Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 24 October 1867. N°. 2941.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

NEGEN. EN- twintigste jaargang.

JU8 ET VERITA8.

Dit blad, verschijnt geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang f 20 ; voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs dtr advertentie»,

Z fh 'tl //£> f 7 i n n y. „ ~ ~ 7 X? iVi" A/v/in aw fïvi z»/m» J\ nJ* nl «./,« TJ TT .... ffrnnxnn

-i zeyeuTeyo, &U ccnvs per rcyco, jjuju» w**-., «y&^wi/r/o 11 ji . yewu/ic uut / cöp/wc«{-c» , J ' u,n l/(/*

ARRONDISSEMENTS-REGTBANKEN.

ARRONDXSSEMEÏTTS-REGTBANK TE ROTTERDAM.

Herderlijke kamer.

Zitting van den 8 April 1867.

Voorzitter, Mr. J. A. M. Bichon van IJsselmonde.

.ffei gesticht tot opleiding van geestelijken der Oude Bisschoppelijke Klerezy te Amersfoort, is volgens de regelen van het kanoniek regt geen Bisschoppelijk Seminarie, waar een zoogenaamd collegie, door provisoren geheel zelfstandig als een bijzonder zedelijk ligchaam bestuurd wordende.

Bij gebreke van regtstitels, is als historisch bewezen aan te nemen, c/a« t/e stichters van het collegie aan het kapittel van het Aarts' bisdom Utrecht hebben opgedragen de benoeming der provisoren en het jaarlijks opnemen der rekening en verantwoording. Het kapittel is niet geregtigd deze verhoudingeu te wijzigen of zich meerdere r eg ten te dien aanzien aan te matigen.

De vordering der kapittels, voor zoover die strekt tot rekening en verantwoording, toegewezen; voor zoover die strekt tot afgifte van de fondsen van het collegie, afgewezen, met compensatie der kosten.

Het Vicariaat of Aartsbisschoppelijk kapittel van het Aartsbisdom Utrecht bij de Oude Klerezy van de Roomsch-Katholijken te Utrecht, eischer, procureur Mr. G. Burger ,

tegen

den Hoog Eerwaarden Heer H. Heykamp, Bisschop van Deventer, provisor van het Seminarie of Collegie te Amersfoort, te Rotterdam, gedaagde, procureur Mr. II. J. j. van Content ten Oever.

Door den substit.-offieier van justitie Jhr. Mr. B. C. de Jongb , is in deze zaak genomen do volgende conclusie:

Edel Achtbare Iieeren, President en JRegters 1

De zaak , waarover ik thar.s de eer heb het woord tot u te voeren , is misschien meer geschikt voor eene uitgewerkte verhandeling, dan voor de beperkte grenzen eener conclusie of van een vonnis.

Breedvoerige dingtalen, eene aanzienlijke productie, een tal van «rijdschriften en andere bijlagen overtuigen ons van het belang, dat uwe beslissing voor partijen zal hebben , maar maken het uiterst moeijelijk om eene ge wens elite kortheid aan de noodzakelijke volledigheid te doen gepaard gaan.

Dat doel wordt m. i. het best bereikt door, zonder op nevenbeschouwingen te letten, zich streng te bepalen bij de hoofdvraag, die in dit proces voorligt.

Ik stel mij dan voor allereerst een overzigt te geven van de feiten en procedures.

eisch berust op den navolgenden feitelijken grondslag: In 1^58, tijdens de Aartsbisschoppelijke zetel van het Aartsbitdom utrecht onvervuld was , werd de ged. door het eischend Vicariaat benoemd tot provisor over het te Amersfoort gevestigde collegie van het kerkgenootschap der Oude Klerezy, waarvan hier sprake is. Bij die benoeming werd aan den ged. opgedragen om , met den sedert overleden mede-provisor G. Spit, voor en in naam van het kapittel te beheeren het fonds, bekend onder den naam van de Collegiekas er* bestemd tot onderhoud van het Seminarie te Amersfoort. De provisoren waren krachtens die opdragt gehouden om jaarlijks van bet gevoerd beheer rekening en verantwoording te «'oen in de kapittelvergadering {in congreqatione capitulari) , zamengesteld , behoudens tijdelijke vacaturen , uit den aartsbisschop , deken en kanunnikkon. öedert een reeks van meer dan honderd jaren was dat, volgens den eischer, gebruikelijk geweest, toen de ged. in de laatste tijden, zelfs na daartoe geregtelijk te zijn gesommeerd, in gebrek» bleef die rekening en verantwoording af te leggen.

Bovendien was door den ged. geen gevolg gegeven aan het in de kapittel-vergadering van 8 en 9 .Mei 1860 genomen besluit, waarbij met algemeene stemmen , en dus ook die des gedaagden , werd goedgevonden , dat alsnu in werking zouden komen de tot hiertoe buiten werking gebleven besluiten eener vroegere kapittel-vergadering, waarbij o. a. werd bepaald , dat er eene finantieele commissie zou worden benoemd tot beheer der finantiën, en dat alle fondsen , en dus ook „ Tti' ► ^>1lcs'e te . Amersfoort, naar Utrecht zouden worden h p r 'fc i t<■ Mi'k-' 1 fU ee'"Se )ai'en toch bevonden zich die fondsen in

Sirsïï»,Kf:i„ -'"'TT °- Sf"' *""

Op grond dier feiten vordert nu het eische rt ï1 A I zal worden veroordeeld om, in den vorm bij de ^tvoor^sch^en' te doen rekening en verantwoording van zijn beheer dat"wi bil ?ë' breke daarvan er toe zal worden genoodzaakt door in-beslag-nemin^ en verkoop zijner goederen tot een bedrag van f 200,000 g en ten bedrage van die zelfde som bij lijfsdwang; dat voorts het in dezen te wijzen vonnis zal worden verklaard uitvoerbaar bij voorraad hetzij met of zonder borgtogt; dat eindelijk de ged. zal worden veroordeeld tot afgifte aan het eischend kapittel, van al hetgeen blijken zr1 de in deze bedoelde collegiekas uit te maken, tot welke afo-ifte de ged. zal kunnen worden gedwongen door lijfsdwang en executie zijner goederen tot een bedrag van f 200,000 , alles met veroordeeling van den ged. in de kosten.

Die conclusie des eischers werd van de zijde des gedaagden allereerst gerescontreerd met eene incidentele conclusie tot overlegging Va" de stukken waarop de eisch was gegrond.

£>e eischer antwoordde hierop, dat zijne actie was gegrond niet °P stukken en bescheiden, maar op feiten, waaraan de regtmrhou-

ding van partijen haar bestaan ontleende. Ten einde er geen twijfel

omtrent die daadzaken zou kunnen bestaan , werden door den eischer

een acnttat ieiten gesteld, met sommatie om die te erkennen ot te

ontkennen op straffe regtens.

Die feiten betroffen alleen, met uitzondering rantwee, de gron

den van den eisch zoo als die zijn uiteengezet, en behoeven al zoo hier

niet te wuruen nernaaiu.

Alleen het eerste en het tweede feit verdienen afzonderlijke ver

melding, omdat daarbij nader bepaald wordt de zamenstelling van

het ligchaam dat thans als eischer optreedt, en de verhouding van den aartsbisschop tot dat ligchaam.

Het eerste feit luidde :

dat het eischend kapittel of vicariaat sede plena, dat is bij het vervuld zijn van den aartsbisschonneliiken zetel, en wanneer in het

kapittel zelf geene vacaturen bestaan , is zamengesteld uit den aartsbisschop als voorzitter , den deken als onder-voorzitter , en nog zeven kannunnikken.

En het tweede:

dat de aartsbisschop zoo zeer deel uitmaakt van het kapittel, dat niet alleen hij zelf en zijne opvolgers ten allen tijde daarvan zijn vaste voorzitters en hoofden , maar dat zij daarin hebben de eerste, en ingeval van staking van stemmen, de beslissende stem.

Op de sommatie des eischers om die feiten te erkennen of te ontkennen , werd door den ged in substantie geantwoord :

dat hij erkende in 1858 bij het openstaan van den aartsbisschoppelijken zetel het mandaat van provisor te hebben ontvangen en aangenomen , doch niet van het kapittel qua talis, maar als tijdelijk bestuurder van het kerkgenootschap;

dat hij ged. echter eenvoudig en zonder meer tot provisor verkozen is , bepaald zonder dat daarbij de opdragt heeft plaats gehad tot het doen van rekening en verantwoording in de kapittel-vergadering [in congregatione capitulari);

dat hij tot heden toe die rekening en verantwoording niet had afgelegd, en dat de fondsen van de collegiekas zich onder den ged. bevonden ;

dat in de capitulaire vergadering van Mei 1860, in voege zoo als door den eischer gesteld is, het besluit is bevestigd tot benoeming eener finantieele commissie en tot overbrenging der fondsen naar Utrecht;

dat hij eindelijk erkent de zamenstelling van het kapittel sede plena, zoo als die door den eischer wordt omschreven, onder voorbehoud van de woorden voorzitter en onder-voorzitter, te interpreteren naar algemeen en bijzonder kerkelijk regt;

dat evenzeer woidt erkend, dat de aartsbisschoppen regelmatig zijn leden van het kapittel , terwijl volgens den ged. het voorzitters.c...aP en beslissende stem meer bepaald behooren tot de archiepiscopale regten.

Overgaande tot de uiteenzetting zijner eigenlijke middelen van verweer, ontuende de ged., dat er zou bestaan een vinculum juris tusschen het aartsbisschoppelijk kapittel, zoo als het ageert, en hem ged., omdat het kapittel niet was des gedaagden lastgever, uoch ook geregtigde tot de fondsen.

Ter adstructie dier middelen werd aangevoerd:

1°. dat hij ged. niemand als zijn lastgever erkent als het hoofdbestuur van zijn kerkgenootschap , omdat:

а. het collegie te Ameisfoort behooit aan het kerkgenootschap der Oude Klerezy en dus staat onder het Hoofdbestuur van dat kerkgenootschap; en omdat:

б. hij ged., bij het openstaan van den aartsbissehoppelijken zetel, door het wettig Hoofdbestuur van zijn kerkgenootschap tot provisor benoemd , van rekenpligtigheid aan een derden buiten dat Hoofdbestuur en van afgifte der fondsen geen sprake kan zijn;

2'. dat het kapittel van Utrecht thans , bij het vervuld zijn van den zetel, niet is het Hoofdbestuur van het kerkgenootschap en dus in die qnaliteit niet geregtigd tot het vragen van rekening en verantwoording ;

3 ■. dat het kapittel in zijn privé noch over het collegie noch over den provisor eenig gezag heeft uit te oefenen, immers niet dat, wat het zich aanmatigt.

Nadat intusschen de eischer tot staving van de door hem gestelde feiten een aantal bescheiden in het geding had gebragt, verklaarde de ged., alvorens zich over die productie uit te laten, nader bekend gemaakt te willen worden met den omvang van het geding, omdat het, volgens hem, noch uit de dingtalen, noch uit de productie met zekerheid zou zijn op te maken, of er spraak is van kerkgoed waarover het kapittel gesteld is, dan wol van aan het kapittel toebehoorend eigondom.

Op de weigering des eischers om zich daaromtrent uit te laten, werd 's regters tusschenkoinst omtrent dit incident ingeroepen en de ged., bij vonnis dezer Regtbank van 14.Mei 186», toegelaten om den eischer bij geniagtigde te doen hooren op de navolgende vraagpunten :

1". moet de eischer niet erkennen, dat hij, van den ged., in qualiteit van provisor vim het seminarie of collegie te Amersfoort, rekening en verantwoording met algifte der zoogenaamde collegie-kas vorderende, optreedt geheel uit eigen hoofde en als eigenaar van het goed, waarvan hij rekening en afgifte vraagt ?

2». moet de eischer niet ontkennen, dat hij die rekening met afgifte vordert als de beheerder van een aan het kerkgenootschap of een deel daarvan toebehoorend goed, die met zoodanige magt bekleed is om van den provisor rekening met afgifte daarvan te kunnen eischen ?

De antwoorden op die vragen, door den gemagtigde des eischers gegeven, hebben het geding weinig verder gebragt in helderheid. Voor zoover die zeer voorzigtig gestelde antwoorden zich in korte trekken laten resumeren, komen zij hierop neder :

1». dat het kapittel zekere regten op de collegie-kas heeft, zonder dat uien zich uitlaat over den aard dier regten ; dat het kapittel echter minder krachtens die regten dan wel meer bepaald als lastgever tegenover den ged. optreedt;

2°. dat het kapittel niet kan ontkennen, maar integendeel expresselijk beweert de magt le bezitten om aan den provisor rekening en verantwoording met afgifte der fondsen te vragen, niet alleen krachtens zijne hiervoor bedoelde regten op de collegie-kas, maar meer bepaald krachtens zijne betrekking van lastgever tegenover den ged.

Naar aanleiding dier antwoorden achtte de ged. zich geregtigd tot de gevolgtrekking, dat het kapittel optreedt als lastgever tegen dengene, dien het over zijne zaak gesteld heeft; en dat het kapittel zekere regten op de collegie-fondsen heeft.

Uit het onbeantwoord blijven der tweede vraag meende de ged. te mogen afleiden, dat het vaststond, dat het kapittel uit eigen hoofde en voor zich vraagt rekening en verantwoording met afgifte dar fondsen en niet voor het kerkgenootschap.

Op dit standpunt geplaatst zou de eischer hebben te bewijzen :

1". dat het contract van lastgeving, indien hij zich daarop allée'n beroept, tusschen het kapittel in zijne qualiteit en den ged. is aangegaan ; dat deze de collegie-fondsen heeft ontvangen van het kapittel om die voor het kapittel te beheeren en om die bij herroeping van den last terug te geven ;

2'. indien de eischer zich daarentegen op zekere regten op de collegie-kas wil beroepen en mitsdien uit de benoeming van den provisor de praesumtie van lastgeving ten eigen behoeve wil deduceren, dan zou de eischer te bewijzen hebben, dat hij algeheele en ée'nige geregtigde tot de fondsen is.

Bij diezelfde conclusie van dupliek werden verder de door den eischer geproduceerde bescheiden besproken.

Maar niet alleen de hoofdzaak, ook de accessoire vorderingen gaven aanleiding tot verschil. De ged. was namelijk van oordeel, dat, bij eene onverhoopte veroordeeling, hij niet in privé' behoorde te worden veroordeeld in de kosten, zooals de eischer bleek te bedoelen, maar dat hem die veroordeeling casu yuo zou moeten treffen in zijne qualiteit; tevens concluderende, dat de uitvoerbaarheid bij voorraad mogt wor.len af- of althans niet toegewezen dun onder borgtogt.

In dien stand werd de zaak , na mondelinge behandeling, ter btslissing overgegeven.

Voor ik overga tot de behandeling der hoofdvraag, die m. i. dit geding beheerscht, zij mij eene opmerking vergund.

De ged., E.A.HH.! heelt zich veel moeite gegeven om tot eene

juiste bepaling te geraken van den aard en het wezen der renen

,i:„ .... i —. .„ i a '

U1C IICU VJJ «v, wiagivauo uw "tCU lo UCZllieiJ.

Waren het regten, zoo vroeg men, van privaat eigendom? Of waren het regten, die het kapittel uitoefende als beheerder van een» anders goed?

Noch door het verhoor op vraagpunten, noch door de gevolgtrekkingen, door den ged. daaruit gemaakt, noch door de wederzijdsche productie is men tot de kennis van den waren aard dier regten kunnen komen.

Maar, E.A.HII.! wat schaadt het ? Ik heb nog niet kunnen inzien , dat de beslissing van dit punt ons eene schrede nader zou brengen tot de beslissing van het proces zelf.

Wat toch is de actie, die is ingesteld ?

Het is de vordering van den lastgever tegen den lasthebber tot rekening en verantwoordmg met afgifte der beheerde zaak

Wanneer dus maar het bewijs geleverd wordt, dat werkelijk tusscnen partijen ee„e overeenkomst van lastgeving bestaat, dan doet het er mets toe, of het belang, dat de eischer bij de tegenwoordige ™i'e ' v.00J',sPruit lut eigendomsregten op de collegiekas, dan ui ces eischers regt om als Hoofdbestuur van het kerkgenootschap, die fondsen te beheeren. De lasthebber toch verrigt zijn mandaat voor rekening en in naam van den lastgever, onverschillig, wie door die verngting gebaat wordt (1).

Indien dat zoo is , dan hebben wij ons niet verder in te laten met de vraag quojure, quo titulo, de eischer het mandaat heeft verstrekt en kon verstrekken , maar dan is het alleen de vraag:

Is het bestaan van dat mandaat bewezen ?

Bewijst de eischer dat hij aan den ged. den last heeft opgedragen om de quaestieuse collegiekas te beheeren , en is mitsdien de ged. bij liet herroepen van dien last tot rekening en verantwoording met algifte verpligt ?

En nu constateer ik allereerst, dat het tusschen partijen in con-

fesso is:

lv. dat het seminarie te Amersfooit staat onder het hoofdbestuur van het kerkgenootschap der Oud-Bisschoppelijke Klerezy,

2°. dat de ged. in 1858 door het destijds wettig hoofdbestuur van het kerkgenootschap is benoemd tot provisor of administrateur Yan het fonds, en dat hij dien last heeft aangenomen,

3 '. eindelijk, dat de ged. tot op den huidigen oogenblik is in het bezit der bedoelde collegiekas, en daarvan tot lieden geen rekening en verantwoording heeft gedaan.

Wat dus eigenlijk allée'n betwist wordt is dit:

dat de tegenwoordige eischer thans zou zijn het wettig hoofdbestuur van het kerkgenootschap, — waaruit dus volgt, dat het eischend vicariaat niet zou zijn de lastgever des gedaagden.

Die tegenspraak berust op twee stellingen :

a. in 1858, tijdens de benoeming van den provisor, stond de aartsbisschoppelijke zetel open, en berustte mitsdien het hoogste gezag in de kerk bij het kapittel,

b. thans, nu de aartsbisschoppelijke zetel vervuld is , berust het hoogste gezag in de kerk bij den aartsbisschop, op wien al de regten van het kapittel zijn overgegaan, ook die aan het mandaat ontleend.

Over de eerste dier beide stellingen zijn partijen het eens.

Het is dus de juistheid der tweede stelling die te onderzoeken valt.

Bij wie berust het hoofdbestuur van het kerkgenootschap der

(1) Diephüis, Burg. Regt, VHI, p. 282 , n°, 633,

Sluiten