Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noodzakelijkheid. Alleen toen de openbare ontucht de gezondheid fel begon te bedreigen , namen de repressive maatregelen een meer ernstig karakter aan , zonder evenwel de middelen over 't hoofd te zien om de kwaal te genezen of te verminderen. M en heeft in dit opzigt gezegd, en gewis niet zonder alle regt, dat men de venerische kwalen als eene straf beschouwde der ontucht en , dien ten gevolge, als een weldadig middel ter onthouding.

Men vindt een bevestiging van dit feit in het betrekkelijk groot aantal van liefdadige en verbeteringsgestichten , met het oog op de prostitutie of ter harer voorkoming opgerigt, tegenover de minder talrijke hospitalen, om er b. v. pokkenlijders in te verplegen.

Onder de liefdadige instellingen, van welke wij gewaagden , kan men opnoemen ;

De vereeniging van meisjes , overgegaan in een hospitaal, genaamd: Maison des Filies-Dieu (H'26).

Een zelfde Asyl, ingesteld bij een patentbrief van Karei VIII, onder den naam van toevlugtsoord der Filies de Paris, en insgelijks der Filies pénitentes (1686).

't Hospitaal "de la Misericorde" voor arme jonge meisjes (1623).

De opsluiting, op aanvraag harer ouders of voogden , van behoeftige jonge meisjes, die zich aan ontucht hebben overgegeven in : la Salpetrière (1648).

De stichting door Mevrouw de Miramion, in de Faubourg St. Antoine, van een huis ter bewaring van geprostitueerde meisjes (1665;.

Het gesticht der "Filies de Providence" voor wezen (1699).

Nog komen hier bij "1'Oeuvre du Bon-Pasteur* en de stichtingen van "Sainte-Valére" en "Sainte-Pelagie." Behalve deze asyles, nemen verschillende kerkelijke gemeenten , met het oog op hare verbetering, gevallen meisjes op , die het voornemen te kennen geven het ontuchtig leven vaarwel te zeggen. In de vestingen heeft men Renfirmeriën waar de ligte vrouwen opgesloten en tot werken verpligt worden.

Een onmiddellijke tusschenkomst, met het oog op de gezondheid» heeft in deze inrigtingen geen plaats. Uit deze wijze van handelen vloeit voort, dat op het oogenblik, toen de syphilitische besmetting een belangrijke uitbreiding onderging en gebiedend eene geneeskundige behandeling vorderde, de besturen der hospitalen er bepaald door verrast werden.

In 1785 werden de venerische lijders verpleegd iri Hotel-Dieu, alsmede in Salpetrière en Bicètre, welke men tot speciale hospitalen had ingerigt. Hier werden ze letterlijk opeengestapeld, en toch was dit nog het kleinste getal. Op hetzelfde bed betwistten meerdere lijders elkander een plaats, terwijl anderen zich op den grond neervleiden , om hun beurt af te wachten. De geneeskundige behandeling moest men met ligchamelijke kastijding betalen. Naarmate de besmetting heviger werd begon men zich meer met de elende te verzoenen. Te Hicètre werd in ée'n jaar, voor 2000 de verpleging gevraagd , en slechts 600 kon men er van opnemen.

Het Bestuur stelde alle pogingen in het werk : de hospitaal dienst werd langzamerhand beter. Het hospitaal "du Midi" (vroeger een klooster der CapucijnersJ, ingerigt in 1793, trad in de plaats van la Salpetrière , en schikte wederom een gedeelte der lijders naar "la Pitiè" , hetwelk zijn succursaal was geworden. Bovendien kon de infirmerie der gevangenis , genaamd "la Petite-Force" , nog 500 zieken plaatsen.

In 1811 werden in het hospitaal voor venerischen 4744 zieken

benanaeiü, nameiijK :

Behandeling buiten 't Hospitaal |

in . (

Lijders op eigen kosten behandeld Minnen en syphilitische kinderen .

4744

De inrigting Tan een verblijfplaats voor deze laatsten was het werk van Lenoir, luitenant van politie. Ze was reeds te voren beproefd door Vaurigard, in 1780 , op een rapport van Figuier, eerste heelmeester in liicêtre. Men nam hier venerische zoogsters op, onder voorwaarde , dat ze met haar kind , tevens aan een ander syphilitisch gevonden kind de borst moesten reiken. Men behandelde de vrouw en door haar weder het kind. Na afloop van het zogen ontving ze een gratificatie. Het kleine hospitaal van Vaurigard werd vereenigd met dat der Oapucijners den 1 Jan. 1793.

Het tijdperk der inbezitneming van Parijs door de geallieerden (1814 en 1.-15) bragt op nieuw de grootste moeijelijkheden aan wat betreft de toename der syphilitische besmetting en de onmogelijkheid om alle zieken te verzorgen. De venerische meisjes uit de provinciën, waar de hospitalen met militairen waren opgevuld , namen de toevlugt tot Parijs. Vreemde soldaten vulden de bedden der beschikbare hospitalen. De 1 'ruissén, namelijk hadden bezit genomen van het hospitaal voor syphilitischen ; ze bleven daar zonder noodzakelijkheid , weigerden te vertrekken en namen man voor man minstens twee bedden in. In geen enkel hospitaal was een plaats meer te vinden. Saint-Louis, la lJetite-Foroe waren opgepropt met venerischen. Vooral in de la. Pitie' was de ophooping verbazend; de lijders wachtten hunne toelating buiten op karren, of op stroo gelegen , af. De besmetting maakte een verbazenden voortgang , en slechts zeer langzaam begon ze te verminderen. In 18' 6 was op 13 ligtekooijen een syphilitisch, in 1817 een op de 34 , in 1818 een op de 36 en een op de 43 in 1819 (1).

Na het doorstaan van deze crisis, kwam men weder in den normalen toestand , die, hoewel in een mindere verhouding , andermaal gestoord werd door de gebeurtenissen van 1830 en 18-18.

Ih 1848 kwamen er in de infirmerie van Saint-Lazare plaatsen te kort en schikte men de venerische meisjes naar de hospitalen te Lourcine en du Midi , vervolgens naar het hospitaal la Pitie'. Deze toestand duurde van Julij tot December.

Van 1789 tot 1835 werden de ligte vrouwen, door de politie aangehouden , achtereenvolgens getransporteerd naar de zaal van SaintAlartin , naar Salpetrière, naar Vincennes, Petite-Force, Madelonnettes en eindelijk naar Saint-Lazare, waarvan de tegenwoordige organisatie, dagteekenende van 1835 , uit drie sectien bestaat:

1. Beschuldigden en veroordeelden.

2. Ontuchtige meisjes. Aan deze afdeeling is verbonden een afzonderlijke infirmerie voor die meisjes, die door syphilis ziju aangetast.

3. Jonge meisjes welke ziju opgesloten ter harer verbetering (art. 373 en volgende C. N.).

Dit laatste kwartier bestond reeds vroeger en werd ingerigt in 1812.

Het zoogenaamd »Dispensaire de Salubrité," de kiem der geneeskundige en administrative dienst, werd opgerigt bij een besluit van 29 Prairial an X.

Aanvankelijk bediend door één chirurgijn , die in last had , minstens tweemaal in de maand een bezoek te brengen aan de publieke huizen om er de prostitués te visiteren, veivolgens door twee chirurgijns

(i) Indien deze registratie alle publieke vrouwen van Parijs had i betroffen, zoude gewis de uitkomst heel wat ongunstiger geweest I iijn. (Redactie Gen. Ct.)

I (besluit van 1 Prairial an XIII— 21 Mei 1805), bezat dit etablissement slechts ééne verpleegzaal. Zeer snel echter breidde zich de inrigting uit.

In 1810 bezat ze reeds:

1 geneesheer of chirurgijn directeur,

4 chirurgijns ,

1 chirurgijn of apotheker, belast met het gereedmaken en uitdeelen der geneesmiddelen, alsmede met het bijhouden der boeken.

Thans zijn daar in functie twaalf geneesheeren, van welke een den naam draagt van geneesheer en chef. Het Dispensaire is geplaatst aan de prefectuur van policie, in een lokaal behoorende tot de administrative dienst, en staat onder toezigt van een chef de bureau, welke tevens commissaris is van de interrogerende policie. De inspecteurs van policie houden zich bijzonder bezig met maatregelen van toezigt en repressie, tot behoud der goede zeden. Ze zijn onder de orders van een officier van policie, die, gelijk als zijn collega's, iu dienst staat der stedelijke municipaliteit.

Om dit overzigt volledig te maken, is de opmerking noodig, dat vroeger, onder den r.aam van taxe , de publieke meisjes van Parijs gehouden waren, voor de geneeskundige visite, eene zekere som te betalen , die 6 francs was voor de bewoonsters van toegelaten huizen, en 3 francs voor degenen die een eigen logies hadden. Deze taxe, een soort van belasting op de prostitués, was bestemd om de kosten van het Dispensaire goed te maken en, zoo mogelijk, te ondersteunen, zekere liefdadige inrigtingen , waar men ontuchtige meisjes opnam, met het doel, haar te verbeteren of te verplegen. Deze belasting was geenszins van het bestuur uitgegaan. Het eerste idee had reeds zijn weg gevonden in de publieke opinie, zonder dat men het nog had toegepast. lalrijke petities, waarvan sommige zelfs opklimmen tot .i 760, hadden verzocht, dat men der prostituees een belasting zoude opleggen, ter bestrijding der kosten aan de gezondheidsdienst verbonden. Toen de taxe eenmaal in 't leven was geroepen , begon men ten dezen opzigte van gedachten te veranderen. Levendig aangevallen ten opzigte van het karakter en het misbruik 't welk men er van kan maken , werd ze in 1829 verder opgeheven. In sommige steden , namelijk in Lyon en Bordeaux, bestaat ze nog. In de laatste stad wordt ze alleen geheven van meisjes , die geen gratis visite willen hebben. De visites op Zaturdag worden betaald met 2 francs, die op Donderdag en Vrijdag met 75 centimes. Het kosteloos geneeskundig onderzoek geschiedt alleen op Dingsdag en Vrijdag. Onder de groote steden in 't buitenland, waar zoodanige taxe insgelijks wordt geheven, kan men Brussel noemen en Turin.

In eene vereenigde zitting van de beide Kamers der Staten-Generaal op Vrijdag, 27 dezer, is de gewone vergadering (zittingjaar 1867—1868) op last des Konings , door de ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financiën gesloten. De minister van Binnenlandsche Zaken heeft bij die gelegenheid de volgende rede gehouden:

Mijne Heeren!

gemeente optredende, verweerder, procureur Mr. M. Eysiell. Adv.-gen. Gregory concludeert tot verwerping. Uitspraak 31 Januarij.

IV. Conclusie door partijen genomen in zake:

1°. ^koloniaal) A. M. "VVesenhagen qq., firma Bunge en Comp.» te Amsterdam, voor C. L. Plumé, appellant, procureur Mr. C. J. Fran9ois, tegen J. en A. Reyns, geïntimeerden, pr0" ■ cureur Mr. J. van der Jagt.

20. (idem) A. M. Wesenhagen qq., firma Bunge en Comp., te Amsterdam, appellante, procureur Mr. C. J. Franfois, tegen Jen A. Reyns, geïntimeerden, procureur Mr. J. van der Jagt* In beide zaken zijn de pleidooijen bepaald op 6 Maart.

V. Gepleit in zake:

de firma L. van Boer en Zoon, eischeresse, procureur Mr. C.J* Franyois, advokaat Mr. J. Kappeyne van de Coppello, tegen de firma Jatïé Brothers en Comp., verweerderesse, procureur Mr. J. van der Jagt, advokaat Mr. A. M. van Stipriaau Luis^us. Conclusie van het Openb. Min. bepaald op 17 Januarij.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 26 dezer, n\ 73, is benoemd tot griffier bij het Kantongeregt te IJsselstein, Mr. J. Vosmaer, advokaat te Utrecht.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n'. 75, is aan Jhr. Mr. W. J. Junius van Hemert, op zijn daartoe gedaan verzoek, met ingang van den 1 Jan. 1868, eervol ontslag verleend als officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank te Almelo.

— Door de Arrond.-Regtbank te Leyden is den 24 dezer, ter vervulling van de plaats van griffier bij die Regtbank, opengevallen door het overlijden van den heer Mr. J. F. C. Moltzer, de volgende lijst van aanbeveling opgemaakt: Mr. H. B. van Kaathoven, Mr. K. T. baron Collot d'Escury en Mr. D. Lopes de Leao Laguna.

BERIGTEN.

'# Gravenhage , den 28 December.

— Den ui dezer is te Tholen overleden de heer M.M. de Lange, griffier van het Kantongeregt aldaar.

REGTSGELEERDE UITGAVEN.

FRANSCHE LITTERATUUR.

Notice biographiijue sur M. Ie comte de Guernon-Ranville , ancien ministre ; par M. Boüixée , ancien magistrat. In 8"., 75 P. Caen,

Leblanc-Hardel.

ADVERTENTIEN.

«Niet zonder leedwezen, maar tevens in het besef van pligt en gebiedende noodzakelijkheid, komen wij reeds heden een einde maken aan uwen wetgevenden arbeid.

»De aanvang der zitting had van het overleg tusschen Kamers en Regering beter doen verwachten.

"Aan het voorbereidend onderzoek der begrootingswetten was veel zorg besteed.

«Van de wetsontwerpen, in-de Troonrede genoemd, waren vele in behandeling, andere in bewerking.

«Met grond mogt men hopen, dat de voltooijing der wetten op het onderwijs en de verbetering van die op de regtspleging en het strafregt op handen waren; dat de behandeling van het belangrijke vraagstuk omtrent de lagere school tot eene voldoende uitkomst zou hebben geleid ; dat de verbetering der defensie zou worden voortgezet, zonder te zware offers van de natie te vergen ; dat de vragen omtrent de Indische huishouding zouden worden opgelost in den zin van krachtige handhaving van het hoog gezag en van de onmisbare bronnen van inkomst, zonder de opbeuring van handel en nijverheid en het welzijn der Oostersche volkeren uit het oog te verliezen.

«Een gewigtig voorval is tusschenbeide gekomen.

-/Omtrent drie groote belangen was tegenover het buitenland een gunstige uitslag verkregen, 's Lands regt op zijn stroomgebied was gehandhaafd , zonder stoornis der goede verstandhouding met onze naburen; Limburg was voor goed van Duitschland losgemaakt; Nederland had zijne onzijdigheid behouden in bedenkelijke oogenblikken en met eere deel genomen aan de Londensche Conferentie tot verzekering van regt en vrede in Europa.

"Toch was het juist het buitenlandsche beleid met betrekking tot die onderwerpen, dat in de Tweede Kamer werd aangevallen , ten gevolge waarvan zij het 3de hoofdstuk der staatsbegrooting afstemde.

"Van zelf was door die daad der meerderheid, de kabinets-vraag gesteld.

"Het heilzame, ja naar den geest der Grondwet onmisbare begrip van éénheid der Hegering was miskend geworden , zoo een deel van het kabinet had berust in de veroordeeling van hetgeen , in zaken van zóó groot belang, naar de vaste overtuiging van al zijne leden, tot heil van het vaderland was geschied.

«liet gezamenlijk verzoek om ontslag werd dus ingediend.

"'I Konings wijsheid behield zich de beslissing voor , tot dat dooide noodige wetten in de behoefte der dienst zou zijn voorzien.

"Daarna behaagde het Hem, dat ontslag niet aan te nemen en aan de raadslieden der Kroon de verzekering van Zijn ongekrenkt vertrouwen te geven.

"Van die beslissing onder zulke omstandigheden zal een vernieuwd beroep van den Ivoning op het getrouwe Nederlandsche volk het onvermijdelijk gevolg zijn.

»ln 's Konings naam betuigen wij aan de Staten-Generaal Zijn dank voor het goede, dat met hunne medewerking is tot stand gekomen, en verklaren de tegenwoordige zitting te zijn gesloten."

HOOGE HAAI). — BimrserUJke Kamer

Zitting van Vrijdag, 27 December.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

J. BEëEDiGD als advokaten de heeren Mrs. P. Th. Gregory en

A. L. van Cattenburch.

II. Uitspraak gedaan in zake :

het Bestuur der Registratie, eischer, procureur Mr. C, J. Fran9ois, tegen J. F. Serté, verweerder, procureur Mr. J. van der

Jagt. verworpen.

IH. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake: D. Apon en H. Luden, eischere, procureur Mr. C. J. Frampois, tegen den burgemeester van Amsterdam, ambtshalve voor die

ONTWERP

VAN

WETBOEK fan STIUFVORDEItlXG.

ingekomen in de zitting van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 12 Februarij 1867, zoo als het thans in de Tweede Kamer aanhangig is.

Inhoud:

A. Memorie van Toelichting. — B. Wetsontwerpen. — Titel I. Var. strafvordering in het algemeen. (le. afd. van het regt tot strafvordering ; 2e. afd. van de schorsing der strafvordering en het vervallen van het regt tot strafvordering). — Titel II. Van de opsporing van misdrijf. (le. afd. Van de ambtenaren met de opsporing van misdrijf belast). (§ 1. Algemeene bepalingen; § 2. Van de officieren van justitie ; § 3. Van de overige ambtenaren met de opsporing van misdrijf belast;) (2e. afd. Van aangifte en klagten ; 3e. afd. Van ontdekking op heeterdaad). — Titel III. Van den regter-commissaris tot onderzoek van Strafzaken. —• Titel IV. Van het voorloopig onderzoek door den regter-commissaris voor verleenden regtsingang. (1". afd. Van het onderzoek in het algemeen; 2". afd. Van het hooren van getuigen, van deskundigenen van verdachten); (§ 1. Van het hooren van getuigen; § 2. Van het verslag van deskundigen ; § 3. Van het hooren van den verdachte) ; (3S. afd. Van middelen tot verkrijging van stukken van overtuiging; 4e. afd. Van voorloopige aanhouding). — Titel V. Van het regterlijk onderzoek in het algemeen, (le. afd. Van de betrekkelijke bevoegdheid: 2e. afd. Van voegingen splitsing in de beregting). — Titel VI. Van het onderzoek in raadkamer, (ie. afd. Van den regtsingang; 2«. afd. Van de instructie; 3e. afd. Verhandelingen na afloop der instructie; 4o. afd. Van het weder opvatten van het onderzoek na het stellen buiten vervolging ; 5e. afd. Bepalingen aan de voorgaande afdeelingen gemeen). — Titel VII. Van het regtsgeding in eersten aanleg. (I e. afd. Van het regtsgeding bij de arrondissements-regtbank); (§ I. Van het aanhangig maken der zaak; § 2. \ an het onderzoek ter teregtzitting; § 3. Van de beleedigde partij; § 4. Van de beraadslaging en uitspraak) ; (2e. afd. Van het regtsgeding bij het kantongeregt.) — Titel VI!I. Van het regtsgeding in hooger beroep' (K afd. Van het hooger beroep van vonnissen van de arrondissementsregtbanken; 2". afd. Van het hooger beroep van vonnissen van de kanton* geregten) — Titel IX. Van het regtsgeding bij verstek. — Titel X. Van het regtsgeding in cassatie. Titel XI. Van strafvordering ter zake van misdrijf aan de kennisneming van den Hoogen Raad in eersten aanleg onderworpen. — Titel XII. Van eenige regtspleging van bijzonderen aard (lp. afd. Van strafvordering tegen regterlijke ambtenaren; 2 . afd. Van verschooning en wraking van regters; 3e. afd. Van jurisdictie-geschillen). — Titel XIII. Van de ten-uitvoer-legging van regterlijke uitspraken en van regterlijke of andere bevelschriften (1«. afd. Van de ten-uitvoer-legging van regterlijke uitspraken en bevelschriften in het algemeen; 2e. afd. Van gevangenissen; 3e. afd. Van de ten-uitvoer-legging van bevelen van voorloopige aanhouding en van gevangenneming ; 4e. afd. Van de ten-uitvoer-legging van strafvonnissen : 5®. afd. Van het regtsgeding tot herkenning van veroordeelden; 6U. afd. Van aanhouding door het politiek gezag; 7<\ afd. Van de schorsing der ten-uitvoer-legging en het vervallen van het regt tot uitvoering der straf). — Titel XIV. Van herziening van uitspraken, in kracht van gewijsde gegaan.— Titel XV. Bepalingen aan de voorgaande titels gemeen.

Uitgave van GE BR. BEL1NFANTE te 1s Gravenhage.

ioelperailrnii eii uitgave van KEBBöEBE"® HKIjlWifA.WTSC , te 's («caveulia^e.

WETGEVING.

1235 mannen ( 165 vrouwen ƒ 1492 mannen , 138 7 vrouwen j

215

250

Sluiten