Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 18 November 1867. N°. ^^0'^

WEEKBLAD VAN HET REGT.^

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

NEOJiJN.EN-TWINTIGSTM JAARGANG. JUS ET VERITAB.

blad verschijnt geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs dsr advertentiën zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van HH. gewone correspondenten , franco.

NB. Bij dit Nummer behoort een Bijvoegsel.

PROVINCIALE HOVEN. provinciaal geregtshof in noordholland.

Iiamer vuil correctionele appel)en.

Zitting van den 18 April 1867.

Voorzitter, Mr. J. M. van Maanek.

Bewijs. — Bekentenis van mede-beklaagden. — Aanwijzing.

Vernietiging van een vonnis, op grond dat de bekentenissen van twee der beklaagden hebben gestrekt tot bewijs van de schuld eens derden, en dat tot bewijs der schuld van een beklaagde is aangenomen eene aanwijzing welke niet wettig en overtuigend was bewezen.

Het Hof enz.,

Gezien het vonnis der Arrond.-Regtbank te Amsterdam, regt doende in correctionnele zaken, op den 6 Febr. 1867 in eersten aanleg gewezen , tusschen den officier van justitie bij die Regtbank, eischer ten eenre en D. Middeldorp , oud drie-en-zestig jaren , opperman , geboren te Li rem en , J. van Velzen , oud zes-en-dertig jaren, opperman , geboren te Amsterdam, W. Heydt, oud veertig jaren, metselaarsbaas , geboren te 's Gravenhage, allen wonende te Amsterdam, gedaagden ter andere zijde , waarbij deze , naar aanleiding van artt. 386, n°. 3, 59, 62, 52, 55 Strafregt, artt. 7, 14, n°. 6 der wet van 29 Junij 1854 (Stbl. n°. 102), artt. 1, 2, 3 der wet van 28 Junij 1851 (Stbl. n". 68), artt. 207, 227 en 216 Strafvord., zijn veroordeeld tot: de eerste, gevangenis-straf van drie jaren, de tweede en derde ieder tot eene cellulaire gevangenis-straf van een jaar en solidum in ie osten , en zulks ter zake van zich te hebben schuldig gemaakt aan . cle beide eersten , diefstal door handwerkslieden ten nadeele van lunnen meester uit diens pakhuis; de derde, medepligtigheid aan den door den eersten en tweeden beklaagde gepleegden diefstal, door het desbewust heelen en verbergen van het gestolene, met vrijspraak van den eersten bekl. van een diefstal van 280 regenbaksmoppen, tusschen 15 Maart en 1 April 1866, en van den derden bekl. van medepligtigheid aan dien diefstal, door het desbewust heelen van die steenen;

Gezien enz.;

Gehoord het requisitoir van den proc.-gen., strekkende; «dat het Geregtshof voornoemd, regt doende op het hooger beroep, het voormeld vonnis zal bekrachtigen, voor zooveel de vrijspraak betreft, doch voor het overige zal vernietigen, wegens schending van artt. 1, 427, 439 Strafvord. , en op nieuw regt doende , de beklaagden en geappelleerden zal schuldig verklaren aan de hun ten laste gelegde ieiten , daarstellende, ten aanzien der beide eerstgenoemden : diefstal door een handwerksman in het pakhuis van zijn meester, enten aanzien van den laatstgenoemde: medepligtigheid aan diefstal door een handwerksman in het pakhuis van zijnen meester, door het gestolene desbewust te heelen, en te bergen en hen veroordeelen : den eerste tot gevangenis straf van drie jaren, den tweede en derde ieder tot eene gevangenis-straf in eenzame opsluiting te ondergaan voor den tijd van ée'n jaar en solidum in de kosten enz.;

Gelet enz.;

Overwegende, dat de bekl. in appel is gekomen van het geheele vonnis van 6 Febr. 1867 ;

dat hij bij dat vonnis van een gedeelte van het hem ten laste gelegde is vrijgesproken;

dat hij geen belang heeft om van dat gedeelte van het vonnis in appel te komen, en mitsdien in zooverre niet-ontvankelijk in zijn hooger beroep zal moeten verklaard worden;

G., dat de officier van justitie in hooger beroep is gekomen van het geheele vonnis van 6 Febr. 1867 , ten opzigte van de drie

veroordeelden ;

dat de eerste en derde beklaagden bij dat vonnis zijn vrijgesproken van een gedeelte van hetgeen aan ieder hunner was ten laste

gelegd;

dat het Hof zich geheel vereenigt met de gronden , waarop door den eersten regter die vrijspraak is uitgesproken en dat het vonnis, voor zooveel dat gedeelte betreft, bekrachtigd zal moeten worden;

O. alsnu ten opzigte van de veroordeeling der beide eerste beklaagden :

dat de eerste regter tot bewijs van de aan de beklaagden ten laste fp'i.Si»?. il.ten 6n hunne 6chuld daaraan heeft aangenomen de beken-

SC de:rtevi:rdteWeezde:dbeklaagden > d°01' de ***&>

bekentenis van den eerstenXk^hlT'16 ge?ige" ; ,dat mItSdT de de schuld des anderen ; eft ëestrekt tot bewijsmiddel van

dat hierdoor geschonden zijn: artt. 1 427 en 4o„ strafvord

worden ;°nniS' ^ ged6eUe ' ** beh°°ren Ve™e'igd *

O. ten opzigte van de veroordeeling van den derden bekl •

dat de eerste regter tot bewijs van de schuld van dien bekl. aan «e hem in de eerste plaats ten laste gelegde feiten o. a. heeft aangenomen als eene aanwijzing, die de reeks der aanwijzingen vergroot de handeling, welke dien bekl. in de tweede plaats was ten laste gelegd, doch welke de Regtbank verklaart dat niet wettig en overtuigend is gebleken en waarvan zij dien bekl. bij haar vonnis heeft ^rUgesproken ; dat mitsdien tot bewijs van de schuld van dien bekl. heelt gestrekt eene aanwijzing, welke niet wettig en overtuigend '•ewezen was en om die reden het vonnis, ook wat dat gedeelte betreft, za' behooren vernietigd te worden;

Gezien behalve de aangehaalde artikelen , art. 247 Strafvord.; . Verklaart den bekl. W- Heydt niet-ontvankelijk in zijn hooger Jetoep van dat gedeelte van het vonnis der Arrond.-Regtbank te

Amsterdam, regt doende in corractionele zaken op den 6 Febr. 1867, in eersten aanleg tegen de drie beklaagden gewezen , waarbij hij is vrijgesproken van een gedeelte van de hem ten laste gelegde feiten; Zich geheel vereenigende, met dat gedeelte van dat vonnis, waarbij

de beklaagden D. Middeldorn en W TTevdt ziin vrijgesproken van

een gedeelte der hen ten laste gelegde feiten;

Zich voor het overige niet vereenigende met dat vonnis;

Vernietigt dat vonnis voor het overige;

En alsnu op nieuw regt doende,

O. enz.;

Verklaart enz.;

Veroordeelt enz.

(Gepleit door Mr. P. A. Haas Az. voor den derden beklaagde.)

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN DRENTHE.

Burgerlijke Utamer.

Zitting van den 9 Februarij 1867.

Voorzitter, Mr. P. A. van Holthe tot Echten.

Mbdedeeling van acten tot procureurstelling.

Aiix. 148 B. R.

Is art. 148 B. R. van toepassing ook op acten van procureurstelling en van sommatie, en zijn deze acten te beschouwen als stukken, welke door de eene partij tegen de andere worden gebruikt ? — Neen.

J. Kloekers, kassier, wonende te Assen, appellant en incidenteel verzoeker, procureur Mr. J. Oosting ,

tegen

J. M. Mulder, wagenmaker, wonende te Assen, geïntimeerde en incidenteel verweerder, proeurenr Mr. J. A. Wili.ingb Gratama.

Het Hof enz.,

Gehoord de incidentele conclusie van partijen;

Overwegende, dat er in het bij acte van appel van den 26 Dec. 1866 ingesteld en van summiere behandeling verklaard, hooger beroep van een vonnis der Arrond.-Regtbank te Assen van den 10 Dec. 1866, bij de tot dit arrest behoorende incidentele conclusie door den app. op grond van art. 148 B. R., is gevraagd de mededeeling, door overlegging ter griffie van dit Hof, van twee acten van procureurstelling van Mr. J. A. Willinge Gratama, beide op den 28 Dec. 1866 aan den procureur van den app. beteekend , waarvan de laatst beteekende mede inhoudt eene sommatie, om op den volgenden morgen , den 29 Dec. 1866 op de teregtzitting van dit Hof te verschijnen en door den geïnt. ten aanzien van dit verzoek, is gedaan referte aan de prudentie van dit Hof, een en ander in voege bii die conclusie omschreven;

O., dat acten van procureurstelling en van sommatie zijn acten van procedure en niet stukken, die door de eene partij tegen de andere worden gebruikt, zoo als in art. 148 B. R. vermeld en onder anderen bij de daaraan voorafgaande artt. 133, laatste alinea, 139, 143, laatste alinea en 144 bedoeld en waarvan ook in hooger beroep in art. 343 van dat zelfde wetboek de rede is;

O., dat, volgens het aangehaalde art. 148 , van zoodanige stukken alleen de mededeeling of overlegging ter griffie van de oorspronkelijke stukken kan gevraagd worden en de incidentele conclusie van den app. mitsdien in regten is ongegrond;

Regt doende enz.,

Ontzegt den app. zijnen incidentelen eisch;

Veroordeelt hem in de kosten daarop gevallen, en

Gelast partijen overeenkomstig de wet voort te procederen.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN LIMBURG.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 12 November 1866.

Voorzitter, Mr. R. «L F. Capitaine.

Paleis van justitie en caserne voor de maréchaussee te Maastricht. — Eigendom. — Gsbruik. — Ontruiming.

Kan de provincie Limburg, aan ujie bij koninklijk besluit in 1825 zijn afgestaan gebouwen, om die in te rigten voor regtsgebouw en voor de caserne der marechaussee, de ontruiming daarvan vorderen, op grond dat zij ria de Grondwet van ! 848 en de provinciale wet, niet meer gehouden zou zijn in die behoeften te voorzien? — Neen.

De Staat der Nederlanden, appellant, procureur A. Sassen, tegen

den commissaris des Konings in het Hertogdom Limburg, geappelleerde , procureur Mr. Ecg. van Oppen.

(Zie het vonnis a quo in Weekbl. n". 2663.)

Het Hof enz.,

Gehoord het Openb. Min. bij monde van den proc.-gen., concluderende, dat het den Hove moge behagen het beroep en het vonnis der Arrond.-Regtbank te Maastricht, waartegen beroep, te niet te doen, het Hertogdom Limburg, oorspronkelijk eischer, ongegrond te verklaren in alle zijne vorderingen en die partij te veroordeelen in de kosten der beide instantiën ;

Met opzigt tot de daadzaken;

Overwegende, dat, onder beheer der Grondwet van 1815, tot be¬

zuiniging en vereenvoudiging in de administratie, de bestrijding van kosten van onderwerpen, met het algemeen belang in verband staande, aan de Provinciale Staten is opgedragen geworden, en dat ter voorziening in die kosten, bij art. 14 der wet van 12 Julij 1821 aan de Provinciale Staten is toegestaan het heffen van 6 opcenten op de hoofdsom der belastingen op de gebouwde en ongebouwde eigendommen en op het personeel; dat dien ten gevolge op de begrooting der Provinciale Staten van Limburg voor het dienstjaar 1823 zijn gebragt de vroeger door 's Rijks schatkist betaald wordende justitiekosten, en op die begrooting is uitgetrokken eene som van J 4925 voor kleine onkosten van de Regtbanken van eersten aanleg, van koophandel, van enkele politie- en vredegeregten, alsmede van schrijfloonen van de collegien van regenten der gevangenissen, kosten van dagelijksch onderhoud en kleine reparatien van de regtshuizen en de gevangenissen, de kosten van huur van regtshuizen en gevangenissen, kosten van reparatie en van aankoop van mobilair van de regtbanken en gevangenissen, toelage voor eventueel te kort op de kleine onkosten der regtbanken en kosten van verhuizing of verplaatsing van regtbankeu; terwijl de Provinciale Staten tevens hadden te voorzien in de huur van de kazerne der marechaussee; dat de Provinciale Staten reeds in 1824 er op bedacht zijn geweest om door aankoop van gebouwen in cvengemelde kosten eene bezuiniging te verkrijgen en tot dat einde den 21 Julij 1824 het volgende adres aan den Koning hebben ingezonden:

"Sire! de Staten der provincie Limburg, zich in derzei ver tegenwoordige zitting onledig gehouden hebbende met het onderzoek omtrent de wijze, op welke eene allezins doelmatig geoordeelde en wegens het onvoegzame der thans gebruikt wordende lokalen sints lang gewenschte verplaatsing van de onderscheiden regtbanken en derzelver vereeniging in een en hetzelfde gebouw in de hoofdstad der provincie zou kunnen plaats hebben, vermeenden te dezer gelegenheid het vroeger ontworpen plan te moeten opvatten om de voormalige Minderbroederskerk, een te Maastricht aanwezig vervallen gebouw, tot zoodanig einde in te rigten en tevens te doen strekken tot daarstelling eener kazerne voor de marechausse'e, welke thans in een van de stad gehuurd gebouw gevestigd is, dan, de kosten, tot welke de uitvoering van dit plan zal aanleiding geven, op eene som van nagenoeg f 40,000 begroot wordende, zoo is de Staten-Vergadering te rade geworden Uwe Majesteit het voorstel te doen om de bedoelde werken ten koste der provincie tot stand te brengen, doch Hoogstdezelve eerbiedig te verzoeken, dat het Uwe Majesteit goedgunstig moge behagen :

1". het vervallen kerkgebouw van de voormalige Minderbroederskerk, ten einde voorschreven, aan de provincie af te staan ;

2". gelijken afstand te willen verleenen van het thans door de Regtbank van eersten aanleg gebruikt wordende lokaal, zijnde het voormalig Statenhuis, met autorisatie van hetzelve, nadat de Arrond.Regtbank in het nieuwe te stichten hotel zal zijn overgebragt, te mogen verkoopen, onder vrijstelling van het daarop verschuldigd regt van registratie, en de opbrengst te doen strekken tot gedeeltelijke aflossing der voor rekening der provincie tot vinding der hier bedoelde kosten op te nemen penningen ;

3°. tot tegemoetkoming voor de provincie in dezelve kosten eene subsidie van f12,000 uit 's Rijks schatkist goedgunstig te willen verleenen. De Staten, bij dit hun eerbiedig voorstel geene andere bedoeling hebbende dan het verheffen van den allezins geoasten luister welke zij vermeenen, dat aan het Prov. Hof der assisei en de in dé hoofdplaats gevestigde regtbanken van eersten aanleg behoorde te worden bijgezet, durven zich vleijen, dat hetzelve door Uwe Majesteit goedgunstig zal worden opgenomen»;

dat in antwoord op dit adres den 22 Aug. 1825 , n°. 119 , is genomen een Koninklijk besluit, o. a. inhoudende:

Wij Willem, bij de gratie Gods Koning der Nederlanden, Prins van Oranje Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg enz. enz. enz.; Gezien enz.; Gelet op een adres van de Staten der provincie Limburg van den 21 Julij 1824 nopens de wenschelijkheid om de onderscheiden regtbanken te Maastricht in een en hetzelfde gebouw te vereenigen en daartoe de gewezen Minderbroederskerk aldaar te bestemmen, wordende daarbij tevens het aanbod gedaan om, onder zekere bepalingen , de vereischte werken ten koste der provincie te doen uitvoeren ; Gezien het rapport van Onzen minister van Binnenlandsche Zaken van den 10 Mei 11., n°. 74, ten geleide eener missive van Onzen Staatsraad-Gouverneur voornoemd, daarbij overleggende eene schetsteekening, benevens een bestek en begrooting van kosten ten bedrage van f 43,000 voor de inrigting der gewezen Minderbroederskerk te Maastricht , tot een paleis van justitie en eene kazerne voor de maréchaussee. Gelet enz. Hebben goedgevonden en verstaan : 1». Het aanbod der Provinciale Staten van Limburg aannemende, te bepalen dat de gewezen Minderbroederskerk te Maastricht, thans als artillerie-bergplaats gebezigd wordende, zal worden ingerigt voor de zittingen der regterlijke collegien, en tot eene kazerne voor de maréchaussee, en zulks overeenkomstig de daarvan opgemaakte plans en bestekken, zullende die werken ten koste der provincie worden uitgevoerd; 2*. daartegen aan de provincie ten voorschreven einde afstand te doen; a. van het meergemeld kerkgebouw, b. van het thans door de Regtbank van eersten aanleg in gebruik zijnde en den lande toebehoorende lokaal, zijnde het voormalig Statenhuis, met autorisatie om hetzelve, nadat de Arrond.-Regtbank in het nieuw daar te stellen gebouw zal zijn overgebragt, te verkoopen, en de opbrengst daarvan te doen strekken tot gedeeltelijke aflossing der , voor rekening der provincie, ter vinding der bedoelde kosten op te nemen gelden; wordende die verkoop, nu vooralsdan, van het daarop verschuldigd regt van registratie bij deze vrijgesteld, c. tegemoetkoming in de kosten van inrigting van meergemeld kerkgebouw tot een paleis van justitie en eene kazerne voor de mare'chausse'e van de provincie uit's lands kas te verleenen eene subsidie van ƒ12,000 te vinden enz.;

dat van de overgave der Minderbroederskerk is opgemaakt een procesverbaal, waarin onder anderen voorkomt: Op heden den 26 Nov. 1825 , des voormiddags ten 11 ure, vergaderden.

Sluiten