Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 12 Maart f 868. N°. 2981.

s

WEEKBLAD VAN HET REGT. ^

REGTSKUNDIG NIEUWS- EH ADVERTENTIE-BLAD.

DERTIGSTE JAARGANG. JUS ET miTAs7

Bit blad verschijnt geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang f 20 ; voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs der advertentiën, zonder zegel/regt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van Hff. gewone correspondenten , franco.

-Rij dit nommer behoort een Bijvoegsel, behelzende ver-

SP.lril 1 j _ i 1 1 n " j- ittaa /■*! q

~~»*ncuue ontwerpen, aoor ae negering aan uc iwccuu Kamer der Staten-Generaal aangeboden.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgeerlijke kamer.

Zitting van den 31 Februarij 1868.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Acte van aanbesteding. — Acte van borgtogt. — Registratie. — Straatweg.

Is eene acte van aanbesteding van een gemeenteweg eene acte cTadministration municipale , in den zin van art. 20 der wet van 22 Frirnaire jaar VII? — Neen.

Is onder art. 69, § 2, n°. 8, dier wet ook begrepen borgtogt wegens aanneming van onroerende goederen? — Niet beslist.

(Zie het vonnis van de Arrond.-Regtbank te Assen in Weekbl. n°. 2924.)

«Jhr. J. A. G. van der Wijck , secretaris der gemeente Westerbork,

c. s.} eischers in cassatie, procureur P. J. van der Burgh ,

tegen

het Bestuur der Registratie, verweerder, procureur Mr. C. J.

Fran^is ,

en

het Bestuur der Registratie , eischer , procureur Mr. C. J. FRAN901S,

tegen

Jhi. J. A. G. van der Wijck, secretaris der gemeente Westerbork,

c. s., verweerders , procureur P. J. van der Burgh.

De Hooge Raad enz.,

Gehoord den proc.-gen. in zijne conclusie, strekkende 1°. tot cassatie van het beklaagde vonnis; en voorts ten einde de Hooge Raad, ten principale regt doende, de eischers in cassatie, oorspronkelijk, opposanten, zal verklaren goed opposanten tegen het tegen hen uitgevaardigd dwangschrift en dit zal stellen buiten effect, met bevel tot restitutie der door hen geconsigneerde boete van cassatie ; en 2 tot verwerping van het beroep, door het Bestuur der Registratie tegen hetzelfde vonnis ingesteld, met veroordeeling van dat Bestuur in al de kosten, in deze "zaak zoo in eersten aanleg gevallen als in die, veroorzaakt door het wederzijdsch beroep in cassatie, alsmede in de boete van cassatie ;

Ten aanzien der voorziening in cassatie van de oorspronkelijke

opposanten :

Overwegende, dat daarvoor als éénig middel van cassatie is aangevoerd : verkeerde toepassing, immers schending van de artt. 7, 20, 29, 36 , in verband met de artt. 35 en 69 , § 1, en Ï22 der wet van den 29 Junij 1851 (Stbl. n°. 85), zoowel afzonderlijk als in hun onderling verband, door 1°. onder de actes publics des administrations municipales, in art. 20 der eerst aangehaalde wet bedoeld, te begrijpen eene acte, niet opgemaakt door of ten overstaan van het openbaar municipaal gezag, in den voor zoodanige acten gebruikeHjken vorm, maar door eene particuliere commissie, bestaande uit afgevaardigden van twee gemeentebesturen buiten gezegden vorm; en 2°. in strijd met de bedoeling der aangehaalde wets-artikelen , de secretarissen der gemeenten aansprakelijk te stellen voor de registratie eener acte , buiten hunne medewerking opgemaakt;

O., dat de onderwerpelijke acte, volgens de feitelijke beslissing van het beklaagde vonnis, is eene acte van aanbesteding van een straatweg, ter verbinding van twee gemeenten, gehouden door eene commissie uit de besturen van beide gemeenten , van welke gemeenten de beide eischers waren secretarissen ;

0. , dat, vermits in den aanhef van gezegd art. 20 wordt gesproken van actes publics, daaruit volgt, dat onder de daarop in de zesde zinsnede voorkomende uitdrukking les actes des administrations municipales uitsluitend zijn begrepen de daartoe betrekkelijke openbare acten ; dat derhalve bij het beklaagde vonnis ten onregte is aangenomen , dat daaronder zijn begrepen alle, ook niet openbare acten des administrations municipales ; doch dat het al of niet gegronde van het middel van cassatie alleen daarvan afhangt, of in het onderwerpelijke geval is aanwezig un acte public d'une administration municipale;

O., dat onder de actes publics d'une administration municipale alleen zijn begrepen zoodanige acten , waarbij een Gemeentebestuur handelt als zoodanig, dat is als een openbaar gezag uitoefenend ligchaam;

O,, dat derhalve de aangehaalde bepaling niet is toepasselijk op acien, waarin gemeentebesturen slechts als contracterende partijen handelen ; en dat bij gevolg gezegd art. 20 verkeerd is toegepast °P eene acte, waarbij twee gemeentebesturen door eene gecombineerde, a's hunne gemagtigden te beschouwen commissie, eene onderhandsche overeenkomst hebben gesloten ;

O., dat alzoo het aangevoerde middel, en mitsdien de voorziening ^er oorspronkelijke opposanten is gegrond ;

Ten aanzien der voorziening in cassatie van het Bestuur der

Begistratie:

(J-, dat daarvoor als e'e'nig middel van cassatie is voorgesteld :

schending en verkeerde toepassing van de artt. 35, 36, 69, § 2,

n°- 3 en 8, en § 3, n°. 1, der wet van den 22 Primaire Vilde jaar,

van art. 1 , n°. 10, litt. F, der wet van den 31 Dec. 1863 (Stbl.

212), van de artt. 562, 563, 567, 1275 en 1277 B.W., en van art. 129 B. R., alles in verband met art. 56 van laatstgenoemd wet¬

boek, door den in het onderwerpelijk geval gestelden borgtogt niet te beschouwen als un cautionnement de sommes ou objets mobiliers, in den zin van art. 69 , § 2 , n". 8 , der wet van den 22 Frirnaire Vilde jaar;

O., dat , vermits het als nu vaststaat, dat de secretarissen der beide hier bedoelde gemeenten niet zijn verpligt geweest de acten van aanbesteding binnen twintig dagen ter registratie aan te bieden, daarmede vervalt het onderzoek naar dit middel; en behoort te worden gehandhaafd het beklaagde vonnis, voor zoover dit betreft den borgtogt;

Regt doende op beide beroepen ,

Verklaart het beroep der oorspronkelijke opposanten gegrond;

Verwerpt dat van het Bestuur der Registratie;

Vernietigt mitsdien het beklaagde vonnis der Arrond.-Regtbank te Assen van den 31 Dec. 1866 , alleen echter voor zooveel dit betreft der opposanten verzet tegen het dwangschrift, voor zooveel dit aangaat de regten, geheven voor de aanbesteding, en daarbij is gehandhaafd het den 21 Julij 1866 aan de opposanten beteekend dwangschrift, en de kosten zijn gecompenseerd;

ün, doende wat de Regt bank had behooren te doen ,

Verklaart de eischers , oorspronkelijke opposanten , goed opposanten tegen gezegd dwangschrift, voor zoover daarbij wordt gevorderd enkel en dubbel regt van registratie wegens aanbesteding bij acte van den 26 Oct. 1864, met de opcenten en de wettige interessen, en stelt gezegd dwangschrift in zooverre buiten effect;

Beveelt de teruggave der door de oorspronkelijke opposanten geconsigneerde boete;

Veroordeelt het Bestuur der Registratie in al de kosten , zoo in eersten aanleg gevallen als in die, veroorzaakt door het wederzijdsch beroep in cassatie, alsmede in de door hetzelve geconsigneerde boete.

(Gepleit voor de eischers Mr. M. S. Pols , en voor het verwerend Bestuur Mr. G. M. van dek Linden.)

Siun i-r tan Strnfzaken.

Zitting van den 22 October 1867.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

loterij. valschheid in ONDEaiIANDSCH geschrift.

Bewijsmiddel.

Onverschillig welk begrip aan het woord onderhandsche acte volgens het Burgerlijk Wetbozk mag worden gehecht, spreekt het Wetboek van Strafregt in de artikelen, waar over het misdrijf van valschheid gehandeld wordt, niet van onderhandsche acten maar drukt zich in algemeene bewoordingen uit als acte' écriture, pièce. '

Nergens aan partijen verboden een onderhandsch geschrift, van een derde afkomstig, als middel van bewijs van zeker 'feit aan te nemen.

A. Stam, oud drie-en-veertig jaren, arbeider, en gepatenteerd als debitant van loterijbriefjes voor eene geringe en onderhandsche loterij van goud en zilver beneden J 100, wonende te Strijen , heeft zich in cassatie voorzien tegen een arrest van het Prov. Geregtshof in Zuidholland van den 31 Julij 1867, waarbij hij is schuldig verklaard aan valschheid in onderhandsch geschrift, door het veranderen van geschrift; en te dier zake, met toepassing der artt. 150 , 147, 164 en 165 Strafregt, 3 en 4 der wet van den 29 Junij 1854 (Stbl. no. 102) , 1, al. 1, 9 en 10 der wet van den 22 April 1864 (Stbl. n". 29), en 207 Strafvord., veroordeeld tot een confinement in een tuchthuis voor den tijd van vijf jaren en tot eene geldboete van ƒ50, deze boete, zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, te vervangen door gevangenis-straf van zeven dagen en verwijzing in de kosten der procedures ten behoeve van den Staat, des noods invorderbaar bij lijfsdwang ; met last van teruggave van het valsclie stuk en de stukken van vergelijking , binnen veertien dagen, nadat 's Hofs arrest in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, aan hen, die ze hebben medegedeeld en dat de voorwerpen , die als stukken van overtuiging hebben gediend , aan den daarop regthebbende zullen worden 1 teruggegeven, alles met bevel, dat een extract van dat arrest zal worden gedrukt en aangeplakt te 's Gravenhage en te Strijen, ter plaatsen alwaar zulks te doen gebruikelijk is.

Nadat te dezer zake door den raadsheer Hdguenin het verslag was uitgebragt en de advokaat van den req., Mr. D. van Kaalte, . de voorziening nader bij pleidooi had toegelicht, heeft de adv.-gen. Kakseboom de volgende conclusie genomen :

De proc.-gen.,

Gezien de stukken; gelet op de middelen van cassatie, bij pleidooi voorgedragen ;

Overwegende, dat als eerste middel is voorgesteld : schending en verkeerde toepassing van de artt. 1, in verband met 429 en 443, Strafvord., doordien het Hof het bestaan van aanwijzingen heeft aangenomen , zonder dat het blijkt, op welk soort van bewijsmiddel het Hof het 1 bestaan daarvan heeft gegrond, alsmede schending van artt. 206 en ' 211 Strafvord., doordien het arrest op het punt van het bestaan van schade volstrekt niet is gemotiveerd;

O. ten aanzien van het eerste deel van dit middel, dat de in deze bedoelde 6de overweging aanvangt: "dat alzoo door aanwijzingen, voortgevloeid uit de bovenvermelde wettige bewijsmiddelen, overtuigend is gebleken en mitsdien regtens is bewezen, dat" enz.; dat die woorden ten duidelijkste aantoonen , dat de conclusie van dien considerans is getrokken uit het onmiddellijk voorafgaande, een gevolg is van het in de vorige overwegingen vermelde, vermits er gesproken wordt van «alzoo,» d. i. van het vooraf vermelde ; terwijl

daarin ook eene uitdrukkelijke verwijzing voorkomt naar de //bovenvermelde wettige bewijsmiddelen;» dat nu in de voorafgaande overwegingen breedvoerig worden aangegeven onderscheidene daadzaken en omstandigheden, met vermelding bij elke, uit welke bewijsmiddelen (getuigenverklaringen, erkentenis enz.) iedere is gebleken, zoodat dit deel van het middel allen feitelijken grondslag mist ;

O. ten aanzien van het tweede deel van dit middel, dat diezelfde 6de overweging inhoudt, dat door gedachte aanwijzingen is bewezen; //dat het doel van den besch. is geweest de prijzen der door hem verkochte loten ten nadeele der daarop regthebbenden voor zich te behouden; dat dus het veranderen der cijfers op de lijst der verloting , hetwelk mede dienen moest om dat doel te bereiken, met arglist en bedriegelijk heeft plaats gehad, en dat door die verandering in dit geschrift, niet alleen mogelijkheid van schade voor derden ontstond , maar zelfs werkelijk schade is te weeg gebragt//;

dat alzoo het bestreden arrest heeft beslist de mogelijkheid niet slechts, maar het bestaan zelfs van schade voor derden, en dat de regter heeft aangegeven, waarop die beslissing is gegrond, n. 1. op de omstandigheden, door hem als aanwijzingen aangenomen en door de bovenvermelde wettige bewijsmiddelen gebleken; zoodat het arrest ook in dit opzigt voldoet aan de wet en het feitelijke, waarop het middel wordt gezegd te berusten, ten proeesse niet is gebleken ;

O., dat als tweede middel wordt beweerd: schending en verkeerde toepassing van art. 1 Strafvord., in verband met artt. 147 en 150 C. 1'., alsmede art. 436 Strafvord., doordien het Hof de veranderde lijst heeft genoemd geschrift, zonder te hebben uitgemaakt, dat dit schrift eenige overeenkomst, beschikking, verbindtenis of bevrijding medebragt;

0., dat, indien dit middel juist ware, daarvan welligt eerder eene vernietiging wegens gebrek aan motivering en alzoo verwijzing naar een ander Hof het gevolg zijn zou, dan, zoo als het pleidooi bedoelde, een ontslag van regtsvervolging; dat echter het middel is ongegrond;

0. daaromtrent, dat bij pleidooi er op gewezen is, dat, ter gelegenheid der verwijzing, het Openb. Min. van meening was, dat het feit niet viel in artt. 150, j°. 147 C. P., maar in art. 162 aldaar; doch dat ten deze niet uit het oog mag worden verloren: 1 -. dat het requisitoir van den proc.-gen. sprak van //valschheid in een certificaat van anderen aard als die, bedoeld in artt. 151—161C. P.//, met de hijvoeging; //zijnde een onderhandsch geschrift door het veranderen van geschrift//, maar vooral niet, dat, indien art. 162 0. P. in de qualificatie toepasselijk ware op het bewezene feit, daarvan niet het gevolg zou zijn geweest, dat eene andere straf had moeten zijn toegepast, dat van een geheel ander misdrijf sprake zou zijn geweest, maar alleen dat als strafwet dezelfde artt. 147 en 150 C. 1'. toegepast hadden behooren te worden, zoodat in dat geval de vraag zou zijn, of de veroordeelde zich op zoodanige vergissing ingevolge art. 385 Strafvord. zou mogen beroepen ; dat daarenboven uit hetgeen facto in casu is aangenomen , niet wel kan worden afgeleid, dat hier aan een certificat in den zin van art. 162 zou moeten worden gedacht;

O. nu wijders op dit middel, dat reeds deze bedenking der verdediging bij het bestreden arrest is wederlegd in de 7de overweging, luidende : «dat wel aan de zijde van den besch. ter zijner verdediging is aangevoerd, dat de lijst der verloting, welke door den besch. niet mede is onderteekend, niet was een geschrift, hetwelk zou kunnen dienen tot staving van of verdediging tegen eene burgerlijke regtsvordering, en uit dien hoofde de daarin door den besch gemaakte verandering niet strafbaar zou zijn; doch dat, wat er' ook zijn moge van de meerdere of mindere bewijskracht van dit stuk volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek voor eene strafregterlijke vervolging en veroordeeling genoegzaam is, dat vervalsching hebbe plaats gehad van een geschrift, hetwelk voor en tusschen de daaibij betrokken personen, bij wederzijdsche toestemming, als bewijs van hetgeen daarin is vermeld werd beschouwd, erkend en aangenomen , gelijk dit hier gebleken is het geval te zijn geweest//;

O., dat deze beslissing niet is in strijd met de wet; dat toch, gelijk (Je Hooge Raad in zijn arrest van 6 Nov. 1855 ( Weekbl. n°. 1796 , Regtspr. 51, 145, v. d. Honert, 1855 , 2, 137) bij het ontbreken van handteekeningen aan onderhandsche geschriften heeft uitgemaakt, dat »de bepaling van art. 150 ziet op de vervalsching van onderhandsche geschriften in hec algemeen, zoodat in den regel ook niet geteekende onderhandsche geschriften (c. f. art. 1911 B. W.) het onderwerp eener strafbare valschheid kunnen zijn»,— bij de beantwoording der vraag moet worden uitgegaan van het criterium, hetwelk ten grondslag is aangenomen ook bij uw arrest van 17 April 1860 (Weekbl. n". 2199, lieytspr. 6t, 2 12, v. d. Honert , 1860 , 87), dat, om als onderhandsch schrift in aanmerking te komen, daaruit regten moeten kunnen worden ontleend; en dat dit door den judex facti is aangenomen, die ook reeds vroeger had uitgemaakt, dat de bedoeling was derden daardoor te benadeelen , en dat die schade werkelijk er door is toegebragt.

Men vergelijke het arrest van 12 Maart 1850 , 12de en 13de overweging (Regtspr. 35 , 96 , v. d. Honert, 18i0, !, 124), en van 14 Nov. 1860 (Regtspr. 66 , 173 , v. d. Honert, l'söO, 2*76) alsmede het arrest van 16 Dec. 1857 (Regtspr. 57,235, v. d. Honert 1857, 451;, waarbij is uitgemaakt: //dat art. 150 ziet op de vervalsching van onderhandsche geschriften in het algemeen, zoodat in den regel ook niet geteekende onderhandsche geschriften het onderwerp eener strafbare valschheid kunnen zijn; en dat mitsdien het Uof, door dit art. 150 niet te beperken tot eigenlijk gezegde onderhandsche acten, die volgens de beginselen van het burgerlijk regt de onderteekening vorderen, maar door onder onderhandsche geschriften te rangschikken alle onderhandsche geschriften, waaruit eenige regten kunnen worden ontleend (hetgeen in casu is gebleken) , de aangehaalde artikelen niet heeft geschonden, maar met juistheid toegepast», c. f. Car.xot, n°. III, op art. 150, en het arrest van 4 Mei 1847 (Regtspr. 27, 172, v. d. Honkkt, 1847, 1, 287).

0., dat door deze beslissing ook niet, gelijk is beweerd, art. 436 Strafvord. is geschonden, omdat partijen ten civiele niet kunnen afwijken van de bepalingen omtrent d<? verachten van onderhandsch^

judex facti is aangenomen, die ook reeds vroeger had uitgemaakt,

Sluiten