Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BB

^örmalige heerliikheclen . die dat reb-t bevorens binnen zeker dis

trict hadden gehad, en daarvan tot in den jare 1794 in de possessie ^varen geweest, werd teruggegeven; doch dat deze teruggave, naar den geheelen inhoud van gemelde besluiten, en bovenal naar de

°nsideratiën, welke aan dat van 26 Maart 1314 zijn voorafgegaan, geenszins is geschied, omdat een herstel van "het heerlijk jagtregt wen-

nel\jk werd geacht, maar omdat de Souvereine Vorst, daartoe

gedrongen door velerlei reclames, het billijk en raadzaam oordeelde, door de opheffing van dit en andere regten benadeelde eigenaars Van heerlijkheden min of meer te gemoet te komen;

dat het echter niet aangaat onder die benadeelde eigenaars te rangsc ukken den staat, die niet kan geacht worden schade te hebben ge eden, wanneer hem door eene wettelijke verordening, in het algemeen belang, eenig regt is ontnomen; maar dat tot het aannemen an zulke benadeeling in casu nog te minder aanleiding bestaat, wee*d ^ ^ransact^e van 5 Jan- '800, waaraan de Staat zijn bellet ontleenen , werd aangegaan in een oogenblik, toen zwaa rl^V d ^aötregt vervallen verklaard, maar niet hersteld , beï ,r de contractanten als eene zaak, voor overdragt of rj ™tbaai'> kon worden beschouwd;

aat wijders bij art. I van het besluit van 8 Febr. 1815 ook van eene luggave van het heerlijk jagtregt aan voormalige bezitters, die het a zonderlijk titulo oneroso mogten hebben verkregen , sprake is; doch at deze bepaling, daargelaten dat het Domeinbestuur niet preteneert in^ dat geval te verkeeren , middellijk noch onmiddellijk van cenigen invloed kan zijn, vermits zij bevat eene uitbreiding aan het besluit van 26 Maart 1814 gegeven, nadat de wetgevende rnagt bij 0 Grondwet aan den Souvereinen Vorst en de Staten-Generaal in gemeen overleg was opgedragen;

dat eindelijk , wanneer men met het Domeinbestuur aanneemt, dat de heerlijke regten , den Markies van Bergen-op-Zoom gecompeteerd hebbende, met name het jagtregt, dat hem door den Hertog van Brabant, later van wege de Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden , in leen zal zijn gegeven , onder de overdragt of den afstand, hij de meergenoemde transactie van 5 Jan. 1800 , waren begrepen, het gevolg zal zijn , dat dat jagtregt door confusie zal zijn te niet gegaan , omdat de Bataafsche .Republiek , aan welke gedachte afstand plaats had, almede in de regten van de Staten-Generaal als leenheeren was opgevolgd ; en dat gemeld jagtregt ook uit dien hoofde noch in 1814 kon worden hersteld, noch in 1839 kon worden gereserveerd ; cn

dat het Domeinbestuur alzoo in zijne aanspraak is ongegrond, zonder dat het zelfs noodig zij , hetzij omtrent de vraag, of de Markies van Bergen-op-Zoom werkelijk een jagtregthad, hetzij omtrent do verbindende kracht van liet besluit van den 26 Maart 1814, alsniede van dat van 8 Febr. 1815, voor zoover het met het eerstgenoemde in overeenstemming is, in een opzettelijk onderzoek te treden;

Verleent acte aan partijen van hare respectieve verklaringen ; Verklaart voor regt, dat de oorspronkelijke eiseher is eigenaar "van het perceel heide onder de gemeente Hoeven , bij het kadaster kekend sectie G, n°. 195, alsmede dat de oorspronkelijke ged. is onbevoegd om, als pachter van het Domeinbestuur, een heerlijk jagtregt op dat perceel uit te oefenen ;

Veroordeelt den oorspronkelijken ged. tot vergoeding van de kosen, schaden en interessen , bij den oorspronkelijken eiseher geleden, ei zake dat hij op den :2 Dcc. 1865 op gezegd perceel heeft gejaagc , welke vergoeding nader, in den vorm der wet, zal behooren to worden geregeld;

oorKCr0°i^e-C^t *n vrliwai'ing geroepen Domeinbestuur om den ton {|10 e^ken Sec*- schadeloos te houden voor de condemnatiën ,

VIT- T°Cn hem ^sproken ;

P»nciPMJl Beslui» in de kosten, zoo op liet

i b°umg, ais 0p ia vrljWar!ng gerezen.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TJ5 LEEUWARDER.

Burgerlijhe kamer.

Zitting van den S April 3 S65.

Voorzitter, Jhr. Mr. E. J. J. v-in Etsinga.

Ttt

van 30 April 1863 (Stbl. n°. 38). — Artt. 10—13, 14 en

a<> dek avet van 28 Aug. 1851 (Stbl. n». 125). — Kon. ee®iiuit van 22 Sept. 1863, n°. 79. — Kon. besluit van 20 Oct. 1864 , n°. 63. — Onteigening. — Gemeenschap.— Minnelijke schikking.— Aanbod.—

Zin der woorden: verandering van

rigting en pellceelen.

Moet de regtsv ordering tot onteigening worden ingesteld tegen den ingeschreven eigenaar, onverschillig of dezen het te onteigenen goed in gemeenschap met anderen toebehoort? — Ja.

Vnivat een aanbod van overdragt van grond ten dienste van een spoorweg, aangewezen bij een Koninklijk besluit, ook eene bij later Koninklijk besluit aangewezen andere en grootere uitgestrektheid gronds ? — Neen.

Kan de onteigende partij zich beklagen over het niet vragen der regterlijke magtiging tot de poging tot vervreemding, wanneer het juist op haren weg lag die te vragen ? — Neen.

Staat het vaststellen van de rigting volgens art. 16 der wet van 28 Aug. 1851 (Stbl. nn. 125J gelijk en maakt het eene en dezelfde handeling uit met het aanwijzen van de perceelen, welke, volgens de opgemaakte plans of kaarten, waarop die perceelen zijn afgeteekend, onteigend moeten worden1 — Ja.

Bedoelt dezelfde wet met perceelen de oppervlakten gronds, die voor het werk noodig zijn, en dus zoowel geheele kadastrale perceelen als gedeelten daarvan ? — Ja.

De Regtbank enz.,

Gezien de conclusie van den eiseher enz. •

Gezien de conclusie van den ged. enz. •

Gelet op hetgeen tot adstructie van dezelve is aangevoerd •

Gezien de conclusie van liet Openb. Min., in geschrifte genomen

luidende':' "' bÜ dCZG KoStbank, aldus

De officier enz.,

Gezien en geëxamineerd hebbende de processale stukken •

Gehoord de wederzijds genomen conclusiën en hetgeen tot adstructie daarvan hinc inde bij pleidooi is aangevoerd;

Overwegende, dat de eiseher vordert de onteigening van eenio-e Volgens de registers van het kadaster aan den ged. in eigendom toe' "choorende perceelen hooi-, bouw- cn weiland en water, zoo als die ''aar aanleiding der wet van den 30 April 1863 {Stbl. n». 38), o-edeeltelijk reeds bij Kon. besluit van den 22 Sept. 1863, no. 79, 'do'cli ater, met wijziging van dat besluit, bij Kon. besluit van den 20 Oct. 864, n°. 63> (er onteigening zijn aangewezen, ten behoeve van den aats-spoorweg van Leeuwarden naar Groningen;

O-, dat de ged. zich daartegen verzet en in de eerste plaats tegen ?e Vordering zich beroept op onderscheidene middelen van niet1 vankelijkhcid van den eiseher, die dien ten gevolge een onder¬

werp van des régters beraadslagingen en beslissing zullen dienen uit te maken, vóór en aleer op de vordering zal kunnen worden regtgesproken;

O., dat die middelen, met uitzondering van dat, hetwelk hierna zal worden vermeld, alle door den eiseher bij conciusio van wederantwoord grondig^ zijn wederlegd, zoodat hij officier, de motieven van die conclusie in hoofdzaak tot de zijne makende en zich daartoe refererende, tot verwerping van dezelve meent te moeten concluderen ;

O., dat de ged. evenwel sub II, ]it. d, zich beroept daarop, dat, aangezien het Kon. besluit van 20 Oct. 1864 , n°. G3, is uitgevaardigd meer dan een jaar zelfs na de eerste eind-aanwijzing over de geheele lijn bij besluit van 22 Sept. 1803, n". 79, en derhalve destijds de termijn voor zoodanige nieuwe eind-aanwijzing reeds lang verstreken was, de wet, verklarende, dat het werk van algemeen nut is, met opzigt tot de perceelen, bij het genoemd besluit aangewezen, was vervallen krachtens art. 14, 2de lid, dor wet van 28 Aug. 1851 (Stbl. n°. 125) en dus in casu ontbreekt;

O., met opzigt tot dit middel van niet-ontvankelijkheid, dat bij art. 25 , sub 1°., van voormelde wet is bepaald , dat de Regtbank aan de onteigenende partij haren eiscli niet kan toewijzen, wanneer de wet ontbreekt, waarbij het algemeen nut van het werk verklaard is ;

0. verder, dat bij art. H, 2de lid , derzelfde wet is bepaald, dat, wanneer des Konings besluit tot eindelijke aanwijzing der perceelen, die onteigend moeten worden, niet genomen is binnen acht maanden, nadat de commissicn haren arbeid hebben volbragt, de wet, waarbij het algemeen nut verklaard is, vervalt;

O., dat uit het Kon. besluit van den'22 Sept. 1863, n°. 79, blijkt, dat destijds de commissiën haren arbeid hadden volbragt, en dat er op den 20 Oct. 1864, toen het besluit, krachtens hetwelk hier geprocedeerd wordt, werd genomen, dus inderdaad meer dan acht maanden waren verloopen, sedert de commissiën haren arbeid volbragt hadden, zoodat de wet, volgens liet hierboven aangehaalde, toen vervallen was;

0., dat, wel is waar, vóórdat het besluit van 20 Oct. 1864 werd genomen , de commissiën haren arbeid hebben hervat en de formaliteiten , bij artt. 10—13 der wet voorgeschreven, hebben vervuld, zoo als dit is voorgeschreven bij art. 16 der wet, terwijl er tusschen de afdoening van dien arbeid en het nemen van het besluit van 20 Oct. 1864 minder dan acht maanden zijn verloopen , doch dat do vervulling van die formaliteiten en het daarop gevolgde Koninklijk besluit (door de bepaling van art. 14 der wet niet te regtvaardigen, gelijk zeer naauwkeurig is uiteengezet door de Regtbank te Utrecht, by haar vonnis van 11 Mei 1864, Weekbl. n°.2617), alleen en uitsluitend eenig regtsgeldig gevolg kan hebben in het geval, bij art. 16 der wet omschreven, waarop de eiseher zich dan ook met nadruk beroept;

0. nu, dat art. 16 alleen dan van toepassing is, wanneer verandering wordt gebragt in de vastgestelde rigting, en dat het dus hier de vraag is, of zoodanige verandering heeft plaats gehad ;

0., met opzigt tut deze vraag, dat het tusschen partijen in confesso is, dat de loop of de as van den spoorweg, dien het hier geldt, onveranderd is gebleven, en dat de verandering, die tot de wijziging der tot onteigening- aangewezen perceelen heeft aanleiding gegeven, daarin bestaat, dat na de eindelijke aanwijzing bij besluit van den 22 Sept. 1863 besloten is tot de daarstelling van eene halte op eene plaats, waar men vroeger niet het voornemen had eene halte te vestigen , en dat voor die halte meerdere grond benoodigd was dan tot onteigening was aangewezen;

0., dat, al wil men nu hetgeen in art. 16 rigting wordt genoemd niet in dien beperkten zin opvatten, dat het bij eenen spoorweg beteekent den loop of de as van den spoorweg, men dat woord toch ook niet in dien algemeenen zin mag opvatten, dat daaronder alle mogelijke wijzigingen of veranderingen in den aanleg zouden moeten worden begrepen;

O., dat, zonder aan de beteekenis van de woorden verandering van rigting geweld aan te doen, daaronder dan ook niet kan worden begrepen het daarstellen van eene halt, waar deze vroeger niet gevestigd zou zijn;

O., dat, zoo men aan de woorden verandering van rigting die alo-emeene beteekenis wil geven, dat daaronder ook* het vestigen van eene halt zou worden begrepen, het gevolg daarvan zou zijn, dat, zoo als de ged. teregt beweert, er geen grens meer zou bestaan voor hetgeen daaronder niet kan gebragt worden, en dat in dat geval de eigendommen bij een werk van algemeen nut voortdurend aan onteigening zouden zijn blootgesteld, hetgeen, blijkens de over art. 11 der wet gehouden beraadslagingen, zou zijn in strijd met de bedoeling van den wetgever;

0., dat mitsdien art. 16 der wet hier niet van toepassing kan j worden gemaakt, dat het Kon. besluit van 20 Oct. 1864 is genomen meer dan acht maanden nadat de commissicn, in art. 14 bedoeld, haren arbeid hadden volbragt, en dat dit besluit dien ten gevolde genomen is toen do wet met opzigt tot deze perceelen dus ontbreekt ;

O., dat de vordering des eischers mitsdien niet-ontvankelijk verklaard zal moeten worden;

O., dat in de tweede plaats de ged. reconventionneel heeft gevorderd vergoeding van alle kosten, schaden en interessen ter zake der belemmering in de beschikking over de gronden bij da<"vaardin<* ter onteigening genoemd; 0 0

0., dat niet is gebleken, dat aan den ged. schade is toe"-ebra«-t en in de aanwijzing tot onteigening op zich zelf en reo-tstreeks dan ook geen nadeel geleden is ;

O., dat deze vordering mitsdien is ongegrondConcludeert, ten einde de Regtbank de overige middelen van nietontvankelijkheid , waarop de ged. zich beroept, ongegrond verklarende, het middel van niet-ontvankelijkheid, waarop hij sub II lit d zich beroept, gegrond zal verklaren en don eiseher, op grond'daarvan, niet-ontvankelijk zal verklaren in zijne vordering met veroordeeling van den eiseher in de kosten der procedure;

Voorts, ten einde de Regtbank aan den ged. zijne reconventionnele vordering zal ontzeggen, met veroordeeling van den «-cd. in de kosten, door de reconventie veroorzaakt.

Overwegende, dat do eiseher in factis poseert:

dat bij de wet van 30 April 1S63 (Stbl. n°. 38) is verklaard, dat het algemeen nut de onteigening vordert, ten name van den Staat, van : de eigendommen, noodig tot den aanleg van den spoorweg van Leeuwarden naar Groningen, looponde door de gemeente en in de i rigting, bij die wet vermeld en aangewezen;

dat, nadat de voorschriften, vervat in de artt. 10 tot en met 13 ! der wet van 28 Aug. 1851 (Stbl. n°. 125), behoorlijk waren in acht genomen, bij Kon. besluit van 22 Sept. 1863, n°. 79, de eindelijke i aanwijzing der perceelen, welke onteigend moesten worden, is geschied i overeenkomstig art. 14 der laatstgenoemde wet;

dat daarbij mede ter onteigening is aangewezen eene uitgestrekt- i heid van 2 bunders, 69 roeden en 90 ellen ven eenige kadastrale i perceelen, gelegen in de gemeente Hardegarijp, in sectie A, nader : bij dagvaarding omschreven en van welke de ged. in de registers 1 van het kadaster als eigenaar voorkomt; ,

dat daarna, op aandrang van belanghebbenden, besloten zijnde tot het bouwen van eene halt op die kadastrale perceelen , de onteige- ]

ning van eene grootere oppervlakte van dezelve is noodig geworden dan was aangewezen door de rigting, vastgesteld bij hot plan en da kaarten, in gemeld Koninklijk besluit aangehaald;

dat, dien ten gevolge, nadat eene meer uitgebreide grondteekening van regeringswege was goedgekeurd en verder de voorschriften, vervat in art. 16, in verband met de artt. 10 tot en met 13 der meermalen gemeldo wet, behoorlijk waren nageleefd, bij Kon. besluit van 20 Oct. 1864, ii". 63, is besloten, dat, ten behoeve van den aanleg van den staatsspoorweg van Leeuwarden naar Groningen, in het publiek elang en ten name van den Staat, met wijziging in zooverre van hetgeen bij hot Kon. besluit vau 22 Sept. 1863, n». 79, was aangewezen, eene andore en grootere oppervlakte, te zamen van 3 bunders, ■!■> ïoeden en 28 ellen, in plaats van evengenoemde 2 bunders, 69 roeden en 90 ellen , van de bedoelde kadastrale perceelen zullen worden onteigend;

dat de Staat vruchteloos heeft gepoogd om dia gronden krachtens minnelijke overeenkomst te verkrijgen;

dat de eiseher bij dagvaarding heeft aangeboden om aan den ged., tot schadeloosstelling voor de onteigening van die gronden vrij van alle lasten en regten, daarop rustende, te betalen de som van /'5732 08 en zulks onder zoodanige bepalingen en voorwaarden, alsmede bil de dagvaarding zijn uitgedrukt;

dat do voorschriften der wet van 28 Aug. 1851 (Stbl. no. 125) ook verder behoorlijk zijn nageleefd;

O., dat de eiseher, op voormelde gronden, bij dagvaarding en conclusie vordert de onteigening der perceelen, zoo als aldaa° breeder is omschreven ;

0., dat de ged., deze feitelijke beweringen ten deele erkennende, ten deele ontkennende, zich in do eerste plaats exceptief teen des eischers vordering verweert en daartegen verschillende middefen van niet-ontvankelijkheid heeft geproponeerd, die, alvorens op de vordering zal kunnen worden regt gedaan, een punt van onderzoek en beslissing by den regter behooren uit te maken ;

O. dan, dat de ged. de niet-ontvankelijkheid der ingestelde vordering beweert op de navolgende gronden:

1°. omdat die vordering is ingesteld zonder verlof en magti<Hn<* van de Regtbank, en de te onteigenen gronden, als aangekocht staande echt, met gemeenschap van winst en verlies, aan hem in massaliteit mot zijne minderjarigo kinderen toekomen ;

0. te dezen opzigte, dat do ged. teregt is aangesproken als eieenaar der bedoelde perceelen, omdat hij alleen als zoodanig in de registers van het kadaster voorkomt en de wet op de onteigening ten algemeene nutte, als zijnde van geheel specialen aard, dit als voorwaarde stelt om als eigenaar te worden aangemerkt, met vrijlating in het geval van gemeenen eigendom , aan de belanghebbenden om zich te voegen of in het proces tusschen beide te komen •

O., dat een beroep op art. 17 dier wet in deze ook niets afdoet omdat hetzelve alleen intreedt in het geval van minnelijke schikking' waarvan in deze geen sprake is;

0., dat de ged. het in de tweede plaats door hem voorgedragen middel van niet-ontvankelijkheid grondt op da bewering "dat van wege den Staat geene regtsgeldige poging is gedaan om da nu ver langde gronden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen, daar iedera poging tot vervreemding zonder of buiten magtiging des refters niet als zoodanige poging kan worden aangemerkt, terwijl hij o-ed ziiner zijds zonder eenig gevolg getracht hoeft alle destijds vêrlaneda gronden op de eenige wettige en verbindende wijze over te draden door deze, bij exploit van 11 Nov. 1864, aan den gema»tio-de°van den Staat aan to bieden; ë ° a van

O. omtrent dit middel, dat de ged. niet heeft ontkend de ten processe bij afschrift overgelegde missive, behoorlijk geregistreerd van de gemagtigdon van den Staat te hebben ontvangen • dat uit die missive blijict, dat de genoemde gemagtigden zich genegen hebben verklaard om de gronden, waarvan thans de onteigening wordt "-cvordord, voor en namens den Staat in der minne van den ged. aan te koopen voor de bij die missive achter ieder perceel uitgetrokken som, welke ook nu mede bij dagvaarding is aangeboden;

0. voorts omtrent hot beroep van den ged. op het door'hem zijnerzijds gedaan aanbod, dat uit liet door den god. overgelegde exploit van 11 Nov. 1864 wel blijkt, dat door hem aan een der gemagtigden van den Staat, zonder opgave van den prijs, is aangeboden al de grond, ten dienste van in eerstgenoemden spoorweg aangewezen bii Kon. besluit van 22 Sept. 1863, maar geenszins, dat hij°gene"-en is geweest om de bij Kon. besluit van 20 Oct. 1864 aangewezen andero en grootere uitgestrektheid gronds, welke het onderwerp dezer procedure uitmaakt, voor den daarvoor bij bovengemelde missive S Nov. 1864 aangeboden prijs in der minne aan den Staat af te staan;

O. eindelijk , met betrekking tot het beweren van den e-ed dnr iedere poging tot Vervreemding zonder of buiten magtiging des''rc^ tors met als eene regtsgeldige poging kan worden aangemerkt- dit de gemagtigden van den Staat, bij het doen van bovengemeld aanbod zich plaatsende op hot standpunt, hun door artt. 3 en 17 der ontere mngswet aangewezen geheel teregt aan den ged. alleen, die, volgens de registers van hot kadaster, uitsluitend als eigenaar bij hen bekend ^as, dat aanbod hebben gedaan, zoo als reeds boven is omschreven terwijl de ged. daarbij volkomen geregtigd bleef en het ook geheel alleen op zijn weg lag om, daartoe gronden vindende, hetzij na vooraf met de gemagtigden omtrent den prijs te zijn overeengekomen, hetzij reeds voor het sluiten eener zoodanige voorloopige overeenkomst, eene regterlijke magtiging tot vervreemding van den bedoelden grond aan te vragen ;

0., dat uit het bovenstaande volgt, dat het voorschreven middel van niet-ontvankelijkheid niet is gegrond;

0., dat de ged. subsidiair zich verweert, op grond, dat, aangezien de eisch is gebaseerd op art. 16 der onteigeningswet, derhalve op vooropgezette verandering in de (door de aanwijzing, in art. 14 genoemd) bij besluit van 22 Sept. i863 , n°. 79, vastgestelde rigting ten gevolge van het besluit van 20 Oct. 1864, n°. 63, houdende een nieuwe eind aanwijzing van perceelen, zal die vordering op dien grondslag ontvankelijk zijn , alsdan moet blijken : ö

a. dat werkelijk verandering plaats heeft in de vastgestelde rigting van het werk, dat van algemeen nut is verklaard • °

b. dat er andere perceelen worden aangewezen •

c. dat de formaliteiten, voorgeschreven°bij het laatste lid van art 16 dier wet, op wettige wijze zijn voorafgaan •

d. dat nog op 20 Oct. 11., krachtens de wet,' verklarende bet ,1 ;emeen nut bevoegdheid bestond tot die nieuwe eind-aanwijzing

0. ad o, dat, hoezeer het tusschen partijen in con/esso is, d^t'er n de as van de aan te leggen spoorbaan geen de minste verande•mg heeft plaats gehad toch in deze sensu legis behoort te worden langenomen, dat do rigting van liet werk is veranderd;

Js z'oodlt ™,gee"e ,SPrake H V3nde ri=tinS Tanden spoorweg lis werk v?' i Va" het,terrein> hetwelk voor dien spoorweg,

ils i^erk van algemeen nut, benoodigd is;

O., dat uit den geheelen inhoud van het 1ste lid van art. 1G, in •erband beschouwd met art. 14, blijkt, dat het vaststellen van da igting gelijk staat, eene en dezelfde handeling uitmaakt, met het lanwijzen van de perceelen, welke, volgens de opgemaakte plans of [aarten , waarop die perceelen zijn afgeteekend , onteigend moeten vorden;

0., dat dit ook, cn vooral, voortvloeit uit dc omstandigheid, dat iet artikel heeft eene algemeene beteekenis en strekking, en in de

Sluiten