Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene tegenovergestelde leer tot het gevolg zou leiden, dat, vermits de opp. niet geregtigd is voor dien vroegeren mede-ged. vorderingen te doen of conclusiën te nemen , het vonnis , bij verstek eventueel vernietigd wordende , evenwel ten aanzien van dien mede-ged. van kracht zou blijven , weshalve ten diens opzigte het arrest zou zijn vervallen en de in beslag genomen goederen aan de tegenwoordige geopp. als haar eigendom zouden moeten worden afgegeven ; terwijl het ten opzigte van den opp. daarop zou blijven kleven en deze qq. als eigenaar dier goederen zou moeten worden beschouwd, hoedanige tegenstrijdige beslissingen voor geen der partijen eenig effect kunnen hebben;

dat de vrijwillige opheffing van het arrest do ir den arrestant enkel als een gevolg van diens berusting in het bij verstek gewezen vonnis is te beschouwen, maar in casu niets afdoet, omdat deze handeling den opp. niet aangaat en, evenmin als de bij pleidooi beweerde, doch niet bewezen overeenkomst om den arrestant buiten het tegenwoordig geding te honden, tot het volgen van een tegen het regt strijdende proces-orde kan wettigen ;

Gezien, behalve het aangehaalde artikel, artt. 160 en 56 B. R.;

Regt doende enz.,

Verklaart den opp. niet-ontvankelijk in zijn verzet, zoo als dit door hem is gedaan ;

Veroordeelt hem qq. in de kosten van het regtsgeding.

(Gepleit voor den opposant Mr. S. J. Cohen, en voor den geop-

poseerde Mr. X. C. de Vries.)

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE ZWOLLE. Burgerlijke kamer.

Zitting van den 25 September 1867.

Is een eisch, gedaan tegelijk met de actie tot scheiding en deeling,

dat de Regtbank den publieken verkoop gelaste van de tot den

boedel behoorende onroerende goederen, ongegrond en onregtmatig, te dien effecte, dat hij bij verstek moet worden ontzegd ? — Ja.

Zijn door de dagvaarding alleen de mede-eigenaren in deze behoorlijk opgeroepen? — Neen.

A. Meulink c. s., eischers, tegen

J. Groenenberg c. s., gedaagden.

De Regtbank enz.,

Gehoord de conclusie van eischeren dd. 4 Sept. 1867 , luidende:

dat bij vonnis dezer Regtbank :

lo. de gedaagden zullen worden veroordeeld, om met de eischers over te gaan tot scheiding en verdeeling der nalatenschap van L. van Munsteren voornoemd en de huwelijksgemeenschap , die tusschen haar en den eersten eischer heeft bestaan, met benoeming van eenen notaris, ten wiens overstaan de scheiding zal worden tot stand gebragt, waartoe eischeren zich de vrijheid veroorloven , aan te bevelen den notaris Mr. J. 11. van Roijen, te Zwolle, met bepaling van den dag en het uur waarop partijen zonder nadere oproeping ton kantore van dien notaris zullen verschijnen;

2". de publieke verkoop zal worden gelast van de tot den boedel belioorende vaste goederen, conform de voorschriften der wet, speciaal van art. < 89 B. R. en volg., met benoeming van den notaris, ten wiens overstaan die verkoop zal geschieden , vvaartoo de eischeren denzelfden notaris aanbevelen en den dag en het uur, waarop die zal worden gehouden, met last dat van dit alles aan de vorige belanghebbenden worde kennis gegeven op zoodanige wijze en binnen zoodani^en tijd als de Regtbank zal vermeenen te behooren;

Stellc'nde de eischers alsnog voor, dat de Regtbank bepale den verkoop der vaste goederen te houden overeenkomstig plaatselijke gebruiken in het gebouw Odeon te Zwolle in twee zittingan, de eerste voor de inzate op den derden Dingsdag na de uitspraak van het te wijzen vonnis , de tweede voor de finale veiling en toeslag op den vijfden Dingsdag na dezelfde uitspraak , telkens des middags om twaalf uren , en de comparitie voor de scheiding des boedels op den zevenden Dingsdag na dezelfde uitspraak des morgens ten tien ure, met condemnatie van de gedaagden , ingeval van tegenspraak, in de kosten van het proces, welke anders zullen komen ten laste des boedels;

0., dat in het jaar 1834, zonder huwelijksvoorwaarden zijn gehuwd de eerste eischer met L. van Munsteren ;

dat dit huwelijk op den 21 Mei 1S66 is ontbonden door het overlijden van laatstgenoemde, die tot hare wettelijke erfgenamen naliet hare vijf kinderen, Geertje, Jannes, Hermannus, Aibert en Aaltje Meulink voornoemd , en bij uitersten wil aan den eersten eischer het levenslang vruchtgebruik harer nalatenschap heeft besproken; dat de huwelijksgemeenschap tusschen den oersten eischer en wijlen zijne vrouw en de nalatenschap van laatstgenoemde een gemengden boedel zijn , waartoe eischers en gedaagden te samen zijn geregtigd, geïnventariseerd bij notarieële acte van den 12 Aug. 1866, gepasseerd voor den notaris Mr. J. H. van Roijen , te Zwolle, terwijl eischers de bedoelde onverdeeldheid wenschen te doen ophouden en van meenin<* zijn , dat, om eene behoorlijke verdeeling te kunnen daarstellen, eri om de schulden des boedels te betalen , de vaste goederen tot den boedel behoorende en bij de geregistreerde acte van dagvaarding vermeld , behooren te worden verkocht; dat eischeren daarom eene tweeledige vordering instellen: 1". dat gedaagden zullen worden veroordeeld om met eischeren tot voorschreven scheiding en verdeeling over te gaan ; en 2°. dat de publieke verkoop zal worden gelast van de tot den boedel behoorende vaste goederen;

dat gedaagden ten dienenden dage geen procureur hebben gesteld en verstek tegen hen is verleend ;

0. ten opzigte der eerste vordering, dat de termijnen en formaliteiten der wet behoorlijk zijn in acht genomen en dat de eisch zelve niet ongegrond of onregtmatig toegeschenen is en alzoo voor toewijzing vatbaar is ;

0. wat de tweede vordering betreft, dat dezelve alleen gebaseerd is op eene bloote meening van eischeren , maar dat, dezelve moet steunen op een aan den regter gebleken noodzakelijkheid; dat deze noodzakelijkheid echter eerst bij de handeling van boedelscheiding zelve kan blijken ; dat dezelve volgens de bepalingen der wet niet kan worden aangenomen , zonder dat partijen zelve daarover zijn gehoord of behoorlijk opgeroepen en daarom deze tweede eisch , zoodanig als die in het geding is aangebragt, als onregtmatig voor geene toewijzing vatbaar is ;

Regt doende bij verstek ,

Veroordeelt gedaagden om met eischers over te gaan tot scheiding en verdeeling van de nalatenschap van L. van Munsteren voornoemd en de huwelijksgemeenschap, die tusschen haar en den eersten eischer heeft bestaan ;

Benoemt tot notaris , ten wiens overstaan de scheiding zal worden tot stand gebragt den heer Mr- J. H. van Roijen , notaris te Zwolle, met bepaling, dat partijen zich ton voorschreven einde ten zijnen kantore zullen sisteren op den derden maandag na beteekening van dit vonnis, des voormiddags ten tien ure ;

Verklaart vooralsnog de vordering tot magtiging voor den verkoop der in den boedel aanwezige vaste goederen niet-ontvankelijk, de kosten ten laste des boedels.

KANTONGEB.EGTEN.

lv A NTONGEREGT Tli WAGENINGEN.

Zitting van den 9 October 1867.

Plaatsverv. kantonregter, W. Hoogvliet.

De bepaling van art. 479 , n". 8 , Strafregt, kan niet worden toegepast, indien het bewijs wordt geleverd, dat de rust der ingezetenen niet is verstoord.

Wij kantonregter enz. ,

Gezien de acte van dagvaarding van den 10 Sept. 1867;

Gezien en , in praelecture door onzen griffier, ter audientie , gehoord een proces-verbaal van den 25 Aug. 1867, opgemaakt door A. V., veldwachter , wonende te Geldersch-Veenendaal, op den eed bij de aanvaarding zijner bediening afgelegd ;

Gehoord den ambtenaar van het Openb. Min. in de voordragt deizaak en in zijn schriftelijk genomen en ter tafel overgelegd requisitoir , strekkende daartoe, dat de bekl. zal worden schuldig verklaard aan het hem ten laste gelegde feit, en mitsdien veroordeeld tot eene gevangenis-straf van één dag en in de kosten ier procedure, des noods bij lijfsdwang te verhalen;

Gehoord den bekl. , die beweert zich niet te herinneren, dat hij zich aan nachtgerucht heeft schuldig gemaakt;

Overwegende met betrekking tot de daadzaken;

dat in bovengenoemd proces-verbaal is geconstateerd, dat de bekl. op den 25 Aug. dezes jaars , des avonds omstreeks negen ure, op den openbaren weg te Geldersch-Veenendaal, heeft gezongen en geschreeuwd , waardoor, zoo als althans het prtces-verbaal luidt, »de rust der ingezetenen daar verstoord werd» ;

0., dat het ons niet overtuigend is gebleken, dat de bekl. zich aan het hem ten laste gelegde feit heeft schuldig gemaakt;

dat, wel is waar, in het proces-verbaal van den veldwachter is gerelateerd, dat de bekl. de rust der ingezetenen heeft gestoord, maar dat die stoornis door geen enkel bijkomend feit is bevestigd; dat de veldwachter, daaromtrent gehoord , dan ook heeft verklaard

dat hij , met de vermelding dat de rust was gestoord, enkel heeft bedoeld, dat liet gerucht van rustverstorenden aard was , doch dat hij niet heeft opgemerkt, dat een der ingezetenen werkelijk in zijne

rust is gestoorci;

O., dat de oorspronkelijke tekst der wet, waarvan de officiële

vertaling zoo geheel afwijkt, spreekt van »auteurs ou complices de

hmilc nu fnnn.nfi!t 1n.1n.r1 fi.i/nr nu nnrhimfis fmiililnnt In

m-hu - T ,7 - " --V -w, uw u utö

habitants.»

0., dat het derhalve voor de toepassing van de strafbepaling noodig is, dat door het beleedigend, of door het nachtelijk gerucht de rust van een of meer inwoners werkelijk is verstoord geworden ;

0., dat dit niet alleen blijkt uit de geschiedenis der wet, die kort na de dagen van het Schrikbewind werd uitgevaardigd , om zoowel beleedigende als nachtelijke volksverzamelingen te kunnen tegengaan, maar ook uit hare duidelijke bewoordingen , daar zij niet zegt «hij die een rustverstorend gerucht maakt» , hij wijze van aanduiding van den aard van het gerucht, maar uitdrukkelijk »het gerucht dat de rust der inwoners stoort" ;

0. , dat de onderstelling dat de rust is verstoord, wanneer dit niet is gebleken , behalve dat zij in strijd is met de woorden en den geest der wet, tot eene zeer onbillijke toepassing van straf zoude kunnen aanleiding geven , daar het gerucht op eene eenzame, van iedere woning verwijderde plaats, waar de rust onmogelijk kon verstoord worden , alsdan evenzeer strafbaar zoude zijn , als wanneer het in de kom der gemeente had plaats gehad ;

0., dat bij de vroegere jurisprudentie in Frankrijk, om de strafbepaling te kunnen toepassen , dan ook uitdrukkelijk werd gevorderd dat de rustverstoring kennelijk was gebleken. Zie o. a. de arresten van het Hof van cassatie van den 1 Sept. 1856 en van den 2 Aug. 1828 {.Tournal du Palais)-,

dat, wel is waar, eene tegenovergestelde leer is gehuldigd bij arresten van dat Hof van den i April 1830, 8 Dec. 1832 , 25 April 1331 en 5 Sept. I83"> (.Tournal da Palais), en bij arrest van den Hooo-en Raad dd. 16 Dec. 1851 ( Weekbl. n". 1366), waarbij is beslist , dat het voor de qualificatie »troublant la tranquillité des habitants» genoegzaam is, dat de regter uit de bewezene omstandigheden van het feit het bewijs hebbe kunnen opmaken, dat het gerucht uit zijnen aard rustverstorend is geweest, al blijkt het niet dat de rust werkelijk is verstoord geworden; doch dat, daargelaten in hoever deze leer in strijd is met liet beginsel dat strafwetten zijn van strikte interpretatie , het in ieder geval toch wel nimmer de bedoeling des wetgevers kan geweest zijn, om het verwekken van geruchten met straf te bedreigen , indien het bewijs wordt geleverd dat de rust in geenen deele is gestoord ;

O. dat het veeleer is bewezen, dat de rust niet, dan dat die wel verstoord is , daar de veldwachter in zoover op zijne in 't procesverbaal afgelegde verklaring is teruggekomen , dat hij op de teregtzitting uitdrukkelijk heeft verklaard niet in 't minst bespeurd te hebben dat de rust der ingezetenen werkelijk is gestoord geworden;

0., dat bovengenoemd proces-verbaal het eenige bewijsmiddel is tegen den bekl. aangevoerd, en dat de verklaring aangaande de ruststoornis daarin vervat, door den op de teregtzitting er aan gegeven uitleg , ten eenemale wordt ontzenuwd;

0. , dat het ons derhalve niet is gebleken, dat door het zingen en schreeuwen van den bekl., bij eenig ingezetene een staat van rust in een staat van onrust is veranderd, door bij hem schrik, verontwaardiging, angst als anderzins, te verwekken, welk een en ander onder do woorden »troubler la tranquillité' des habitants« moet worden verstaan ;

O., dat de bekl., bijaldien zijne schuld niet is bewezen, moet worden vrijgesproken;

Gezien art. 210, 252 , j*. art. 227 Strafvord.;

Regt doende enz.,

Verklaren dat de schuld van den bekl. aan het liern geimputeerde feit niet is bewezen ;

Spreken hem mitsdien vrij , de kosten te dragen door den Staat.

PLAATSELIJKE VERORDENINGEN.

(Ingezonden.)

De meeste, zoo niet alle collegiën van gedeputeerde-staten hebben de gewoonte, zoo de politie-verordeningen der gemeente-besturen hun stof tot aanmerkingen geven, in plaats van dadelijk de vernietiging aan den koning voor te dragen , hunne bedenkingen mede te deelen aan den raad, die dan somtijds, door wijziging der verordening , aan de gerezen bezwaren te gemoet komt.

Die gewoonte nu heeft meermalen scherpe bestrijding ondervonden , en zij wordt o. a. nu weder afgekeurd in het laatste nommer van de Gemeente-stem.

Naar mijne meening is alles wat men daartegen inbrengt zeei ongegrond, en zou het zeer te betreuren zijn, indien de gewestelijke besturen zich daardoor lieten verleiden om eene goede en nuttige gewoonte te laten varen. Hóe dikwijls gebeurt het niet, inzondei heid inde kleine plattelands-gemeenten, dat (ieraden, die daar niet altijd zijn zamengesteld uit wet-geleerden, in de eene of andere dwaling vervallen, alleen door onbekendheid met het één of andei wets-artikel. En als zij dan worden teregtgewezen, en gaarne de onwillekeurig begane fout herstellen, is dat dan niet verreweg te verkiezen boven den omslag en het tijdverlies, die aan eene vernietiging moeten voorafgaan ?

Dat, gelijk beweerd wordt, de gewijzigde verordening niet moei zijn zoude de uitdrukking van de meening van den raad, kan ik vo strekt niet inzien. Dat zou alleen dan waar zijn, indien de i'aa werd of kon worden gedwongen zich te schikken naar de aanmerkingen van gedeputeerde staten. Maar als de raad, overtuigd 0 zelfs niet overtuigd van dwaling , maar om andere redenen in he belang der gemeente, goedvindt zijne oorspronkelijke verordening 'e wijzigen , waarom is dan die verordening niet meer de uitdrukking' zijner meening, niet het werk van zijn vrijen wil ? Daartoe zal het toch wel geen vereischte zijn, dat de raad zelve hebbe verzonnen alles wat in de verordening gevonden wordt; — genoeg is het, zoo hij het vrijwillig en door niemand gedwongen vaststelt.

Daar komt bij, dat in gevallen van wezenlijk verschil van gevoelen op kennis van zaken gegrond, de gemeente-raden in het algemeen niet zoo bereid worden bevonden om toe te geven aan aanmerkingen , die zij voor onjuist houden. Die gevallen zijn zeer zeldzaam. En als de gemeente-besturen dit al een enkele maal doen, omdat zij het willen, dan bestaan daarvoor doorgaans zeer gewigüSe redenen.

De Gemeente-stem gaat echter verder. Zij heeft eene andere bedenking. Zij noemt de zaak onwettig en ongrondwettig. De koning alleen heeft, zegt zij, het regt van vernietiging, en aan hem alleen komt dus het onderzoek toe van de vraag of eene plaatselijke verordening in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Volkomen waar, althans wat het eerste betreft; want een zeker regt van onderzoek hebben gedeputeerde staten wel. De koning alleen kan vernietigen ; maar gedeputeerde staten hebben te onderzoeken, of zij de vernietiging zullen voordragen ; en of daarvooi gronden bestaan, dat moeten zij beslissen.

Wat daarvan echter zij , ik kan al weder niet inzien , in welk opzigt door gedeputeerde staten , indien zij den raad opmerkzaam maken op dwalingen en vergissingen , die zij meenen in de verordeningen te vinden , inbreuk maken op het koninklijk regt; en de zwarigheid bewijst veel teveel. Het gevolg daarvan zou eigenlijk zijn, dat gedeputeerde staten iedere verordening moesten brengen on ei de oogen des konings; want, al houden zij ze voor volkomen wettig, daaruit volgt nog niet, dat de koning er met anders over denken kan; en de koning verkeert dus m het geval , dat er aanmerkingen gemaakt worden, die al of met worden toegegeven , geheel in denzelfden toestand als in dat, wanneer gedeputeerde staten geene bedenkingen hebben , en dus de verordening eenvoudig aannemen. Zijn regt van onderzoek en vernietiging blijft in beide gevallen onverkort; en aan inbreuk op dit regt zou alleen dan kunnen gedacht worden, indien eene voordragt of inededeeling van gedeputeerde staten een noodzakelijk wettig vereischte was voor de vernietiging door den koning.

Een plattelander.

HOOGK RAAD.

Burgerlijke Hamer.

Zitting van Donderdag, 7 November.

Voorzitter, Mr. F. de Gbeve.

I. Beëedigd als raadsheer bij hetProv. Geregtshofin Zuidholland, de heer Mr. B. II. M. Hanlo.

II. Uitspraak gedaan in zake:

Mr. M. Ii. T. H. van Buren en F. Martin Kruse qq., eischers, procureur Mr. C. J. Franpois, tegen Mr. F. de 1'Eau verweerder procureur Mr. J. van der Jagt. Verworpen.

III. CoNCLDSit door het Openb. Min. genomen in zake :

L. Hoyack en Comp., eischers, procureur Mr. M. Eyssell, tegen F. Reppetto, verweerder, procureur Mr. C. J. Eranpois. Adv.gen. Gregory concludeert tot verwerping. Uitspraak 6 December.

IV. Uitgesteld tot 22 November de pleidooijen in zake;

het Bestuur der Registratie, eischer, procureur Mr. C. J. Fran-

fois , tegen J. F. Serté, verweerder, procureur Mr. J. van der Jagt.

V. Gepleit in zake :

C. J. van der Chijs , eischer, procureur Mr. J. van der Jagt, advokaat Mr. J. Kappeyne van de Coppello, tegen L. E. Visser, handelende onder de firma Visser en Comp., verweerder, procureur Mr. M. Eyssell, advocaat Mr. A. de Pinto. Conclusie van het Openb. Min. bepaald op 14 November.

NB. Vrijdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Door den gouverneur-generaal van Ned. Indië is op verzoek eervol ontslagen, uit zijne betrekking van advokaat en procureur bij het Hoog Geregtshof van Nederlandsch Indië, Mr, J. M. van Benthem van den B ergh ; en

benoemd, tot adv.-gen. bij het Hoog Geregtshof van Nederlandsch Indië de president van den Raad van justitie te Padang (Sumatra s Westkust) Mr. B. de Groot.

BERIGTEN.

s Gravenhage , den 9 November.

Op Vrijdag 8 Nov. 11. herdacht de heer Mj. F. de Greve, thans voorzitter van den Hoogen Raad der Aederlanden , zijn vijf-en-twintig jarig lidmaatschap in dat collegie. De heer de Greve ontving bij die gelegenheid velerlei welverdiende blijken van achting en genegenheid. Door eene commissie uit den Hoogen Raad werd hem > namens zijne ambtgenooten , een zilveren beker aangeboden , prij" kende met het beeld der geregtigheid en met een toepasselijk opschriftOnder de vele vrienden en belangstellenden die den voorzitter op dien gedenkwattrdigeu dag hunne hulde kwamen aanbieden , bevond zi0'1 ook eene commissie uit den Raad van toezigt voor de orde van advokaten en eene andere uit het bureau van consultatie. Nog werd er door den secretaris-generaal van het Departement van Justitie, bij de voortdurende ernstige ongesteldheid van den minister, aan den jubilaris namens den Koning de versierselen overgebragt van grootufficier der orde van de Eikenkroon.

Sneljses-stlrdli en uitgave vaa WEBKOEBKBS

, te 'a iarateulmgc.

Sluiten