Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijke verpligting ligt, dus ontslag van regtsvervolging moet uitspreken , en zich niet bepalen kan bij eene niet-ontvankelijk-verklaring, onverschillig of het hooger beroep ingesteld zij door den bekl. of door het Openb. Min, of gelijk in cctsu, door heiden;

Verklaart de appellanten ontvankelijk in hun hooger beroep , en ten aanzien der zaak zelve :

0., dat de Raad der gemeente Harderwijk bevoegd was om bij verordening van '2 1 vSept. 1865 maatregelen te nemen tegen het ontstaan of de verspreiding der veeziekte binnen die gemeente , en om, op grond van art. 161 der gemeentewet, op de overtredingen dier verordening straf te bepalen , //voor zoover daartegen bij geene wet of al^emeenen maatregel van bestuur of provinciale verordening is voorzien//;

0. echter, dat bij die strafbepaling deze beperking van art. i 6! , voormeld, niet is in acht genomen ; dat toch bereids bij art. 5 der wet van 9 Julij 1842, straf bepaald was tegen de overtreding van alle in het algemeen belang van den veestapel reeds vastgestelde, of nog nader vast te stellen maatregelen en bepalingen, en dus de strafbepaling in de voormelde verordening der gemeente Harderwijk, op het oogenblik dat zij on bevoegdelijk werd ter neêr geschreven , van regtswege ongeldig was, als in strijd met art. 161 der gemeentewet; en op de overtreding aan de beklaagden ten laste gelegd, tijdens zij begaan werd op 14 Febr. li., toepasselijk was art. 5 der meergenoemde wet van 9 Julij 1842;

0. echter, dat bij art. 18 der wet van 19 April 11. (in werking getreden met den dag harer afkondiging in het Staatsblad op 23 April 11), art. 5 der wet van 9 .Julij 1 42, bij het bestaan van veetyphus binnen het Kijk — hoedanig bestaan door de herhaalde opgaven in de Staats- Courant is geconstateerd— is ingetrokken;

0., dat op den algemeenen regel van art. 2 der wet op den Overgang van 23 Dec. 1 -37, volgens welke na vernieuwing eener strafwet steeds de straffen moeten wordeu opgelegd die op de misdrijven gesteld zijn, op het oogenblik dat zij zijn bedreven, eene uitzondering is gemaakt in het 3de lid van dat artikel, voor het geval dat bij de nieuwe strafwet tegen het gepleegde misdrijf geene straf is bedreigd, als wanneer wegens hetzelve ook geene straf kan worden uitgesproken ;

O., dat die uitzondering door de intrekking der wet van 9 Julij 1842 hier aanwezig is, vermits op het onderwerpelijke feit evenmin de straf bij de hierboven aangehaalde gemeen te-verordening bepaald meer kan worden toegepast, daar die, volgens het bereids overwogene van den beginne aan ongeldig is geweest, en de bepaling eener verordening die bij haar ontstaan nietig en krachteloos was , niet door verloop van tijd of veranderde omstandigheden stilzwijgend wcêr regtskracht kan verkrijgen;

0., dat op het aan de beklaagden ten laste gelegde feit mitsdien geene strafbepaling bestaat, en zij ten onregte op 23 April 11., zijnde de dag der in-werking-treding van de wet van 19 April 1867 (Stbl. no. 3ü), uit kracht van art. 5 der wet van 9 Julij 1842 tot straf zijn veroordeeld;

Doet te niet de acten van appel, en

Zich vereenigende met de beslissing des eersten regters, voor zooveel aangaat het bewezene der daadzaken;

Bevestigt te dien aanzien het vonnis, waarvan is geappelleerd;

Doch overigens hetzelve vonnis vernietigende;

Verklaart, dat het bij dagvaarding aan de beklaagden ten laste gelegde en bewezen feit noch misdaad, noch wanbedrijf, noch overtreding daarstelt, en

Gezien art. 210 Strafvord.;

Ontblaat de beklaagden D. v. d. B. en W. H. van alle regtsvervolging te dezer zake; de kosten der beide instantiën te dragen door den Staat.

Op 30 April daaraanvolgende besliste de Regtbank van Arnhem in gelijken zin als bij het bovenstaand arrest is medegedeeld.

Het, betrof de zaak van H. J. en W. J. , aangeklaagd dat zij , slagers zijnde, zonder voorzien te zijn van het gevorderde bewijs dat

in hunne woonplaats geene oesmettenjKe veeziekte neerscuie en z-ij niet uit besmette streken kwamen , zich in de woning van eerien veehouder, ter plaatse waar zich diens vee bevond, hadden begeven.

De Regtbank gaf daarin het navolgend vonnis :

Overwegende dat, uit hetgeen de buitengewone veldwachters der gemeente Ede, wonende te Lunteren, G. v. 1). en H.deJ. relateren in het op hunnen ambtseed opgemaakt procesverbaal, nader door hen ter teregtzitting onder eede bevestigd , in verband met de bekentenis der beide eerste beklaagden, resulteert dat die beide eerste beklaagden slagers zijn, en zich op 11 Maart 1867 te zamen hebben begeven in de woning van den derden bekl. , waar zich diens vee bevindt, zonder voorzien te zijn van een door den burgemeester der gemeente Kde voor «gezien'/ geteekend bewijs van het hoofd der politie hunner woonplaats, dat aldaar geene besmettelijke veeziekte heerschte, en dat zij, zoo ver hun bekend is, niet uit besmette streken kwamen;

0., dat dit feit verboden wordt in art. 1 der verordening der gemeente Kde van den 19 !M>r. 1866 en straf Daar was volgens art. 5 der wet van 9 Julij 184^ \&löL n°. 21);

O., dat echter in art. 18 der wet van l 9 April 1867 (Stbl. n30) gemeld art. 5 niet meer toepasselijk wordt verklaard , zoodra door den minister van Binnenlandsche /aken het bestaan van veetyphus binnen het Kijk is bekend gemaakt;

0. dat zulk eene bekendmaking heeft plaats gehad, blijkende dit onder anderen door de door dien minister in de Slaats- Courant gedane opgave van den staat van den veetyphus in het Rijk en het daarscellen en°bewaken van lijnen van afsluiting tot wering van den veetyphus van Regeringswege, en dus gemeld art. 5 niet meer toepasselijk is ;

0., dat wel tijdens het plegen van het feit, op 11 Maart 1^67, gemelde wet van 19 April lt>67 nog niet in werking, en art. 5 deiwet van 9 Julij lb42 {Stbl. n'. 21; nog ten volle toepasselijk was, doch dat, zoowel volgens de algemeene beginselen van >trafregt, als volgens art. 52 der wet op den Overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving, tegen een feit, dat, hoewel strafbaar op het tijdstip dat het gepleegd wordt, geene straf tijdens de beregting kan uitgesproken worden, zoodra eene latere strafwet daar geene straf op stelt;

0, dat wel in art. 4 der gemelde verordening der gemeente Kde straf wordt bedreigd op de overtredingen dier verordening, doch dat volgens art. 161 der gemeentewet, de Raad der gemeente geene straf tegen de overtredingen dier verordening had mogen bedreigen, daar hiertegen reeds door art. 5 der wet van 9 Julij i 842 {Stbl. n . 21) was voorzien;

0. dat, ook bij het niet meer toepasselijk zijn dier wetsbepaling, echter de strafbepaling in de gemeente-verordening zelve gesteld, geene regtsgeldigheid kan bekomen, daar deze van den beginne af geene regtsgeldigheid heeft gehad, en als niet bestaande moet blijven worden beschouwd;

0., dat ook bij geene andere wet of wettelijke verordening straf tegen het ten laste gelegde feit is gesteld ;

Ontslaat de beide beklaagden van alle regtsvervolging;

(Deze uitspraak werd bevestigd bij arrest van den 11 Junij , met ontvankelijk-verklaring van het appel, op dezelfde gronden als in het bovenstaand arrest.

Ook tegen dit arrest is door het Openb. Min. cassatie aange* teekend,)

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN NOORDHOLLAND.

Itainer van Ourg-erlljfte cakea*

Zitting van den 17 Januarij 1867.

Voorzitter, Mr. J. M. van Maanen.

Vreemde vonnissen.—Competentie van den Nederlandschen

rhgter.

Indien 's regters bevoegdheid om kennis te nemen van eene vordering tot executoir-verlclaring van een vreemd vonnis wordt betwist , behoort, vóórdat een onderzoek naar die bevoegdheid noodig is , onderzocht te worden of er een vreemd vonnis is , waarbij de geschillen tusschen partijen , voor goed zijn beslist.

S. G. Kreeft en J. Howardt, firma S. C. Kreeft, appellanten , procureur Mr. J. H. van Kys,

tegen

f5. W. Croker, geïntimeerde, procureur J. G. Kuhn.

(Zie het vonnis a quo in Weekbl. n°. 2822.)

Het Hof enz.,

Gehoord den pree.-gen. in zijne conclusie , strekkende tot bekrachtiging van het vonnis a quo, met veroordeeling van de appellanten in de kosten , zoo in eersten aanleg als in hooger beroep ;

Ten aanzien der feiten en gevoerde procedures ter eerster instantie, zich gedragende en alzoo overnemende hetgeen dienaangaande vermeld is in het vonnis , door de Arrond.-Regtbank alhier op 26 April 1866 tusschen partijen gewezen , waarbij op de gronden daarin uiteengezet, gemelde Regtbank zich onbevoegd verklaard heeft om van de na te melden vordering kennis te nemen, daartoe strekkende, dat bij vonnis van dezelve de beide vonnissen van het Kanselarij-Hof te : ii op 5 Julij 1862 en 11 Maart 1865 tusschen partijen gewezen , hier te lande uitvoerbaar verklaard zullen worden door alle middelen regtens, en subsidiair, indien de Regtbank vermeenen mogt, dat de voornoemde veroordeeling zelve in het vonnis van den Nederlandschen regter herhaald behoort te worden , dat alsdan de ged. veroordeeld zal worden om aan de eischers de som van pd. st. 4^08.11.8 te betalen, berekend in Nederlandsch courant met derenten a 6 pet. 's jaars sedert 11 Maart lt>65 , behoudens de andere vorderingen der eischers tegen den ged. ter zake voormeld; voorts met van-waarde-verklaring der arresten op 5 Mei 1865 door de eischers onder directie van de Duinwater-en Kanaal-maatschappij te Amsterdam gelegd ten bedrage van f 60,000 cum expensis;

Kn overwegende wijders, dat de oorspronkelijke eischers van gemeld vonnis in hooger beroep gekomen zijn en bij memorie van grieven hoofdzakelijk aangevoerd hebben, dat art. v: R. O., inhoudende de onderwerpen waarover de regter bevoegd is om regt te spreken tusschen Nederlanders, ook ingevolge art. 9 Alg. Bep., door vreemdelingen ingeroepen kan worden ; dat echter die leer over bevoegdheid in het algemeen hier niet behandeld behoeft te worden, daar de bevoegdheid om regt te spreken in gedingen, waarin reeds door vreemde regtbanken vonnissen gewezen zijn, op de speciale bepaling van art. 431 Ü. R. rust, waarvan de slotsom is, dat de Nederlandsche regter niet onbevoegd is tot kennisneming van het tegenwoordig geding; dat de Regtbank zeer juist overwogen heeft, dat een der uitgezonderde gevallen, in gemeld art. 431 vermeld, hier niet aanwezig is; dat daaruit echter alleen volgt: dat de executoir-verklaring niet gevorderd kan worden zonder nieuw onderzoek , niet dat de primaire vordering ontzegd moest worden, zoo als de

regter a quo gedaan neeai , uai mcb ucwcciu u»l uc x>euei-

landsche regter bevoegd zoude zijn om van alle geschillen, tusschen vreemdelingen ontstaan , kennis te nemen; dat het echter hier niet geldt eene rauactie uit verbindtenis, maar eene vordering tot executoir-verklaring ven een vreemd vonnis, waarbij de nationale regter van partijen hunne geschillen reeds beslist heeft; dat bij het beroep door de Regtbank op de regels van de manier van procederen , in den derden titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, de afwijking daarvan, voor het daar behandelde onderwerp, bij art. 431 ibidem, uit het oog verloren wordt; dat de opmerking van den regter a quo juist is, dat alleen bij executoir-verklaring op request de Regtbank aangewezen is, waar het request ingediend moet worden, niet wanneer de executoir-verklaring plaats heeft na een nieuw onderzoek der zaak, doch dat in dat laatste geval per analogiam ook die Regtbank voor de meest aangewezene te houden is , in wier regtsgebied men wenschte te executeren; dat de regter a quo aan het woord moet in art. 431, al. 3, B. R., eene onjuiste beteekenis toeschrijft, zoo als door de appellanten nader uiteen gezet wordt; dat, wanneer het vaststaat, dat de Nederjandsche refter in genere bevoegd is kennis te nemen van een geding tot executoir-verklaring van een vonnis des vreemden regters, dan eene verklaring der wet, waardoor ieder Nederlandsch regter in specie onbevoegd zou zijn, niet toegelaten kan worden; dat dan, bij gebreke van aanwijzing van eene bepaalde Regtbank, de noodzakelijke gevolgtrekking moet zijn, dat iedere Nederlandsche Regtbank bevoegd is ;

Concluderende de appellanten op alle deze gronden dat het Hof, met vernietiging van het vonnis a quo , alsnog aan den geïnt. zijne in eerste instantie op^eworpene exceptie van onbevoegdheid ontzeggen en mitsdien verklaren zal , dat de Regtbank te Amsterdam bevoegd is om van de door de appellanten tegen den geïnt. ingestelde vordering kennis te nemen, met veroordeeling van laatstgemelde in de kosten van beide instantiën ;

dat de geïnt. daarop geantwoord heeft, dat art. 431, al. 2 B. li niet, zoo als de appellanten beweren, eene uitzondering op de gewone regels van competentie bevat, maar eene verbodsbepaling inhoudt, die in den regel jurisdictie van vreemde regters in Nederland weert en nieuwe behandeling en afdoening van het geschil gelast; dat daarbij teregt in het midden gelaten wordt voor welke regters; dat daaromtrent de regels in het eerste boek gegeven gelden ; dat volgens die regels de Nederlandsche regter ten deze geen regtsmagt zou hebben, zoo als die door de appellanten niet betwist wordt; dat men zich te vergeefs op den regel van art. 9 Alg. Bep. beroept, omdat art. 127 B. R. eene uitzondering vaststelt; dat wijders de geïnt. betoogd heeft, dat al 3 van art. 431 ibidem, in casu per analogiam niet toegepast kan worden ; dat, als het stelsel der appellanten opgaat, men dan tot het ongerijmde gevolg komt, dat zijdoor middel van een conservatoir arrest elke Regtbank in Nederland competent kunnen maken ; dat zoodoende de vreemdeling, die in Nederland geen verblijf heeft, een voorregt bezitten zou boven den inboorling of inwoner, die aan territoire regels van competentie gebonden is ; dat het eene onwaarheid is, dat de appellanten , zoo als zij beweren, een vonnis tegen den geïnt. hebben, en dat dit vonnis in Engeland executabel zou zijn ; dat alleen op grond dat pretense debiteuren hier woonachtig zijn, zij appellanten onder dezen bonservatoir arrest leggen en vorderen dat de Amsterdamsche Regtbank van de zaak kennis neme; dat zoo iets niet in art. 431 B.R. te lezen staat; dat de kennelijke bedoeling van al. 2 van gemeld artikel is , dat de gedingen op nieuw bij den bevoegden Nederlandschen regter behandeld en afgedaan kunnen worden; concluderende

de geïnt. alzoo tot bekrachtiging van het vonnis a quo, met veroordeeling van de appellanten in de kosten van beide instantiën, Overwegende in regten : .

dat de eischers, thans appellanten, beweren dat de Regtbank ^8 voegd is kennis te nemen van hunne vordering, op grond dat hier geldt eene vordering tot executoir-verklaring van een vreemd vonnis» waarbij de nationale regter van partijen hare geschillen reeds beslist heeft;

0., dat alzoo de feitelijke grondslag, waarop de bewering steunt, dat de Regtbank bevoegd is, is het bestaan van een vreemd vonnis, dat in kracht van gewijsde is gegaan ; ^

0., dat, gelijk volgens art. 59 li. R., bij eik vonnis ui«Praa'

♦ omtrent

U1UCI HWim/ll gV/HCltlil , DL VUIllCUU uv uflttuiunvu vu uuu. -

het regtspunt, ook in casu in de eerste plaats behoort onderzoen worden of er een vreemd vonnis is , waarbij de geschillen tussen partijen voor goed zijn beslist;

0., dat door de appellanten zijn overgelegd :

1°. een behoorlijk gelegaliseerd afschrift van vonnissen tusscneii partijen gewezen , waaruit blijkt dat door het Hoog Kanselarij-Ho in Kngeland op den 5 Julij 1862 is bevolen, dat zullen worden opgemaakt eenige rekeningen daarbij omschreven , en dat zal worden betaald hetgeen, ten gevolge van de opmaking der gezegde rekeningen, zal worden verklaard door de eene partij aan de andere schuldig te zijn;

2J. een behoorlijk gelegaliseerd afschrift van een vonnis tusschen partijen gewezen, waaruit blijkt dat de hoofd- of opperste klerk van het Hpog Kanselarij-Hof in Engeland heeft verklaard, overeenkomstig de hem door den vice-kanselier gegeven voorschriften , dat cie uitkomst der rekeningen , opgemaakt uit krachte van het vonnis d dato 5 Julij 1862 , onder anderen is als volgt: dat door B. * Croker moet worden betaald aan A. J. Kreeft en J. Howaï pd. St. 440-1.11.8;

U., dat daarentegen door den geïnt. is overgelegd een behoorlij gelegaliseerd afschrift van een bevelschrift van het Hooge Hof dei Kanselarij in Engeland, waaruit blijkt, dat door den lord opperkanselier in appel dd. t Julij 1865, is bevolen, dat alle regtshandelingen tegen den persoon of de bezittingen van den eischer PCroker, krachtens het bevel van 8 Junij 1 b65 , waarin de tijd word bepaald, voor de betaling door den eischer aan de verweerders S. C. Kreeft en J. Howard van de som van pd. st. 440*.11*8# (*0<?r het certificaat van den oppersten klerk van 1 i Maart 1865 geceitificeerd als door den eischer verschuldigd te zijn, worden geschorst,

Voorts een nader onderzoek is bevolen en bepaald, dat alle verdere nverwfio-intrp.n rlA7.nr 7.nwnrden verdaaad. om trehoord tö

worden door den lord ópper-kanselier, nadat de heeren , aan wie dat onderzoek is opgedragen, hun verslag zuilen hebben gedaan;

0., dat het niet blijkt, dat de voormelde schorsing later is opgeheven en alzoo niet kan worden aangenomen, dat er een vreemd vonnis is, waarbij de geschillen tusschen partijen voor goed zijn beslist;

O., dat mitsdien de feitelijke grondslag, waarop de eischer de bevoegdheid van de Regtbank beweert, ontbreekt, en daardoor een onderzoek of de Regtbank, bij het bestaan van een vonnis al of niet bevoegd zoude zijn van de vordering kennis te nemen, onnoodig wordt;

Zich alzoo, hoewel op andere gronden, vereenigende met de uitspraak van den eersten regter;

Bekrachtigt het vonnis a quo ;

Veroordeelt de appellanten in de kosten van het hooger beroep.

(Gepleit voor de appellanten Mr. A. Philips, en voor den geïntimeerde Mr. M. H. 's Jacob.)

PROVINCIAAL GERKGTSHOF IN GRONINGEN.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 17 September 1867.

Voorzitter, Mr. B. Wichers.

Liquidatie van proceskosten.

Is de gedeclareerde verpligt bij het door hem overeenkomstig art. 6 13 13. R. gedaan aanbod ook nog bovendien eene zekere som voor nakosten aan te biedeni — Neen.

Wanneer de declarant later verklaart mèt de aangeboden som tevreden te zijn en die te willen aannemen, komt dan nog wel eene regterlijke condemnatie van den gedeclareerde tot betaling te pas ? — Neen.

H. v. d. P.; eischer en declarant, procureur Mr. A. Modderman,

tegen

B. A., gedaagde en gedeclareerde, procureur Mr. J. L. Schaap.

HeL Üof enz.,

Gehoord de wederzijdsche conclusiën en pleidooijen van partijen;

Overwegende in J'actis :

dat de eischer, bij geregistreerd exploit van den 12 April 1867 , i aan ged. heeft doen beteekenen twee declaratiën van kosten, ten gezamenlijken bedrage van ƒ 44».74%, als aangewend, zoo in eersten aanleg als in hooger beroep, in de tusschen partijen gevoerde procedure ter zake van de executie van een vonnis door middel van lijfsdwang, getermineerd bij arrest van dezen Hove van den 11 Dec. 1866, op de expeditie geregistreerd en aan verweerder cas liquidatie van kosten beteekend , bij welk confirmatoir arrest laatstgenoemd® mede in de kosten van het appel is veroordeeld; houdende die bete ekening , onder aanbod van justificatoire stukken, tevens sommatie aan den geïnsinueerde om , binnen veertien dagen , desverkiezende, zoodanig aanbod te doen als hij zal geraden oordeelen;

dat gedeclareerde, bij geregistreerd exploit van den 26 April daaraanvolgende, aan den procureur van den declarant heeft aangeboden eene som van ƒ 350, tot vereffening van de geïnsinueerde declara* tien, met bereid-verklaring om die aangeboden gelden tegen quitantie te betalen ;

dat de declarant daarop, bij geregistreerde procureurs-acte van

6 Mei daaraanvolgende, den gedeclareerde heeft gesommeerd om den

7 dierzelfde maand ter rolle van dezen Hove te verschijnen , tefl einde voort te procederen tot liquidatie van de meerbedoelde geregts* kosten;

dat de declarant vervolgens , bij geregistreerd exploit van den 20 Mei, aan den procureur van gedeclareerde heeft doen beteekenen, dat hij de in de hoofdzaak aangeboden som van /' 350 aanneemt, onverminderd zijn regt om ter bekoming van dat bedrag, zoowel als tot verevening en voldoening der nakosten , verder tegen den gedeclareerde te procederen als naar regten; en hij daarna ten dienenden j dage ter rolle heeft geconcludeerd, ten einde het Hof den verweerder | cas liquidatie van kosten veroordeele tot betaling van J 350 voor de kosten der procedure in kort geding en die van het hooger beroep daarvan , met veroordeeling tevens in de bij het ten deze te vellen arrest te bepalen kosten van het verder geding;

terwijl de verweerder, cas liquidatie van kosten, hiertegen heeft i geconcludeerd, dat het Hof hem acte verleene van zijn bij exploit

Sluiten