Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene heffing tén bate der gemeente, tot dekking van uitgaven, die ten laste der gemeente komen;

dat hiermede alleen ook zijn te rijmen de in art. 18 van het voormeld reglement van 1835 en in de latere wijziging van dit artikel w het reglement van 1851 voorkomende bepalingen;

dat toch in art. 18 van 1835 wordt gezegd, dat de kohieren van omslag van de nalatige eontribuabelen, des noods, door den gemeenteontvanger worden geïnd, op gelijke wijze als de plaatselijke belastingen , ingevolge de wet van 29 April 1819 (Stbl. no. 15);

dat in hetzelfde gewijzigd art. 18 van 1851 , ten aanzien van de wijze van inning door den gemeente-ontvanger, nagenoeg dezelfde voorschriften worden gevonden als in art. 258 tot en met 261 der gemeentewet van 1851, terwijl met name de in art. 260 der gemeentewet voorkomende verwijzing naar de wet op de invordering van s Rijks directe belastingen onder letter c van dit gewijzigd art. 18 is opgenomen , en de in den aanhef des artikels nog aan de wet van 29 April 1819 ontleende, daarin uit den Franschen tijd overgeblevene, benaming van «contribuabelen,« in lett. 6 en c door de aan de gemeentewet ontleende, van «belastingschuldige» is vervangen, terwijl de aanslag in letter c ook uitdrukkelijk «belasting» wordt genoemd;

dat voorts, indien de aard der vordering niet was die vau eene gemeente-belasting, de lJrov. Staten gewisselijk in 1835 geen regt zouden hebben gehad om eene toen alleen voor de plaatselijke of gemeente-belastingen bestaande wet daarop toe te passen, en zoo doende een buitenwettelijk regt van parate executie te scheppen;

dat, in zoodanig geval, die Staten in Isöl met nog veel minder schijn van regt eene oorspronkelijk niet dan voor 's Rijks belastingen geschrevene wet, die door art. 260 der gemee*tewet alleen voor de invordering van plaatselijke belastingen was geldend verklaard , op deze omslagen toe te passen en, zoo doende, op nieuw een buitenwettelijk regt van parate executie te scheppen;

dat, na dit een en ander, voor vaststaand moet worden aangenomen, dat de betaling, die door den ontvanger van de gemeente Lemsteiland bij dwangbevel van den opp., nu geïnt., is gevorderd, is de letaling van eene gemeente-belasting;

IV. Wat betreft het eerste middel van verzet : dat nu verder het eerste middel van verzet hierin bestaat, dat geint. ontkent het wettig bestaan eener belasting in de gemeente Lcmsterland, tot dekking der kosten van slatting van de Rien in i.emsterland, en bepaald het wettig bestaan van zoodanige belasting over het jaar 1864;

dat de geopp. en app., als eischer bij dwangbevel, de wettigheid van hetgeen hij vordert moet bewijzen ^vgl. arrest van den lioogen Raad van 9 Nov. 1854, v. d. Honert , Gem. Zaken, XIII, blz. 97—101);

dat hij zich te dien einde eenig en alleen beroept op de vroeger vermelde provinciale reglementen;

dat het onnoodig is te onderzoeken , of de Prov. Staten van Friesland in 1821 en 1835 den eigenlijken aard van de verpligtingen, die zij vaststelden en regelden, niet hebben miskend, en of zij de magt hadden om bij provinciaal reglement dergelijke gemeente-belastingen vast te stellen , te regelen en op te leggen;

dat hier alleen de vraag behoeft te worden beantwoord, of die magt, indien verondersteld, dan in allen gevalle sedert de gemeentewet van 1851 is bestaan gebleven;

dat toch, naar art. 142 der provinciale wet van 6 Julij 1850 \ StbL n". 39), de bepalingen der provinciale reglementen en verordeningen van regtswege ophouden te gelden, zoodra omtrent het daarin geregeld onderwerp door eene wet of eenen algeineenen maatregel van inwendig bestuur voorschriften worden gegeven ;

dat nu in art. 179, onder lett. g, der wet, regelende de zamenstelling , inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen, van 1851, aan Burgemeester en Wethouders is opgedragen : het toezien op het beheer en onderhoud van alle plaatselijke werken en eigendommen, en onder lett. h: de zorg, zoover van hen afhangt, voorde instandhouding , bruikbaarheid, vrijheid en veiligheid van de publieke wegen, bruggen, veeren, wateren, vaarten, straten, plantsoen, pleinen en alle andere plaatsen, tot gemeene dienst van allen bestemd;

dat, volgens artt. 204 en 205, op de begrooting der plaatselijke ontvangsten en uitgaven alle ontvangsten en uitgaven der gemeente moeten worden gebragt, van welken aard die ook zijn, en op die der uitgaven in het bijzonder, volgens art. 205, lett. I: die van de zorg voor de plaatselijke wegen, straten, pleinen, vaarten, bruggen en andere plaatselijke werken, in den omvang, bij art. 179 h aangeduid, en volgens lett. o: die van het onderhoud der gemeenteeigendommen en de wegens die eigendommen verschuldigde lasten ;

dat art. 240, zoowel het primitieve van 1851, als het bij de wet van 7 Julij 1865 (.itbl. n". 79j gewijzigde, de soort van plaatselijke belastingen voorschrijft, die geheven mogen worden tot dekking der plaatselijke uitgaven, terwijl in artt. 232 tot 235, 239 en 257 de tot wettige invoering vereischte vormen worden voorgeschreven, en in art. 291 de herziening en het onderwerpen aan 's Konings goedkeuring van alle plaatselijke belastingen, binnen vijf jaar na de dagteekening der wet, en bij gebreke hiervan de vervalling worden verordend;

dat deze gezamenlijke bepalingen dus voorschriften bevatten omtrent geheel het onderwerp der plaatselijke belastingen, met name ook ten behoeve van gemeentewerken als de openbare vaaiten, en dat reeds alleen hierom (en, daargelaten het strijdige tusschen die bepalingen en de wijze van oplegging en soort der in deze gevorderde plaatselijke belasting, niet bij wege van opcenten op de hoofdsom der grondbelasting, maar onmiddellijk op het kadastraal belastbaar inkomen der vastigheden) de bepalingen der provinciale reglementen en verordeningen, ten aanzien van de hier in geschil zijnde plaatselijke belasting , van regtswege hebben opgehouden te gelden ;

dat bij gevolg niet alleen de wettigheid der gevorderde belasting door den geopp. en app. niet is bewezen , maar integendeel de onwetttg ïetd daarvan moet worden aangenomen;

, mitsdieu het eerste middel van verzet, bij het vonnis, waarvan 8PV iS ^ro"a verklaard;

d'it rip >etl bet tweede middel van verzet: jrev'i (]Btu fn Seint., als tweede middel van verzet, voor het onderhoud nlW rai!gbevei geacht mogt kunnen worden eene bepaalde soonliik ^.lg.ie va» de Kien te bedoelen, almede ontkent, hetzij a\ell en on,i'n , eiSe»aar Van onroerende goederen, hetzij op

Lemsrevia h ' "ï ®1?1 ü0^» te zijn onderhoudpligtig van de Kien in ziiii nipri 1 ' 1S' (iat kij ontkent, uit welken hoofde ook, te hetzii al-6 Te,p,lgt t0t *iet °pderhoud van de meergemelde Rien, of pp i S *>U 6 *RSt (onus publicum), hetzij krachtens overeenkomst

dat t anderen burgerlijken regts titel; en te °° . 1 tweet*e lmddel door den eersten regter is aangenomen, het h' fQW° hiervan en van de wederzijdsche conclusien in appel ol ook geroepen is om over dit middel te beslissen en hiertoe

"lans overgaat;

dat de geopp. en app. zich tegen dit middel heeft beroepen op het s aan van legger en kohier, tege.i den aanslag, in welk laatste het gediend bezwaar administratievelijk is van de hand gewezen en ïüaak 6en en a,K*er «-Ie onderhoudpiigtigheid zou zijn uitge¬

lat echter door deze zuiver administratieve regeling de regterlijke agt geenszins is uitgesloten van de aan haar bij art. I 5 der wet an 22 Mei 1845, ingeval van verzet tegen dwangbevel, toegekende evoegdheid van onderzoek naar , en beslissing over de wettigheid

van de beweerde verpligting zelve, waarop de legger en het kohier en bij gevolg de aanslag zijn gegrond;

dat aan dergelijke leggers en kohieren voorts, in Friesland althans, zoo weinig de door den app. beweerde tegenbewijs vorderende praesumtio juris administratievelijk is verknocht, dat integendeel bij art. 3 van het provinciaal reglement van 1844 (Prov. blad n°. 115) zelfs nog tegen het kohier, op grond van beweerd niet-bestaan van de verpligting zelve, bezwaar-indiening door de belanghebbenden, geheel onbeperkt en zonder eenig voorschrift van bewijs, is toegelaten geworden ;

dat bovendien legger en kohier beiden, uit hunnen aard, niet kunnen zijn eene eerste verpligting scheppende, waar die anders niet zou bestaan, maar slechts toepassende eene vooraf reeds wettig bestaande eerste verpligting, even als b. v. de kadastrale leggers (matrices de röle) en de kohieren {rules) der rijks-grondbelasting geene verpligting tot grondbelastings-betaling scheppen, maar slechts toepassing zijn der wet (art. 2 der wet van 3 Frimaire an VJI, bij Rondonneau, Lois Franc. execut. en Holl.y IV, 65), die vooraf de verpligting tot betaling van grondbelasting, in evenredigheid van het belastbaar inkomen der grond-eigendommen , heeft vastgesteld ;

dat dan ook de leggers en kohieren in Friesland, in het algemeen, en de hier ter sprake zijnde legger en kohier, in het bijzonder, eenig en uitsluitend ten grondslag hebben en steunen op de eerste vaststelling der verpligting tot betaling, die in art. 4 van het provinciaal reglement van 1821 is uitgesproken en in artt. 1 en 2 van dat van 1835 is herhaald, namelijk, dat het onderhoud blijft ten laste van allen, die daartoe van ouds zijn gehouden geweest, ten laste van de van ouds bestaande onderhoudpligtigen;

dat bij gevolg, wanneer deze grondslag wegzinkt, legger en kohier tevens vallen;

dat nu reeds bij de behandeling van het eerste middel, op de aldaar aangegevene gronden , is aangenomen , dat de betrekkelijke provinciale reglementen, en dus ook de artt. 4 van 1821 en 1 en 2 van 1835 , ten aanzien van de hier gevorderd wordende plaatselijke belasting, van regtswege hebben opgehouden te bestaan,

dat echter thans nog bovendien te onderzoeken valt, ol, ook indien men zich met die vervalling op de aangegevene gronden niet vereenigde, dan nog de eenige steun van legger en kohier niet om eene andere reden is weggevallen?

dat toch de opp. en geint. als zoodanige reden heeft aangevoerd art. 231 der gemeentewet van 1851, luidende: //Behoudens bestaande wettige verpligtingen van anderen, is het onderhoud der in het vorige artikel bedoelde werken en gebouwen een gemeentelast" ;

dat die in art. 230 genoemde werken en gebouwen zijn : /' aan de gemeente behoorende wegen , straten , pleinen , grachten, vaarten , kanalen, bruggen, havens, kaden, wallen en openbare gebouwen , // en wijders: »gemeentewegen, vaarten en andere ten dienste van het algemeen bestemde zaken;»

dat de opp. beweert, dat door //wettige verpligtingen van anderen// alleen zijn bedoeld verpligtingen, ten gevolge van eene overeenkomst of bij zonderen regtstitel, op een bijzonder persoon of erf rustend, en geenszins, zoo als geopp. wil, de vroegere algemeen geldende gemeentelijk-staatsregtelijke verpligtingen tot onderhoud van gemeentewerken ;

dat het, ter beslissing van dit belangrijk geschilpunt, noodzakelijk is de geschiedenis van ue gemeentewet op het punt van de gemeentewerken en van de mede tot dezer onderhoud te heffen belastingen , zoo in geld als in natura , na te gaan ;

dat, gelijk vroeger, reeds lang vóór is 11 in Friesland, zoo ook sedert, aldaar gelijk elders in het Kijk van den grondeigendom (geI heel afgescheiden van en boven en behalve de gemeente-belastingen, i die speciaal dienden tot onderhoud van openbare werken), bij wege I van verhooging op de bestaande lands-grondbelasting, onder de vol! gende benamingen van, in Friesland deels-kosten, later algemeen ; opstuivers, additionnele centimes en opcenten, eene plaatselijke belasting werd geheven, als bijdrage tot de kosten van bestuur en politie en dergelijke, waarvan die eigendom in de gemeente ook genot had;

dat, dien-overeenkomstig, krachtens art. 15 der wet van 12 Julij 1821 (Stbl. n<>. 9), houdende de grondslagen van het stelsel van 's Rijks belastingen, ter bestrijding van de uitgaven der gemeenten, in 1851 , 5 opcenten op de grondbelasting werden geheven;

dat tevens waren bestaan gebleven de van den grondeigendom, onder allerlei vormen, zoo in geld als in hand- en spandiensten, geheven wordende belastingen tot het onderhoud der openbare gemeentewegen , wateren enz.;

dat intusschen bij de Grondwet van 1848, in art. 138, was bepaald, dat de zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen door de wet (in stede van, zoo als vroeger , bij reglementen) zouden worden geregeld;

dat, ter voldoening hieraan, door de Regering aan de StatenGeneraal een ontwerp-gemeentewet werd ingediend, hetwelk volledig moest zijn, niet alleen uit den aard der zaak, maar ook blijkens de in de memorie van toelichting uitgedrukte bedoeling (men zie Francken, Gemeentewet, p. 637, op art. *57);

dat, zou deze wet werkelijk volledig zijn, daarin dan ook moest worden geregeld het bestuur over de openbare gemeentewegen wateren enz., en de wijze van bekostiging daarvan ■

dat het den wetgever niet onbekend kon zijn,' hoe verschillend dat zoo belangrijk als veelomvattend onderwerp van gemeentezore in de verschillende deelen des Rijks tot dusverre was behandeld ho vele onregelmatigheden , onbillijkheden , onzekerheden en onbepaaldheden daaromtrent bestonden, en tot hoevele moeijelijkheden dit en ander veelvuldig en overal aanleiding gaf; eeu

dat de wegneming hiervan dan ook door hem niet uit het ooe: verloren, maar integendeel, blijkens den zamenhaug van ettelijke be° palingen der gemeentewet, door hem is bedoeld;

dat toch bij artt. 240 en 241 dier wet het maximum der te heffen opcenten op de grondbelasting van de toen bestaande vijf werd ver hoogd, en door verdriedubbeling voor de gebouwde eigendommen tot vijftien en door verdubbeling voor de ongebouwde eigendommen tot tien werd gebragt;

dat iu de memorie van toelichting als gedeeltelijke reden van deze betrekkelijk zeer aanzienlijke verhooging werd aangevoerd •

«Verhooging der tegenwoordige opcenten op de grondbelasting is ook op zich zelve in een ander opzigt aannemelijk. Er zijn gemeenten die aanmerkelijke uitgaven te doen hebben voor landwegen, dijken' waterleidingen of andere voorwerpen, waarbij bepaaldelijk het beland der grondeigenaren betrokken is. In die gevallen is het billijk, dat de grondeigenaar, die dikwijls niet in de gemeente woont, als zöodaui°meer in de lasten der gemeente bijdrage, dan hij thans doet door de betaling der vijf opcenten op de grondbelasting» (Kranck.en, Gemeentewet, p. 486);

dat, op de bezwaren, tegen deze aldus voorgestelde verhooging in de Tweede Kamer der Staten-üeneraal ingebragt , door de Regering werd geantwoord met de navolgende toelichting; »Wat van den grondeigenaar gevorderd wordt, strekt ter vergoeding van de bescherming, die hij van wege de gemeente, bepaaldelijk voor zijne daarin gelegene grondbezittingen geniet. Het kan worden beschouwd als zijne bijdrage tot de kosten der inrigtingen van gemeenschap te land of te water, waarvan de grondeigendom voordeel trekt. Vermeerdering der opcenten op de grondlasten zal de buiten de gemeenten wonenden hun billijk aandeel doen dragen» enz. (Francken, Gemeentewet, p. 581);

dat daarna de voormelde verhooging onveranderd is aangenomen ; dat voorts in art. 179 g en A, en in art. 205 l en o dierzelfde wet de zorg voor de instandhouding enz. van de publieke wegen, wateren, vaarten enz., tot gemeene dienst van allen bestemd, en het brengen op de gemaente-begrooting der daartoe vereischte uitgaven, werd opgelegd en geregeld;

dat hiermede en met de vermelde verhooging der grondbelastingsopcenten dan ook in verband staat de bepaling van art. 231 derzelfde wet, luidende: «behoudens bestaande wettige verpligtingen van anderen, is het onderhoud der in het vorige artikel genoemde werken en gebouwen» (zijnde o. a. de gemeente-vaarten en andere ten dienste vau het algemeen bestemde zaken) »een gemeente-last»;

dat als de algemeene regel dus is vastgesteld , dat o. a. van de gemeente-vaarten, bestemd ten dienste van het algemeen, het onderhoud komt ten laste van de gemeente-kas ;

(lat de natuurlijke grond van dezen algemeenen regel door de Regeling in de memorie van toelichting aldus werd opengelegd • (Franchen, Gemeentewet, p. 457) »l)e billijkheid van dit voorschrift zal zeker met worden betwijfeld. Wat ten gebruike van allen bestaat, dient op gemeene kosten onderhouden te worden,» woorden, die als vertaling zouden kunnen gelden van de vroeger in dit arrest vermelde , ten aanzien vau hetzelfde onderwerp gedane uitspraak van Ulpiands : «Refectio idcirco de communi fit quia usum utilitatemoue communem habet.» (vgl. Toullier , Droit Civil Francais, tom. III 11". 493—497), waar deze die billijkheid ten aanzien der'gemeentewegen betoogt en aangeeft, hoe daarvoor dat beginsel ook was aangenomen in de Fransche wetten, — wetten die ook hier te lande zijn executoir verklaard (Rondonnead , Lois Francaises, iii 498 ii 115 en 117, en II, 186), maar weinig of niet nageleefd)';

dat van den aldus gestelden algemeenen regel de wet échter met de woorden: «behoudens wettige verpligtingen van anderen» het geval uitzondert, dat anderen tot het onderhoud wettige verpli<niue hebben; °

dat nu de vraag ontstaat: heeft de wetgever door deze woorden bedoeld alle mogelijke verpligtingen, die tot aan de gemeentewet bestonden , zoowel de algemeene, voor eene algemeenheid vau ingezetenen of voor eene soort van belastings-voorwerpen in het algemeen voortvloeijende uit het vroeger gemeentelijk staatsregt, als de bijzondere, voortvloeijende uit overeenkomsten van burgerlijk regt en dergelijke voor bijzondere personen of eigendommen ? of heeft hij de wetgever, alleen deze laatste soort van verpligtingen, de bijzondere bedoeld f '

dat, indien men het eerste moest stellen, dau het voorschrift van art. 231 niets zou beteekenen, terwijl, dat de gemeente moest onderhouden haren eigendom, hare vaarten , wegen , enz. indien niemand , hetzij uit staatsregt of uit bijzonder regt, daartoe 'verpligt was, wel van zelf' sprak en, vooral nadat reeds in artt. 179 er 205 zulks was herinnerd, hier in art. 231 niet op nieuw behoefde eezea-d te worden; ° ®

dat men een derwijze doelloos voorschrift toch waarlijk bii den wetgever niet kan veronderstellen ; J

dat daarop, op die opvatting, ook geenszins paste de in de memorie van toelichting aangewezene billijkheids-redenering ■

dat toch de gemeente dergelijke werken, waartoe niemand ander, verphgt was, met zou onderhouden uit billijkheid, maar uit noodza kelijkheid, omdat, deed zij het niet, niemand het zou doen-

dat daarentegen de billijkheid, ontleend uit het gebruik voor alW, juist past op het geval dat het vroeger gemeentelijk staatsregt wer' ken, ten aller gebruike dienende, deed onderhouden uit niet „„ ZT drukkende gemeente-belastingen; P len

dat het bovendien ook blijkbaar des wetgevers oogmerk in de m meentewet is geweest om , ter vervanging van het tnf h„ P"

staande, in verschillende bepalingen verspreide en „;«*• dusveire be" gemeentelijk staatsregt, een geheel nieuw, allesomvattend e 1? door eenheid kenmerkend geheel vast te stellen •

dat men dus niet kan aannemen , dat hii een 7nr> hoi derwerp als de, tot onderhoud van ten algemeenen Bebruikpnf,J, °T gemeentewerken , vroeger, hetzij in geld of in a-bfid bestemde meente-belastingen, in statu quo en in deze wet o-ehpfi' ene Se_ zou hebben willen laten; geheel ongeregeld

dat tegen deze te algemeene opvatting van de uitzondering ,r ■ den aanhef van art. 231 voorkomt, zich dan ook behalve dP'n •" regtstreeks voortvloeijende, zoo even aangewezene onlL gevolgen wel uitdrukkelijk verzet het vervolg van de dooT de germg, bij het aanbieden der wet gegevene juist on dip „ t * doelende, door niemand inde Staten-üeTJ ^7*

de gave aanneming van het artikel zelf gehomologeerde töelieh, luidende; «Het schijnt echter juist, dat daar, waar de vernr ? g" onderhoud, krachtens vroegere overeenkomst of eenisen 7,? t0t regtsgrond, op bijzondere personen of erven rust, die grond nfét

457°°' lnY°ermg d6r ni6UWe W6t Vervalle" Ta. p.!

neïk ^ordeT<bedbóelkrieUS ^ V0,0r0Pstelling va° overeenkomst, kenneiijK worden bedoeld overeenkomst of andere regtsgrond uit het

^eensz ns drpSt' alleen bijzondere personen of erven drukken, en hol ri „ vroegere verpligtingen uit het gemeentelijk-staatsregt tot r gen van gemeente-belastingen, die op eene algemeenheid van ingezetenen, of op eene soort of betrekking van ligging van belastingsvoorwerpen iu het algemeen, plagten te worden gelegd ;

dat bovendien, indien men het tegendeel stelde, men dan den wetgever de groote onbillijkheid zou toedichten, dat, zoo als b. v. in het geval, waarover dit geding loopt, de vastigheden èn, ten behoeve der gemeentelijke werken , de gemeente-belastingen van den voormaligen stand van zaken, naar het toenmalig gemeentelijk staatsregt, zouden moeten dragen , èn de , ten behoeve ook der gemeentewerken, naar het tegenwoordig gemeentelijk staatsregt, geheven wordende bij verdubbeling en verdriedubbeling verhoogde opcenten zouden moeten opbrengen enzoo doende, dubbel zouden worden belast; ; dat hiertegen niet afdoet de gemaakte tegenwerping: ieder heeft ; wat hij van ouds bezit, met de daarop van ouds klevende lasten verkregen, het is dus niet onbillijk, dat hij ze behoude ;

dat toch dit alleen zou gelden, wanneer er sprake was van een last, die bij overeenkomst of anderen regtsgrond van burgerlijk regt op het goed ware gelegd;

dat daarentegen de belastingen, die naar vroeger staatsregt op de goederen plagten gelegd te worden , geenszins gezegd kunnen worden op het goed te kleven; evenmin als de regten van stemming in siaatsen gemeentezaken en andere regten , die het vroegere staatsregt zoo veelvuldig aan het grondbezit toekende ;

dat, gelijk die regten, zoo ook die belastingen steeds, naar den wil van den staatsregtelijken wetgever , voor vermeerdering en vermindering beiden, voor afschaffing en verlegging ook, vatbaar zijn, al naar mate dat in het oog des wetgevers uit billijkheid of noodzaak daartoe reden is ;

dat van respective vermeerdering en vermindering beiden , de perequatie der rijks-grondbelasting, door de trouwens nog niet geheel voltogene toepassing van de kadastrale uitkomsten, die in 1831 tot 1833 plaats vond, een bekend en gewigtig voorbeeld is, waardoor in geheel het Rijk, de provinciën, gemeenten en bijzondere eigenaren tegenover elkander zijn bezwaard en verligt;

dat van verhooging de in art. 241 der gemeentewet verordende verdubbeling en verdriedubbeling zelve het voorbeeld oplevert, en dit voorbeeld nog wordt versterkt door de in 1865 vastgestelde verhooging

Sluiten