Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dagvaarding. — Nietigheid.

Eene — bevat geene behoorlijke opgave van het feit, wanneer ziJ bij de telastlegging van scheldwoorden te hebben gebezigd geene melding maakt vari eenige bepaalde uitdrukking, die zij als zoodanig beschouwd hebben wil.

De nietigheid van art. 223 Strafvord. moet door den regter worden uitgesproken, ook dan, als de op de — verschenen gedaagde zich daarop niet heeft beroepen.

Het onderzoek ter teregtzitting mag niet strekken ter opsporing van den feitelijken grond eener, zonder bijvoeging van zoodanigen grond, in de — opgegeven qualificatie Kant. Lemmer. 2985. 4.

Wanneer het bevel tot — is gegeven den 12 Dec. 1867, terwijl de heteekening heeft plaats gehad den 14 dier maand, en daarin gesproken wordt van den 24 Nov., zonder verdere bijvoeging, kan darmede dan wel anders bedoeld ziin dan de jongstleden 24 Nov. ?

K n' 2999* V*

Van de regter, bij eene vervolging ter zake van het arglistig egnemen van zand van gronden, aan particulieren toebehoorende, 11 het laden van dat zand in eene aak, op die — eene veroordeling uitspreken ter zake van het baggeren binnen den afstand V?n 20 el uit de overlijn, zoo als die door den middelbaren rijers tand wordt bepaald? — Neen.

. Moest daartoe niet de laatstvermelde omstandigheid uitdrukkelijk — zijn opgenomen? — Implicite toestemmend beslist. Geld.

^eteekening der—.Domicilie. — Verandering. — Aankondiging 111 een dagblad.

Waar niet blijkt van eene wettige verandering van domicilie 3 moet de — in hooger beroep geacht worden wettig beteek end te zijn aan *>et huis, waarin de gedaagde woonachtig was tijdens de beteekening der inleidende — ter eerste instantie, waarop hij zonder aanmerking verschenen is

Bij gemis van eene verklaring van domicilie-verandering (in dezelfde gemeente), aan het 33laatselijk Bestuur gedaan, blijkt de verandering van domicilie noch uit eene overbrenging van het werkelijk verblijf, noch uit eene door derden gedane aankondiging in een dagblad. Limb. 30ö6. 3.

Zie AJ'hakking. .'971. 1; — Beleediging. 3016. 2; — Diefstal 297 7. 2; Getuigenverhoor. 2999. '2 ; —Misbruik van vertrouwen. 3059. 3; — Nalatenschap. 304 9. 4; — Nederlaag (Onwillige). 2991. 1; — Ondernemers. 3054. 3; — • ' nteigening. 3017. I ; — Vennootschappen. 3000. 3 ; — Verwijzing. 2973. 3 ; — Wegen. 3027. 1. Daiilheim en Comp. (L.) c. F. Salomonson. Amst. 3019. 3. Dam (Mr. Jb.). De heer — gekozen tot lid van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal. 2966. 4.

Dammü (J. van) in cass. 3023. 3.

Dechamps-Faziaux. De firma c'. Stodel en c'. den griffier der

Arrond.-Regtb. te Maastr. Maastr. 30!>". 2.

Decisoire eei>. Zie Bank {Nederlandsche). 2969. 3 — Eed. 2985. 3; 29S8. I; 3035. 3; — Koop en verkoop. 3042. 8; - Laster. 3038. 32; — Vennootschappen. 2991. 4.

Declaratie. Zie Advokaten. 3058. 3.

Dedem (J. T. Baronesse van), wed. D. Pruimers, ca. N- Pruimers.

Zwolle. 3024. 3.

Deelbaarheid. Zie Legaat. 3051. 3.

Deelgenoot. Zie Belastingen. 2982. 1. »

Deeling 'Acte van). Zie i erjarinq. 3021. 3.

Degradatie. Zie Schipper. 302s. 3.

Dekker (De firma G. en H.) c'. Mrs. W. j. p. de Lille Hoger-

waard en J. D. van Ketwieh Verschuur qq. Zwolle. 3037. 2. Delcourt (Mr.) qq. e". W. P. Wiertz en c'. van den Kynden. Amst. 3020. 3.

Delden (Mr A. van . De heer — gekozen tot lid van de Tweede

Kamer der Staten-Generaal. 296S. 4.

J elegatie. Ongegrond-verklaring van den gedaagde in zijne exceptieve verwering.

Bewaargeving. Ongegrond-verklaring van de oorspronkelijke eischers in hunne vordering. Breda. 30 ! 9. 3.

Delictum continuatum Zie Dijken. 3023. 2; — Magazijn. 296S 2. Delprat (Mr. G.i. Xan — op verzoek eervol ontslag verleend als rijks-advokaat te 's Hage. 2982. 4.

— Aan hem pensioen verleend. 3003. 4

Demping van eene sloot zonder vergunning van het Gemeentebestuur. — Reglement op de wegen enz. in de provincie Gel Ierland. — Manus ministrae. — Auctor intellectualis. — Motieven.

Is niet de strekking van opgemeld reglement, blijkens zijnen geheelen inhoud, het in goeden staat houden, niet zoozeer der waterloopen of waterleidingen, maar der wegen? — Ja.

Is de zaak vatbaar voor eene beslissing ten principale door den Hoogen Raad, nadat het ontslag van regtsvervolging in deze dooiden regter a quo was gegrond op eene verkeerde opvatting van het reglement, en er geene uitspraak gedaan was op de verdediging, dat de in strijd met dat reglement door de beklaagden gedane — eener sloot zonder toestemming van den burgemeester heeft plaats gehad op last van een ander, die alzoo als auctor intellectualis moet worden beschouwd, terwijl de beklaagden handelden als manus ministrae? — Neen. II. R. 3006. 2.

-- Zie Onteigening. ."058. 2; — Wegen. 3059. 3.

Dépöthouders Zie Meel- en broodfabriek. 3002. i.

Depreciatie Zie Expertise. 3032. 1.

Di rdi:. Zie Faillissement. 305-1. 4.

Dkrtiknden penning — Kegt van den —. Conventie. — Leenstelsel. Titel. -- Immemoriale possessie. — Bewijs

De in art. 25 der Constitutie van 1798 bedoelde regten zijn alleen vervallen, voor zoover zij afkomstig zijn uit het leenstelsel.

Hij, die beweert, dat het regt, waarvan de praestatie wordt gevorderd, uit het leenstelsel afkomstig is, moet dit bewijzen.

Onder het oude regt was algemeen aangenomen, dat immemoriale possessie voor titel geldt, behoudens enkele uitzonderingen, die den regel bevestigen.

I)e dertiende penning kan nog gevorderd worden van den voormaligen eigenaar, van wien hij "het instellen der actie de eigendom reeds op een ander w as overgegaan.

Door de beslissing, dat. do kapittelen te Utrecht waren «officiële lioctiamen/' en alzoo de van hen afkomstige bescheiden authentieke octen, is de wet met geschonden H R. 2976. 1.

— Het regt van den kan ook worden geheven bij overgang van goederen m de__doode hand of met de bestemming voor publiek nut. 11 I!- 29' '• '•

Desaveü. Zie Lastgeving. 3019. 1.

Deskundigen Zie Aanneming. 3027. 3; — Expertise. 3032 1

— (Verslagen van). Zie Kindermoord. 3015. 1 , __ Overeenkomst. 3020 2.

Deurwaardirs. Zie Belastingen. 306?. 4.

Diederichs 'p a ). Het Openb. Mm e'. Amst. 3038. s. Diefstal van vleesch eener aan de veeziekte gestorven koe. — Beweerde res derelicta. — Getuigenbewijs. - Mededader.

Is het bloote feit van begraving van een gestorven dier door den eigenaar als bewijs te beschouwen , dat deze den eigendom heeft willen prijs geven, zoodat «lat dier daardoor zou worden eene

res derelicta 'l - Neen.

Wanneer de regter feitelijk beslist heeft, dat de beklaagden op de plaats van het misdrijf regtstreeks tot bet plegen van het feit

hebben medegewerkt, kan dan in cassatie worden onderzocht, of door de verklaringen der getuigen deze feitelijke beslissing wel is bewezen ? — Neen.

Is ter'egt beslist, dat zij , die regtstreeks tot het feit medewerken , geene medepligtigen, maar mededaders zijn ? — Ja. II R. 2961. 3.

Diefstal. — Buitenbraak. Geweldpleging.

Kan, vermits voor het aanwezig zijn van geweldpleging bij een

— gevorderd wordt, dat er geweld gepleegd zij tegen een persoon, daaruit worden afgeleid, dat zoodanige geweldpleging altijd moet medebrengen feitelijke ligchamelijke beleediging; of bestaat niet integendeel ook geweldpleging tegen den persoon , wanneer de bestolene tijdens het plegen van den — gewelddadig wordt opgesloten of teruggehouden ? — In laatstqemelden zin beslist. H. R. 'J965. 1.

—- Poging. Begin van uitvoering.

Is ergens in de wet eenige grond aanwezig voor de bewering, dat dan eerst begin van uitvoering zou bestaan , wanneer het bezit der zaak is begonnen over te gaan op den dief? fa.

Heeft niet integendeel, nadat het bezit van het voorwerp op den dief is begonnen over te gaan , de wegneming (soustraction) reeds plaats gehad, zoodat de — alsdan is geschied? — Neen. H. R. 2973 3.

— Poging. — Begin van uitvoering. — Bewijs. — Openlijke wapenen. Mededaders. - Motieven.

1 )e wetgever heeft niet bepaald , welke feiten het bij art. 2 C. P. bedoelde begin van uitvoering kunnen daarstellen. In den regel alzoo de appreciatie van zoodanige feiten aan den judex facti overgelaten

Door de feitelijke beslissing, dat de schoppen, waarvan de beschuldigden voorzien waren , werkelijk als wapenen gebezigd zijn en gediend hebben om zich tegen de militairen te verzetten, die het plegen van het misdrijf wilden beletten, de qualificatie van het voorzien zijn van openlijke wapenen voldoende geregtvaardigd.

De in deze voorhanden feitelijke beslissing omtrent het vereenigd handelen bij het plegen van het misdrijf toont voldoende aan, dat de beschuldigden op goeden gronden als mededaders zijn aangemerkt.

Het in deze beklaagde arrest voldoende gemotiveerd zoo ten aanzien van het bestaan van het misdrijf zelf als omtrent het aandeel , door de verschillende beschuldigden daaraan genomen. H. R. 2974. 1.

— Veeziekte. - Opgraving. — Res derelicta. — Onteigening.

Kan eene ter zake van veetyphus gestorven, door den Staat onteigende en begraven koe beschouwd worden als eene res derelicta? — Neen. II. R. 2976. 2.

— Dagvaarding. _ Ander feit. -1 Zelfde feit.

Maakt het eenig verschil in het wezen der zaak , wanneer men wordt veroordeeld wegens — van een aan X toebehoorend voer turj, en de dagvaarding het feit qualificeert — van turf uit veen van X! Neen. H. R. 29T 7. a.

— "Veetyphus — Begraven rund Hes derelicta. — Opgraving. —

Toeëigening. — Delictum sui generis.

Het opgraven en zich toeëigenen van een wegens veetyphus van staatswege onteigend en afgemaakt rund kan niet worden beschouwd als diefstal. Noordh. 2980 ■>.

— Bewijs. — Aanwijzingen — Schriftelijk bescheid. — Motieven. H. R. 2984. I.

— Bewijs. — Aanwijzingen.

Afzonderlijke en op zich zelve staande getuigenissen omtrent onderscheidene feiten kunnen als wettelijk bewijs gelden , wanneer zij door zamenloop en verband strekken tot staving eener bepaalde daadzaak. De beoordeeling hiervan aan de voorzigtigheid des regters overgelaten. H. R. 2987. 1.

Inklimming. — Bewijs. — Meening of gissing, bij redenering

Moet niet de onderwerpelijke verklaring van een getuige omtrent de omstandigheid van inklimming bij de plaats gehad hebbende a l,met • gezien of waargenomen , worden beschouwd als v,,,'^"6™? °.f S'ssmg, bij gevolgtrekking opgemaakt, waarop H R 299|W6l bewijsmiddel mag worden gelet? — .Ta.

— van gelden , den beschuldigde als schipper toevertrouwd. — A rglist.

1 en deze staat feitelijk vast, zoowel de toevertrouwing van gelden aan den veroordeelde in hoedanigheid van schipper als arglistige toeëigening daarvan. H. H. 2999. 1.

— 1 delstallen als bedienden van een voerman. — Expeditie-onderneming.

Zijn niet de requiranten in deze, naar de feitelijke beslissing , als bedienden der expeditie-onderneming van van Gend en Loos, in den omvang, aan die onderneming toegekend, en met het oog op den hun toevertrouwden werkkring, niet alleen aan te merken als bedienden van eenen expediteur, maar ook bepaald van eenen voiturier, voor zoover gemelde onderneming ook zelve vervoert en daartoe anderen in eigen dienst te werk stelt? Ja. H. R. 3011. 2.

— Getuigenbewijs. — Meeningen of gissingen.

Is het, omdat art. 434 Strafvord. voorschrijft, dat iedere getuigenis moet loopeu over feiten, door den getuige zelf gezien of ondervonden den regter daarom verboden datgene, wat een getuige slechts verklaart vernomen te hebben, in een vonnis te vermel—da' "iet bepaald als wettelijk bewijs doet gelden ?

i Kt'ï df- W?' geacht worden te zÜn geschonden door de bewijskracht, die de regter aan een wettig middel gemeend heeft te moeten teekennen ? — Neen.

Voldoet niet o. a de verklaring van een getuige, dat hij voetstappen had gezien, die hij aan de afdruksels van het schoeisel in den grond als mansvoetstappen herkende, als werkelijk loopende over feiten, door den getuige zelf gezien en behelzende reden van wetenschap, geheel aan het voorschrift van art. 434 Strafvord '

— Ja. H. R. 3015. I.

— Arglist. — Bewijs. — Aanwijzingen.

Arglist een intern feit zijnde, voor geene zinnelijke waarneming en alzoo voor geen regtstreeksch bewijs vatbaar, zoo kan die dooiden regter alleen worden afgeleid bij gevolgtrekking, gelijk incasu, uit de omstandigheden. H. R. 3016. 2.

— Stelt de nacht bij het plegen van een — eene meerdere verzwarende omstandigheid daar, wanneer hij reeds is vergezeld gegaan van braak en inklimming? — Neen. II R. 3018 2.

— in dienstbaarheid. Strafbare poging. — Aanwijzing — Houding van den beklaagde. — Medepligtigheid aan misdrijf.

Is de — voltooid, en niet gepoogd, wanneer de dader eenig voorwerp uit het bezit van den eigenaar heeft gesteld, alhoewel hij het op eene andere plaats van de woning des eigenaars heeft verborgen? Ja.

Kan eene aanwijzing geput worden uit een uitroep van den beklaagde, die reeds een bestanddeel van zijne buitengeregtelijke bekentenis, mede als aanwijzing gebezigd, uitmaakt? — Ja

Kan eene aanwijzing gelegen zijn in eene gevolgtrekking van den judex facti omtrent de houding van den beklaagde? — Ja.

Wordt, ofschoon eene veroordeeliug wegens medepligtigheid zeer wel bestaanbaar zij, alhoewel de dader van het misdrijf onbekend

blijft, echter tot het regtskundig bestaan van medepligtigheid volstrekt vereischt, dat liet werkelijk gepleegd zijn van het hoofdmisdrijf zij uitgemaakt, en dat bepaaldelijk blijke, welk dit hoofdmisdrijf zij? — Ja. H. R. 3020. 1.

Diefstal. — Bewijs. —■ Arglist. — Motieven.

Ten deze voldoende blijkende, op welke bewijsmiddelen is regt gedaan.

Ook in het bijzonder, op welke bewijsmiddelen de arglist als bewezen is aangenomen.

Ook aan welke diefstallen de beschuldigde is schuldig verklaard, bij mei-schuldig-verklaring aan een anderen hem te laste gelegden — H. K. '0-'U. I.

— d*>or middel van inklimming in een bewoond huis, door iemand beneden de zestien jaren oud. — Artt. 83, 88 , i 19 221 1°. Strafvord. — Art. 07 Strafregt.

Brengt de exceptieve bepaling van art. <;7 Strafregt eenige verandering in den aard en in de beregting des misdrijfs te weeg, met dit gevolg, dat het correctionueel geworden misdrijf eorrectionneel zou kunnen worden beregt, met weglating der instructie en verwijzing door de Regtbank, voor de beregting van misdaden gevorderd? — Neen.

Mag art. 222, 10., Strafvord. in dien zin worden opgevat, dat aan den officier van justitie de keuze wordt overgelaten, te bepalen, of eene zaak al dan niet als eene correctionriele zaak zal moeten worden aanhangig gemaakt? — Neen. Drenthe. 3028. 2.

— Tekst der wet. — Verzachtende omstandigheid.

Heeft de regter begaan verzuim van vorm , bij art. 211 Strafvord. op straffe van nietigheid voorgeschreven, door in zijne uitspraak niet op te nemen, noch den tekst aan te halen van art. 20 der wet van den 29 Junij 1854 (Stbl. n». 102), hoezeer metderdaad toegepast door toepassing van art 463 Strafregt, bij het niet-onderzoeken, of de toegebragte schade 25 francs te boven ging? — Ja H. R. 3029. 1. ë

— Bewerkt hout. — Hakhout. — Bevoegdheid. — Hooger beroep.

Is op — van hout, dat geene andere bewerking heeftTondergaan dan den hak, toepasselijk art. 40 1 Strafregt, dan wel art. 18 deiwet van den 29 Junij 1854 (Stbl. n0. i02,l? — Uet laatste.

Was het Hof bevoegd in hooger beroep kennis te nemen van een vonnis, in eene dergelijke zaak door de Arrond.-Regtbank gewezen in eersten aanleg, terwijl aldaar niet door den beklaagde was gevorderd de verwijzing der zaak naar het K antongeregt, waar zij volgens art. 1 , litt. a, der wet van 29 Junij 1854 (Stbl.n". 103), in verband met art. 44, al. 2, R. O., in eersten aanleg had moéten zijn aangebragt? — Neen. II R. 303 1. 2.

— Leveren de feiten, dat de beklaagde betrapt is geworden, staande vóór een open kabinet in de kamer, op het oogenblik, dat hij eenige kleedingstukken, door hem uit dat meubelstuk genomen, om zich heen verspreid op den grond had liggen, terwijl hij zijne jas inde hand hield, en , na deze te hebben laten vallen, vlugtte, het misdrijf op van poging tot —, en niet van voltooiden — ? Ja. Drenthe 3043. 3.

— De druiven niet te zuur. 3055. 4.

— Zie Dagvaarding. 3017. 2; — Doodslag. 3047. 1; —Narooijinq. •2993. 2; — üpligting. 3027. 2.

Dieken (13. van) c'. Th. van der Heem. Kant. n". II Amst. 3045. 2.

Dienstbare. Zie Verantwoordelijkheid. 2969. 2.

Diensten (Huur van). Zie Huur en verhuur. 3064. 3.

Diensten (Persoonlijke). Zie Plaatselijke verordeningen. 2966. 1; 2967. 3.

Dienst- en werkbodkn. — Berekening van verdiend loon — Werkdag.

— Schriftelijke huurovereenkomst. — Opzigter. — Wegzending.

— Ontslag. — Erkentenis. — Gronden.

Eene berekening van verdiend loon, tot de ongerijmde uitkomst leidende, dat de bediende aan zijn plaatsvervanger meer zou hebben uitbetaald dan hij zelf ontving, mag in regten niet worden aangenomen , zoolang de zaak eene meer rationele oplossing toelaat.

Bij de erkentenis eener vordering is het onverschillig, uit welke gronden de gedaagde zijne schuldpligtigheid afleidt, indien zulks niet van invloed is op het te bewijzen feit, en moet dit derhalve als erkend worden aangenomen.

Die als werkman in vaste dienst is, moet beschouwd worden als werkbode in den zin van art. 1639 B. W.

Indien tusschen den meester en den dienst- of werkbode het ontslag bij schriftelijke huur-overeenkomst is geregeld, op eene wijze, in strijd met art. 1639 15. W., kan de dienstbode niet zonder eenige reden worden weggezonden.

Indien bet ontslag is bedreigd voor hetgeen de opzigter daartoe voldoende zal achten , behoeft de meester slechts dan, wanneer hij zich, ten aanzien der wettigheid van het verleende ontslag niet op de verklaring van den opzigter kan beroepen, de door hem als oorzaak van dat ontslag geposeerde feiten bewijzen. Amst. 3040. 2.

— Zie Belastingen. 3041. 2.

Dienstweioeuing. Zie Schipper. 3028. 3.

Dier (Dooden van eens anders). Zie Onregtmatige daden. 3049. 3.

Dijk. (A. van) in eass. 2968. 1.

Dijk |J. van) e'. A. van Dijk. Amst. 3049. 4.

Dijk (K. G. van) in cass. 2967. 3.

Dijken. — Onderhoudspligt van —. Schouw over de ■— van den Zoetermeerschen Meerpolder. — Polderkeur. — Gemis van vast dijkpeil.

Kan het eigendunkelijk door den dijkgiaaf eens polders aangeslagen peilmerk tot grondslag eener wettige vervolging van de overtreding eener keur dienen ? — Neen.

Bestaat er op dit oogenblik een vast Amsterdamsch peil in geheel Rijnland? — Neen. Kant. Voorb. 3001. 3.

— Het graven in een dijk. — Algemeene keur op de — van het Hoogheemraadschap de Alblasserwaard met Arkel beneden de Zouwe. Lastgeving. — Auctor intellectualis.

Moet niet degeen , die tot het graven in een dijk van het genoemde Hoogheemraadschap last geeft, worden beschouwd als auctor intellectualis, eu valt hij even daardoor, wegens de algemeenheid van het verbod , in de toepassing van gezegde keur ? _ Ja. H. R. 3007. 2.

— Het steken van specie uit een dijk zonder toestemming van Dijkgraaf en Hoogheemraden van het betrokken Hoogheemraadschap. — Aannemer. — Manus ministrae. — Keur. — Delictum continuatum.

De aannemer strafregtelijk verantwoordelijk voor de op zijnen last in deze gedane daad.

"et beweren, dat griridkassen op geene andere wijze kunnen worden daargestel , dan zoo als dit in casu heeft plaats gehad , bevat in zich eene vraag van geheel feitelijken aard, niet vooreen onderzoek in cassatie vatbaar. H. R. 3023. 2.

— Zie Afgraving. 2972. 2.

Dijkmans (G. J. B.: e". A. I\ Scheffërs en e1. K. Kanters Lz. H. R. 3019. 1.

Dijksbkstuur. liet — van het eerste dijksdistrict in Overijssel c. B. H. Oost 11. U. 3013. I.

Dijkspligt. — Onderhoud. —Onteigening. —Eigendoms-overdragt.

— Aangifte. — Geldersch polder-reglement.

Is, hetzij bij art. 190 der Grondwet, hetzij bij art. 17 der onteigeningswet van den 28 Aug. I 83 l (Stbl. o ij e w® van den 2 7 Mei 1865 (Stbl. n°. 40), op zich zelf of in verband

Sluiten