Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke zich sterk verklaarden voor » het beginsel eener gedeeltelijke herziening van onze wetboeken. « Op het beginsel van codificatie , ■' hoeveel strijd dit vroeger te verduren hebbe gehad, wenscht nietó • hier te lande terug te komen. Maar men overdrijft dit be-

^ -ginsel, of liever men miskent dit geheel, wanneer men de stelling verdedigt, dat wetboeken alleen door wetboeken mogen worden vervangen , en dat dus eene gedeeltelijke herziening, naar mate van gebleken behoeften, zoude zijn uitgesloten. De codificatie wil verzameling der verschillende regtsbronnen tot één stelselmatig geheel; zij wil geene onveranderlijkheid van het geschreven regt, waar nieuwe behoeften, nieuwe toestanden, nieuwe verhoudingen, nieuwe denkbeelden , dringend nieuwe voorzieningen , nieuwe regeling eischen. En toch waar men codes, het product van jaren langen arbeid, alléén door codes wil vervangen met uitsluiting van alle afzonderlijke herziening der deelen, die daaraan het meest behoefte hebben, daar ontstaat het gevaar, dat het geschreven regt geen gelijken tred houdt met de natuurlijke regtsontwikkeling, die in een land van goede justitie niet eens om de twintig of dertig jaren , maar voortdurend hare uitdrukking in de wet moet vinden. Zal de codificatie dus niet zijn of te weeg brengen stilstand op het gebied vau het geschreven regt, dan mag zij gedeeltelijke herziening, fragmentarische verbetering der codes niet uitsluiten. Maar bij de verandering van enkele deelen zal men steeds het geheel moeten overzien, om de éénheid — veel meer dan de onveranderlijkheid het kenmerk der codificatie—■ niet te breken. Daarom is partiële herziening, ofschoon eene minder omvangrijke, geen minder moeijelijke taak dan geheele omwerking deibestaande wetboeken. Gaarne intusschen erkent de ondergeteekende, dat die taak voor hem veel verligt wordt door den arbeid zijner ambtsvoorgangers, de nieuwe Wetboeken vau Straf- en Regtsvordering, die in ontwerp aan zijn Departement gereed liggen. Hij acht den tijd nog niet gekomen om deze ontwerpen, meer of min naar zijne inzigten gewijzigd, voor het eerstof op nieuw aan de Staten-Generaal aan te bieden; maar van het vele goede, dat zij bevatten, kan ruimschoots partij worden getrokken bij de nieuwe regeling van die capita juris, die daaraan het meest behoefte hebben; terwijl het voorts geen betoog behoeft, dat door de algemeene herziening der burgerlijke en strafregtspleging, welken in ontwerp gereed is, het gevaar om door fragmentarische veranderingen, welker gevolgen niet geheel worden overzien, de eenheid der bestaande codificatie te breken , veel wordt verminderd. Door dit een en ander schijnt het voornemen om, in afwachting van de meer of min verwijderde toekomst, waarin geheel nieuwe wetboeken zullen kunnen worden ingevoerd, die gedeelten, welke de grootste gebreken opleveren , stelselmatig te herzien , voldoende geregtvaardigd. Niets zal der Regering aangenamer zijn dan op dien weg de medewerking der Staten-Ueiieraal te mogen ondervinden.

Teregt is in de atdeeliugen der Kamer de opmerking gemaakt, dat de tegenwoordige voordragt meer bestemd schijnt om den weg , welken de ondergeteekende wenscht in te siaan, aan te wijzen dan om den omvang der herziening, die hij op het oog heeft, aan te geven. Volgaarne dan ook geeft hij de meerdere zekerheid, die dienaangaande werd verlangd. Zijn wensch is, het werd reeds gezegd, in afwachting eener geheel nieuwe codificatie van het procesregt, partiele, maar tevens stelselmatige herziening, om aan de behoeften vau het oogenblik te gemoet te komen. Dit ontwerp is daarvan eene eerste proeve. Daar het, zoo als in § 3 van het verslag zeer teregt wordt opgemerkt, ten doel heeft «de laatste overblijfselen van het vroeger gehuldigd stelsel (van boeten of andere straffen, aan het gebruik van regtomiddeien verbonden) uit ons Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering te doen verdwijnen», en daarvan dus geene inbreuk op de oeeonomie vau het wetboek te vreezen was, lag het, als het meest eenvoudige , het eerst voor de hand. Een ander ontwerp, mede van weinig ingrijpenden aard, en op welks wensclielijkheid iu het verslag wordt gewezen, getij k de ondergeteekende als lid der Kamer daarop meermalen heeft aangedrongen , dat tot verkorting der termijnen vau dagvaarding, is in bewerking en zal binnen kort kunnen worden aangeboden. Daarna wenscht de ondergeteekende zich bezig te houden met een aantal audere meer omvatteude of dieper ingrijpende onderwerpen van procedure, zoo ais de veroordeeling in en de vereffening van de kosten ; de ouderscheiding tusscheu het ordinair en liet summier proces, die schijnt te moeten vervallen door algemeene toepassing der summiere proces-orde ; afschaffing der dubbele beteekening (art. 66 Regtsvordering; eu beperking der verpiigte beteekening als voorwaarde der uitvoering van regterlyke uitspraken tot eindvonnissen; vereenvoudiging en betere regeling der incidenten van bewijsvoering (enquête, expertise en verhoor vau partijen;; verkorting van den termijn van hooger beroep eu van cassatie; vereenvoudiging van het cassatie-proces, met aanvulling tevens van die leemten , die zich daarin thaus doen gevoelen (incidentele voorziening, enz.); vereenvoudiging van de formaliteiten der executie en van die, welke daaraan voorafgaan ; betere regeling van den lijfsdwang , en in het algemeen van de executie van vreemde vonnissen hier te lande.

§ 3. Aangenaam was het den ondergeteekende te vernemen , dat dit wets ontwerp vrij algemeen werd goedgekeurd.

De schrijffout in den considerans is in eene bij deze memorie overgelegde nota hersteld.

Art. 1. De vraag, of, bij de afschaffing van alle andere judiciële boeten, alléén die van art. 196 Regtsvordering moet worden behouden , is door den ondergeteekende andermaal overwogen. Hij vond echter geen grond tot dat behoud, zoowel om de redenen , in het verslag reeds opgenomen, als omdat, ook zelfs by bewezeu, niet bloot vermoede , kwade trouw, er geen voldoende grond bestaat om de ontkenning der handteekeuing te straften meer dan zooveel andere soorten van bedrog, die niet vallen onder de termen der strafwet ; terwijl eindelijk, zoo hier van een werkelijk misdrijf sprake was ot kon zijn, de plaats daarvoor zoude zijn net VVetböek van Stralregt en niet het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering.

Art. 4. De ondergeteekende moet, ook na overweging van de gronden, door enkele leden aangevoerd voor het behoud der slotbepaliug van art. 43 Regtsvordering, bij de voorgestelde afschaffing blijven volharden. De ouderstelling, dat de regter, tegen wien door zijne instelling der actio injuriae eene nieuwe reden van wraking ontstaat, toch aan de behandeling der hoofdzaak zal deelnemen, om zich aan die hernieuwde wraking bloot te stellen, is niet aannemelijk. Bovendien schijnt de opvatting der woorden : »moet hij zich onthouden» niet ais eene bloote toepassing van art. 30, 7"., op een bijzonder geval, maar ais een verbod aan den regter om, ook zonder wraking, zitting te nemen, betwistbaar.

De Minister van Justitie, Wintgens.

Nota. van verbbtering.

In den aanhef van den considerans is eene misstelling ingeslopen ten gevolge van eene schrijffout.

Aldaar in plaats van: Overwegende , te lezen : »Alzoo Wij in overweging genomen hebben».

Eindverslag.

De commissie van rapporteurs voor het wets-ontwerp tot afschaffing vau de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering over judiciële boeten en schadeloosstellingen heeft kennis genomen

van de memorie van beantwoording, door de Regering betrekkelijk dat wets-ontwerp ingezonden, eu is van oordeel, dat daaromtrent geene nadere overweging in de afdeelingen wordt vereischt. Tevens heeft zij gemeend, zich van het uitspreken van een eigen oordeel omtrent de in dat stuk behandelde punten te kunnen onthouden.

Aldus vastgesteld door de commissie van rapporteurs den 24 Maart 186b.

Oldenhuis Gratama , Dam , Gefken , van der Does de Willebois, Pijnappel.

PROVINCIALE HOYEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN NOORDHOLLAND.

Hargerlijhe kamer.

Zitting van den 9 .Tanuarij 1S68.

Voorzitter, Mr. J. M. van Maanen.

hüür en verhuur. — üelofte van verkoop. — aanbieding van betaling.

Die als huurder heeft aangevangen te bezitten , wordt vermoed de huur jaarlijks te hebben gecontinueerd, zoolang hij niet bewijst onder anderen titel te bezitten.

De aanbieding van betaling met uitgedrukte schuld-oorzaak van rente wegens koopsom bevrijdt niet wegens huurschuld, al zij ook het bedrag evenveel.

J. Bronkhorst , appellant, procureur F. E. Dammers,

tegen

H. lironkhorst, geïntimeerde , procureur H. P. Logqüre.

(Zie het vonnis a quo in Weekbl. no. 2779.)

liet Hof enz.,

Overwegende ten aanzien der daadzaken en gevoerde procedures , zich vereenigende met en alzoo overnemende hetgeen deswege voorkomt in het vonnis, door de Arrond.-Uegtbank te Hoorn op 2 Aug. 1865 tusschen partijen gewezen, waarbij , op de daarin vermelde gronden :

1°. voor zooveel noodig ontbonden verklaard is de huur van het bij dagvaarding omschreven land en pereeelen, tusschen partijen bestaande of bestaan hebbende;

2°. de ged. veroordeeld is om, binnen acht dagen na de beteekening van dat vonnis, een en ander te ontruimen en te verlaten, met magtiging op den eischer om, bij faute van dien, hem ged. te doen delogeren en zich in het bezit te stellen, des noods met behulp der sterke magt;

3". de ged. veroordeeld is tot schadevergoeding, en

4". in de kosten van het geding en zoover breeder in dat vonnis staat vermeld;

0. wijders, dat de ged. van hetzelve in hooger beroep gekomen is en , bij memorie van antwoord, aangevoerd heeft als grieven :

1". tegen de feitelijke beslissing der Kegtbank, dat ze het gewigt der beide door den app. overgelegde quitantiën te laag geschat en niet gelet heeft op de overige aanwijzingen iu liet geding, die krachtens de artt. 1959 en 1939 B. W. in casu tot bewijs konden strekken ;

2 . tegen de juridieke beslissing: 1". dat de Regtbank volstrekt niet gelet heeft op het regtsgevolg, dat de feiten, al worden ze aangenomen, zoo als ze door den eischer gesteld zijn, zouden hebben; 2„. dat de actie, zoo als ze daar ligt, in geen geval ontvankelijk is; dat de eischer de revindicatie had moeten instellen , daar hij in dé dagvaarding beweert, dat de ged. de landerijen zonder titel bezat; 3U. dat, al ware de actie ontvankelijk, ze ontzegd behoorde te worden, daar de eischer de door hem gestelde feiten niet bewezen heeft;

dat de app. bo\engemelde positieven in het breede toegelicht en geconcludeerd heeft, dat het Hof, met vernietiging van het vonnis a quo, op nieuw regt doende, alsnog aan hem app. zijne in eersten aanleg genomene conclusièn zal toewijzen , daartoe strekkende om den geïnt. te verklaren niet-ontvankelijk in zijn gedanen eisch en genomene conclusie, immers hem die te ontzeggen, met veroordeeling in de kosten der beide instantiën ;

dat de geïnt. bij memorie van antwoord in het midden gebragt heeft, dat, aangenomen dat de app. na de ontruiming der quaestieuse pereeelen nog in zijn hooger beroep ontvankelijk is, dan allerwege de ongegrondheid daarvan blijkt; dat toch de bewuste quitantiën niemand voldoende kunnen schijnen om eigendom of koop te bewijzen; dat de vermoedens, resulterende uit antwoorden, door partijen bij hunne respectieve verhooren op vraagpunten gegeven en waarop de app. zich beroept, eer tegen dan voor dezen pleiten, zoo als door den geïnt. in het breede betoogd wordt, ten gevolge waarvan reeds dadelijk de zoogenaamde eerste juridieke grief vervalt; wijders dat de actie wel ontvankelijk is; dat hier geene sprake van revindicatie kan zijn , omdat de app. als huurder was begonnen te bezitten , en verondersteld wordt onder dien titel tot het bewijs van het tegendeel dat bezit te hebben voortgezet; dat de regter a quo teregt geoordeeld heeft, dat er een wettelijk vermoeden bestaat, dat de mondelinge huur van jaar tot jaar gecontinueerd is, totdat die door deu geïnt. uitdrukkelijk werd opgezegd, zoodat deze de door hem beweerde huur voldingend bewezen heeft, behoudens tegenbewijs van den app., hetgeen niet geschied is; dat de artt. 162-> en 1633 B. W. in casu van toepassing zijn ter beslissing van den tijd, voor welken de huur aangegaan is; dat de geïnt. op alle de door hem aangevoerde gronden geconcludeerd heeft tot bevestiging van het vonnis a quo , met veroordeeling van den app. in de kosten van het hooger beroep;

dat, nadat de geïnt. op verzoek van den app. andermaal op vraagpunten gehoord was geworden, tusschen partijen geene verdere schriftures gewisseld zijn ;

0. in regten :

dat, aangezien uit het afschrift eener notariële koop-acte van 19 April 1838 , den 24 April 1838 ten kantore van den hypotheekbewaarder te Hoorn overgeschreven , blijkt, dat de eischer en geïnt. eigenaar is geworden van de onderwerpelijke woning, erven en landerijen, en aangezien de ged. en app. erkent, dat hij in 1838 is aangevangen ais huurder in het bezit dier pereeelen te zijn, — mitsdien (krachtens art. 591 B. W.) op den app. de bewijslast rust, dat hij sedert op anderen titel en voor zich zeiven die pereeelen heeft bezeten;

dat de app. als zoodanigen titel stelt, dat hem in 1850 de pereeelen door den geïnt. verkocht zijn voor ƒ ls,000, met opschorting der overschrijving tot het overlijden des geïntimeerden, of tot zoodanig eerder tijdstip als de app. mogt begeeren, en met bevoegdheid van den app. om den koopprijs onder zich te houden , tegen eene rente van 3 % pet. jaarlijks , op 25 Dec. te voldoen;

O., dat het feit in con/èsso, namelijk, dat de app. sedert 1850 (of volgens geint. sedert 1853 of 1854) lasten eu onkosten van de j

pereeelen betaald heeft, die in den regel op den eigenaar drukken, ten deze niet van invloed kan zijn, omdat de, volgens den geïnt., sedert dien tijd verminderde huurprijs van ƒ 1100 tot ƒ 675 (zonder verandering overigens van den titel, waarop de pereeelen in het bezit des appellants waren) allezins met het dragen van die lasten door den pretensen huurder bestaanbaar is ;

0., dat het consterende feit, dat de geïnt. in 1856 en 1857 aau den app. voor de toen telkens betaalde f 675 quitantiën heeft verstrekt, luidende: "ter voldoening van een jaar interest van een kapitaal, groot f 18,000, rentende 3 % pet.», evenmin is afdoende, omdat: 1". bij niet-productie der quitantiën over het aantal andere jaren, geenszins blijkt, dat voortdurend op die wijze is gequiteerd, e" 2 . bij de niet-omschrijving van het karakter van dat kapitaal va» f 18,000, zulks niet te fixeren is dan in verband met hetgeen daaromtrent moet geacht worden ten processe te blijken;

0. nu , dat de app. als bewijs, dat hij van huurder eigenaar of althans tot den eigendom geregtigd is geworden, zich beroept op de antwoorden, door den geïnt. gegeven bij diens persoonlijke ondervraging in regten , zoo ter eerster instantie als in appel;

dat bij die ondervraging ter eerster instantie de geïnt. omtrent des appellants beweren heeft verklaard (vraag 4 en 19), dat bij de nieuwe huurprijs-conditie van 1853 hij geïnt. de belofte heeft gedaan en overgegeven (welke schriftuur de app. verklaart in het ongereede te zijn geraakt), dat app.de plaats zou hebben voor/18,000 na den dood van hem geïnt. en zijne vrouw, mits de app. ëoe(^ oppaste en het waardig zou zijn , en de app. zich geheel onwaardig heeft gehouden;

dat deze verklaring blijkbaar bedoelt, dat de geïnt. eene den appgunstige toezegging deed, welker effect eerst later zou plaats hebben en die onderworpen bleef aan des geïntimeerden oordeel, gedurende diens leven, of de begunstigde die toezegging of belofte waardig bleef;

dat, bij des geïntimeerden verhoor in appel, hetwelk aan den kantonregter te Hoorn werd opgedragen , geen sprake is van wat de app. beweert, namelijk, geperfecteerden koop met opgeschorte overschrijving , maar slechts van eene eventuele bevoegdheid om te koopen , waaromtrent de app. zich op een nog niet verschenen tijdstip had te decideren ;

dat de geïnt. ook hier, gelijk ter eerster instantie , als grondslag zijner opgaven gesteld heelt, dat de toezegging niet zuiver, maar voorwaardelijk was (vraag 1), met duidelijk beroep op het aan appafgegeven bewijs , als teil voordeele van des geïntimeerden sustenuén beslissende (vraag 4) , en welk bewijs vóór den dood van hem geïnt. en zijne vrouw niet te pas kwam (vraag 5);

dat de geïnt. (bij vraag 7) wel erkent, dat het bewijs geene voorspiegeling , maar eene toezegging was, doch met bijvoeging, dat, onder anderen, des appellants wangedrag die toezegging verbroken heeft, terwijl blijkbaar (volgens vraag 8) de geïnt. niet bedoelt te erkennen atstand gedaan te hebben van het vermogen om de belofte of toezegging met het oog op hare voorwaardelijkheid als verbroken of vervallen te beschouwen ;

dat (bij vraag 10) de geïnt. de betaling der 3% pet. van /18,000 voorstelt als bij wijze van huur gedurende het leven van hem en zijne vrouw, doch wederom met de bijvoeging »als alles goedging»; en dat het antwoord (op vraag 11 en 12), »dat voor onbepaaldeu tijd, zoolang zij leefden», verhuurd werd, blijkbaar niet is af te scheiden van de bedoeling, die uit het voorgaande antwoord spreekt, terwijl het antwoord (op vraag 15), waarbij de geïnt. zegt aangaande ten behoeve der pereeelen betaalde lasten , dat het eindelijk tot des appellants voordeel kwam, wederom vergezeld gaat van de blijkbaar op de voorwaardelijkheid doelende woorden : «als hij op zijne zaken gepast had» en van de opmerking, dat die lasten, wegens huurprijs 50 pet. beneden de waarde, niet bezwarend waren;

dat deze antwoorden des geïntimeerden , die vooral, voor zooverre ze geene zuivere feiten, maar bedoelingen en gevolgen betreffen, zeer duidelijk de sustenuën bij dingtalen zouden moeten tegenspreken, geen voor den app. voldoend bewijs opleveren , als :

1". tegensprekende het sustenu van geperfecteerden verkoop; 2". bevestigende eene voortdurende relatie van huur, zij het ook met eene toegezegde, doch van door den geïnt. te beoordeelen voorwaarde-vervulling afhankelijke bevoegdheid om eventueel den eigendom te verkrijgen , met afgifte van een bewijs, hetwelk, vereenigd met voortdurende huur-relatie tot het afsterven van geïnt. en niet de wilsverklaring alsdan van den app., inderdaad hem tegenover ue erven des geïntimeerden zou zijn te stade gekomen;

3". aliezins aannemelijk makende, dat met de ƒ 18,000, in de bovengenoemde quitantiën vermeld, niet door den geïnt. bedoeld werd eene ten zijnen behoeve en ten laste des appellants verbindend bestaande schuld:

O., dat uit het overwogene volgt, dat bij het vonnis a quo noch het gewigt der opgemelde quitantiën te laag gesteld is , noch verzuimd is te letten op tot bewijs kunnende strekken aanwijzingen, en derhalve de grieven tegen de feitelijke beslissing zijn onaannemelijk;

O., dat ook de eerste grief tegen de juridieke beslissing vervalt, waar de app. de onderwerpelijke belofte ten onregte gelijkstelt met koop met tijdsbepaling, maar integendeel (gelijk boven is overwogen) de geïnt. de bevoegdheid bleef behouden om de belofte als vervallen te beschouwen , en bij gebruik maken daarvan de nog vereischte decisie van den app., of hij eigenaar zou worden, verviel;

U., dat de tweede grief tegen de ontvankelijkheid der actie, op grond, dat de geïnt. poseert, dat de landerijen tijdens de dagvaarding zonder titel bezeten werden, en dat de revindicatie had moeten worden ingesteld , reeds teregt bij het vonnis a quo in dien zin is opgelost, dat, tijdens de dagvaarding, na voorafgaande opzegging de huur der landerijen reeds verstreken was , maar niet evenzeer die der woning, ten aanzien van welke de waubetaling de grond der actie was , en welke strekking allezins kon worden toegekend aan de bewoordingen der dagvaarding en conclusie, «ontbinding voor zooveel noodig der huur van het huis en de pereeelen en ontruiming»;

dat het bij het vonnis a quo gestelde, dat op II Jan. 1864 te vergeefs tot betaling is gesommeerd, en dien ten gevolge de wanbetaling bestond, niet wordt te niet gedaan door de aanbiedingen, van wege den app. aan den geïnt. gedaan op 13 Junij 1863 (den dag, waarop de geint. de huur opzegde) en op 22 Dec. 1863 ; dat toch, ofschoon daaibij telkens het bedrag van J 675 werd aangeboden,de nu app. dat aanbod deed, op grond , dat hij aan nu geïnt. eene som van J 18,0U0 schuldig zoude zijn, en welke hij onder zich zou hebben tegen eene rente van 3% pet.;

dat, als boven aangenomen zijnde, dat niet bewezen is het bestaan van schuld a 1 18,000, rentende 31/4 pet., de app. niet kan geacht worden (bij de in het exploit uitgedrukte schuld-oorzaak) deu geïnt. te hebben in staat gesteld zijne huur, al bedroeg die ook het cijfer van 33/t pet. over _ƒ 18,000, in ontvang te nemen;

dat eindelijk de laatste door den app. aangevoerde grief in jure, als zou de geïnt. hebben moeten bewijzen of een bepaalden huurtijd, öf, wilde hij zich op art. 1633 B.W. beroepen, een niet uitdrukkelijk bepaalden huurtijd, mede is ongegrond;

dat immers door geene der partijen eene schriftelijke huur of eene uitdrukkelijke bepaling van huurtijd (ook zelfs niet in 1838) beweerd wordende, hieruit van zelf volgt, dat art. 16ü3 li. W. ten deze van toepassing is , waar geen exceptionnele toestand van het land beweerd wordt;

Op alle deze gronden :

Sluiten