Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 50 Maart 1868.

N°. 298®<|

WEEKBLAD VAN HET REGT.

fiEGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

dertigste jaargang.

JUS ET YEUIÏ'AS.

l)it blad verschijnt geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs der advertentiën, zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van bh. gewone correspondenten , franco.

ivntrii:i.i: wiJKicise.

Lui donner un droit, et le punir pour en user, est une inconséquence evidente.

Regnard.

De wet kan hervormd worden ; — hervormd op de waarlijk practische wijze, bij gedeelten.

Opzoomer.

Pure théorie is gekheid; de mensch is practicaai door zijn aart en bestemming.

Bildebdijk.

Er zijn thana bij de tweede kamer drie wets-ontwerpen aanhangig van het departement van justitie, die allen de strekking hebben, om enkele bepalingen van de wet op de regterlijke organisatie en het wetboek van burgerlijke regtsvordering te wijzigen , en, wij mogen er wel bijvoegen , te verbeteren.

W\j zijn met die ontwerpen zeer ingenomen. Dat de daarbij voorgestelde veranderingen werkelijk verbeteringen zijn, zullen wij thans niet aantoonen. Wij gelooven niet, dat zich daarover een ernstig verschil vau gevoelen zal openbaren. Vooral is dat het geval met de afschaffing der judiciële boeten. Niemand heeft daarvoor ooit eeue reden, of zelfs een voorwendsel weten te geven; en toch zitten wij daarmede nu bijna dertig jaren opgeschikt, in afwachting vau eene algemeene herziening, die niet komt. Het moge waar zijn, dat het request-civiel, het derden-verzet, inde andere gevallen, waarin die boete thans nog bedreigd wordt, zeldzaam voorkomen. Maar het kan zeker geene reden zijn om ze te behouden ; iu ieder geval zal de afschaffing van de boete van cassatie , de meest onbegrijpelijke van allen, eene ware weldaad zijn voor hen, die het ongeluk treft van persoonlyk kennis te moeten maken met »het schoonste sieraad in den tempel van Themis.»— Bene weldaad daarenboven, waardoor niemand schade lijdt, en die door geen enkel nadeel wordt opgewogen. Bovendien, als men de boete afschaft, omdat men haar in beginsel onregtvaardig acht, dan moet de afschaffing wel algemeen zijn.

Maar haec hactenus.

Het is niet alleen, en niet in de eerste plaats, om den inhoud , maar het is voornamelijk om het beginsel, dat daarbij nu openlijk door de regering, niet met woorden, maar met daden , gehuldigd wordt, dat wij er over spreken.

Wat is dat beginsel?

Partiële wijziging.

Nu weet men, dat wij sedert lang tot dat stelsel bekeerd zijn , niet omdat het het beste in abstracto, maar omdat het het eenig mogelijke is om onze wetgeving te verbeteren ; — »mieux vaut un liens que deux tu 1'auras.» — Algemeene herziening moge eene schoone theorie zijn. Maar het is wel meermalen gebeurd, dat de schoonste theorie moest wijken voor practische ervaring.

Wij hebben thans voor ons liggen het voorloopig verslag over het ontwerp tot afschaffing der judiciële boeten; en het verheugt ons daaruit te zien, dat ook de meerderheid der tweede kamer thans dien weg schijnt te willen bewandelen. Dit ten minste meenen wij er uit te moeten begrijpen, voor zoover men rekenen kan op de altijd onbestemde en eenigzins raadselachtige uitdrukkingen in die verslagen.

Enkele leden blijven hechten aan het denkbeeld van algemeene herziening.

Vele anderen verklaren zich sterk voor het beginsel van gedeeltelijke herziening.

fin wij vleijen ons, dat niet zonder grond mag verondersteld worden, *dat de vele anderen» wel de meerderheid zullen zijn, althans van hen, die aan het sectie-onderzoek hebben deel

omen.

Het verslag geeft ons echter aanleiding tot een paar opmerkingen, niet over de bijzonderheden, waarin wij thans niet treden, maar die het beginsel «elf raken.

Vooreerst, is door «eenige leden» de yraag gedaan, of door de tegenwoordige voordragt de wet van 1861 niet feitelijk wordt buiten werking gesteld.

Wij kunnen dat niet inzien. Er worden wijzigingen voorgesteld , niet eens in de wet van 1861, die wel gedrukt staat in het Staatsblad, maar die voor het overige niets van eene wet 'leeft, maar iu de thans werkelijk van kracht zijnde wetten; en hu komt het ons zeer duidelijk voor, dat de wet van 1861 daarbij Wordt gehouden voor wat zij is , en gelaten in hare volle waarde °f onwaarde.

De gansche opmerking der «eenige leden» echter is ons niet duidelijk, tenzij zij alleen moet dienen tot inleiding op eene andere opmerking, »dat het der regering met de uitvoering van die wet niet veel ernst schijnt te zijn.»

Hoe dat uit deze ontwerpen blijken of schijnen kan, begrijpen wij niet. Maar voor het overige is de vraag geene vraag. Men heeft veel meer dan schijn; want men weet, dat het den tegenwoordigen minister met de invoering van de wet van 1861 niet veel ernst kan zijn. Met den wensch daarentegen «om de verdere plannen en inzigten der regering in deze te vernemen» — vereenigen wij ons gaarne, indien die plannen ten minste reeds vastgesteld zijn.

Eene andere vraag was: //of de afschaffing van boeten en schadeloosstellingen wel zoo dringend noodzakelijk moest worden geacht, dat juist daarmede behoorde te worden aangevangen ? n

Wij zouden meenen, ja.

Wij erkennen volkomen, dat er andere, dat er grootere fouten in onze wet zijn, die ook herstel eischen. De catalogus , die het verslag daarvan geeft, kunnen wij grootendeels aannemen; eu wij behouden ons voor die later met nog veie andere nommers ie verryken. Mair er moest wel met iets begonnen worden; en nu heeft men gekozen het eenvoudigste, en men is aangevangen met die verbeteringen, die iedereen verlangt, die iedereen goedkeurt, die onbetwist en onbetwistbaar zijn. — Dit nu komt ons voor zeer logisch te zijn.

Er valt meer te verbeteren; er moeten grootere gebreken hersield worden. Volkomen juist. Maar is dat eene reden, om vooreerst maar niets te doen, en om die verkeerde dingen te behouden ? — Omdat wij ons nog niet kunnen bevrijden van de groote fouten, moeten daarom de kleine ook maar blijven bestaan ?

Wij zijn nu op den goeden weg. Hopen wij , dat wij niet bij de eerste schrede zullen blijven stilstaan; maar dat wij dien weg met beleid, met bedaardheid, maar toch met bekwamen spoed zullen vervolgen; en dan bestaat het gegrond vooruitzigt, dat reeds over een paar jaren onze wetgeving belangrijk zal zijn verbeterd, en ten minste de meest dringende wijzigingen zullen zijn tot stand gebragt.

Dat wachten wij van den heer Wintgens.

Wij weten het, er is eene andere vraag:

Zal hem de tijd worden gelaten, om dit plan , om eenig plan ten uitvoer te brengen ?

Wij weten dat niet.

Wij zijn nog niet aan het einde van de politieke crisis ; en de tijd om zaken te behandelen, is nog niet gekomen.

En wat zal het einde zijn vau den strijd, die thans op het Binnenhof gestreden wordt ?

Zal ook deze minister sneuvelen in het voorposten-gevecht, zonder iets te hebben verrigt, of te hebben kunnen verrigten F

Nog eens , wij weten het niet.

In die vragen mogen wij ons niet verdiepen.

d. p.

WETGEVING.

WETS-ONTWERP TOT AFSCHAFFING VAN DB BEPALINGEN VAN HET WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING OVER DE JUDICIËLE BOETEN EN SCHADELOOSSTELLINGEN.

(Zie het ontwerp en de memorie van toelichting in Weelcbl. n0. 2981.)

Voorloopig verslagter Tweecie Kamer.

§ 1. Bij de overweging van het wets-ontwerp tot afschaffing van de bepalingen van het "Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering over judiciële boeten en schadeloosstellingen , werd door eenige leden de vraag gedaan, of door wetten, als die thans worden voorgedragen, de wet van 31 Mei 1861 (Stbl. n°. 49) niet feitelijk wordt ter zijde gesteld. Uit hare bepalingen moet eene algelieele herziening der Wetboeken van Strafvordering en van Burgerlijke Regtsvordering voortvloeien. Deze was reeds aangevangen; en wanneer de gedane arbeid thans blijft liggen en gedeeltelijke herziening van sommige bepalingen dezer wetboeken wordt voorgesteld, schijnt het der Regering met de uitvoering van die wet niet veel ernst te zijn. Gaarne wenschte men daarom hare inzigten en plannen in deze te vernemen.

§ 2. Terwijl enkele leden aan het denkbeeld eener geheele herziening van de Wetboeken van Strafvordering en Burgerlijke Regtsvor¬

dering bleven hechten , verklaarden vele andere leden zich sterk voor het beginsel eener gedeeltelijke herziening van onze wetboeken. De geheele omwerking daarvan zal nog in lang niet tot stand kunnen komen en slechts door de gedeelten , welke dringend verbetering behoeven, te herzien, kan er onmiddellijk eenige voorziening in bestaande, gebreken worden verkregen. Zij keurden het dan ook allezins goed dat de Regering dezen weg wil bewandelen. Maar de vraag rees, of de thans voorgestelde afschaffing van boeten en schadeloosstellingen wel zoo dringend noodzakelijk moest worden geacht, dat juist daarmede behoorde te worden aangevangen.

De wijzigingen, welke thans in het wetboek worden voorgesteld, betreffen, met uitzondering van die omtrent de cassatie, bepalingen, welke slechts zeldzaam worden toegepast. Daarentegen zijn er gebrekkige voorschriften , waarvan de last bijna dagelijks wordt gevoeld De termijnen van dagvaarding zijn bij de snelle middelen vau verkeer veel te ruim geworden; het onderscheid tusschen de behandeling van gewone en summiere zaken moet vooral ten aanzien der verhooren van getuigen beter worden geregeld. Zoo kunnen er nog meerdere punten worden aangewezen , die in het belang der regtsbedeeling wijzicanobehoeven , waartoe met meerdere ingenomenheid voordragten van de Regering zouden worden ontvangen. Intusschen werd de opmerking gemaakt, dat de tegenwoordige Minister nog slechts korten tijd aan het hoofd van het Departement van Justitie heeft gestaan , en dat deze voordragt meer bestemd schijnt om den weg aan te wijzen, welken bij wenscht in te siaan, dan om den omvang der herziening, die hij op het oog beeft, aan te geven. Hieromtrent zoude men echter wel eenige meerdere zekerheid wenschen te bekomen.

§ 3. Vrij algemeen keurde men den inhoud van dit wets-ontwerp goed, dat m overeenstemming is met den geest onzer wetgeving Daarin wordt aan hen , die van een regtsmiddel ten onregte gebrufk hebben gemaakt, in beginsel geen straf meer opgelegd, maar worden slechts de gevallen kosten ten hunnen laste gebragt. Het is dus wenschelijk, dat de laatste overblijfselen van het vroeger gehuldio-d stelsel uit ons Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering verdwijnen."

Considerans- De redactie van den considerans is niet in' overeenstemming met die, welke in art. 116 der Grondwet is voorgeschreven.

Art. 1. Enkele leden zouden het niet ongepast achten , wanneer deze boete ten aanzien van de ontkenning der echtheid van eigen handschrift werd behouden. Die ontkenning geschiedt toch in den regel wel ter kwader trouw; zij legt een moeijelijken bewijslast op hem, die de echtheid moet staven , en werkt zeer ongunstig op den geregelden gang van het dagelijksch verkeer, waarin het onderhandsch geschrift zulk eene uitgebreide rol speelt. In de ontworpen herziening van het Wetboek van burgerlijke Kegtsvordering was dan ook deze boete, bij uitzondering , terwijl alle overige werden afgeschaft, behouden. Hiertegen werd echter opgemerkt, dat de noodzakelijkheid eener uitzondering op den algemeenen regel in dit geval moeijelijk kon worden bewezen. Het is toch niet denkbaar, dat iemand ter goeder trouw de echtheid van zijn handschrift ontkent. Hij kan teregt ontkennen dat een geschrift door hem is nêergesteld, en toch in het ongelijk worden gesteld; bovendien zal de boete wel eene straf zijn voor hen die in deze oneerlijk handelen; maar het valt zeer te" betwijfelen \ of door hare bedreiging alleen zoodanige handelingen zouden worden geweerd.

Art. 4. Enkele leden wenschten de slotbepaling van art. 43 te behouden. Wel is waar, zal er eene nieuwe reden van wrakino- ontstaan , wanneer de regter, na verwerping eener wraking en vóo'r de beslissing der hoofdvraag, de actio injuriae instelt; maar om haar te doen gelden moet er weder eene nieuwe regtsvordering worden aangevangen, en het getal der processen behoeft niet onnoodig te worden vermeerderd. Andere leden konden zich echter met de gronden, die in de memorie van toelichting voor het wegvallen dezer bepaling worden aangevoerd, wel vereenigen.

Aldus vastgesteld door de Commissie van Rapporteurs, op den 20 Maart 1868.

Oldenhuis Gratama, Dam, Gefken, van der Does de Willbbois, Pijnappel.

Memorie van beantwoording.

§ 1. De door eenige leden gedane vraag, of door wetten als die thans worden voorgedragen de wet van 31 Mei 1861 (Stbl. n°. 49) niet feitelijk wordt ter zijde gesteld, kan de ondergeteekende niet anders dan ontkennend beantwoorden. Immers , dat uit de bepalingen dier wet «eene algeheele herziening derWetboeken van Strafvordering en van Burgerlijke Regtsvordering» zou moeten voortvloeijen , kan alléén ten aanzien van het eerstgemeld wetboek worden toegegeven. Het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering behoeft, om het in overeenstemming te brengen met de wet, houdende eene nieuwe regterlijke inricting, slechts eenige wijzigingen van ondergeschikt belang. Het brengen van partiële wijzigingen in het burgerlijk proces — en daarvan is bij deze voordragt alleen de rede — kan dus niet leiden tot het besluit, dat het der Regering met de uitvoering van 'de wet van 31 Mei 1861 [Stbl. n'. 49) geen ernst is. Intusschen is het bekend, dat de ondergeteekende vau die wet , hoeveel goeds zij ook naar zijn oordeel bevat, geen voorstander is. Eene uitvoering daarvan in haar geheel, zoo als zij daar ligt, zal dan ook niemand van hem verwachten. Maar evenmin zal hij een voorstel tot geheele of gedeeltelijke intrekking doen, zonder gelijktijdige voordragt der bepalingen, die daarvoor in de plaats zouden moeten komen. Eene zoodanige voordragt intusschen vordert tijd en overleg ; en nu is het zijne stellige overtuiging, dat inmiddels niet elke gedeeltelijke wijziging van onze burgerlijke en strafregtsplegiug of zelfs van onze regterlijke organisatie mag worden geweerd met de dilatoire exceptie , die daartegen nu reeds sedert jaren is aangevoerd, dat zij moet worden uitgesteld tot de invoering der nieuwe regterlijke ïnngting met al

wat daaraan vast is. ,

§ 2. De ondergeteekende vereemgt zich geheel met die leden,

Sluiten