Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 17 October 1867. ^

WEEKBLAD VAN HET REGT.^

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

NE GEN- KN-T WIN TIG S TE J AAR GANG.

1ÜS ET VERITA8.

Dit blad verschijnt geregeld twee malen per week. Trijs per jaargang f 20,- voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs der advertentiën, zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van EU. gewone correspondenten, franco.

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN NOORDHOLLAND. Kanter van correctionnele appellen.

Zitting van den 10 December 1866.

Voorzitter, Mr. J. M. tan Maanen.

Vrijspraak, — Hooger beroep. — Schending van art. 185 , 6de ud , Strafvord.

Aiet-ontvankelijkheid van het hooger beroep, voor zoover het door der. beklaagde is ingesteld tegen dat gedeelte van het vonnis a quo, waarbij hij is vrijgesproken. _ .

ernietiging van het vonnis en van de ter teregtziting gevoerde instructie, op grond dat de voorzitter heeft geweigerd de door den beklaagde voorgestelde vragen aan de getuigen te doen, zonder vooraf daarover de Regtbank te hebben geraadpleegd.

Het Hof enz.,

Gezien het vonnis, door de Arrond.-Regtbank te Amsterdam, legt doende in correctionnele zaken, op den 16 Oct. 1866 in eersten aanleg gewezen tusschen den officier van justitie bij die Regtbank , eischer ten eenre , en J. E. Seys, oud vier-en-twintig jaren , _ van beroep schilders-knecht, geboren te Heemstede , wonende te Muiden, geklaagde ter andere zijde, waarbij deze, naar aanleiding van artt. ^67, 368, 371, 52, 221, 209, 212 Strafregt, art. 8 der wet van 29 ' unÜ 1854 (Stbl. n„. 68), artt. 1, 2, 3 en 4 der wet van 22 April 1864 (Stbl. n". 29), artt. 207, 227, 22 Strafvord., is veroordeeld tot eene gevangenzetting voor den tijd van drie maanden, tot beta'ng eener geldboete ten bedrage van f 25 en vier boeten, ieder ten edrage van f 8 , met bepaling dat de boeten, zoo de veroordeelde aar niet betaalt binnen twee maanden na daartoe te zijn aangemaand , vervangen zullen worden door eene cellulaire gevangenisstraf enz., en zulks ter zake van zich te hebben schuldig gemaakt aan lastering, door het in het openbaar aan iemand ten laste leggen Tan eene daad, die, ingeval zij plaats had, hem tegen wien zij geduid was , aan lijfstraffelijke vervolging zoude blootstellen; 2°. het beleedigen met woorden van twee bedienende beambten , onder het Waarnemen hunner bediening; 3°. het beleedigen met woorden van twee bedienende beambten , ter gelegenheid van het waarnemen hunner bediening; 4°. feitelijk en gewelddadig verzet tegen twee bedienende beambten, handelende ter uitvoering der bevelen van het openbaar gezag, door een persoon zonder wapenen, met vrijspraak van bekl. van de hem ten laste gelegde verwonding;

Gezien enz.,

Gehoord het requisitoir van den proc.-gen., strekkende : dat het Gcregtshof voornoemd, regt doende op het hooger beroep , het voormeld vonnis zal vernietigen, wegens schending van art. 185, 6de lid, in verband met artt. 380 , 2de lid, 227 Strafvord., en, opnieuw regt doende, den bekl. en app. zal verklaren niet-ontvankelijk in het hooger beroep van gemeld vonnis, voor zooveel hij daarbij is vrijgesproken, en hem wijders zal schuldig verklaren aan 1°. lastering , door liet op eene openbare plaats aan een persoon ten laste leggen van daden, die, ingeval zij plaats hadden, hem, tegen wien zij geduid waren, aan den haat en de verachting der burgeren en aan lijfstraffelijke vervolging, ter oplegging van tuchthuisstraf van vijf tot twintig jaren, zoude blootstellen, gepleegd onder verzachtende omstandigheden j 2lastering door het, op eene openbare plaats , aan een persoon ten laste leggen van eene daad, die, ingeval zij plaats had, hem, tegen wien zij geduid was, aan de verachting en den haat der burgeren zou blootstellen; 3". beleediging met woorden aan twee bedienende beambten in de waarneming hunner bediening ; 40. beleediging met woorden aan twee bedienende beambten , ter gelegenheid van de waarneming hunner bediening; 5". feitelijk eu gewelddadig verzet tegen ambtenaren der regeringspolitie, handelende ter uitvoering der bevelen van het openbaar gezag, door een persoon zonder wapenen ; 6°. gewelddadigheid tegen een( bedienenden ambtenaar, onder het waarnemen van zijne dienst, welke kwetsing en bloedstorting heeft veroorzaakt, gepleegd onder verzachtende omstandigheden, en hem te dier zake, met toepassing van artt. 209, 212, 224, 228, 230, 231, 367, 368, 371, 374, 463 C. P., artt. 8, 14, 1"., 20 der wet van 29 Junij 1854 (Stbl. n°. 102), artt. I, 2, 3 der wet van 28 Junij 1851 (Stbl. n". 68), artt. 1, 2 der wetvan fï/rV86.4 (StbL 29)> artt- 22, 207, 227, 247, 248, 210 en ' 1 a v0'veroordeelen tot eene gevangenzetting voor den ïjc van zes maanden, in eenzame opsluiting te ondergaan, tot betaling Tan twee geldboeten van ƒ 25 , en vier geldboeten van ƒ 8 , met bepaling enz. en in de kosten •

Overwegende dat, blijkens de acte van appel, de bekl. zonder eemg voorbehoud is gekomen i» hooger beroep en dus moet geacht worden dit ook te he iben ingesteld tegen dat gedeelte van het vonnis waarbij hij is vrijgesproken;

Verklaart den bekl. in zooverre niet-ontvankelijk in het door hem ingesteld hooger beroep;

0., dat uit liet proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare teregtzitting van de derde kamer der Arrond.-Eegtbank te Amsterdam dd. 20 Oct. 1866, bevattende de teregtstelling van dezen bekl. J. F. Seys, blijkt, dat de president geweigerd heeft de door ('wi bekl. voorgestelde vragen aan den negenden en tienden getuigen 'e doen, zonder vooraf daarover de Regtbank te hebben geraadpleegd, en daardoor geschonden zijn art. 185, 6de lid, in verband met art. 380, 2de lid, Strafvord.;

Gezien , behalve genoemde wetsbepalingen , art. 248 van dat zelfde Wetboek;

Vernietigt het vonnis, door de Arrond.-Kegtbank te Amsterdam den 16 Oct. 1866 in eersten aanleg tegen den bekl., app. en geapp.

gewezen, alsmede de instructie in deze zaak gevoerd den 16 Oct.

I Qkk tov rovorrr'71 rrino* von -i t-« ,i -

iuuu uvA vuumutjLücie itegioanK.; eu.

On nieuw reet doende _

ïuGuw ■icg1' uucxiue j

utu toi HMvguanuiig van aen Hove is gebieden enz.

O.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE ARNHEM.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 14 Maart 1867.

Verjaring. — Registratie. — Koop. — Levering.

Kan de korte verjaring van art. 61 der wet van 22 frimaire an VIIworden ingeroepen, waar geene geregistreerde acte bestaat 1 — Neen.

Is het mutatie-regt wegens verkoop van onroerende goederen verschuldigd, al heeft er geene levering plaats gehad door overschrijving in de openbare registers? — Ja.

Vrouwe M. J. A. M. H. de Nérée van Babberic'n en haar echt¬

genoot A. J. H. de Neree c. s., opposanten, procureur Mr. E. Böhtlingk ,

tegen

het Bestuur der Registratie, geopposeerde.

Wii vestigen zeer de aandacht onzer lezers op dit vonnis. Niet

om den inhoud, die niets bijzonder merkwaardigs heeft; niet op de beslissing, die wij , voor zoover het regtspunten betreft, Toor goed houden; niet eindelijk op de motieven in jure, die ons juist voorkomen. Maar om eene andere reden. Wij begrijpen zeer goed, dat partijen een zeer ruim gebruik meenen te moeten maken , in haar belang , van hare bevoegdheid om den regter voor te lichten. In ieder

1 .Ti • 1 „ÏJ J „„V* T>^rv.nn^ vflvont.

geval, u.11 lb iittltJ ZUttiV, ou /Jij 41)11 uaarïWi auu memauu

woording schuldig. Maar wij weten niet, waar voor den regter de verpligting geschreven staat, om zulke lijvige memoriën als hier gewisseld zijn, textueel van het begin tot het einde in zijn vonnis na te schrijven. Wij begrijpen even weinig, welk nut dit heeft, of het moest zijn voor het zegel-kantoor. Zeker niet voor de partijen, die er maar wat meer onnoodig geld om moeten betalen voor leges en zegels. Nog één stap verder, en men zal in het vonnis overschrijven de pleidooijen der advokaten , de geschreven redevoeringen , waar

men gewoon is die voor te lezen, en, waar deze gewoonte niet

oestaat, weiligt datgene wat door stenographen ad hoe voor de griffie zal worden geleverd. En inderdaad , wii weten niet. waarom

niet. De vonnissen zullen in volledigheid (?) winnen; en er is geene reden om te onderscheiden. Het ééne is zoo goed als het andere.

Maar daartoe Komt men , als men misbruik, of liever een verkeerd en onverstandig gebruik, maakt van eene nuttige instelling. De wet

wil motieven, rekenschap van 's regters beslissing, ook in facto; maar

zij wil noch langdradige verhandelingen , noch noodelooze omslag en ballast die nergens toe dient; en het is waarlijk te betreuren, als een overigens goed vonnis daardoor ontsierd wordt, zonder eenig nut dan alleen , wij herhalen het, misschien voor den ontvanger en den

griffier.

De Regtbank enz.,

Gehoord het verslag van den heer regter-rapporteur Mr. Vitringa.; Gehoord den heer officier van justitie , bij monde van den heer

Mr. F. L. Schlingemann , in deszelfs schriftelijk genomen conclusie, daartoe strekkende, dat het der Regtbauk behage de opposanten te verklaren kwade opposanten, en, met te-niet-doening van het daartegen gedaan verzet, het dwangschrift van 24 Aug. 1866 te handhaven , en te gelasten dat het geheel en volkomen effect zal sorteren,

met veroordeeling van de opposanten in ae Kosten van het geding;

"Wat de daadzaken betreft:

Overwegende, dat op 25 Aug. 18G6 ter requisitie van het Bestuur der Registratie en Domeinen, door den te Zevenaar redderenden deurwaarder J. L. Meijer aan de tegenwoordige opposanten is beteekend een dwangschrift door den heer ontvanger der registratie en domeinen te Zevenaar afgegeven den 24 Aug. 1866 , op denzelfden dag gezien en executoir verklaard door den kantonregter te Zevenaar, waarbij , uit krachte van genoemd dwangschrift, aan elk der beteekenden afzonderlijk, in naam des Konings, bevel wordt gedaan om, binnen acht dagen na de dagfceekening van dat exploit, doch betalende , de ander vrij zijnde, te betalen aan handen en ten kantore van den heer ontvanger der registratie en domeinen te Zevenaar de som van J 4049.47, zoo als in het dwangschrift staat vermeld, met de renten van dien a die morae, en in de kosten van vervolging, met aanzegging wijders, dat, bij gebieke van dien, zij daartoe door de middelen , bij de wet op de invordering van 's lands penningen daargesteld, zullen worden genoodzaa t;

O., dat bij gemeld dwangschrift genoemd bedrag van opposanten gevorderd wordt als nieuwe bezitters van na te melden goederen , aan het geopposeerde Bestuur ten behoeve van 's Rijks schatkist

verschuldigd: v

1°. voor regt van registratie, berekend a 4 pet. over ƒ 73,360 , zoo als hierna nader is opgegeven, in hoofdsom f 2934.40; en

2". voor de 38 opcenten /II 15.07, te zamen bovengemeld bedrag uitmakende, alles onverminderd den hij de wet bepaalden interest a die morae en behoudens vermeerdering of vermindering na aanbieding ter registratie, in voldoening aan art. 1 der wet van 16 Junij 1832 (Stbl. n". 29), van eene acte van eigendomsoverdragt door meiufvrouw B. Ii. J. C. de Ne'rée tot Babberich, thans chanoinesse

van Berlaimont, wonende te Brussel, aan de bovengemelde schulde¬

naren , of wel van eene verklaring nopens lranne eigendomsverkrijging :

lo.van de helft in de perceelen, bekend als volgt;

gemeente Duiven in sectie A, n09. 136, 137, 138, 174, 175, 176, 177, 181 en 182;

in sectie E, nOT. 266 , 291 , 292, 293, 294, 331, 172, 177, 192, 189 en 195;

in sectie D, nos. 56, 47, 43 en 35;

in sectie E, n°s. 173, 33, 38, 27 en 323 ;

gemeente Groessen en Loo, in sectie A, nos. 120 en 121 ; in sectie B, nos. 255, 256, 257 en 270;

gemeente Eist, in sectie H, n°. 72:

gemeente Zelhem, in sectie A, nos. 154, 716, 718 en 908, in sectie B, n". 30; in sectie K, n°. 506 ; in sectie M, nos. 60 tot en met 72, 105, 135, 496, 497, 498 en 513;

gemeente Ruurlo, in sectie E, n». 121;

gemeente Westervoort, in sectie A, n". 75 ; en 2". van de helft in de navolgende perceelen, kadastraal bekend onder de gemeente Duiven, in sectieE, nos. 326, 30, 31, 32, 39, 329 en 332;

alle welke perceelen de sub 1 genoemde voor het geheel, en die sub 2 vermeld voor een derde gedeelte, door vrouwe M. J. A. M. H. de Nerée van Babberich en door hare zuster, mejufvrouw B. H. J. C. de Nérée van Babberich, gezamenlijk als legatarissen van hunne ouders, uit de nalatenschappen aan deze verkregen zijn en aan hen als zoodanig zijn afgegeven bij acte, op 22 Nov. 1860 voor den notaris G. Pliester, te Zevenaar, verleden; terwijl uit die acte al verder blijkt, dat de overige twee derde gedeelten van de goederen, ten kadastrale der gemeente Duiven bekend in sectie E, onder nos. 326, 30, 31, 32, 39, 329 en 332 hier voormeld, aan genoemde vrouwe M. J. A. M. H. en mejufvrouw B. H. J. C. de Nérée in onverdeelden eigendom bij koop waren aangekomen;

dat ter berekening van vorenstaand regt de waarde der onderwerpelijke goederen is gesteld, als :

lo. wat betreft de gelegateerde perceelen, voor voorschreven gedeelten aan voormelde mejufvrouw Bernardina vermaakt op /' 72,920;

2°. wat aangaat de goederen, die genoemde mejufvrouw Bernardina voor twee zesde gedeelten onverdeeld in eigendom bezat, voor deze twee zesde op f 440; te zamen f 73,360 ;

dat de schuldpligtigheid van voorschreven regt met de opcenten en den moratoiren interest daaruit voortspruit, dat de in het hoofd dezes onder n°. 1, 2 en 3 genoemde schuldenaren, benevens de onder n». 46 genoemde heer F. A. J. M. Baron van Voorst tot Voorst, daarbij destijds handelende voor zijne toen minderjarige kinderen, de genoemde E. F. A. M. L. en H. M. Baronnesse van Voorst tot Voorst, zich, bij eene op 27 April 1861 ten kantore Zevenaar geregistreerde onderhandsche acte van scheiding, als eigenaren hebbeii gedragen van het vast goed, dat aan de meergenoemde mejufvrouw B. H. J. C. de Nerée tot Babberich bij legaat uit de nalatenschappen van hare ouders is opgekomen en, wat de hierboven sub 2 vermelde perceelen betreft, door haar in privé voor twee zesde gedeelten onverdeeld in eigendom werd bezeten;

dat zij dus , doordien de debiteuren zich , zoo als gezegd , als eigenaren gedragen hebben, doordat zij de goederen bij de aangehaalde onderhandsche acte van scheiding, als hun eigendom, onder elkander hebben verdeeld, dat vaste goed van evengenoemde legatarisse in eigendom verkregen hebben, zonder dat wegens die verkrijging eene acte, of de bij voormeld art. der wet van 16 Junij 1832 (Stbl. n°. 29), bedoelde Terklaring van eigendomsovergang, ter registratie is aangeboden;

0., dat de opposanten tegen dat dwangschrift zijn in verzet gekomen bij deurwaarders-exploit van 8 Sept. 1866, op grond:

1°. dat er geen eigendoms-overgang van onroerend goed van genoemde mejufvrouw B. H. J. C. de Nérée tot Babberich op de requiranten heeft plaats gehad, aangezien de goederen, in het dwangschrift bedoeld, door requiranten zijn verkregen bij erfopvolging in de nalatenschap van wijlen den heer J. J. de Nérée van Babberich, krachtens geregistreerde acte van overdragt van erfregt;

2°. dat, voor zoover die goederen mogten geacht worden niet bij erfopvolging, maar door eigendoms-overdragt van mejufvrouwB. H. J. C. de Nérée tot Babberich te zijn verkregen, de overdragt daarvan bij de door het Bestuur aangehaalde onderhandsche acte uitdrukkelijk heeft plaats gehad en de eigendom der goederen alzoo door de in het jaar 1861 plaats gehad hebbende overschrijving der acte aan de betrekkelijke kantoren vau hypotheken op de requiranten is overgegaan;

3». ingeval van eigendoms-overgang bij opdragt de vordering van het registratieregt deswege is verjaard;

4°. hoezeer ten eenemale overbodig en geheel subsidiair de opposanten er zich op beroepen, dat het vermoeden van eigendoms-overgang, waarop de vordering van het Bestuur eigenlijk alleen gegrond is, thans niet meer kan bestaan , omdat zulks in strijd is met de beginselen van het Nederlandsche regt;

en verder bij dat exploit van verzet het Bestuur der Registratie hebben doen dagvaarden om te verschijnen voor de Regtbank te Arnhem, ten einde te hooren regt doen op hunne conclusiën, daartoe strekkende, dat het der Regtbank behage, regt doende op het gedaan verzet, de requiranten te verklaren goede opposanten, mitsdien het verzet te verklaren van waarde en alzoo het uitgevaardigde dwangschrift buiten effect te stellen, met veroordeeling van het meergemeld Bestuur in de kosten van het regtsgeding;

O., dat de opposanten bij hun exploit van verzet tevens eene memorie van regten aan het Bestuur der Registratie hebben doen beteekenen, daarbij als daadzaken stellende:

De heer F. J. de Nérée van Babberich, overleden ter zijner woonplaats in de gemeente Zevenaar den 1 Nov. 1846 , en zijne echtgenoote, vrouwe C. E. A. Tcllegen, aldaar overleden den 29 Mei 1860, hebben, bij gelijkluidende, beslotene testamenten, welke den 13 April 1844 bij den notaris Pliester, te Zevenaar, in bewaring gegeven zijn, hunnen gemeenschappelijksn boedel tusschen al hunne kinderen verdeeld, onder opgave der geschatte waarde van de goederen, die aan ieder kind werden toegewezen, met bepaling , dat 'Jiï

Sluiten