Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Smits, bij acte, gepasseerd ten overstaan van den notaris Mulder en getuigen alhier, op 28 Sept. 1858 , eene vennootschap heeft aangegaan , betreffende het bereiden van hout tegen bederf en den handel in hout, onder de firma van der Eist en Smits, voor den tijd van vijfjaren, ingegaan 20 Sept. 1858; dat deze associatie, eerst door niet-opzegging, op 20 Sept. 1863, voor een jaar verlengd is, doch binnen dat jaar , door eene nieuwe overeenkomst dd. 9 Jan. 1864, voor een tijdvak van vijfjaren, ingegaan 20 Sept. 1363 en alzoo loopeude tot en met 19 Sept. 1868, is gecontinueerd;

dat de heer G. L. van der Eist voornoemd, op 2S Dec. 1864, te Soerabaya, waar hij zich in het belang der voormelde vennootschap ophield, is overleden; dat het nu aan vertooners , even als aan den heer J. A. Smits, noodzakelijk is voorgekomen, de associatie, van uit. Maart dezes jaars af, te dissolveren, daar eensdeels de vennootschap niet dan met fournissement van aanzienlijke geldsommen is voort te zetten, waartoe de voogdes voor de minderjarigen , noch bij magte , noch, als onder beneficie van inventaris aanvaard hebbende, bevoegd is, terwijl anderdeels de associatie geenszins in een staat van bloei verkeert, en verre van winstgevende is;

dat zij eerste vertoonster dus even gaarne tot die dissolutie overgaat als de heer J. A. Smits, doch zij beiden het raadzaam achten, met het oog op de minderjarige belanghebbenden, de toestemming der Regtbank op de acte van dissolutie te erlangen ; weshalve zij , na aanvoering van nog enkele gronden, waaronder ook deze, dat de bepaling in de oorspronkelijke acte van vennootschap (art. 13); «dat, ook na het overlijden van een der vennooten, de associatie tot den uiteinde van den tijd van het contract zal voortduren» , hier, waar minderjarigen zijn achtergebleven, met de wet in strijd schijnt, verzoeken, dat het der Regtbank behage, de op 24 Maart 1867 tusschen de erven G. L. van der Eist en den heer J. A. Smits voor den notaris Mulder en getuigen alhier gepasseerde acte van dissolutie der vennootschap onder de firma van der Eist en Smits te bekrachtigen en goed te keuren, voor zooveel de minderjarigen betreft;

O., dat do Arrond.-Regtbank alhier bij hare beschikking van 25 Maart 11. bovenbedoeld verzoek heeft afgewezen, voornamelijk op grond, dat de dissolutie der vennootschap van zelve voortvloeit uit art. 1683, 4°., B.W., en zelfs eene voortduring daarvan na het overlijden van een der vennooten ten opzigte zijner minderjarige erfgenamen met de wet in strijd zoude zijn, zoodat, bij goedkeuring der acte van dissolutie, ook de voortduring der vennootschap, zoo die had plaats gehad, implicite zoude worden geratificeerd ;

dat de vertooners van deze beschikking zijn gekomen in hooger beroep bij een aan het Hof gerigt request, waarin zij op verschillende gronden verzoeken , dat het den Hove behage, te niet te doen de voormelde beschikking der Regtbank te Amsterdam van den 25 Maart 1867, en, op nieuw beschikkende , alsnog het primitief gedaan verzoek toe te staan ;

O., dat de acte van dissolutie, op 21 Maart 1867 tusschen den heer J. A. Smits en de tegenwoordige requestranten gepasseerd, welke de laatstgemelden goedgekeurd en bekrachtigd wenschen te zien, deze hoofdbepaling bevat: »de bij acte van 28 Sept. 1858 aangegane, en bij acte van 9 Jan. 1864 voor vijfjaren voortgezette associatie, ingegaan 20 Sept. 1863 en moetende loopen tot 19 Sept. 1868, tusschen den eersten comparant J. A. Smits en nu wijlen den heer G. L. van der Eist, na diens overlijden, volgens de bepalingen van het contract, doorgeloopen hebbende, houdt op te bestaan cn is gedissolveerd met ulto. Maart 1867»;

dat, bij goedkeuring dezer beschikking, tevens implicite zoude zijn beslist, dat de voortzetting der vennootschap onder de firma van der Eist en Smits, na het overlijden van den associé van der Eist, tusschen zijne minderjarige erfgenamen en zijn mede-vennoot J. A. Smits, sedert 28 Dee. 1864 tot 31 Maart 1867 , wel en wettiglijk is geschied, waarop de voogdes zich welligt later in haar belang zoude kunnen beroepen, zoodat eenig onderzoek omtrent de wettigheid dier continuatie niet overbodig is ;

O, te dien aanzien, dat de nalatenschap van den heer G. L. van der Eist, gelijk de vertooners zeiven herhaaldelijk te kennen geven, door de voogdes, ten behoeve harer pupillen, niet anders is aanvaard dan onder het voorregt van boedelbeschrijving;

dat het met deze wijze van aanvaarding, waartoe de voogdesse, volgens art. 459 B. W., in het belang der minderjarigen verpligt was, moeijelijk is overeen te brengen, dat deze la,atsten, beneficiaire erfgenamen huns vaders, te gelijkertijd als mede-vennooten optreden in diens handelsfirma; dat toch het voorregt van boedelbeschrijving ten gevolge heeft, dat de erfgenaam niet verder tot betaling der schulden en lasten der nalatenschap gehouden is dan ten beloope van de goederen, welke zij bevat; dat de eigen goederen van den erfgenaam niet met die der nalatenschap worden vermengd, en dat de nalatenschap zoodra mogelijk tot effenheid wordt gebragt, terwijl daarentegen in vennootschappen onder eene firma elk der vennooten, en dus ook hij, die een overleden vennoot opvolgt, wegens de verbindtenissen der vennootschap, hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk is; dat bovendien de voortzetting der vennootschap onder eene firma door de beneficiaire erfgenamen van een overleden associé meer is dan het verrigten van daden van beheer over de beneficiaire nalatenschap, en in ieder geval de vereffening der nalatenschap kan tegenhouden ; dat dus deze beide toestanden, wat hunnen aard, hun wezen en hunne gevolgen betreft, zoo zeer onderscheiden zijn, dat het bestaan van den een dat van den anderen, in het onderwerpelijk geval, noodwendig uitsluit, waaruit al verder volgt, dat, vermits de beneficiaire aanvaarding der vaderlijke nalatenschap voor de minderjarige erfgenamen van der Eist verpligtend was, zij niet als mede-vennooten in zijne firma konden optreden; dat, wel is waar, bij de acte van oprigting der vennootschap onder de firma van der Eist en Smits is gestipuleerd, dat ook na doode van een der associés , vóór het verstrijken van den tijd, waarvoor de vennootschap is aangegaan, deze met de erfgenamen van den overleden vennoot zal worden voortgezet , doch dat aan dit beding slechts gevolg kon worden gegeven, voor zooverre de erfgenamen van den overleden associé in de wet geen beletsel vonden om als mede-vennooten op te treden; dat eene contractuele bepaling, als boven bedoeld, buiten twijfel geen gevolg zoude kunnen hebben ten aanzien van personen, die onder curatele zijn gesteld, en dat, wat omtrent dezulken regtens is, zij 't dan ook op eenigzins andere gronden, evenzeer geldt ten aanzien van minderjarigen ;

dat dan ook de bevoegdheid om het bedrijf, den handel, de fabriek van een' overledene, met en voor de mindeijarigen, tijdelijk aan te houden , beperkt is tot het geval, voorzien in art. 466 B. W., na in-acht-neming der formaliteiten, daar omschreven, zoodat het niet aannemelijk is, dat de wetgever, ook buiten het geval, voorzien in voormeld artikel, de bevoegdheid aan den voogd heeft willen toekennen om eene handels-onderneming ten behoeve zijner pupillen voort te zetten; dat de ruimere bepaling, welke het wetboek Code Napoléon te dien aanzien bevatte (art. 358), in onze wet dan ook niet is overgenomen;

dat in casu van een verlof der Regtbank tot voortzetting der firma van der Eist en Smits met de minderjarige kinderen van der Eist niet alleen niet blijkt, maar dat zoodanig verlof ook niet wettiglijk zou kunnen zijn verleend, vermits de moeder voogdes buiten gemeenschap was gehuwd;

dat uit het bovenstaande volgt, dat de vennootschap van der Eist »n Smits, op het overlijden van den mede-Yennoot van der BJgt, had

behooren te worden ontbonden; dat mitsdien eane ontbinding ruim twee jaren na dat overlijden, onder de bestaande omstandigheden, niet mag worden goedgekeurd, en zulks te minder, dewijl de continuatie der vennootschap, gedurende voormeld tijdsverloop, voor de minderjarige belanghebbenden hoogst ongunstige uitkomsten schijnt te hebben opgeleverd;

Gezien artt. 459, 466, 1078 , 1079 volg., 1092 B. W., art. 18 W. IC., art. 345 B. R.;

Concludeert, dat het den Hove behage, de beschikking der Arrond.-Regtbank te Amsterdam van 25 Maart 1867 te bekrachtigen en te gelasten, dat zij volkomen gevolg zal hebben.

(Erratum. In den derden considerans der beschikking van het Hof, Weekbl. n°. 2926, p. 4, behooren tusschen den elfden en twaalfden regel te worden gevoegd de woorden: »nalatenschap strekken, alsmede of niet de mogelijkheid om die».)

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 27 Junij 1867.

Schipper. — Schade. — Aansprakelijkheid.

Is art. 746 W. K. alleen toepasselijk op eene tegen den schipper ingestelde actie tot schadevergoeding? of geldt het voor alle gevallen, waarin men den schipper wil aansprakelijk stellen voor beschadiging der lading 1

F. Repetto , appellant, procureur F. E. Dammers ,

tegen

L. Hoyack en Comp. , geïntimeerden, procureur J. G. Kuhn.

Het Hof enz.,

Ten aanzien der feiten en gevoerde procedures, zich gedragende aan en alzoo overnemende hetgeen deswege voorkomt in het vonnis, door de Arrond.-Regtbank alhier op 1 Nov. 1866 tusschen partijen gewezen, waarbij, op de gronden, daarin uiteengezet, gemelde

Kegtbank, alvorens regt te uoen ten principale op de vordering des eischers tot veroordeeling van de gedaagden tot betaling van restantvracht ad f 8320.2 2 , met renten en kosten, de gedaagden gelast zijn om door getuigen of andere middelen regtens , behoudens tegenbewijs , te bewijzen :

dat van de in deze bedoelde rogge, door den eischer met zijn schip Mordecheo voor rekening der gedaagden van Galatz alhier aangevoerd, eene hoeveelheid van 21 last en 18 mud, ten deele in heeten, ten deele in door zeewater beschadigden staat uitgeleverd is, met bepaling, dat het in deze te houden getuigenverhoor op 31 Jan. 1867 zou plaats hebben;

O. wijders, dat de eischer van gemeld vonnis in hooger beroep gekomen is, en bij memorie van grieven hoofdzakelijk aangevoerd heeft, dat de regter a quo voorbijgezien heeft de zoo peremptoire voorschriften des wetgevers (in de artt. 494 en 495 W. K. vervat) in het vergunnen en in de plaats stellen van eene maand na de lossing te houden getuigenverhoor, in stede van een onderzoek van deskundigen;

dat het vonnis wel het regt tot tegenbewijs geeft, doch dat de app. bij het afleveren der geheele lading, zonder eenig protest der belanghebbenden, er niet aan gedacht heeft om iemands aandacht op den toestand der lading te vestigen , of eenig onderzoek deswege in te stellen , zoodat hij geene bewijzen meer heeft;

dat de regter a quo wijders uit de interpretatie des appellants van art. 746 W. K. het ongerijmde gevolg afleidt, dat elk vrachtbedrag, die hij app. zou gelieven te vorderen, door de geïntimeerden voldaan zou moeten worden, nu, zoo als hier, niet over schade, maar over de hoeveelheid quaestie is;

dat toch de vracht naar de uitgeleverde maat, volgens de chertepartij wederkeerig bepaald, bij geene mogelijkheid willekeurig gesteld kan worden, zoo als door den app. nader betoogd is, zoodat art. 496 W. K. hier met alle regt ingeroepen wordt;

concluderende de app. op alle deze gronden tot vernietiging van het vonnis a quo en toewijzing zijner in eersten aanleg hier bovengemelde gedane vordering, met veroordeeling van de geïntimeerden in de kosten der beide instantiën ;

dat deze bij antwoord, na in eene ontwikkeling te zijn getreden omtrent den oorsprong en de bedoeling der quaestieuse clausule in de cherte-partij , de grieven tegen het vonnis a quo, door den app. in het midden gebragt, bestreden, en de niet-toepasselijkheid in casu van de artt. 494 en 495 W. K. beweerd heeft, terwijl hij nog heeft aangemerkt, dat de regter a quo het stelsel van den app., ontleend

aan art. 7 4 u van gemeld wetoooK, teregt veroorueeiu en uegrepen heeft, dat zij geïntimeerden verpligt zijn te bewijzen, welke quantiteit der lading in eenen staat gelost is, die de toepassing der clausule veroorlooft, en dat daarop hun stelsel berust;

concluderende de geïntimeerden alzoo tot bekrachtiging van het vonnis a quo, en veroordeeling van den app. in de kosten van het appel;

O. in regten :

dat behoort beslist te worden, of bij het vonnis a quo teregt is geoordeeld, dat in het onderwerpelijk geval, waar de strijd alleen loopt over de hoeveelheid der verschuldigde vracht, de wetsbepalingen, vervat in de artt. 493, 495 en 7 16 W. K., niet van toepassing zijn, en de geïntimeerden alzoo teregt zijn toegelaten door getuigen te bewijzen, dat een gedeelte der lading ten deele in heeten, ten deele in door zeewater beschadigden staat is uitgeleverd;

O., dat bij art. 746 voormeld is bepaald, dat alle aanspraak tegen den schipper voor schade, aan de ingeladene goederen overgekomen, vervalt, indien zij zonder bezigtiging en begrooting der schade, op de wijze, bij de wet voorgeschreven, zijn aangenomen, of, ingeval niet uiterlijk van de schade bleek, de bezigtiging en de begrooting niet heeft plaats gehad binnen den tijd, bij de wet bepaald ;

0., dat in casu, ofschoon de lading, behalve vijf mudden door zeewater beschadigd, waarover geen geschil is, zonder eenige aanmerking is aangenomen en het cognoscement afgeteekend aan den schipper is teruggegeven, de eisch tot betaling van vracht, zoo als die is ingesteld, door de geïntimeerden wordt betwist, op grond, dat een gedeelte der lading in heeten staat is uitgeleverd;

O., dat alzoo de geïntimeerden uit den min of meer beschadigden toestand van een gedeelte der lading het regt willen ontleenen van overeenkomstig het bepaalde bij de cherte-partij aan den schipper minder vracht te betalen, dan zij verschuldigd zouden zijn, ingeval de lading geheel in behoorlijken staat ware uitgeleverd;

dat derhalve de geïntimeerden, hoewel zij van den schipper geene schadevergoeding: vragen, toch inderdaad den schipner aanspreken

wegens schade, aan de ingeladen goederen overgekomen, zich althans tegenover den schipper beroepen op den niet deugdzamen toestand der lading;

0., dat de geïntimeerden, om dit met vrucht te kunnen doen, volgens het stellige en algemeene voorschrift van meergenoemd art. 746, van dien beweerden toestand der lading hadden moeten doen blijken op de wijze en binnen den tijd, bij de wet voorgeschreven;

O., dat, waar dit niet is geschied, alle aanspraak tegen denschipper, dat is elk regt om tegenorer den schipper te beweren, dat de

lading niet in behoorlijken staat is uitgeleverd, is vervallen, en de schipper moet geacht worden de geheele lading, behalve de vijf mudden buiten geschil, in behoorlijken staat te hebben uitgeleverd;

O., dat het 11 of zich alzoo niet vereenigt met de voormelde beslissing in het vonnis a quo, maar deze beslissing in strijd oordeelt met art. 746 W. IC.;

0., dat het gevolg van deze beschouwing is, dat de schipper moet geoordeeld worden regt te hebben op de volle vracht van de door hem uitgeleverde lading;

O., dat tusschen partijen vaststaat, dat bij de cherte-partij, op17 Sept. 1864 te Genua gesloten, de eischer (nu app.) op zich genome'1 heeft de bewuste partij rogge te vervoeren tegen eene vracht van 8 shillings, 3 pence voor elke opgeleverde quarter;

dat in Aug. 186") aan de geïntimeerden te Amsterdam zijn uitgeleverd 204 lasten en 23 mudden ;

O., dat de app. vordert de volle vracht over 204 lasten en 13 mudden, en de halve vracht over vijf mudden, als zijnde door zeewater beschadigd;

O., dat tegen de vrachtberekening des appellants, behalve het hierboven behandelde geschil, geene bedenkingen zijn gemaakt; dat alzoo de vordering van den app. behoort te worden toegewezen;

V ernietigt het vonnis a quo,- en, op nieuw regt doende,

Wijst den app. zijnen in eersten aanleg gedanen eisch toe ;

Veroordeelt de geïntimeerden om aan den app., tegen behoorlijke kwijting, te betalende somma van ƒ 8320.22, uitmakende het restant der vracht eener partij rogge, door den app. voor de geïntimeerden te Amsterdam aangebragt en door dezen in ontvang genomen, en zulks met de renten a 6 ten honderd in het jaar sedert den dag der legale /«-mom-stelling, zijnde den 5 Aug. 1865 ;

Verklaart dit arrest uitvoerbaar bij lijfsdwang van de individuele leden der firma, en bij voorraad, niettegenstaande beroep in cassatie, mits zekerheid worde gesteld, en zulks binnen acht dagen na de beteekening van dit arrest, zullende die zekerheid binnen acht dagen, nadat die zal zijn gesteld, moeten worden aangenomen of betwist;

Verwijst geïntimeerden in de kosten van beide instantiën.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN DRENTHE. Hurgeriijke kamer.

Zitting van den 30 Junij 1866. Voorzitter, Mr. J. II. Westra.

Uitlegging eener overeenkomst. — Gemeentegrond. — Hei-, weide- op groenlanden.

Behoort de grond, waarop door der verweerders auteur een getimmerte is geplaatst, tot de bij de overeenkomst van 16 Julij 1784 vermelde hei-, weide- of groenlanden, waarop de gemeente Groningen geen meerder eigendom zoude mogen pretenderen dan tot kanaal, weg en pad noodig wos ? — Ja.

De burgemeester van de gemeente Groningen, als zoodanig dis gemeente vertegenwoordigende, eischer en geïntimeerde, procureur Mr. J. Oosting,

tegen

B. F. Harding en A. F. Harding, beiden wonende te Onstwedde, verweerders en appellanten, procureur Mr. J. A. Willinge Graiama.

Het Hof enz.,

Gehoord de conclusie van den heer proc.-gen. bij dit Hof, strekkende : »dat het Hof, met vernietiging van het appel, het vonnis a quo zal bevestigen en de appellanten veroordeelen in al de kosten» ; Overwegende, wat den loop der procedure betreft:

dat der appellanten erflater, F. B. Harding, bij exploit van den deurwaarder Blaupot van den 14 .Julij 1852, ten verzoeke van den eischer is gedagvaard voor de Arrond.-Regtbank te Winschoten, met eenen eisch, houdende onder meer, dat, aangezien de ged. had kunnen goedvinden om op aan de gemeente Groningen in eigendom toebehoorenden grond, kadastraal bekend in de gemeente Onstwedde in sectie M, n°. 925, gelegen ten zuidoosten van het Musseldiep, onder Onstwedde, in het laatst van de maand Febr. 1851 te plaatsen of te doen plaatsen eene hut of getimmerte; aangezien de stad Groningen den eigendom van dien grond heeft verkregen bij verzegeling van en 16 Julij 1784, beleden voor A. H. van S«inderen, J. U. D., drossaart van de heerlijkheid Wedde en Westerwolde; aangezien die handeling van den ged. is willekeurig, strijdig met de regten van de gemeente Groningen cn dus onregtmatig, — de ged. zoude worden veroordeeld om, binnen acht dagen of zoodanigen anderen korten termiin als de Regtbank zal bepalen . gemelde hut nf cretim-

merte af te breken of te doen afbreken en weg te nemen en den grond te herstellen in dien staat, waarin dezelve zich vóór de plaatsing van die hut bevond;

dat op dezen eisch door der appellanten erflater bii conclusie ten

principale is geantwoord, dat hij, als eigenaar van het door het Musseldiep bespoelde groenland, ten zuidwesten van den nieuwen Stadskanaalweg gelegen, ailezins geregtigd was om op dien grond te bouwen naar zijnen rade, en dan ook van dit zijn regt heeft gebruik gemaakt, door eerst aan den linker- en, in het (toen) afgeloopen voorjaar, ook aan den regteroéver van dien stroom gebouwen, ten dienste zijner onderhoorigen, te doen oprigten ;

dat hij intusschen volstrekt ontkent, hetzij daar of elders, eene hut of getimmerte te hebben doen plaatsen op gronden, hem niet toebehoorende, en alzoo ook en bepaald op grond, die, krachtens de ter dagvaarding bedoelde verzegeling, den eischer zoude toebehooren;

dat, ten gevolge van dit antwoord, door den eischer, nu geïnt., bij incidentele conclusie is aangevoerd, dat uit de door den eischer geproduceerde acte (die van 14 Julij 1784) blijkt, dat der gemeente Groningen in eigendom toebehoort 104 roeden veengrond, beginnende van de scheiding, die tusschen het kerspel Onstwedde en het landschap Drenthe zal worden gemaakt, tot naar Onstwedde toe, en in de lengte, beginnende van Veenhnizen af tot zoover het kerspel Onstwedde zich uitstrekt, uitgezonderd alleen het groenland en heideveld, ten noorden het Musseldiep gelegen, ter lengte van plus minus 250 roeden , en als daadzaken zijn gesteld (de eerste om door getuigen , de twee laatste om door andere wettige bewijsmiddelen te staven /:

1,J. dat de gelibelleerde hut staat ten zuiden of zuidoosten van het zoogenaamde Musseldiep;

2». dat zij staat op grond, vroeger, tijdens het opmaken der acte van 16 Julij 1784 , behoord hebbende tot de kei-spelgronden van Onstwedde; en

3'. dat zij staat op minderen afstand dan 104 oude roeden of 426 ellen, 4 palmen, Nederlandsche maat, van de thans vastgestelde zwette tusschen Drenthe en Onstwedde;

dat de verweerders, nu appellanten, bij hunne conclusie van antwoord op dit incident, met verwijzing naar het antwoord, door hunnen erflater ten principale reeds gegeven, tot niet-ontvankelijk-verklaring der incidentele conclusiën hebben geconcludeerd, op grond, dat het

Sluiten