Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 16 December 1867. j\°. '29*56.*

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEÜWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

NUGJtiJY- ujy_ 7> 7'jg.y 7'/? ,/ aAR GAJS G.

JOS ET VERITA8.

blad verschijnt geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang f 20 ,■ voor de buitensteden , franco per post, met f ] .20 verhooaina P •• j ,

zegelregt, 20 /S^ — Bijdragen, brieven, «»«., behalne van ////. correspondenten , franco. ' 3* r adv<>rtentiën,

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke hamer.

Zitting van den 22 November 1867.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Rbquest-civijel. — Interessen. — Herroeping. - Wijziging.

-^6 wet verbiedt om bij hetzelfde vonnis of arrest, dat het requestciviel aanneemt, de zaak ten principale verder te beslissen.

F. Kegout, eischer, procureur Mr. M. ëyssell, tegen

M. Dohmen, verweerder, procureur Mr. J. van der Jagt.

(Zie het arrest van het Prov. Geregtshof in Limburg in Weekbl. n°. 2891.;

De adv.-gen. Grkgory heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtb, Heeren, President en Raden! Het arrest, op den 17 Sept. 1866 door het Prov. Geregtshof in Limburg tusschen partijen gewezen, bevat onderscheidene beslissingen, onder anderen ééne, waarbij de eischer is veroordeeld om aan den verweerder te betalen de som van f 3070.43, wegens salaris, door hem verdiend.

Op den 24 Oct. van datzelfde jaar heeft de verweerder een request-civiel aan voornoemd Hof ingediend, waarbij hij, op grond, dat het Hof bij voormeld arrest van den 17 Sept. 1866 verzuimd heeft uitspraak te doen op de door hem sedert den dag der dagvaarding gevorderde interessen der hem toegewezen som,— heeft verzocht , dat het Hof, aanvullende en verbeterende het evengemeld arrest, den eischer alsnog zou veroordeelen om aan hem, verweerder, onverminderd alle verdere vorderingen , te betalen de interessen van de aan hem toegewezene ƒ'3070.43, sedert den 27 Mei : 862 tot den dag der betaling dier hoofdsom , met verwijzing tevens in de kosten van het geding en bevel, dat de geconsigneerde f 150 voor boete schade en interessen zullen worden teruggegeven.

Bij arrest van 8 April 1867 heeft het Hof op dit request-civiel uitspraak gedaan , luidende het dispositief van dat arrest letterlijk als volgt:

//Beschikkende op het ingesteld request-civiel en op de aan het hoofd dezes overgeschrevene conclusiën;

"Verklaart den eischer (verweerder in deze) in zijn request-civiel ontvankelijk en gegrond; dien ten gevolge verbeterende en aanvullende het arrest van dit Hof van den 17 Sept. 1S66 ,

'/Veroordeelt den thans verweerder (eischer in cassatie) om aan den thans eischer (verweerder in cassatie) te betalen de interessen van de aan hem bij evengemeld arrest toegewezene som van f 30 70.43 sedert den 21 Mei 1862 tot den dag der betaling van die hoofdsom;

"Beveelt, dat de geconsigneerde J 150 voor boete, schade en interessen zullen worden teruggegeven, en verwijst den thans verweerder ^eischer in deze) ia de kosten."

i egen dit arrest heeft de eischer twee middelen van cassatie aangevoerd, namelijk: 1°. schending en verkeerde toepassing van artt. 382, 384, 394 en 395 B. R. , omdat het gevolg van een gegrond bevonden request-civiel eenig en alleen is herroeping van het vonnis en herstel der partijen in denzelfden toestand, waarin zij vóór het vonnis waren; maar de partij , die het request-civiel instelt, niet bevoegd is te vragen, en de regter niet bevoegd toe te wijzen, gelijk in casu is gedaan, aanvulling en verbetering van het vonnis en beslissing van het geschil ten principale, welk laatste eerst kan geschieden , nadat over het request-civiel is gevonnisd, en zulks geheel onverschillig of het request-civiel gevraagd wordt op grond, dat verzuimd zou zijn op een der gedeelten van den eisch uitspraak te doen, of op eenigen anderen grond; en 2°. schending en verkeerde toepassing van de artt. 1286, 1302 en 1303 B. W., en 398, 384 , S82, 394 en 395 B. R., omdat moratoire interessen zijn een accessoir der principale vordering, waaruit volgt, dat eene afzonderlijke veroordeeling daarin onbestaanbaar is, zoolang niet onherroepelijk is uitgemaakt, en derhalve nog onzeker is, of de gevorderde hoofdsom al dan niet is verschuldigd.

Art. 394 bepaalt, dat, indien het request-civiel wordt aangenomen, «et vonnis zal worden herroepen, en de partijen in denzeifden staat eiuggebragt, in welken zij vóór het vonnis waren, terwijl de geconsigneerde gelden zullen worden teruggegeven.

ï moet dus plaats hebben eene herroeping van het vonnis en Va",panVen ,in de" vorigen staat, niet Hii hppfi d'* **0 zijn request gevorderd? Volstrekt

sine' omtrent liet i ♦" met-S aiuiei's gevorderd dan eene beslissing omtrent het geschil ten principale, door aanvulling en verbetering van het arrest In die vordering was hij , dunkt mij, niet-ontVankel.jk; doch, al ware zulks anders, dan kon het Hof in allen gevalle het request-civiel met aannemen zonder herroeping van het vonnis en terugbrenging van partijen in den vorken staat

Het Hof echter heeft bij het beklaagde arrest het vonnis niet herroepen ; het heeft, partijen niet in den vorigen staat teruggebragt • het heeft overeenkomstig den eisch, bij het request-civiel gedaan' verbeterende en aanvullende het eerste arrest, de vordering van 'den verweerder toegewezen, en alzoo zich alleen bepaald bij eene beslisSlng van het geschil ten principale.

Hoor dit te doen, heeft het Hof, naar mijn inzien, art. 394 trekhonden.

Welke zijn nu de gronden, door het Hof bij het beklaagde arrest j °t regtvaardiging zijner handelwijze bijgebragt?

He eerste komt voor in de tweede overweging quoad jus, en ia <>elegen ,n <je bepaling van art. 384. Doch wat zegt dit artikel ? Het

de volgende conclusie

Edel Hoog Achtb. Heeren, President en Raden! Het arrest, op den

zocht, dat het Hoi, aanvullende en verbeterende het evengemeld

schrijft voor, dat, indien er slechts grond is om herroeping te ver, zoeken van een gedeelte van het vonnis, dat gedeelte alleen zal worden herroepen, tenzij de andere deelen van het vonnis daarvan afhangen.

Een vonnis kan onderscheidene beslissingen bevatten, terwijl men slechts de herroeping van ééne beslissing verlangt. Staan nu die andere beslissingen geheel op haar zelve of hangen zij in allen geval e niet af van de beslissing, waarvan men de herroeping verzoekt, iiaai om zouden dan die andere beslissingen herroepen behoeven te worden? Hangen zij er echter wel van af, dan moet het gelieele vonnis herroepen worden. Altijd dus moet eene herroeping verzocht, alyd eene herroeping uitgesproken worden, hetzij met betrekking vonrd" 66 6 VaU vonnis , hetzij ten opzigte van het geheele

Door dus zijne handelwijze op art. 3S4 te gronden, heeft het Hof dit artikel naar mijn inzien , verkeerd toegepast.

e twee e grond wordt inde derde overweging quoad jus gevonden en bestaat nienn, dat nergens bij de wet is voorgeschreven.dat in dergelijk geval de regter eerst moet uitmaken , dat het verzuim is gep eegd en het request-civiel is ontvankelijk, om na eene tweede htis-contestatie, bij een tweede arrest, over de gegrondheid der vordering, waarop verzuimd is uitspraak te doen, te beslissen.

De wet vordert twee afzonderlijke vonnissen. Dit blijkt duidelijk uit de artt. 395 en 396. Art. 395 toch zegt, dat het geschil ten principale waarover het herroepen vonnis zal gewezen ztfn, zal gevoerd worden voor dezelfde Regtbank , die over het request-civiel gevonnis eeft, terwijl art. 396 bepaalt, dat men na een eerst request-civiel geen tweede zal kunnen indienen, hetzij tegen het vonnis, op het request-civiel gewezen, hetzij tegen het vonnis, hetwelk , na de aanneming van dat request, ten principale zal hebben beslist.

Het zou alleen de vraag kunnen zijn, of bij eene en dezelfde acte de twee uitspraken , ieder op zich zelve, eerst die op het requestciviel , en daarna die aangaande het geschil ten principale , zouden kunnen worden opgenomen.

Naar mijn inzien laat de wijze, waarop de artt. 394, 395 en 396 zijn gesteld, dit niet toe. Alle deze artikelen schijnen mij toe twee afzonderlijke vonnissen, twee afzonderlijke acten te vooronderstellen, waarop slechts ééne uitzondering wordt gemaakt , namelijk in het geval, vermeld in het 2de lid van art. 394.

Van ditzelfde gevoelen is met betrekking tot het Fransche regt hetwelk in dit opzigt met het onze overeenstemt, Pigeau (l)°en Puodiere, die beide van oordeel zijn, dat le rescindant et le rescisoire met bij hetzelfde vonnis beslist kunnen worden. Andere schrijvers vermeenen echter, dat dit wel kan geschieden, wanneer °P -6t ,recluest-civiel noodzakelijk de beslissing omtrent het geschil ten principale medebrengt, zoodat le rescindant et le rescisone van elkander onafscheidbaar schijnen te zijn (2)

Bij het ontwerp van een nieuw Wetboek van Hurgerlijke Iiegtsvorderingishe gevoelen , hetwelk ik voorsta, insgelijks aangenomen. Blijkens art. 9 toch van tit. 3 van het .3de boek, wordt bij het vonnis dat de nerroeping van het aangevallen vonnis inhoudt de tere°-t zitting bepaald, waarin partijen zuilen moeten verschijnen om on de hoofdzaak voort te procederen. ^

Doch al kon ook, met het oog op de drie zoo even genoemde wets-artt. 394, 395 en 396, aangenomen worden, dat zoowel de beslissing op het request-civiel, als die omtrent het geschil ten principale , op dezelfde teregtzitting bij een en hetzelfde vonnis of acte kon worden uitgesproken, dan nog zou het den verweerder in deze niet baten, omdat het beklaagde arrest geene twee afzonderlijke beslissingen , namelijk eene herroeping van het vonnis en eene beslissing ten principale, inhoudt, maar slechts ée'ne betrekkelijk het geschil ten principale, en dus niet bevat, hetgeen het volgens den heer Oddeman moet inhouden, namelijk herroeping van het beklaagde vonnis (3). 10

Met het aanvoeren van dien tweeden grond heeft dus het Hof naar mijn oordeel, de artt. 394 en 395 B. R, geschonden Ik acht mitsdien het eerste middel van cassatie gegrond Daardoor vervalt een onderzoek naar het tweed! middel van welk onderzoek ik mij te eerder onthoud, omdat wij in deze' zaak nog met ten einde zijn, en ik mij in zoodanig geval niet o-aarne meer uitlaat dan noodig is.

Naar aanleiding van een en ander concludeer ik mitsdien dat bij arrest van den Hoogen Baad zal worden vernietigd het arrest door het Prov. Geregtshof in Limburg op den 8 April 1867 tusschen partijen gewezen ; en dat voorts, bij datzelfde arrest door den Hooien Baad ten principale wordende regt gedaan, de verweerder zal worden verklaard niet-ontvankelijk , in allen gevalle ongegrond in zijne vordering, bij request-civiel gedaan, met verwijzing van den verweerder in de boete en in eene schadevergoeding van j ao ; met verdere veroordeeling van den verweerder in de kosten, bij het Hof en in cassatie gevallen, en met bevel tot teruggave der boete van cassatie.

De Hooge Baad enz., ,

Overwegende, dat als eerste middel van cassatie is voorgesteld: i schending en verkeerde toepassing van de artt. 382, 384, 394 en • 395 li. K., omdat de partij, die het request-civiel instelt, en de regter, t die daarover oordeelt, beiden zijn onbevoegd uitsluitend en dadelijk te vragen en toe te wijzen (zoo als in deze is geschied) aanvulling i en verbetering van het gewijsde en tevens beslissing van het geschil , ten principale, doch dit eerst kan geschieden na de uitspraak van j

. ]

(1) La Procédure civile, torn. I, bl. 633 en 634 der Parijsche 4". uitg. van 1b09, livre II, part. 4, tit. 1, ch. 1, n°. XIII, n'. 4 sub 3'.

(2) Dalloz , Repert., voce requête civile , no. 235 , bl. 280. '3Het Neder l. Weth. van Burn. Rpnte» ricnl .i i!

- het request-civiel; en zulks zonder dat op de wet is gegrond de door het Ilof aangenomen onderscheiding, of het request-civiel is ingesjd

> ter zake van verzuim van uitspraak op een gedeelte van den eisch of wel uit eenigen anderen hoofde ;

> O., dat bij het onverwerpelijk request-civiel door den verweerder

' wgÜ V™" ver™lm Tan «itspraak over gevorderde interessen bij

■ het daarbij vermeld arrest van het Hof, is verzocht, dat het Hof

i fan l e° ,ve erfnde het evengemeld arrest, den tegenwoor-

- di en eischer alsnog zal veroordeelen om aan den verweerder te betalen de interessen van het aan laatstgenoemde toegewezen bedrag

, en dat die vordering b,j het beklaagde arrest is toegewezen; 8 , O., dat deze wijze, zoowel van procederen als van regterlijke

■ uitspraak op de bij request-civiel ingestelde vordering, is in strijd met de aangehaalde artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Bes s

f vordering; dat immers uit de artt. 382 en 384 volgt, dat dit buitengewoon middel, immers onmiddellijk en regtstreeks, alleen strekt tot herroeping van het geheel of een gedeelte van het vonnis en . dat de artt. 394 en 395 medebrengen, dat, bij aanneming van'het request-civiel, eerst bij afzonderlijk en voorafgaand vonnis wordt i herroepen de vorige uitspraak , en partijen worden teruggebragt in denzelfden staat, in welken zij waren vóo'r die uitspraak; en vervolgens het geschil ten principale, waarover het herroepen vonnis was gewezen, wordt gevoerd voor dezelfde Regtbank, die over het I request-civiel heeft gevonnisd; en, geheel overeenkomst^ daarmede bij art. 396 wordt onderscheiden tusschen beide vonnissen het eerste gewezen op het request-civiel, en het tweede dat, waarbij na de aanneming van het request-civiel , wordt beslist de zaak ten i principale ; en dat de inhoud der drie laatstgenoemde artikelen niet veroorlooft beide daarbij afgescheiden uitspraken op te nemen in eene en dezelfde acte of vonnis ;

O., dat op dien regel bij de wet geene uitzondering is toegelaten voor het geval dat wel niet, in den meer beperkten zin van het woord, behoeft te worden hersteld eene verkeerde uitspraak van het vorig vonnis, maar alleen (zoo als in het onderwerpelijk gevan alsnog moet worden beslist, wat daarbij had behooren te zijn uitgemaakt , en alzoo slechts behoeft te worden aangevuld een daarbij begaan verzuim; dat dit met name niet is geschied bij art 384 B B waarop zich het Hof iu de eerste plaats beroept, vermits daaruit slechts volgt, dat, bij herroeping van een gedeelte van het vonnis, de herroeping zich daartoe bepaalt, geenszins dat, bij verzuim van uitspraak op eenig punt en aanneming dienvolgens van het request-civiel, geene herroeping hoegenaamd zoude behooren te geschieden, ook niet in zooverre bij het beklaagde vonnis is verzuimd uitspraak te doen over een gedeelte der vordering; en dat wat er ook zij van 's Hoves bewering, dat de bedoelde dubbele procedure en een dubbel vonnis slechts tot onnoodigen en kostbaren omslag zouden leiden, dit echter vaststaat, dat, wel verre dat i zoo als het Hof oordeelt) nergens bij de wet, voor het geval als het onderwerpelijke, zoo iets zoude zijn voorgeschreven, dit integendeel volgt uit de artt. 394, 395 en 396 B. B. ;

O., dat alzoo het eerste middel van cassatie is gegrond en dat daarmede vervalt het onderzoek naar het tweede • '

Gezien art. 393 B. K.;

Vernietigt het arrest, door het Prov. Geregtshof in Limbure den 8 April 1867 tusschen partijen gewezen ;

En, ten principale regt doende,

Verklaart den verweerder niet-ontvankelijk in zijne bij reoueot cmel gedane vordering, en verwijst hem uit dien hoofde in de door

hem ter zake van dat request geconsigneerde boete van f 100 en

in eene aan den eischer te betalen schadevergoeding van f 50 ■ '

v™'te■» «J k.. Ho,i„

-

li»in er van Strafzaken.

Zitting van den !8 September 1867.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

Politik-overtreding. — Plaatselijke vurordening.

Ontslag van regtsvervolfino.

Is, waar het niet geldt eene opsporing van overtredingen, waarmede bij eene plaatselijke verordening politie-agenten in het algemeen belast zijn, maar het al of niet bestaan van een bevel eener be paald aangewezen autoriteit, van welks bestaan het strafbare der weigering geheel afhankelijk is, een ontslag van rtqtsner volging ter zake eener zoodanige weigering teregt uitgesproken waar van dat bevel met is gebleken ? —- Ja.

De ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Vlaardingen heeft zich in cassatie voorzien tegen een vonnis van dat Kantongeregt van den 4 Jumj 1867, waarbij J. van der Pijl oud een en vijitig jaren, van beroep schipper, wonende te Vlaardingen k ontslagen van alle regtsvervolging ter zake van het feit, waarvan Wj bij dagvaarding was aangeklaagd, van, op den 12 April 1 des avonds

der politie te \oldoen om zijn in de haven van Vlaardingen vastgemeerd vaartuig los te maken en te vciplaafcen, zoodat hij door e a kappen der touwen, waarmede dat vaartuig vastgemaakt was, daartoe is moeten gedwongen worden.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Donker Cijbtitjs, heeft de adv.-gen. Romer de volgende conclusie genomen :

E. H. A. Heeren , President en Raden! De heer req. voert al« middel van cassatie aan : schending van de artt. 65 en 201 der ver-

Sluiten