Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 31 October 1867. N°. 2943^

WEEKBLAD VAN HET REGT. w

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERÏKNTI K-BLAD.

NEGEN- R N- T WIN TI GS TH JAARGANG.

JUS ET YEK1TA8.

blad verschijnt geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs der advertentiën, Zfiiitlvn* J * o ft 4 o Arn.nP.n hrifivpri fi/n.9. hpJin.l.np tlnn TT TT fiPwnnP. correspondenten . franco.

-.»M,w zeyet/Tvyit, vonoo juo/ ypyoi/. ^7^" ~~ » - 'vy • > - — ^ '

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Hamer van Vacant ie.

Zitting van den 30 -Tulij 1867.

Voorzitter, Mr. F. de Greyb.

Regleml-nten. — Provinciale reglementen. — Plaatselijke reglementen. — Vkrvokr. — Wegen. — Bokte. — Bestemming.

Behoort een provinciaal reglement, o. a. eene bepaling inhoudende tegen het op kunstwegen en dijken met eene enkele lijst anders dan stapvoets rijden, tot de reglementen tegen het hard rijden, tegen welker overtreding bij art. 4 75, 1°. en n°. 4, Strafregt eene geldboete bedreigd is? — Ja.

Zijn, wegens de algemeenheid van het woord règlements in dat artikel, niet alleen plaatselijke, maar ook provinciale reglementen daaronder begrepen? — .Ja.

Js dus in casu ter egt geoordeeld, dat de uitgesproken boete moest komen ten voordeele van de gemeente, waar de overtreding begaan is? — Ja. Art. 466 eod.

De officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank te 's Hertogenbosch is req. van cassatie tegen een in hooger beroep gewezen vonnis van die Regtbank van den 23 April 1867, waarbij, met veroordeeling van den nu gereq. J. van der Leest, dienstknecht, geboren en wonende te Dinther, in de kosten dier instantie, is bevestigd het vonnis van het Kantongeregt te 's Hertogenbosch van den 8 Febr. bevorens, bij hetwelk hij is schuldig verklaard aan het rijden in den draf met een paard , gespannen voor eene kar, hetzelve besturende met e'e'ne lijst over den kunstweg onder Rosmalen, den 17 Dec. 1866, en te dier zake, met toepassing van art. 4 van het reglement van politie op het gebruik van en het vervoer over de openbare wegen in Noordbrabant , vastgesteld door de Staten dier provincie den 8 Julij 1859 (Prov. Blad n». 10), van de artt. 475, n». 4, 466 en 469 Strafregt, art. 1 der wet van den 22 April 1864 (Stbl. n*. 29) en art. 207 Strafvord,, veroordeeld in eene geldboete van f 3 ten voordeele deigemeente Rosmalen, bij niet-voldoening na aanmaning, te vervangen door twee dagen gevangenisstraf.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Wintgens , heeft de adv.-gen. Karseboom de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Uteren ï De eenige vraag in deze te behandelen is : of in casu de regter teregt de boete ten voordeele der gemeente, waarin de overtreding werd gepleegd, heeft uitgesproken ; do heer req die persoonlijk met het bestreden vonnis schijnt in te stemmen, heeft als middel van cassatie daartegen bij memorie aangevoerd: schending van art. 12 van het reglement op de wegen in^ Noordbrabant, in verband met art. 475, n°. 3 en 4 en art. 466 C. I.

Bij de memorie wordt in het voorbijgaan behandeld de vraag, 01 ar*- 475 , n'>. 4 C. 1\, in deze wel toepasselijk was en of niet eer no. 3 van jij- artikel had moeten zijn toegepast; tot den grond dezei voorziening doet die vraag niets: de boete in dezelfde, krachtens hetzelfde artikel op te leggen; ik acht echter de uitspraak van het vonnis in dit opzigt juist; de overtreding bestond in het met een paard, voor eene kar gespannen en bestuurd met eene lijn, rijden in den draf over den kunstweg onder Rosmalen ; dit is verboden bij art. 4 van gezegd reglement en art. i 2 stelt dit strafbaar, voor zoover daartegen niet is voorzien bij de wet enz.; het violer des règlements contre la rapidité des voitures is voorzien bij art. 475 , n°. 4 ('. P. , en dit was dus toepasselijk; de contraventie tegen de reglementen, houdende verpligting om zich bij de rijtuigen te houden , in staat om die te besturen, vermeld in art. 475, n°. 3 C. 1J., betreft een anderen casus.

1'e memorie gewaagt ook van de vraag, of art. 475 , n'. 3, ook wel provinciale reglementen, dan wei alléén verordeningen van gemeente besturen betreft, zooals het bestuur der registratie schijnt te beweren; ik vind de uitdrukking les règlements van te algemeenen aard , om c^e iu beperkten zin op te vatten.

aanleiding tot de behandeling dezer regtsvraag in hooger beroep en cassatie is gelegen in eene aanschrijving van den heer minister van Justitie van ï4 Jan. jl., waarbij worden medegedeeld en aangedrongen ter toepassing de voorschriften , vervat in een schrijven van den heer minister van Finantiën van 17 Jan. jl., Reg. en Dom. n°. 126, houdende twee bedenkingen tegen vonnissen van kantongeregten in -Noordbrabant. Die bedenkingen zijn a. dat de bestemming der boeten daarbij is geregeld, in strijd met de circulaire van den minister van Justitie van 14 Sept. 1860, n'. 10! (Per. Woord. n°. S620; Luttenberg i«66 , 106), b. dat de bestemming daarbij niet is geregeld op de wijze, als de juiste aangenomen door beide departemeuten, ykens circulaire van den minister van Justitie van 26 Maart 186-, n. 79. A. S. (Per. Woord. n«. 3994) en van 24 April 1860, n". 129 (Per. Woord. n". 3501).

Ad o. Bij de circulaire van 14 Sept'. 1860 wordt het Openb. Min. uitger.oodigd bij het nemen van requisitoiren het daarheen te leiden, dat in de strafvonnissen van de bestemming der boeten geen gewag ■Worde gemaakt, op grond, dat de vonnissen niet die stelselmatige eenheid in acht nemen , welke het openbaar belang vordert. Ik geloof met den heer req. dat het niet volstrekt noodig is, dat *de vonnissen die bestemming aanduiden, maar uit het oogpunt van «'enschelijkheid en regelmaat zou ik er geene bedenking tegen hebben; van eene jurisprudentie zou ik eer eene gewenschte eenheid van beginselen durven verwachten , dan van de uit den aard der zaak soms verschillende opvattingen van de hoofden van het bestuur der registratie; de heer Mr. EmASX* zag echter (Themis XI, 582) inde aanduiding door den regter wel eenig bezwaar, meenende dat die beslissing gelijkstond met die eener civiele zaak, zonder dat partijen, de Staat of gemeente enz. waren gehoord. Ik zie daarin meer een gevolg van de strafwet en moet er op wijzen , dat de Hooge Raad, °fcchoon meermalen van die bestemming der boeten bij zijne arresten

niet gewagende, daarin echter geene wetschennis heeft gezien, daar hij integendeel, wegens verkeerdelijk gegeven bestemming wel eens vonnissen heeft vernietigd (zie o. a. arrest van 4 Mei 1858 (v. 1). Honert, Gem. Zak. 15, 89; Regtspr. 59, 9-1) en van 27 Dec. 1854 (v. d. Hosert, Gem. Zalc. 12, 231; Regtspr. 49, 69), beiden aangehaald in Per. Woord. n°. 3499; alsmede dat van 1 Nov. 1859 (v. d. Honert, Gem. Zak. 16, 295 ; Regtspr. 63, 114], mede aangehaald in Per. Woord. n". 3501, of althans de meerdere of mindere juistheid dier gegevene bestemming heeft onderzocht, en zelfs nog niet lang geleden o. a. bij arrest van 16 Jan. 1866 (v. n. Hosert, Gem. Zak. 22 , 149 ; Regtspr. 82, 46), de door de administratie niet gewenschte regterlijke bestemming eener boete heeft uitgesproken ten voordeele eener gemeente.

En , al moet ik toegeven , dat uit art. 466 C. P. en wel uit de woorden : »et seront applique'es» niet bepaaldelijk is af te leiden, dat de wetgever aldaar aan het geven eener bestemming door den regter heeft gedacht, moet ik er echter op wijzen, dat dit denkbeeld van «condamnations prononeées au prolit de Te'tat" hem toch, voor zooveel de "restitutions, idemnite's et frais" betreft, voor den geest zweefde in art. 469 C. P. en bepaaldelijk, dat art. 53 C. P. gewaagt van «amendes et — frais — prononcés au profit de 1'e'tat». En ik zou meenen, dat er dus meer te zeggen was voor, dan tegen de beschikking van den regter over dit onderwerp; en ik zou mij eer kunnen vereenigen met de circulaires van den heer minister van Justitie, op aandrang van den heer minister van Finantiën , uitgevaardigd op 14 April 1846 (Luttenberg, Chr. Vers. !866, 30), en met een beroep op de meening van den lloogen Raad op 3 Mei 1849 (LuTTtNBERO 1. c. 1849, 34), waarbij het wenschelijke van eene bij requisitoir uit te^ lokken regterlijke beschikking is uiteengezet.

Ad b. Ook hier kan ik mij niet vereenigen met het denkbeeld bij de gedachte circulaires ontwikkeld; ik moet ook betwijfelen, of het arrest van den lloogen Raad van 4 Mei 1858 , in de circulaire van 26 Maart ls62 aangehaald, wel voedsel aan die opvatting heeft kunnen geven; het bedoelde toch kennelijk de boeten bij het provinciaal reglement zelf bedreigd ; hier is sprake van eene boete, welke de C. P. bedreigt; ik vereenig mij meer met hetgeen in die circulaire als «van den anderen kant» is aangevoerd, waarbij ik niets heb te voegen , vermits de redenering mij volkomen logiesch voorkomt. Ol' het reglement zelf afkomstig is van provinciaal bestuur, dan wel van gemeentebestuur, kan ter zake niets doen, omdat de straf niet bij dat reglement is geschreven, maar bij art. 475 C. P., waarop in allen gevalle art. 466 C. P. toepasselijk is. Men vergelijke het arrest van 8 Mei 1860 (v. i>. Honert 1S60, 115; Regtspr. 64 , 250).

Op deze gronden heb ik , namens den heer proc.-gen., de eer te concluderen tot verwerping der voorziening, de kosten te dragen door den Slaat.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie:

schending van art. 12 van voorzegd reglement, in verband met art. 47 5 , li". 3 en 4 en art. 4t>6 C. 1J. , omdat bij het vonnis de bestemming der boete is geregeld en wel ten voordeele der gemeente;

Overwegende, dat de gereq. is veroordeeld ter zake der overtreding van art. 4 vau het provinciaal reglement van politie op het gebruik van en het vervoer over de openbare wegen in Noordbrabant, bij welk artikel wordt verboden op kunstwegen en dijken met eene enkele lijst anders dan stapvoets te rijden;

O., dat deze bepaling behoort tot de reglementen tegen het hard rijden, tegen welker overtreding bij het art. 47) principio en n". 4 Strafregt, eene geldboete bedreigd is;

O., dat bij art. 466 van dat wetboek uitdrukkelijk bepaald wordt dat de geldboeten wegens overtreding zullen worden aangewend ten bate van de gemeente waar de overtreding begaan zal zijn ;

O., dat bij dit artikel klaarblijkelijk bedoeld zijn alle politieovertredingen welke in het vierde boek vau het wetboek van strafregt voorzien en met geldboeten bedreigd zijn;

O., dat het in art. 475, n°. 4 gebezigde woord règlements is algemeen , en dat dus daarmede niet alleen plaatselijke reglementen, maar ook provinciale, zoo als het reglement in casu, bedoeld worden ;

O., dat mitsdien bij het beklaagde vonnis , teregt de bestemming der boete is geregeld ten voordeele der gemeente in welke de overtreding was begaan , en dat alzoo het aangevoerde middel van cassatie is ongegrond;

Verwerpt het beroep; de kosten in cassatie gevallen, te dragen door den Staat.

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GKREGTSHOF IN NOORDHOLLAND. Biainer van correctionaele aypellea.

Zitting van den 14 Januarij 1867.

Voorzitter, Mr. J. M. van Maanen.

Nieuwe getoigen. — Eindvonnis. Nieuwe stukken. Bewijsmiddelen. — Deskundigen. Getuigen.

Wet op den overgang.

Een vonnis , dat de oproeping en het verhoor van nieuwe getuigen beveelt, is geen eindvonnis, ook niet voor dat gedeelte , waarin de officier van justitie ontvankelijk wordt verklaard in zijne vordering. Art. '24*2 B. R>

De regter is bevoegd de oproeping van nieuwe getuigen te bevelen, al zijn slechts getuigen gehoord, die met door het Openb. Min. zijn gedagvaard, maar door den beJcl. medegebragt, en kan ook andere nieuwe stukken als stukken van overtuiging doen voorbrengen dan dezulke, die kunnen worden voorgelezen.

Door onder de bewijsmiddelen in het vo?inis verklaringen op te nemen van getuigen, die niet omtrent de ten laste gelegde feiten zelve hadden verklaard, maar slechts als deskundigen hun oordeel en hunne meening medegedeeld, is gehandeld in strijd met art. 434 B. R.

Al zou ook de regter in appel, op grond van art. 5'2 , al. 3 , der wet op den overgang , geene straf tegen het gepleegde misdrijf meer kunnen uitspreken, moet evenwel de behandeling der zaak voortgezet worden.

Het Hof enz.,

Gezien de vonnissen , door de Arrond.-Regtbank te Amsterdam, regt doende in correctionnele zaken, op den 15Febr. en den 12 April 1866 in eersten aanleg gewezen tusschen den officier vnn

die Regtbank, eischer ter eenre, en J. G. C. Maasman, oud drie-en-

vytüg jaren , van beroep handelaar in brandstoffen, geboren in Hanover, wonende te Amsterdam, bekl. ter andere zijde, waarbij deze, naar aanleiding van artt. 12 en 89 der algemeene verordening op de wijze van heffing en invordering van de plaatselijke accijnsen binnen de gemeente Amsterdam, afgekondigd den 10 Sept. Ifc63, n". 14, artt. 1 en 2 van het besluit van den Raad der gemeente Amsterdam op de heffing eener belasting op den turf enz., afgekondigd den 29 Sept. 1863, art. 1 der verordening op de invordering dier belasting, afgekondigd denzelfden dag, artt. 271, 272 en ki82 der wet van den 29 Junij 1S5 J (Stbl. n°. 85), artt. 1—4 j°. 9 der wet van den 22 April 1864 (Stbl. n°. 29', art. 52 Strafregt, artt. 207 en 227 Strafvord., is veroordeeld tot betaling eener geldboete van f 192, met subsidiaire gevangenis-straf enz., en zulks ter zake van zich te hebben schuldig gemaakt aan overtreding ter zake van plaatselijke belastingen door het, als handelaar in het artikel, geven van den last tot het doen van eene verkeerde opgave omtrent de soort van eene in te voeren lading turf;

Gezien enz.;

Gehoord het requisitoir van den proc.-gen., strekkende : «dat het Geregtshof voornoemd, regt doende op het hooger beroep, den app. zal verklaren niet-ontvankelijk in het hooger beroep van het vonnis van den 12 April 1866, in verband met dat van den 15Febr. 1866, voor zooveel hij bij deze vonnissen is vrijgesproken, en van het laatstgenoemde vonnis, voor zooveel de officier van justitie bij de Arrond.Regtbank te Amsterdam daarbij in zijne vordering tegen den bekl. en app. is verklaard te zijn ontvankelijk; wijders laatstgemeld vonnis voor zooveel noodig overigens zal bekrachtigen; voorts het vonnis van den 12 April 1866 zal vernietigen en, alvorens ten principale regt te doen, deskundigen zal benoemen, ten einde, na beëedigd te zijn, het Hof voor te lichten omtrent de vraag : of het in judicio overgelegde monster turf is baggerturf of mengturf, met reserve deikosten enz.;

Gelet enz.;

Overwegende , dat de bekl. en app. in hooger beroep is gekomen van het geheele vonnis van 12 April 1866 en, voor zooveel nood ia* ook van dat van den 15 Febr. te voren;

dat hij echter bij het eerstgenoemde vonnis is vrijgesproken van een gedeelte van de hem bij dagvaarding ten laste gelegde feiten • dat hij geen belang heeft om van dat gedeelte vnn rlnV. vnnnïo

hooger beroep te komen en daarin zooverre niet-ontvankeliik moet

vertinnwl • J

■ ?- dat de Proc-gen. verder heeft gerequireerd: dat do aop. ook niet ontvankelijk zou verklaard worden in vnn

dat gedeelte van het vonnis van den 15 Febr. 1866, waarbij de officier van justitie ontvankelijk is verklaard in zijne vordering tegen den bekl., nu app., op grond, dat deze beslissing zoude zijn een eindvonnis, waartegen het hooger beroep alleen openstond gedurende veertien dagen na de uitspraak en die termijn op den 23 April, wan-

uc ueivi. uaai tegen nooger beroep lieert aangeteekend, reeds lang verstreken was ;

0. echter, dut het slot van art. 242 Strafvord. bepaalt, dat van alle vonnissen, "welke geene eindvonnissen zijn, alleen gelijktijdig met de hoofdzaak in hooger beroep kan worden gekomen;

dat nu het vonnis van den 15 Febr. 1S66 niet is zoodanig eindvennis , daar het de oproeping en het verhoor van nieuwe getuigen beveelt om daardoor tot eene eind-beslissing te komen; en dat het zulks ook niet is voor dat gedeelte, waarin de officier van justitie ontvankelijk wordt verklaard in zijne vordering, omdat het vonnis een geheel uitmaakt, ten doel hebbende nieuwe bewijsmiddelen aan de Regtbank te verschaffen en niet in tweëen geplitst mag worden ;

dat dus de app., die gelijktijdig met de hoofdzaak in hooger beroep is gekomen van het vonnis van den 15 Febr., in dat hooger beroep ontvankelijk is;

O. verder, dat de app. heeft beweerd, dat het vonnis van den 15 Febr. 1S66 vernietigd zou moeten worden, op grond, dat de gevoerde wijze van procederen bij het Wetboek van Strafvordering niet bekend zou zijn ;

0. hieromtrent, dat de Regtbank, naar aanleiding van het onderzoele op de teregtzitting van den 18 Jan. Iü66 , waarin slechts drie door den bekl., nu app., medegebragte getuigen zijn gehoord, bij vonnis van den 15 l'ebr. de oproeping van nieuwe getuigen en de overbrenging ter griffie van een monster, dat als stuk van overtuiging zou kunnen dienen , heelt bevolen en daarmede niet in strijd heeft gehandeld met art. 181 Strafvord., dat niet in dien beperkten zin behoort opgevat te worden , dat de Regtbank alleen dan nieuwe getuigen zou mogen doen oproepen , als er reeds getuigen, door het Openb. Min. gedagvaard , gehoord waren , noch ook , dat zij zich slechts zulke nieuwe stukken zou mogen doen voorbrengen, die konden voorgelezen worden ,*

dat mitsdien het Hof, zich verder ook geheel vereenigende met het vonnis van den 15 Febr. 1866 , dat vonnis zal behooren te bekrachtigen ;

0., dat de proc.-gen. verder heeft gerequireerd, dat het Hof het vonnis vsn den 12 April 1866 zou vernietigen, wegens schending der artt. 1, 4 27 en 438 Strafvord., op grond, dat de Regtbank

Sluiten