Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 4 November 1867.

N°. 2944

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGÏSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

NEGEN- EN-TWINTIGSTJt JAARGANG.

JUS ET VERITA8.

Dit blad verschijnt geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs der advertentiën, zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieoen, enz., behalve van 11 TI. gewone correspondenten , franco.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Hamer van Vacaiitie.

Zitting van den 27 Augustus 1867.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

Opgraving eener sloot. — Aansprakelijkheid. — Meester. —

Auctor intellectualis. — Bedienden. Manus ministrae. — Mededaders.

Is in het geval, dat eene opgraving niet in het algemeen verboden is, maar bij gemis van vergunning, de meester of lastgever, die, in weerwil van dat gemis, het werk laat verrigten, als de eigenlijke dader, daarvoor alleen aansprakelijk, zoodat de arbeiders alsdan slechts te beschouwen zijn als de bloote werktuigen ? — Ja.

Kunnen de laatsten wel worden geacht strafbaar te zijn als mededaders van het feit, wanneer niet blijkt, dat zij van het gemis van vergunning kennis droegen ? — Neen.

De officier van justitie bij de Regtbank te Nijmegen heeft zich in cassatie voorzien tegen een vonnis van de Arrond.-Regtbank te Nijmegen, in hooger beroep gewezen, van den 11 Mei 1867, voor zoover de beide gerequii eerden W. Scholten en J. Scholten, beide arbeiders, geboren en wonende te Eist, daarbij in dat opzigt, met vernietiging van een vonnis van den kantonregter te Eist van den 28 Febr. lö6 7, zijn ontslagen van regtsvervolging ter zake van het hun bij dagvaarding in fine ten laste gelegde feit van het opgraven over eene lengte van 80 ellen van de sloot, loopende langs den weg van Eist op Bemmel, voorkomende onder n°. 6 op legger A der wegen inde gemeente Eist, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Eist, vóór of op den 27 Oct. 1865.

Nadat te dezer zake door den raadsheer Donker Curtiüs het verslag was uitgebragt, heeft de adv. -gen. Römer de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achib, Heeren, President en Raden ! De geachte heer req. van cassatie heeft de voorziening beperkt tot dat gedeelte "van het vonnis, waarbij de gerequireerden zijn ontslagen van regtsvervolging. Hij beweert namelijk, dat de Regtbank ten onregte heeft beslist, dat de gerequireerden ten deze hebben gehandeld als manus ministrae, omdat het door hen gepleegde feit per se strafbaar is.

Ik kan die meening niet deelen. Het feit, in zooverre het aan de kennisneming van den IToogen Raad is onderworpen, bestaat in het opgraven eener sloot, als arbeiders, op last van het Folder bestuur. ■Dit feit zoude volgens den heer req. strafbaar zijn volgens art. 44, ïi0. lo van het reglement op de wegen in de provincie Gelderland va» 16 Dec. 1857, n°. 55, (Prov. Blad n°. 103), indien het plaats beeft zonder toestemming van Burgemeester en Wethouders. Het is dus niet per se strafbaar, zoo als b. v. het geval zoude zijn, indien de aarde niet op de gebruikelijke wijze werd opgeworpen, zoo als in hetzelfde artikel wordt bepaald. Het Polderbestuur, op wiens last de gerequireerden handelden, konde dus die vergunning hebben verkregen , en de Regtbank beslist, dat zij door de houding van den heer burgemeester in den waan waren gebragt, dat het Polderbestuur tot het geven van dien last volkomen bevoegd was. De beslissing der Regtbank in jure is dus volkomen juist. De Raad vergelijke het arrest van 27 Dec. 18ü5 {Ned. Regtspr., d. 81, bl. 321 en Ö29) en Kiijne conclusie in zake L. H. c. s.. beslist bij arrest van 26 Junij jl.

Ik moet echter met betrekking tot deze voorziening is cassatie eenc andere bedenking aan den Hoogen Raad mededeelen. Ik betwijfel namelijk of het vonnis van het Kantongeregt vatbaar was Voor hooger beroep. Er waren oorspronkelijk twee feiten ten laste gelegd, beide betrekking hebbende tot het af graven van wegen in de Provincie Gelderland. Zoodanige feiten nu leveren , volgens de jurisprudentie van den Raad, overtredingen op van de reglements depetite voirie en de vonnissen, in dergelijke zaken gewezen, zijn dus niet vatbaar voor hooger beroep. Zie de aanteekening van den heer Schooneveld in de derde uitgave van het Wetb. v. Strafr., op art. 47 h n.'* 5' aantt- 23> 34, 35 en 36.

Nu is echter het tweede feit door de Regtbank gesplitst en, voor zooveel de aanklagte betreft het afgraven van den weg, hetwelk met bewezen is verklaard, heeft de heer req. in het vonnis der Regtan eiust. e voorziening betreft het feit, inde derde plaats aan-

p-e s te 1 (f "h \\ üfl r f3 1J4A 6t °Pgravender sloot; zoodanig feit is strafbaar gesteld by art 4 6 van het reglement met eene boete van 10 tot 50 cents per strekken e el, met benalincr vnn sn « * ^

r -k ,fi„ , "cpanng \an 50 cents als minimum en

/ <5 als maximum dei op te lecffïen fpirihnot-a re-- i * v •*. ■

beslist over welke lengte de sloot is afgegraven, maJar ^ deVtelijke beslissing kan met worden afgeleid, dat de !rerenim,.f.,H„„

gure boete dan / 20 zouden hebben beloopen. Ook dan zoude het feu met vatbaar z.jn voor hooger beroep. Ik geloof echter dat bi de beoordeeling van de appellabiliteit, het vonnis van den kanton regter, b.j hetwelk liet feit, in de tweede plaats ten laste geleed" namelijk het opgraven van den weg, met was gesplitst, in verband met de dagvaarding alleen in aanmerking kan worden genomen en dat mitsdien geen hooger beroep tegen dat vonnis kon ingesteld Worden.

Mijne andere bedenking bij deze voorziening in cassatie is deze : dat de strafvervolging is aangelegd tegen twee personen gelijktijdig, dat zij bij het vonnis van den kantonregter ook solidair iu dé kosten zijn verwezen.

, Noch uit de dagvaarding, noch uit de feitelijke beslissing van eene der regterlijke uitspraken blijkt echter, dat de gerequireerden het

m vereeniging zouden hebben bedreven. Volgens de jurisprudentie

van den Hoogen Raad moesten dus de zaken der beide gerequireerden zijn gesplitst. Ik verwijs slechts naar het arrest van 28 Aug. 1866 {Ned. Regtspr. d. 83, bl. 288). Indien de Hooge Raad dus van oordeel is, dat in deze tegen het vonnis van den kantonregter teregt hooger beroep is ingesteld, zou er eene nieuwe behandeling der zaken moeten plaats hebben.

Ik heb de eer, namens den heer proc.-gen., te concluderen tot vernietiging van het vonnis, door de Arrond.-Regtbank te "Nijmegen in deze zaak gewezen, voor zooverre dat vonnis aan de beslissing van den Raad is onderworpen; en dat de Raad, doende wat de Regtbank had behooren te doen, het hooger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Kantongeregt te Eist, zal verklaren niet-ontvankelijk, met veroordeeling van de gerequireerdeu solidair in de kosten, in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie, bestaande in : schending van art. 49 van het reglement op de wegen in de provincie Gelderland van den 16 Dec. 1857 {Prov. Blad van Gelderland van 1857, n°. 103) doordien de materiële daad van het ten laste gelegde afgraven van den weg van Bist op Bemmel, voorkomende sub 6 op den legger A der wegen in de gemeente Eist, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders dier gemeente, ten onregte is geoordeeld onstrafbaar opzigtens de gerequireerden, omdat zij bloot zouden hebben gehandeld als lasthebbenden van een ander;

Overwegende, dat het beroep is gerigt tegen het ontslag van regtsvervolging der gerequireerden bij het° beklaagde vonnis , in zoover , met vernietiging van een veroordeelend vonnis van het Kantongeregt te Eist, uitgesproken ter zake van het hun, onder anderen, bij dagvaarding ten laste gelegde feit van opgraving, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders, eener" slooC breeder bij dagvaarding omschreven, en wel ter daarbij uitgedrukte lengte van 80 ellen;

O., dat het gezegde ten laste gelegde feit bij het in hooger beroep alsnn vernietigd vonnis van den eersten regter is gequalificeerd opzigtens de gerequireerden: strafbare overtreding van art. 44, lo., van het provinciaal reglement op de wegen in Gelderland van den 16 Dec. 1857, en de gerequireerden te dier zake bij gezegd vonnis zijn veroordeeld ieder in eene boete van f 8, met solidaire verwijzing in de kosten, en zulks met toepassing van art. 46 van dat reglement, waarbij is bedreigd eene boete van 10 tot 50 cents per opgegraven strekkende el, tot een maximum van f 75 voor eiken overtreder;

dat, in strijd met die uitspraak, bij het nu beklaagde vonnis het daarbij uitgesproken ontslag van regtsvervolging berust op onstrafbaarheid der gezegde overtreding opzigtens de gerequireerden, en zulks op grond: quoad factum, dat de gerequireerden de bewuste sloot nebben opgegraven als arbeiders op Jast van het daarbij betrokken Polderbestuur, terwijl zij door de houding van den burgemeester 111 den waan gebragt waren , dat het Polderbestuur tot het geven van dien last was volkomen bevoegd, en quoad jus, dat dienstbaren, vooral onder de omstandigheden, zooals zij zich in casu voordoen, niet verantwoordelijk kunnen worden geacht voor eene daad waarvan het strafbare is afhankelijk gesteld van een door den meester te verrigten en door dezen verzuimde formaliteit;

O., dat nu het tegen die beslissing gerigt actueel beroep steunt eeniglijk op beweerde schending van art. 49 van het bovenvermelde provinciaal reglement, uit hoofde gelijktijdige strafbaarheid van lasthebbenden en lastgever, welke in dat artikel zou liggen opgesloten, bij het beklaagde arrest zou zijn miskend en terzijde geschoven;

0., dat nogtans het als geschonden voorgesteld artikel alleen dan kan toepasselijk zijn , wanneer het geldt feiten, welke per se absoluut en niet bloot bij niet-vervulling eener gestelde voorwaarde en alzoo alleen voorwaardelijk zijn strafbaar gesteld ;

0., dat toch slechts in het eerste geval de daad op zich zelf oplevert een geheel voltooid misdrijf, waarvoor ieder , die het pleegt, en dus ook de dienstbare , die op last zijns meesters zoodanig misdrijf pleegt, verantwoordelijk is;

0., dat daarentegen in het tweede geval , zoo als dat zich hier voordoet, vermits de plaats gehad hebbende opgraving alleen is verboelen bij gemis van vergunning, de meester of lastgever, die , in weerwil van dat gemis, het werk laat verrigten , ais de eigenlijke dader, de auctor intellectualis, daarvoor alleen aansprakelijk is, en de arbeiders alsdan slechts zijn aan te merken als de bloote werktuigen, de manus ministrae, indien zij althans van het gemis der vereischté vergunning geene kennis hebben gedragen, in welk geval alleen zij als physieke mededaders zouden strafbaar zijn ;

0., dat alzoo de regtsbeschouwing, waarop het uitgesproken ontslag van regtsvervolging rust is allezins juist en daarmede van zelve is voldongen de ontoepasselijkheid in casu van voornoemd art. 49 en alzoo ook de ongegrondheid van het aangevoerde en op beweerde schending van dat artikel rustende cassatie-middel;

O. eindelijk, dat, vermits in facto bij het bestreden arrest is aangenomen, dat de gerequireerden in den waan zijn gebragt geworden, dat de vereischte vergunning was verleend, daardoor van zelf hunne wetenschap van het gemis daarvan is uitgesloten, zoodat alle denkbeeld van mededaderschap en alzoo ook de toepasselijkheid, op grond daarvan , van het ingeroepen art. 49 der ten deze bedoelde verordening, daarmede vervalt;

Verwerpt het beroep;

De kosten te dragen door den Staat.

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN NOORDBRABANT.

Zitting van den 19 Februarij 1867.

Voorzitter, Mr. J. Verspelt. ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE 'S HERTOGENBOSCH.

Burgerlijke hamer.

Zitting van den 27 Junij 1866.

Voorzitter, Mr. J. M. B. J. van dek Does de Willebois.

Komt aan den verkooper, wanneer in het oorspronkelijk koopcontract het regt van weder-inkoop niet is voorbehouden {art. 1555 B. W), niettemin dat regt van weder-inkoop toe, op grond van het bewezen feit, dat de kooper na het sluiten van het koop-contract aan den verkooper de toezegging heeft gedaan, dat hij kooper het verkochte zal teruggeven, zoodra de verkooper tot den weder-inkoop in staat zal zijn ? — Ja.

m. C. j. Mulders en consorten, eischers, procureur Mr. Sassen,

tegen

P. van der Meulen , gedaagde, procureur Mr. Vekhellootv.

De Regtbank enz.,

Gehoord partijen in hare middelen en eonclusiën, strekkende enz.;

Ten aanzien der daadzaken :

Overwegende, dat de eischers vorderen verklaring, dat zij geregtigd zijn op de terugname van de grove en smalle tienden onder Orthen , gewoonlijk genaamd de tiend van Orthen; dat bij interlocutoir vonnis dezer Regtbank van den 15 Dec. 1865 (waarbij alle feiten betrekkelijk dit geding zijn opgenomen) , bevolen is , dat dë ged. zal worden gehoord op negen-en-dertig bij dat vonnis omschreven vraagpunten ; dat dit verhoor op 13 Jan. 1866 voor den benoemden regter-commissaris heeft plaats gehad ; dat nader door de eischers beweerd is, dat de ged. in het verhoor op vraagpunten heeft bekend , dat het beding gemaakt is van de tiend te kunnen terugbekomen en de vordering dus bewezen is, en eindelijk door den ged., dat de eischers hunne vordering gegrond hebben op het regt van wedefinkoop bij de artt. 1555 en volg. B. W. omschreven, en dat regt door de antwoorden van den ged. niet is bewezen en zelfs buiten de acte van verkoop niet kan bewezen worden , en bijgevolg de vordering, zoo als die is ingesteld , niet mag worden toegewezen , terwijl zelfs de handelingen van partijen aan de eischers , geene actie hoegenaamd kunnen geven;

In regten :

O., dat de vordering der eischers is gegrond op het beding, dat bij den koop van den tiend onder Orthen, tusschen de eischers en den ged. gemaakt is : dat de eischers dien tiend zouden kunnen terugbekomen tegen de teruggaaf van den koopprijs , zoodra zij tot die teruggaaf in staat zouden zijn ;

0. , dat uit de antwoorden op de gestelde vraagpunten en bepaald uit het antwoord op de vraag, ambtshalve door den regter-commissans gedaan, volledig blijkt, dat de ged. bekend heeft, dat zoodanig beding gemaakt is, doch acht of veertien dagen, welligt drie weken, na het transport en dat bijgevolg hier eene geregtelijke bekentenis aanwezig is ;

0., dat hiertegen niets afdoet, dat de ged. bij zijne bekentenis gevoegd heeft, dat het beding eerst drie weken na het transport zoude gemaakt zijn; dat toch artt. 1555 en volg. B. W., alleen de regtsgevolgen regelen van een regt door de wet aan ieder toegekend, om zoodanige overeenkomsten te maken als hij goedvindt, mits niet in strijd met de goede zeden of openbare orde ;

dat hier eene overeenkomst van koop en verkoop bestond en partijen een later beding van weder-inkoop gemaakt hebbende, niets anders gedaan hebben dan een vermogen daar te stellen, dat niet bij de acte zelve gegeven was, dus niets anders is dan een pactum adjectum, een geheel uitmakende met de acte van koop en verkoop, stilzwijgend daarna verwijzende en wel degelijk buiten de acte mogende bewezen worden;

O., dat uit een en ander volgt, dat de vordering zal behooren te worden toegewezen ;

Regt doende enz.,

Verklaart dat de eischers zijn geregtigd op de terugname van den tiendblok onder Orthen , tegen teruggaaf van den door den ged. daarvoor betaalden koopprijs, met de kosten op en ter zake van den koop en de levering gevallen en hetgeen hij daarvoor besteed heeft;

Verklaart van waarde het gereed aanbod en de consignatie;

Veroordeelt den ged., om binnen veertien dagen na de beteekening van dit vonnis, door eenen notaris te zijner keuze en ten koste van de eischers eene acte te doen opmaken , waarin hij aan de eischers, als weder-inkoopers , met al de verpligtingen van het laatste lid van art. 1568 B. W., weder overdraagt den opgemelden tiend en dien ook ten koste der eischers in de daartoe bestemde openbare registers te doen overschrijven;

Bepaalt, voor het geval dat de ged. aan deze veroordeeling niet voldoet, dat dit vonnis aan de eischers zal strekken tot regtstitel van eigendoms-overgang met bevel op den bewaarder der hypotheken om dit vonnis, op vertoon der eischers in de openbare registers over te schrijven;

Veroordeelt den ged., om gemelden tiend ter vrije beschikkiug van de eischers te laten en hun af te geven of te vergoeden, de vruchten van den tiend van het afgeloopen jaar 1865 , in de verhouding van hetgeen er dat jaar, na het gemeld gereed aanbod aanwezig was, tot den duur van het geheele jaar;

Sluiten