Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 2 Maart 4868. ^

WEEKBLAD VAN HET REGT. *

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

JUS ET VERITA8.

DERTIGSTE JAARGANG.

Dit blad verschijnt geregeld twee maten per week. Prijs per jaargang f 20 ,• voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs der advertentiën, zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van IJII. gewone correspondenten , franco.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke U»iner.

Zitting van den 24 Januarij 1868.

Voorzitter, Mr. F. db Greve.

Gaat het regt, volgens art. 818 God. JVap. den man toegekend om scheiding en verdeeling te vorderen van goederen, aan de vrouw opgekomen, doch in de huwelijksgemeenschap vallen de , over op zijne erfgenamen ? — Ja.

O. de Gilde , eischer in cassatie , procureur Mr. M. Eyssell , tegen

van Beek en consorten, verweerders, procureur Mr. A. Q. Kraijenhoff van de Leuk.

De adv.-gen. Gbeooby heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtb. Heeren, President en Raden! Tegen het arrest van het Prov. Geregtshof in Zuidholland vim den 14 Jan. 1867, baarbij bevestigd is een vonnis der Arrond.-Regtbank te Brielle van den 8 Dec^ 1865, is door den eischer als e'e'nig middel van cassatie aangevoerd: schending en verkeerde toepassing van art. 38 der wet op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving en van de artt. 815 , 1401, 818, 1441, 1467, in verband met de artt. 516, 527—529 God. Nap., 1112, 899 B. W., alsmede van de artt. '11, 7*24, al. 1, Cod. Nap., en de artt. 639 en 880, al. 1, B. W., doordien de regter hem niet ontvankelijk heeft verklaard in zijne vordering tot scheiding en verdeeling der nalatenschap van P. van der Meer, althans voor zoover die nalatenschap bestaat uit roerende goederen.

de eerste overweging quoad jus van het beklaagde arreet heeft het Hof te kennen gegeven , dat des eischers regtsvordering strekt tot veroordeeling van de verweerders om met hem over te gaan tot scheiding en verdeeling der nalatenschap van wijlen P. van der Meer, ]even echtgenoote van mede wijlen A. van Beek, voor zooverre nalatenschap bestaat uit roerende goederen ; terwijl het Hof bij diezelfde overweging tevens heeft uitgemaakt, dat voornoemde regtsvordering door den eischer is ingesteld als erfgenaam van zijnen vader L. de Gilde, die in het tweede huwelijk, onder de werking van het Fransch Burgerlijk Wetboek, in gemeenschap van goederen is gehuwd geweest met eene dochter van gemelde P. van der Meer, zijnde de vierde geïnt. F. van Beek.

Drie van de ne^en gedaagden hebben die vordering tegengesproken > en tot dat °einde twee middelen van niet-ontvankelijkheid

aangevoerd :

1°. dat de eischer, als representerende zijnen vader f. L. de Gilde, welke nimmer hetzij ab intestato, hetzij ex testamento , erfgenaam is gefeest van meergemelde P. van der Meer, in casu alzoo onbevoegd is scheiding en verdeeling harer nalatenschap te vragen, welke nalatenschap dan ook reeds op 24 April 1858 voor den notaris Vlielander tusschen de werkelijke erfgenamen behoorlijk is gescheiden , en

2°. dat de eischer vraagt scheiding en verdeeling alleen van de roerende goederen dezer nalatenschap, hetwelk onbestaanbaar is, daai eene nalatenschap is eene onsplitsbare universitas, welke moet worden gescheiden en verdeeld tusschen de werkelijke erfgenamen der overledene en wel tusschen hen alleen.

De Regtbank heeft de drie voornoemde gedaagden in hun in de eerste plaats voorgesteld middel van niet-ontvankelijkheid gegrond geacht, en dien ten gevolge een onderzoek naar het tweede middel overbodig geoordeeld, terwijl zij dan ook dien-overeenkomstig bij haar dispositief de voorzegde drie gedaagden gegrond heeft verklaard in hunne tegenspraak , voor zooveel het eerste middel betreft, en, passerende het door hen voorgestelde tweede middel, mitsdien den eischer "iet-ontvankelijk heeft verklaard in zijne vordering.

Het Hof heeft het vonnis der Regtbank bevestigd , en bij zijn arrest evenmin een onderzoek naar het voorzegde tweede middel van nietontvankelijkheid ingesteld.

Ter regtvaardiuing van het zoo even door mij voorgedragene verwijs ik naar de eerste overweging quoad facta, en naar het laatste gedeelte der vierde overweging quoad jus van het beklaagde arrest.

Het gevolg van dit een en ander moet dus zijn: 1°. dat al de bij de memorie en de pleidooi voorgedragen gronden , welke ontleend zijn aan het tweede middel van niet-ontvankelijkheid, ten deze in geene aanmerking mogen genomen worden , omdat dit middel geen punt van onderzoek bij den judex J'acti heeft uitgemaakt; en 2°. dat, wanneer de ilooge Raad het aangevoerde middel van cassatie gegrond moet oordeeleii , de zaak naar het Hof zal behooren te worden tei uggezonden , om alsnog op dat tweede middel van niet-ontvankelijkheid regt te doen.

Bij de memorie van eisch , als ook bij de pleidooi is door der eischer de aandacht van den Raad gevestigd op het arrest van 1 Febr 1861 (1).

Ook ik van mijne zijde vermeen bijzonder op dat arrest te inoetei wijzen, omdat de verweerders zelve de juistheid van 's Hoogen Raad beslissing ten volle hebben erkend, doch alleen van oordeel zijn dat men zich daarop in de onderwerpelijke zaak niet zou kunnei beroepen.

Hunne verklaring vind ik te belangrijk, dan dat ik ze niet wooi delijk zou mededeelen.

"In de algeheele gemeenschap , zeggen zij , van het oud Hollandse]

(I) Te vinden in Weekbl. n°. 2247, de JVed. Regtspr., d. 67, bl 83 en volg., en bij v. d. Honert, Verz. van Arr., afd. Burg. Reg\ 25, bl. 47 en volg.

en hedendaagsch Nederlandsch regt valt het regt van erfgenaamschap zelf; daar wordt de gemeenschap zelve erfgenaam, en was dit hier het geval, de eischer zou zijne bewering teregt volhouden.

«Met het oog op ons regt was dan ook de beslissing van den Hoogen Raad van 1 Febr. 1861 , waarop de eischer zich nu te vergeefs beroept, zeer juist, maar ddar wordt het regt van erfgenaamschap gemeen.

«Niet alzoo volgens het Fransche regt, waar de huwelijksgemeenschap niet is eene van regten , maar van zaken. Door deze wordt eene cessie van het mobilair slechts verkregen.»

Ik zal niet op nieuw betoogen , dat, wanneer een huwelijk zonder huwelijksche voorwaarden is aangegaan onder het Nederlandsche regt, alsdan het regt van erfgenaamschap, hetwelk de echtgenoote vóór hun huwelijk ieder afzonderlijk bezaten, bij dat huwelijk is overgegaan tot de gemeenschap.

Ik heb dit in het breede ontwikkeld bij mijne conclusie, welke 's Raads areest van 1 Febr. 1861 is voorafgegaan. De Raad heeft zich daarmede vereenigd, en de verweerders zelve erkennen de juistheid dier beslissing.

Ik zal alleen nagaan, of dit niet het geval is, wanneer, gelijk in deze, het huwelijk is aangegaan onder de werking van het Fransch burgerlijk Wetboek.

Zeer zeker bestaat er verschil tusschen de wettelijke gemeenschap van goederen van het Nederlandsche en die van het Fransche regt.

Volgens het Nederlandsche bevat zij alle de roerende en onroerende goederen. Volgens het Fransche regt alleen :

1». tout le mobilier, que les e'poux posse'daient au jour de la célebration du mariage, ensemble tout le mobilier qui leur échoit pendant le mariage a titre de succession ou même de donation, si le donateur n'a exprimé le contraire ;

2". etc.

Tout le mobilier valt dus in de Fransche wettelijke gemeenschap.

En wat beteekent nu het woord mobilier ? Hetzelfde wat op andere plaatsen van den code het woord meubles in tegenstelling van immeubles te kennen geeft. Het zijn alle de roerende goederen, zoo als het wordt genoemd in de Hollandsche vertaling van den code, en zoo als die woorden ook gebezigd zijn bij art. 175 van ons B. W.

Onder de algemeene uitdrukking goederen, in artt. 17 4 en 175 B. W. voorkomende, moeten, volgens ons regt, zoowel de goederen in den eigenlijken zin des woords, als de regten en regtsvorderingen verstaan worden.

Is dit anders onder het Fransche regt f Volstrekt niet. Todlliee leert dan ook bij de uitlegging van art. 1401 God. Nap., dat die uitdrukking tout le mobilier est générale et comprend sans aucun doute les meubles , tant corporels qu'incorporels , en voorts , dat les droits et actions incorporels qui ont des meubles pour objet sont meubles (1).

Onder meubles wordt dus hetzelfde verstaan als in ons regt onder het woord goederen. En daar nu, blijkens art. 1401 God. Nap., tout le mobilier in de gemeenschap valt, zoo volgt daaruit, dat ook alle regten en regtsvorderingen, die roerende goederen ten onderwerp hebben , daarin vallen, en dus ook het regt van erfgenaamschap, voor zoover de nalatenschap uit roerende goederen bestaat.

Hetgeen dus onder het oud-Hollandsch regt waar was, en onder het tegenwoordige regt nog waar is, was evenzeer waar onder het Fransche regt, met dit onderscheid alleen, dat, volgens het oud-Hollandsch en tegenwoordig regt, de wettelijke huwelijks-gemeenschap eigenaar werd en wordt van alle de goederen der nalatenschap, zoowel roerende als onroerende, terwijl de gemeenschap volgens het Fransche regt alleen eigenaar werd van de roerende goederen der nalatenschap.

Ik heb geen artikel van den code gevonden, hetwelk het tegendeel leert.

Men heeft zich o. a. wel beroepen op eene plaats van Troplong (2), alwaar hij zegt: »la communauté qui, a vrai dire, n'est qu'un cessionnaire du mobilier, doit supporter sa part des dettes de la même mamere que 1'aurait fait un cessionnaire étranger. Doch wat leert Iroplong daSr anders, dan dat de gemeenschap eigenaar is van de roeiende goederen der gemeenschap.

Raadpleegt men Demolombe, omtrent hetgeen hij in n°. 571 en 572 (3) leert, dan zal men zien, dat hij den man, of indien men wil, gelijk !i zegt, de gemeenschap, als eigenaar beschouwt van de roerende goederen eener nalatenschap, welke aan zijne vrouw is vervallen.

s het nu waar, dat, volgens het Fransche regt, de huwelijks-gemeenschap eigenaar is van alle de roerende goederen eener nalatensc ap, aan een der echtgenooten vervallen, dan kon de vader van den eisc ei de scheiding en verdeeling der nalatenschap van P. van der Meer vorderen, niet alleen als beheerder der gemeenschap, maar ook bovendien als eigenaar voor de helft van het regt van erfgenaamschap, om at dit regt in de huwelijks-gemeenschap was gevallen.

u 18 et volkomen waar, dat het regt, hetwelk den man als beheerder der gemeenschap toekomt, na zijnen dood niet op zijne erfgenamen overgaat. Doch daarop maakt dan ook de eischer geene aanspraak. Hij maakt die alleen < p de helft van het regt van erfgenaamschap , hetwelk zijn vader als eigenaar voor de helft, en mitsdien als deelgenoot van de gemeenschap toekwam. In diens regt als zoodanig is de eischer getreden , en daarom was hij dan ook bevoegd de scheiding en verdeeling der nalatenschap van P. van der iVieerte vorderen. Door hem daarin niet-ontvankelijk te verklaren, heeft de regter de bij het middel aangeduide wets-artikelen betrekkelijk de ■wettelijke gemeenschap, bepaaldelijk art. 1401 Cod. Nap. verkeerd

1 (1) Ie droit civil francais, tom. 14, n». 93, 94 en 95, bl. 96 en volg. der Brusselsche uitgave van Wahlen van het jaar 182(5, tom. 12 van de uitgave van Staplaux.

(2) Du contrat de mariage, § 810, d. I, bl. 261 der Bruss. uitgave van Meline c. s. , van het jaar 1850.

(3) Cours de Code Civil, tom. 8 der Brues. uitgave, bl. 182 en 183.

I toegepast, en art. 880, al. 1 , B. W. geschonden , zoodat het aangevoerde middel van cassatie als gegrond moet worden aangemerkt.

De Raad zal echter, gelijk ik reeds heb aangetoond , ten deze geene eindbeslissing der hoofdzaak kunnen geven.

Ik concludeer mitsdien, dat de Hooge Raad het arrest van het Prov. Geregtshof in Zuidholland van den 14 Jan. 1867 zal vernietigen , voorts het geding zal verwijzen naar voornoemd Geregtshof, ten einde , met in-acht-neming van de uitspraak van den Hoogen Raad, de hoofdzaak verder te behandelen en te beslissen, en verder de verweerders zal veroordeelen in de kosten, in cassatie gevallen, met reserve der overige kosten, en bevel tot teruggave der boete van cassatie.

De Hooge Raad enz.,

Overwegende, dat als éénig middel van cassatie is voorgesteld: schending en verkeerde toepassing van art. 38 der wet op den overgang der vroegere tot de nieuwe wetgeving, en de artt. 815, 1401, 818, 1441, en 1467, in verband met de artt. 516, 527 tot 529 Code Nap., 1112 en 899 B. W., alsmede van de artt. 711 , 724 , eerste zinsnede, Cod. Nap., en de artt. 639 en 880, eerste zinsnede B. W., door de niet-ontvankelijk-verklaring van den eischer in zijne vordering tot scheiding en deeling der nalatenschap der moeder zijner stiefmoeder, immers voor zoover deze bestaat uit roerende goederen;

O., dat wijlen des eischers vader onder de werking van den Code Nap. in wettige gemeenschap van goederen in tweeden echt is gehuwd geweest met de eerste mede-verweerderesse in cassatie; dat gezegde vordering is ingesteld door den eischer , als erfgenaam van wijlen zijn vader, doch dat hij daarin door den eersten regter zijnde verklaard niet-ontvankelijk , deze uitspraak in hooger beroep is bevestigd bij het beklaagde arrest, op grond , dat de vordering tot boedelscheiding alleen toekomt aan erfgenamen of de personen, die in hunne regten als zoodanig zijn opgevolgd , en dus niet aan hen, die slechts op bepaalde goederen uit hunne nalatenschap aanspraak kunnen maken ;

U., dat noch bij het beklaagde arrest, noch door de verweerders in cassatie wordt betwist, dat art. 1112 B. W. evenzeer geldt voor erfgenamen als voor hen, die in hunne plaats optreden, als geregtigd hunne onverdeelde erfregten in de nalatenschap uit te oefenen, en wordt erkend, dat, naar art. 818 Code Nap., des eischers vader regt had tot het vorderen van scheiding en deeling van goederen , aan zijne vrouw opgekomen, doch in de gemeenschap vallende; maar wordt ontkend, dat dit regt zoude zijn overgegaan op den eischer als erfgenaam van zijn vader, en zulks, vermits het regt van dezen laatste zoude zijn geweest een persoonlijk regt, hem toekomende krachtens zijne maritale magt en zijn beheer als hoofd der gemeenschap , en mitsdien niet overgegaan op zijn erfgenaam ;

O., dat, volgens art. 1401 Code Nap., onder de wettelijke huwelijks-gemeenschap, zoo als deze is geregeld bij dat wetboek, is begrepen tout le mobilier; en dat daaronder mede zijn vervat alle roerende goederen, ten onderwerp hebbende regten en regtsvorderingen , en dus ook het regt van erfgenaamschap voor zoover de nalatenschap uit roerende goederen bestaat;

O., dat alzoo , volgens dat wetboek , de gemeenschap wordt beschouwd als eigenaresse der roerende goederen eener aan eene der echtgenooten vervallen nalatenschap ; dat mitsdien des eischers vader was bevoegd te vorderen de scheiding en deeling eener aan zijne echtgenoote vervallen nalatenschap, immers voor zoover deze bestaat uit roerende goederen, niet alleen als beheerder der gemeenschap, maar bovendien als eigenaar voor de helft van het regt van erfgenaamschap , voor zoover betreft de roerende goederen; en dat de eischer, in zijns vaders regt als zoodanig zijnde getreden, in strijd met de aangehaalde artikelen is verklaard niet-ontvankelijk in zijne vordering tot scheiding en verdeeling;

O., dat echter tegen de vordering in eersten aanleg zijn gerigt twee middelen van niet-ontvankelijkheid, waarvan de Regtbank, het eerste aannemende, het tweede heeft gepasseerd ; — dat ook bij het beklaagde arrest, bevestigende het vonnis des eersten regters, een onderzoek van het al dan niet-aannemelijke van dat tweede middel is daargelaten, en dat uit dien hooide de zaak ter verdere behandeling en beslissing op dat punt behoort te worden teruggewezen ;

Vernietigt het beklaagde arrest van het Prov. Geregtshof in Zuidholland, den 14 Jan. 1867 tusschen partijen gewezen;

En, doende wat het Hof in hooger beroep had behooren te doen;

Doet te niet het vonnis der Arrond.-Regtbank te Brielle van den 8 Dec. 1865, voor zoover de eischer daarbij op grond van het eerste middel, tegen zijne vordering aangevoerd, is niet-ontvankelijk verklaard;

Verwerpt dat middel van niet ontvankelijkheid ;

Wijst de zaak terug naar gemeld Hof, ten einde, met in-achtneming van dit arrest, verder in hooger beroep te worden onderzocht en beslist;

Veroordeelt de tegenspraak gedaan hebbende verweerders in de kosten, in cassatie gevallen, alsmede in die van het arrest in hooger beroep en de beteekening;

Reserveert de overige kosten tot aan de eind-uitspraak ;

Beveelt de teruggaaf der boete van cassatie.

(Gepleit voor den eischer Mr. van Weel uit Rotterdam, en voor de verweerders Mr. J. Kappeyne van de Coppello.)

Zitting van den 31 Januarij 1868.

Dwangbevel. — Verzet. — Uegterlijk , administratief gezag.

Is in casu teregt beslist, dat het verzet op den daarvoor aangevoerden grond had moeten zijn aangebragt bij hei administratief, niet bij het regterlijk gezag ? — Ja.

Sluiten