU een ,-egt tot vorstelijke willekeur in strijd met regt

VotZ PRwv a"S" Die bestrijdiBg » ingeleid in Italië, wet vertoonfn ^PtIA T' de.bai'mhanigheid (clemenza) zieh in de om de hoop op s , afiÏÏn T V1'™6""8' die onverbidde)ijk moet zijn dZgd%oo "deT w^getr S ÏZ ^ " eeV8n ' is ee"° mate de straf zachtS lal gewo7dTn "i',""IT'w "IJT°nV vergeving minder noodzakelijk woiden • zii v° ^mhartigheid en wep-pns do ntrnnilpit ,1^ o* J Zljn ^iet thans slechts

wegens de atiociteit der straffen en de absurditeit der wetten Le

droit de faire grace est sans doute laplus belle prérogative du tröne eest le plus precieux attnbut du pouvoir souverain ; mais en mêmé temps c est une improbatmn tacite des lois existantes. Le souverain qui s occupe de la telicité publique, et qui crois y contribuer en exer9ant le droit de faire gr&ce, s'élève alors contre le code criminel consacré malgré ses vices par les préjugés antiques , par le fatras

jinpuaaiiL U® commeniateurs , par le grave appareil des vieilles formahtes.// (1) Men ziet, in welk opzigt Beccaria de gratie een schoon regt van den Vorst noemde, niet om genade te schenken volgens de inspraak zijns harten, maar om eene wreede en absurde traditionele wetgeving buiten werking te stellen.

^ F|^AKw'EttI <'784> ne°mt het even juiste als krachtig uitgedrukte denkbeeld van Beccaria over. In zijn hoofdstuk over de straffeloosheid komt hij er tegen op, dat het soms de taak der wet zou ziin om te condemneren, van den Vorst om te gratiëren. «Daarentegen ze» hn, moeten de wetten zacht en o « V eg;

. , .y ' uuuvciciu uil-

verbiddeliik ziin. De barmha.i-tio-VimVi .

worden moet strekken om onregtva'ardige en wreed! wSïowbetóren , met om de sanctie der regtvaardige wetten te ontwijken. Toute grace accordee a un coupable est une dérogation h. la loi Si la grace est juste, la loi est mauvaise; si elle est bonne la grace est une violation de la loi. Dans le premier cas il faut abolir 'la loidans le second refuser la grace.» (2) Ook Filakgieri erkent dus eené goede en regtvaardige gratie, nl. die van eene slechte strnfwpt

moet het niet bij de gratie laten, zegt hij, doch (zoo spoedt moo-eliikï 1

dp slpphtp WAt nfspbïltfpn TTii yviPDiit oplltav -I... I ° ° J J I

"j ".vv..., ei uuitenaien twee

gevallen van uitzondering (redenen tot gratie) zijn : l„. lorsque le coupable est distingué par des talens et des vertus qui ont e'té utiles a la patrie ou qui peuvent 1'être; lorsque son délit annonce plutdt 1'impétuosité de la passion que la perversité du coeur; lorsque les magistrats qui font juge' et le peuple qui a éte' 1'objet ou le te'moin de ses vertus , sollicitent sa grS.ee et la suspension momentane'e de la loi, en un mot lorsque Fimpunité, loin de 1'enhardir au crime doit 1'eneourageraêtre bonethonnête (3). 2". Lorsqu'un grand nombre de citoyens est entrainé par un homme fougueux et inquiet; lorsqu'une ville ou un village se rend complice d'un crime; en un mot toutes les fois que la peine portee par la loi laisserait un vide funeste dans la population, dans 1'agriculture et dans 1'industrie.. . alors le glaive de la justice ne doit immoler a la tranquillité publique que lechef de la rébellion et ses principaux satellites.» In het algemeen belang wordt

1 dan voor de overigen een »décret de pardon et de paix» gevorderd. In twee gevallen ontkent Filangieri met nadruk (en voorzeker zeer teregt), dat er reden voor gratie zou bestaan: 1". vergeving of verzoening der beleedigde partij ; 2°. belooning der aangifte van medepligtigen.

Bentham noemt het regt van gratie «juist ingesteld om de wetten onzeker te maken.» Wanneer echter de straf meer kwaad dan goed zou doen, après des séditions, des conspirations, des désordrespublics, is de bevoegdheid tot gratie niet slechts nuttig, maar noodig; de wetgeving zelve moet die gevallen voorzien, en de gratie is dan uitvoering der wet. Maar overigens is het terugnemen van hetgeen de wet voorschrijft niet te regtvaardigen, of de wet zelve moet niet deugen. «Dans 1 espece comme dans 1 individu 1'age des passions précède celui de la raison. La colère et la vengeance ont diete' les premières lois pénales. Mais lorsque ces lois grossières (1) fondées sur des caprices et des antipathies commencent & choquer un public éclairé, le pouvoir de pardonner offrant uue sauvegarde contre la rigueur sanguinaire des lois devient p. a. d. un bien comparatif.» Ten slotte zegt hij : «Re'sumons les idees. Si les lois sont trop dures, le pouvoir de faire gr&ce est un correctif nécessaire, mais ce correctif est encore un mal. Paites de bonnes lois et ne créez pas une baguette magique qui ait la puissance de les annuler» (2).

Kant veroordeelt (in zijne Rechtslehre (3), 1797, in zijn ouderdom geschreven) het gratieregt in zeer scherpe bewoordingen. Onder alle regten des Souvereins noemt hij dat regt das schlüp/rigste; het moet »den Glanz seiner Hoheit beweisen» en strekt toch om door straffeloosheid //im hohen Grade Unrecht zuthun». Alleen bij hoogverraad, tegen den Souverfiin tpIpph o-avi^f

■" ""14 vio kjuuveieui ei gcunuix van

mogen maken, en ook dan niet, als straffeloosheid tegen het volksbe-

Inner Tnrvrrf. °

. ^_antiaan Tieftrunk. (4) laat zich ook krachtig tegen de gratie uit. " iNur die L nmöglichkeit sich als ein rechtliches Gemeinwesen zu erhalten wiirde einen solchen Aktus des M ajestatsrechts , die Begnadigung, i echtl'ertigen.// Dus staatsbeboud of liever behoud der sociale of regts-orde kan de gratie wettigen, en dan nog wil Tieftrunk geene volle gratie van straf verleenen. Alleen de Kantische uitzondering laat hij bovendien toe.

Ook Feuerbach heeft althans aanvankelijk weinig tolerantie voor het gratieregt aan den dag gelegd. In de eerste uitgaven van zijn Lehrbuch acht hij de gratie verwerpelijk, tenzij //die Anwendungdes Strafgesetzes auf den vorliegenden Fall einen unausbleiblichen oder höchst wahrscheinlichen Nachtheil für den Staat selbst in Ansehung seines Hauptzwecks haben wiirde// (5). — In de latere uitgaven (6) laat hij de beoordeeling van het gratieregt in het midden (§ 63): //Das Begnadigungsrecht mag von der Philosophie, nicht von dem positiven Hechte bezweifelt werden, weil dasselbe in allen Staaten dem Oberherrn verfassungsmassig zukommt.// Blijkbaar beschouwt hij den philosophischen twijfel niet als ongegrond, doch hij vergenoegt zich met het vorderen van heilzame toepassing.

Nog een aantal jaren ]ater vindt men absolute bestrijders. — In eene monographie van 1823 wordt door de Dompjerre, Examen du droit de grace, gezegd: La grace met tout hors de place; elle élève celui qui 1 exerce au-dessus de tous les pouvoirs de 1'état; elle fait de Thomnie que ses crimes nn<- ronrir,

A . 4Vi,ul» a vinvi uc om Dcniuiituiüs, un

etre privilegie devant qui toutes les forces de la société s'arrêtent comme frappées d impuissance, et aux pieds duquel viennent se briser le sceptre de la loi et le glaive de la justice.// — Evenzoo zegt (7) Zachariae (geb. 1769), ofschoon (in theorie althans) voor staatsalmagt en monarchisch gezind: //Eine Begnadigung ist an sich eine Ungerechtigkeit, eine Ungerechtigkeit gegen des Gemeinwesen. Sie ist zugleich eine Aufïorderung zu Vergehungen, weil sie die Hoffnung nahrt ungestraft sündigen zu können.//

Het is duidelijk, hoe zulke veroordeelingen tegen de gratie als gunst, als redelooze en willekeurige straffeloosheid, gerigt zijn. Daarentegen trachtten anderen de gratie te verdedigen door aanwijzing van het daarvan te maken heilzaam gebruik. Wij mogen zulks het stelsel van geutiliseerde gratie noemen.

De criminalist Kleinschrod (5) doet opmerken, dat de oorsprong der gratie valt in tijden van een onontwikkeld en gebrekkig strafregt ; maar hij meent, dat zij in de eerste plaats geregtvaardigd wordt door de overweging, dat de gratie even als alle privilegiën uit krachte van het regt der wetgeving mag uitgeoefend worden, inzoover zij slechts niemand verongelijkt of benadeelt, gelijk z. i. bijv. het geval is, wanneer de doodstraf in levenslange gevangenis veranderd wordt. De genoemde voorwaarde geeft van zelf de grenzen van het reo-t aan : de Vorst mag de natuurlijke regten zijner onderdanen niet door de gratie krenken of m gevaar brengen ; daarom mag geene soort van misdrijven door de gratieoefening straffeloos noch een erge misdadiger ge heel vrij van straf worden gelaten, en mag niet te dfkwijls of zonler gronden van blijkbare billijkheid of van staatswelzijn begenadigd wor-

R0hflnnnPeik-M - mdlvlduele gevallen om hunne individuele eigenschappen mts u. ing van gratie wegens gebreken der wet, ligtgeenszms in de bedoeling van Kmunsohkod : «DerFall der Begnadigung , ' lr, 'p ® nm so öfter, je unzweekmassiger das gemeine teutsche Recht, die I on. Ger. Ordn., ist, je unvollstandiger die speciellen Landesgesetze smd. Viele art. der P. G. O. sind offenbar fürunsere Zeiten nicht mehr anwendbar, die Strafen zu hart.; Kleikschkod meent dat in die talrijke gevallen de regter, die de wet moet toepassen' echter gehouden^ is zelf aan den landsheer de gratie te verzoeken' "die in diesem Falie nicht zu versagen sein wird.» De gebrekkigheid' en te groote hardheid der wet wordt door Kleinschrod uitdrukkelijk den Jdauptumstand voor gratie geacht, doch daarnevens, zegt hij, laten zich nog vele andere gronden aangeven, als: 1°. de stand des misdadigers ; 2°. zijne verdiensten jegens den Staat; 3". de schadelijke invloed zijner bestraffing op onschuldige derden; 4o. de groote meniete uer te straffen misrinrlicrpvc • £;.> koWta 1 -ji , . ,

—;—'a» oLiaiioiuusueiu tot oiiaer-

ling verraad der misdadigers; 6". bereidheid om een voor den Staat &!5»fa,°Ch gevaarlijken arbeid te voleindigen, bijv. in giftigen

Zoo begrensd, meent Kleinsohkod , wordt de gratie meer »Jus-

(1) Volgens vertaling van 1\ Hblie, 1856, p, 123.

(2) Fransche vertaling. Paris, an VII.

(3) Het geval sub 1°. bevat niet onderscheidene onderdeelen. Slechts een enkel geval wordt hier omschreven: «een edel, verdienstelijk mensc , wiens misdrijf niet uit verdorvenheid des harten gesproten 'S ,, W1®.ns Spatie "iet slechts door den Souverein maar algemeen lal hebben.0 Z1J"e 3tïaffeloosheid geene slechte uitwerking

(1) Daartoe behoort de doodstrafwet. Zij is eene nalatenschap van • <£' ?letwelk n°S niet 'raSe de la raison» kan heeten. p i r i lrmté de législ. civile et pénale. Principes du Code Pénal ch- 1° (geschreven in het laatst der vorige eeuw, het eerst in uoor Ddmont in het Eransch uitgegeven).

(3) Zie uitgave Rosenkranz, p. 188.

^HPhllos- Untersuchungen über das Privat- u. öffentliche Recht, (5) Ik heb flift nnrloro ni'tn-nwan U 1. '1 1 •

-■ y . : lilijucr uescniKKlllg , QOCll

os ln het (°ude) Archiv des Crim. R. VI, 3 (1805), no. 4, p. 9ö. l)e ongenoemde schrijver doet opmerken, dat de door TiÉfirdkk en üeceebach toegelaten gevallen van staatsbehoud enz. niet onder net begrip van gratie (in den ouden zini vallen, omdat daarin sprake is.7a° ?e" gratiepligt in nood, terwijl het begrip van genade geheele vrijwilligheid en onverpligtheid insluit.

De eerste uitgave van het Lehrbuch van Feuerbach is van 1801. In voormeld opstel wordt de tweede uitgave aangehaald.

(6) Althans in de laatste (1826) van Eeuerbach zeiven. Oudere

uu.g«xuct ier mijner DescniKKing.

(7) Vierzig Bücher vom Staate, 1 Aufl. 1820—32.

(8) SysU Entw. der- Grundbegr. de$ Crim, JR.? Deel 2 (a°. 1794).

Sluiten