Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Regtbank enz.,

Overwegende ten aanzien der daadzaken :

dat des eischers vordering strekt tot regtsverklaring, dat hem, als kooper uit handen van het Domcinbestuur, toebehoort het regt op de tienden der tiendbare vruchten op de gronden, gelegen onder Maren voornoemd, en in het bijzonder van de haver, in 1865 geteeld en door den tweeden ged. ingeoogst op de perceelen, sectie 1), n°\ 111, 112, li3, 119, groot 6 bunders, 32 roeden, 74 ellen, genaamd de 20 Hont, in de Deelen , bij de Groote Kooi, de Gevolde Hamel, boven langs de Groote Kooi, en ten einde den Gevolden Hamel bij de Groote Kooi, welke perceelen bij hem in huur gebruikt worden en toebehooren aan voornoemde M. C. v. G. , en van welke haver hij geene tiend heeft aangegeven of heeft willen laten volgen, weshalve de eischer tevens veroordeeling vordert van dien tweeden ged. in eene schadevergoeding, te verevenen bij staat;

dat de eerste ge l., met verzoek om buiten kosten te worden gehouden , erkent, dat de aangewezen perceelen dezelfde zijn, welke hij aan den tweeden ged. heeft verpacht; dat de eischer daarop tiendregt heeft; dat hij tot landverbetering daarop haver heeft doen zaaijen in het voorjaar van ls65 en den tweeden ged. heeft aangezegd, dat daarvan tiend moest gegeven worden aan den eischer, weshalve hij zich niet verzet tegen de toewijzing der vordering, behoudens de kosten;

dat de tweede ged. heeft verklaard, dat hij werkelijk van den eersten ged. neeft gepacht, blijkens overgelegde notariële acte, 2 bunders , 11 roeden , in de Deelen, beneden de Groote Kooi, 1 bunder, 55 roeden, de Gevolde Hamel, 2 bunders, 57 roeden, aan het eind van de 14 Hont, onder de gemeente Alem, Maren en Kessel, en wel om te hooijen of te weiden ;

dat hij het beweerd tiendregt betwist ; dat er in zijne paclitvoorwaarde of daarna van geene vergelding van tiend is gesproken; dat hij op de aangewezen perceelen geen haver heeft geoogst; concluderende overigens tot niet-ontvankelijk-, althans ongegrond-verklaring Van de vordering;

dat de eischer met verzoek van acte heeft aangeboden het inzaaijen en inzamelen van haver met getuigen te bewijzen, en, zijn tiendregt tegenover den tweeden ged. staande houdende en willende bewijzen, ook nog het bewijs heeft aangeboden , dat hij en zijne auteuren sedert meer dan dertig jaren het tiendregt onder Maren wettig hebben bezetenen uitgeoefend, zoomede dat de hiervoor aangewezen perceelen behooren tot de tiend, in de koop-acte van 1842 genaamd de paaldertiend, Meren enz.; voorts ten processe heeft overgelegd een extract uit eene koop-acte voor notaris de Bergh van den 27 Mei en 6 , 7 en 11 Junij 1842 , waarin de eischer voorkomt als kooper uit handen van het Domeinbestuur van de volgende tienden onder Maren : de groote en kleine tiend, genaamd de Wijlsteeg, de groote en kleine tiend, genaamd de Bouwsteeg, de groote en kleine tiend, genaamd het Sammegat, de tiend, genaamd Paaldersteeg, Meren enz., de novale tiend van Maren, Lith en Lithoijen en de groote en kleine smalle tienden, voorts een extract uit de registers van overschrijving ten kantore der hypotheken te 's Hertogen bosch , door den bewaarder uitgereikt, luidens hetwelk den 1 Oct. 1842 ten diens kantore is overgeschreven eene verkoop-acte van domeingoederen, in het extract ten deele opgenomen, en bepaaldelijk voor zooveel betreft voorschreven koop van den eischer;

dat de tweede ged. tot staving van zijne conclusie tot niet-ontvankelijk-, althans tot ongegrond-verklaring hoofdzakelijk heeft betoogd, dat de algemeene geregtigd-verklaring tot tienden van al de tiendbare vruchten onder Maren niet kan worden ontvangen, en die algemeenheid ook door niets wordt gewettigd ; dat de bekentenis van den eersten ged. niets vermag ten nadeele van den tweeden ged., omdat zij te zamen zijn opgeroepen om dezelfde tiendgeregtigdheid te hooren verklaren , en de bekentenis van eenen ged. den anderen ged. niet kan schaden, omdat de opvordering van tiendvruchten niet tegen den eigenaar van den grond, maar tegen den bruiker moet worden gerigt, en het regt daarop mitsdien tegen laatstgemelde moet worden bewezen; omdat eindelijk de eerste ged. ook niets te maken heeft met de haver, in 1865 geteeld, om welk een en ander de oproeping van den eersten ged. dan ook geheel noodeloos is, te meer, daar hij het tiendregt niet betwist, zoo'iat de kosten altijd voor rekening van den eischer zullen blijven; dat de eisch gegrond wordt op aankoop uit handen van het domein van den Staat, maar deze in geen geval eigenaar meer was van de in deze zaak betwiste tiend, vermits de Staten-Generaal van de Vereenigde Nederlanden, bij octrooi van 14 Mei 1636 , te vinden in het Groot Placaetboek, en waarvan afschrift ten processe is overgelegd , behoorlijk geregistreerd, het tiendregt hebben afgestaan aan de toenmalige bedijkers en eigenaars van het Laag Hemaal; dat overigens de bekentenis niet medebrengt bekentenis van verkrijg door verjaring, en die bekentenis ook niet kan gelden als vestiging van tiendregt, speciaal niet op den oogst van 1865 ; dat het uittreksel uit de acte van koop van 1842 niet als bewijs kan gelden, omdat het niet overgeschreven is in de openbare registers, omdat het de acte niet in haar geheel wedergeeft en hij ged. juist bij de verzwegen gedeelten belang kan hebben, en omdat het volstrekt geen algemeen tiendregt onder Maren ten onderwerp heeft, doch slechts zes fractiën van de tiend; verzoekende hij alzoo acte, dat hij ontkent de feiten, nader door den eischer gesteld, ontkent, dat de Staat in 1842 was tiend-eigenaar, en ontkent, dat de perceelen in geschil behooren onder de daar aangekochte tienden, en zich verzet tegen de toelating van bedoeld extract als bewijs; terwijl de tweede ged. zich ten slotte ook nog heeft verzet tegen de toelating van het bewijs, dat de gronden in geschil behooren onder de Paaldersteeg, Meren enz.;

Ten aanzien van het regt:

0., dat de vordering om geregtigd verklaard te worden op de tienden der vruchten van de gronden onder Maren , anderen dan waarvan de gedaagden respectivelijk zijn eigenaar en gebruiker, geenerlei regtsgevolg kan hebben ;

dat de gedaagden niet bevoegd zijn daaromtrent eenige verbindtenis in of buiten regten aan te gaan , en evenmin verpligt zijn zich te leenen om dat punt te doen uitwijzen en eene nuttelooze regtspraak te doen geven ;

dat die vordering tegenover hen mitsdien is niet-ontvankelijk;

O., dat, bij zamenvatting van de beweringen van partijen, ten processe blijkt, dat de gronden, door den tweeden ged. van den eersten ged. gepacht, met eenige beperking in de maat zijn dezelfden, waarvan de eischer de kadastrale omschrijving opgeeft;

O,, dat de eerste ged., vertegenwoordiger van de eigenares dier gronden, met He vordering van den eischer ten eenemale instemt, en hij mitsdien erkent, dat die gronden zijn tiendpligtig, zóó en in dier voege als de eilcher dit beweert;

0,, dat tegenover den tweeden ged. de tiendpligtigheid niet wordt vooruitgesteld, alleen als regtstitel tot opvordering van een gedeelte van de haver, welke hij in 1865 zal geoogst hebben, maar dat ook tegenover hem bepaalde regtsverklaring wordt geëischt over die geregligheid, en alzoo over het zakelijk regt van tiendpligtigheid der gronden ;

dat die ged. zich er intusschen niet tegen verzet bij die regtspraak betrokken te worden, maar integendeel zich inlaat met de bestrijding van de gegrondheid van dat gedeelte van den eisch ;

O., dat de tweede ged. is eigenaar van de haver, waarvan een gedeelte wordt opgeëischt; dat hem het regt niet kan worden onthouden van den eischer het bewijs te vorderen , dat hij inderdaad

als tiendheffer regt heeft op een gedeelte dier vruchten , dat is het bewijs, dat het zakelijk regt van tienden is uitgemaakt met of tegenover den curator van de eigenares , de e'e'nige, met wie over dat Bakelijk regt in deze kan worden gecontracteerd, en dat dit zakelijk regt was verkregen , vóórdat hij pachter was, en het bezwaar alzoo ook tegen hem kan werken ;

0., dat de verpligting van den pachter om den eigenaar te waarschuwen, als iemand aanspraak maakt op zakelijk regt of onderdeel van den eigendom , en zijne bevoegdheid om den eigenaar in vrijwaring op te roepen in de gevallen, waarin hij regt op de vrijwaring heeft, niet in den weg staan aan het regt om, in zijn bijzonder belang en voor eigen rekening en gevaar, voorschreven bewijs te vorderen van hem, die, op grond van dat beweerd zakelijk regt, hem eenige verpligting wil opleggen en in regten van hem opeischt;

0., dat voorbedoeld bewijs in deze geleverd is door de geregtelijke bekentenis van den eersten ged., gevoegd bij de acte van koop van 184-2 , overgeschreven ten kantore der hypotheken den 1 Oct. van dat jaar, wanneer althans zal zijn aangetoond, dat de gronden gelegen zijn in het tiendblok Paaldersteeg, Meren enz., en dat de titel van 1842 alzoo die gronden in geschil betreft , en dat, dit bewijs geleverd zijnde , de eischer tegenover den tweeden ged. zijn tiendregt

mot vciucr ie Döwyzeu xiccit ;

0. toch, dat hij, verder voor den vrijdom der gronden en de ontzegging van het zakelijk regt strijdende, met der daad zou doen een beroep op een regt, aan een derde, den eigenaar toekomende, althans meer regt op het gehuurde zou willen doen gelden , dan de verhuurder hem heeft kunnen opdragen ;

0., dat het onderzoek van al hetgeen de eischer tot staving van zijn tiendregt verder heeft aangevoerd, of heeft aangeboden te bewijzen , dus overbodig is; dat alleen nog moet worden toegelaten het bewijs, dat de gronden gelegen zijn als voormeld, en dat de tweede ged. op die gronden in 1865 haver heeft geoogst;

0., dat de buiten-proces-stelling van den eersten ged. niet is gevorderd, en dat buitendien in den stand der zaak nog niet kan worden uitgemaakt, ten laste van welke der twee andere partijen zijne kosten zullen worden gebragt;

Regt doende enz.,

Verleent acte van datgene, waarvan acte is gevraagd;

Verklaart den eischer niet-ontvankelijk in zijne vordering om regtsverklaring, «dat hem toebehoort het regt op de tienden der tiendbare vruchten op de gronden , gelegen onder Maren , andere dan de gronden , waarover in het bijzonder geschil is in dit regtsgeding; verklaart , dat hem voorschreven tiendregt toebehoort op de perceelen onder Maren in den polder het Laag Hemaal, kadastraal bekend sectie D, n°>. 111, 112, 113 en 119, en bij den tweeden ged. over 1865 in pacht van den eersten ged., ter grootte en onder benaming

van 2 bunders, 11 roeaen , in ae jjeeten, oeneden de Uroote Kooi, 1 bunder, 5 5 roeden, de Gevolde Hamel, en 2 bunders, 5 7 roeden aan het einde van de 14 Hont;

Laat den eischer toe om door getuigen te bewijzen , dat evengemelde perceelen zijn gelegen in het tiendblok, genaamd Paaldersteeg, Meren enz. onder Maren ; dat die perceelen in het voorjaar van 1865, op last van den eersten ged., met haver zijn bezaaid ; dat daarop in 1865 haver is geteeld, en dat de tweede ged. die haver heeft doen inzamelen, zonder aangifte van de tiend te doen , en geweigerd heeft de tienden daarvan aan den eischer te laten volgen;

Bepaalt voor het houden van het getuigenverhoor de teregtzitting

van Vrijdag den 8 Maart aanstaande, 's voormiddags ten tien ure.

(Gepleit voor den eischer Mr. N. F. Sassen , en voor den tweeden gedaagde Mr. I. J. M. Laukillard.)

ARRONDISSEMENTS-REGTB ANK TE ROTTERDAM.

Hurgeirjijiie üumer.

Zitting van den 15 Februari'j 1867.

Voorzitter, Mr. G. Mees Az.

Is tle directeur eener naamlooze vennootschap van assurantie, die tevens is aandeelhouder in die vennootschap , vrijgesteld van het regt van patent ? — Neen.

De Regtbank enz.,

Gezien de dagvaarding, den ged. beteekend, en inhoudende vermelding van het feit, hem ten laste gelegd;

Gehoord de conclusie, door den rijks-advokaat genomen, strekkende »tot veroordeeling van den ged. in eene geldboete van f 25 tot f 400, en voorts in de kosten, op de bekeuring en de vervolging gevallen, boete en kosten verhaalbaar bij lijfsdwang»;

Gehoord de verdediging van den ged., bijgestaan door den advokaat Mr. J. C. Reepmakeu ;

Gehoord de conclusie van den heer officier van justitie, strekkende ; dat de eisch, door de administratie tegen den ged. genomen, haar zal worden toegewezen, met veroordeeling van den ged. inde kosten, zoo

van het proces als die, op de bekeuring gevallen, invorderbaar bij lijfsdwang;

Overwegende, dat de ged. is gedagvaard, met verwijzing naar voormeld proces-verbaal; dat hij , ten tijde van het opmaken van gezegd proces-verbaal, tegen genot van salaris uitoefende het beroep van directeur der naamlooze vennootschap »de Nederlandsche Zeeen Brandverzekering-Maatschappij», gevestigd te Rotterdam, en van directeur der naamlooze vennootschap, »de Assurantie-Maatschappij de Hoopmede gevestigd te Rotterdam, beide welke vennootschappen het doen van verzekeringen ten onderwerp hebben, en zulks, zonder dat de ged. zich destijds van zijne verpligting ten aanzien der aangifte voor het door hem te dier zake verschuldigde patentregt had gekweten;

0., dat het door het voormeld op den ambtseed opgemaakt procesverbaal van den deurwaarder der directe belastingen te Rotterdam, F. H. Swam, bevestigd door de bekentenis van den ged., wettig en overtuigend is bewezen, dat door den ged. over het loopende dienstjaar 1866/1867, als directeur der beide gemelde maatschappijen (tegen eene gezamenlijke belooning van ƒ1000 'sjaarsj, geene aangifte in het regt van patent was gedaan;

0. , dat het mede wettig en overtuigend is bewezen door de beeedigde verklaringen van twee getuigen, den heer J. van der h'oop en aen heer C. D. H. Dijxhoorn, beide commissarissen der naamlooze vennootschap »de Nederlandsche Zee- en iirandverzekeringMaatschappij», het doen van verzekeringen ten onderwerp hebbende en te Hotterdam gevestigd, overeenstemmende met de opgaven van den ged., dat hij sedert geruimen tijd, en dus ook over het jaar

1866 , tegen genot van salaris, uitoeientte net beroep van directeur der zoo evengenoemde maatschappij, en daarvan was aandeelhouder, en dat deze maatschappij over het loopende dienstjaar aangifte voor het patentregt heeft gedaan ;

O., dat het insgelijks wettig en overtuigend is bewezen door de becedigde verklaringen van twee getuigen, den heer Ch. Moens en den heer A. Kueb, beide commissarissen der naamlooze vennootschap »de Assurantie-Maatschappij de Hoop», eveneens het doen van verzekeringen ten onderwerp hebbende en te Rotterdam gevestigd,

overeenstemmende met de opgaven van den ged., dat hij sedert ge-

ruimen tijd, en dus ook over het jaar 1866, mede tegen genot van salaris, uitoefende het beroep van directeur der laatstgemelde maatschappij én daarvan was aandeelhouder, en dat deze maatschappij over het loopende dienstjaar aangifte voor het patentregt heelt gedaan;

O., dat echter door of van wege den ged. hoofdzakelijk hierbij is verklaard, dat, vermits liij voor zijne aandeelen in genoemde maatschappijen, waarvan hij directeur was , reeds in het patentregt was betrokken, hij nu ook geene regten meende verschuldigd te z'Ja in zijne qualiteit van directeur en dus niet als zoodanig is patellt pligtig, en dat wel, ingevolge het bepaalde in al. 9 j". al. 1 van , tabel XI der patentwet van den 21 Mei 18 i 9 (Stbl. n". 34), als voldoende hij namelijk als mede-deelgenoot in het beroep of bedl'ijt, waarover hij het beheer voerde, patentregt; dat hij ook in het tegenovergestelde geval anders zeer zeker voor zijn beroep tweemaal patent' regt zou betalen;

0., dat van wege de administratie hiertegen voornamelijk is aangevoerd, dat het antwoord op de vraag, in hoeverre iemand, en dus ook de ged., patentpligtig zij, niet moet worden gezocht in de tabellen* maar wel in de wet; dat de ged., uitoefenende het beroep van beheerder of directeur, overeenkomstig art. 1 der wet patentpligtig wordt gesteld, terwijl zijn beroep bij art. 3 der wet niet is vrijgesteld; dat bovendien voor het beroep van beheerder of directeur van den ged. in tabel XI in de allereerste plaats regten verschuldigd worden verklaard;

dat verder een beroep door den ged. op de woorden, in al. 9 der tabel XI voorkomende; »en alle andere soortgelijke personen, niet elders in deze wet opgenoemd, of als mede-deelgenooten in de beroepen of bedrijven, waarover zij het beheer voeren, patentregt voldoende van niet de minste waarde is, op grond, dat deze woorden betrekking hebben op de onmiddellijk voorafgaande categorie van personen, namelijk op boekhouders en andere kantoorbedienden, en ilus niet op de overige categoriën, boven in tabel XI aangeduid;

dat de juistheid van dit een en ander, onder anderen , ook blijkt uit de geschiedenis der wet en uit haren officiëlun Franschen tekst;

0., wat thans het regt betreft, met het oog op de als bewezen aangenomen feiten, dat in de allereerste plaats moet worden geconstateerd, dat door de twee genoemde vennootschappen, zijnde naamlooze maatschappijen, het doen van verzekeringen ten onderwerp hebbende, het regt van patent qua talis is verschuldigd, ingevolge het uitdrukkelijk bepaalde in tabel XI der wet, gelijk dan ook bewezen is, dat dit regt door bedoelde maatschappijen steeds werd voldaan;

dat in de tweede plaats moet worden gesteld, dat, ingevolge tabel XI, al. 1, een regt verschuldigd is door de beheerders dier in tabel IX genoemde maatschappijen, hoedanig beheerder of directeur do

ged. bewezen is te zijn:

dat derhalve, naar aanleiding van dit vooropgestelde, de ged., zoo zijn beroep met grond van het betalen van patentregt echter vrijgesteld zal zijn, moet bewijzen in eene der vrijstellingen van dit regt te moeten vallen;

0., wat nu vooreerst aangaat de bewering der administratie, tegen de meening van den ged. aangevoerd, dat de wet en niet de tabellen hier beslissend zouden zijn, en dat, vermits het beroep van den ged. niet vermeld staat in art. 3 der wet, hij op grond van art. 1 patentpligtig zou zijn,— dat deze redenering niet is aannemelijk; dat immers in are. 4 der wet uitdrukkelijk staat vernield: //dat er op de patenten een regt ten behoeve van den lande wordt geheven , overeenkomstig de bepalingen , vervat in deze wet en in de tarieven, en mitsgaders in de tabellen, bij dezelve gevoegd, als daarmede één geheel uitmakende,// zoodat de tabellen met de wet te zamen evenzeer moeten worden verklaard en uitgelegd en daarvan niet kunnen worden afgescheiden ;

0. thans verder, daargelaten het mede aangevoerd systeem van de administratie, als zouden de woorden in al. 9 van tabel XI, waarop de ged. zich beroept, alleen slaan op de onmiddellijk voorafgaande daar genoemde categorie van boekhouders en kantoorbedienden en dus niet op de andere gemelde categoriën; alsmede ter zijde latende, in hoever de verdere meening der administratie, als zoude namelijk in het Hollandsch een aandeelhouder nooit mede-deelgenoot heeten, wel overeenkomstig het liollandsch taaleigen zijn (zie ook art. 44 W. KJ, en of het verder uit het bezigen van het Fransche woord associé in den officiëlen Franschen tekst der gemelde tabel alreeds zou volgen , dat hiermede nimmer een aandeelhouder eener naamlooze vennootschap kan zijn bedoeld, wel juist zij , en overeenkomstig het Fransche taaleigen , te meer, daar in den Code de Commerce zelf het woord associé promiscue wordt gebruikt, zoowel bij de société en nom collectif, als bij de sociéte anonyme, — omtrent de meergenoemde tabel zelve moet worden overwogen, dat zij, blijkens hare geschiedenis, volgens de ophelderende aanmerkingen omtrent het ontwerp der wet, in hoofdzaak igrovergenomen uit art. 31 en art. 34, §5 — 10, der ordonnantie, volgens welke een regt van patent zal worden geheven, gevoegd bij de wet van 11 Febr. 1816 (Stbl. n". 14) ;

0., dat, nu wel is waar, gelijk ook door den ged. is beweerd, io art. 34, bij het opnoemen van directeurs van assurantie-maatschappijen

als anderzins, onder anderen gevoegd worden de woorden : //onverschillig of deze associatiën , compagnieschappen of societeiten , inge volge de bepalingen, in § 3 van art. 2? dezer ordonnantie vervat, of wel zij zeiven als koopman, commissionnair of in eenige andere betrekking zijn gepatenteerd,// en deze woorden in tabel XI der wet van 1819 niet zoo staan uitgedrukt, doch dat men uit de niet-opname dezer woorden in deze wet (van 1819) volstrekt echter niet kan besluiten, dat de wetgever (van 1819) daarom een dergelijk diep ingrijpend beginsel zou hebben willen veranderen of daarvan afwijken ;

dat immers ook in het oog moet worden gehouden, dat de patentwet is eene fiscale wet, wier aard en strekking het is, zooveel mogelijk de belangen der schatkist te bevorderen, zoodat, wil de wet zelve daarmede niet in bepaalden strijd zijn, het niet is aannemelijk, dat de wetgever, zonder de minste melding daarvan te maken , in een dergelijk geval een zoo groot en aanzienlijk getal van beroepen van het patentregt zou hebben willen doen vrijstellen; dat bovendien ook de ged. in alle gevallen dit geval van vrijstelling zou moeten bewijzen , doch dit bewijs niet heeft geleverd;

O. immers, dat de bewering van den ged., als zoude hij, aandeel hebbende in de gemelde maatschappijen, en dus als mede-deelgenoot in die maatschappijen, waarover hij als beheerder het beheer voert, reeds patentregt voldoende, daarom, ingevolge meergemelde al. 9 j '• al 1 der tabel XI, als directeur het patentregt niet meer behoeven te betalen, — geheel is onjuist en onaannemelijk;

dat, al moge namelijk de ged. in de maatschappijen, waarover hij directeur is, aandeelhouder zijn, hij daarom volstrekt niet gezegd kan worden mede-deelgenoot te zijn, die patentregt voldoet, dat dit patentregt immers door den ged., als deelgenoot der naamlooze vennootschappen, bepaald niet wordt voldaan; maar wel, ingevolge tabel IX, door die vennootschappen zei ven; dat hij als aandeelhouder dan ook niet is patentpligtig, dat is niet een regt op het patent moet betalen, maar wel de gemelde maatschappijen ;

dat hij dan ook als mede»deelgenoot voor het patent niet wordt aangeslagen, maar wel, door zijne zorg als directeur, de maatschappijen ;

O., dat hieruit almede volgt, dat, al waren de woorden in al. 9 van tabel XI, zoo als door den ged. wordt beweerd , ook slaande op

Sluiten