Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Dijkgraaf en Hoogheemraden van Amstelland ter eenre, en Dijkgraaf en Hoogheemraden van de Nieuwkoopsche droogmakerij ter anders zijde , waarbij onder anderen is bepaald, dat de heffing van den omslag der Rijnlandsche en Amstellandsche bundergelden over de landen der Nieuwkoopsche droogmakerij voortaan zoude geschieden door het Bestuur der Nieuwkoopsche droogmakerij.

Dit blijkt: 1°. hieruit, dat, blijkens de tweede overweging quoad facta van het vonnis der Arrond.-Kegtbank te Leyden van den '-'3 Mei 1865 welke overweging door het Hof is overgenomen, door den verweerder is opgegeven , dat voorzegde bepaling in de gezegde overeenkomst is opgenomen, en deze stelling door de verweerders niet is tegengesproken;

uit de eerste overweging quoad jus van het beklaagde arrest, waarbii met betrekking tot de bewuste overeenkomst wordt verwezen naar de motieven der dagvaarding, in welke de voorzegde bepaling uitdrukkelijk wordt vermeld;

3u. uit de negende overweging quoad jus van het beklaagde arrest, waarbij wordt te kennen gegeven , (iat, volgens gemeld contract, ingelanden van den polder net geheel van het bundergeld aan het Polderbestuur opbrengen;

4». uit de memorie van eisen van de eischers, waarbij deze met zoovele woorden te kennen geven, dat de invordering bij de overeenkomst is opgedragen aan het Bestuur van het opgeheven Heemraadschap der drooggemaakte polders van Nieuwkoop en Zevenhoven ; en

5". hieruit, dat het geheele middel op die stelling gebouwd is , daarvan uitgaat en in de handhaving dier bepaling van de overeenkomst gezegd wordt de schending en verkeerde toepassing der aangeduide wets-artikelen gelegen te zijn.

liet staat mede vast, dat de meergenoemde overeenkomst is eene dading, dus eene overeenkomst, welke, volgens art. 1895 B. W., tusschen partijen kracht van gewijsde in het hoogste ressort heeft.

Het Hof heeft dit uitgemaakt bij de zevende overweging quoad jus, en tegen deze beslissing van het Hof is men bij de voorziening in cassatie niet opgekomen. Eindelijk staat nog vast, dat de verweerder regtens is opgevolgd aarï Dijkgraaf en Heemraden van de Nieuwkoopsche droogmakerij, gelijk mede door het Hof is uitgemaakt bij de vijfde en zesde overwegingen quoad jus van het beklaagde arrest, tegen welke beslissing de eischers evenmin in cassatie zijn opgekomen.

Wat is er nu van het eerste deel van het middel?

Dit deel is gerigt tegen de achtste overweging quoad jus ran het beklaagde arrest, alwaar het Hof te kennen geeft, dat het reglement van het Hoogheemraadschap van Rijnland niet te kort doet aan wettig verkregene regten , hetgeen blijkt, zoowel uit de in art. 154 gevoegde woorden: «behoudens tegenbewijs», als uit de overwegingen van het Kon. besluit, waarbij dit reglement is ingevoerd, waarin duidelijk wordt gezegd, dat door een provinciaal reglement als het onderwerpelijke geene overeenkomsten kunnen worden gehandhaafd of vernietigd.

De Raad ziet hieruit, dat het Hof art. 154 niet heeft toegepast, maar alleen daaruit geredeneerd heeft om aan te toonen, dat het reglement niet te kort doet aan wettig verkregene regten ; en dat het tot staving zijner stelling niet alleen gezegd art. 154 heeft aangevoerd , maar ook heeft ingeroepen de overwegingen van het Kon. besluit, waarbij het reglement is ingevoerd, tegen welke overwegingen men in cassatie niet is opgekomen en ook niet kon opkomen.

Bovendien is 's Hofs beschouwing volkomen juist. Ik zal dit niet behoeven aan te toonen, omdat ik dit reeds in het breede gedaan heb bij mijne conclusie, waartoe betrekking heeft het reeds genoemde arrest van dezen Raad van 5 Mei 1865, en de Hooge Raad zich met mgne zienswijze heeft vereeuigd.

Ten blijke daarvan verwijs ik naar hetgeen ik heb aangevoerd en de Raad overwogen heeft met opzigt tot het tweede middel in die zaak.

De ongegrondheid van het tweede deel van het middel behoef ik insgelijks niet nader aan te toonen, omdat ik dit evenzeer bij mijne zoo even genoemde conclusie heb gedaan , toen ik het tweede en vijfde middel van cassatie behandelde, en de Hooge Raad zich ook op dit punt met mijne zienswijze heeft vereenigd.

Er blgft dus alleen nog overig een onderzoek naar het derde deel van het middel, hetwelk echter eigenlijk uit twee onderdeelen bestaat.

De eischers betwisten niet, integendeel erkennen, dat in 1851 op het tijdstip, waarop de bewuste overeenkomst is gesloten, de bewuste bepaling omtrent het heffen van het Rijnlandsch bundergeld door het Polderbestuur van Nieuwkoop, betrekkelijk de landen, in dien polder gelegen, allezins wettig en geldig was; doch zij beweren, dat dit thans niet meer het geval is na de invoering van het nieuw reglement van Rijnland, omdat de heffing van het bundergeld de uitoefening of waarneming eener openbare functie is, welke functie thans eene zaak is buiten den handel, waarover geene contractuele bepaling thans meer bestaan kan.

Ten aanzien van dit beweren moet ik in de eerste plaats opmerken, dat, wanneer thans onder de werking van het nieuwe reglement van Rijnland eene contractuele bepaling omtrent de heffing van het bundergeld in den polder van Nieuwkolf niet meer bestaan kan, omdat de uitoefening daarvan eene zaak is buiten den handel, zoodanige contractuele bepaling ook niet zou hebben kunnen bestaan in 1851. Destijds toch bestond er ook een reglement van het Hoogheemraadschap van Rijnland, gearresteerd den 22 Nov. 1803, en hetwelk eerst bij art. 187 van het tegenwoordig reglement is buiten werking gesteld. En indien men nu art. 36 van het reglement van het jaar 1803 inziet, dan zal men bevinden, dat ook onder de werking van dat reglement de rentmeester alle de inkomsten van de landen moest ontvangen.

Wanneer dus de eischers erkennen, gelijk zij doen, dat de bewuste contractuele bepaling omtrent de heffing van het bundergeld in 1851 onder de werking van het reglement van 1803 bestaanbaar was, dan moeten zij ook aannemen , dat zij alsnog bestaanbaar is onder de werking van het nieuwe reglement van Rijnland.

In de tweede plaats moet ik er op wijzen, dat de bewuste overeenkomst niet is gesloten na de invoering van het nienwe reglement, maar langen tijd te voren, namelijk in 1851 , en dat het tijdstip, waarop de overeenkomst is aangegaan, moet beslissen, of het onderwerp , waarover zij handelt, eene zaak is buiten den handel , en of de publieke orde het aangaan van die overeenkomst verbood.

In de derde plaats moet ik doen opmerken, dat, wanneer de overeenkomst van 30 Sept. 1851 niet was gesloten, en mitsdien de contractuele bepaling omtrent de heffing van het bundergeld in den Nieuwkoopschen polder door het Bestuur van dien polder niet bestond , zeer zeker eene dergelijke bepaling , als uitzondering op den regel, bij het reglement van Rijnland kon zijn gemaakt geworden.

Doch wanneer nu dit kon plaats hebben , dan moet ook , ingeval vroeger bij overeenkomst het regt van heffing der bundergelden in den N ieuwkoopschen polder aan het Bestuur daarvan is afgestaan, die contractuele bepaling omtrent de heffing alsnog worden nageleefd, wanneer de provinciale wetgever bij meergenoemd reglement de bij overeenkomst verkregene regten heeft willen eerbiedigen.

En dat dit nu werkelijk de wil van den wetgever is geweest, heb ik , naar ik geloof, voldingend aangetoond bij mijne meergenoemde conclusie, en is dan ook door den Raad bij het daarop betrekkelijke arrest op d§ meest ondubbelzinnige wijze aangenomen.

Ja, wat meer is., wanneer men de overwegingen van het Kon. besluit, welke het reglement voorafgaan, met aandacht leest, dan zal men bevinden, dat men de vroeger aangegane overeenkomsten aan de wetgevende bevoegdheid van den provincialen wetgever , en met name van het reglement van 1857, heeft willen onttrekken en teregt onttrokken heeft.

Staat het nu vast, dat de bewuste overeenkomst ook onder de werking van het nieuwe reglement van Rijnland moest worden nagekomen, dan zijn de eischers teregt tot schadevergoeding veroordeeld. Immers , wanneer de eischers gehouden waren aan het reglement, niet op zich zelf', maar in verband met de vroeger geslotene overeenkomst, dan kunnen zij niet beweren door het reglement en mitsdien door eene vreemde oorzaak, die hun niet kon worden toegerekend, of door overmagt verhinderd te zijn geworden de overeenkomst na te komen.

Ik vermeen dus, dat geene der bij het middel aangeduide wetsartikelen zijn geschonden of verkeerd toegepast, en dat alzoo het middel van cassatie als ongegrond moet worden aangemerkt.

Naar aanleiding hiervan concludeer ik mitsdien, dat aan de medeverweerders acte zal worden verleend van hetgeen, waarvan zij acte gevraagd hebben ; dat voorts de eisch tot cassatie zal worden verworpen, mei veroordeeling van de eischers in de kosten van cassatie , ook aan zijde der mede-verweerders gevallen , alsmede in de boete van cassatie.

De Hooge Raad enz.,

óverwegende, dat als eerste onderdeel van het e'énig aangevoerde middel van cassatie is voorgesteld: verkeerde toepassing van art. 154 van het reglement van Rijnland, vastgesteld bij Kon. besluit van den 6 Julij 1857 (Citbl. n". 90;, als zijnde het in dit geding niet de vraag, hoeveel door de eigenaars der in den Nieuwkoopschen polder gelegen gronden aan omslag betaald moet worden , maar door wien de invordering van den in zijn geheel verschuldigden omslag zal geschieden;

O., dat dit onderdeel is gerigt tegen de overweging van het beklaagde arrest: «dat de invordering van Rijnlands bundergeld door het Bestuur van den polder Nieuwkoop niet wordt belet door de bepaling van art. 157 van het reglement van Rijnland, inhoudende, dat de invordering van alle omslagen geschiedt «door of van wege den rentmeester», daar (zelfs al mogt het zijn , dat de invordering door het Polderbestuur niet »van wege den rentmeester» geschiedde; dan nog die bepaling, blijkens het boven overwogene, niet kan te kort doen aan vroegere, vóór de invoering van het reglement wettig aangegane overeenkomsten»;

O., dat daarmede is bedoeld eene overeenkomst, den 30 Sept. 1851, alzoo vóór de inlijving van den Nieuwkoopschen polder in het Hoogheemraadschap van Rijnland, gesloten tusschen Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rijnland en van Amstelland ter ééne, en die van de Nieuwkoopsche droogmakerij ter andere zijde; waarbij onder anderen is bepaald , dat de heffing van den omslag oer Rijnlandsche en Amstellandsche bundergelden over de landen der Nieuwkoopsche droogmakerij voortaan zoude geschieden door het bestuur dier droogmakerij , waarvan de Nieuwkoopsche polder toen een deel uitmaakte ; en dat in verband met de aangehaalde staat de voorafgegane, door het Hof ingeroepene overweging, waarbij het zegt: »dat meergemelde overeenkomst in geenen deele hare kracht heelt verloren door de inlijving van den Nieuwkoopschen polder in het Hoogheemraadschap Rijnland, en de toepassing van art. 154 van het reglement van dat Hoogheemraadschap, vermits dit reglement niet te kort doet aan wettig verkregen regten»;

O., dat deze beslissing hoofdzakelijk is bestreden , op grond , dat j voor' de beslissing van het onderwerpelijk punt niets zoude afdoen 's Hofs stelling : «dat gezegd reglement niet te kort doet aan wettig verkregen regten; hetgeen blijkt, zoowel uit de in art. 154 gevoegde woorden: «behoudens tegenbewijs», als uit de overwegingen van het Kon. besluit, waarbij dit reglement is ingevoerd, waarin duidelijk wordt gezegd, dat door een provinciaal reglement als het onderwerpelijke geene overeenkomsten kunnen worden gehandhaafd of vernietigd»;

0., dat deze grond van bestrijding is niet-aannemelijk; dat immers de bij de meergenoemde overeenkomst tusschen partijen aangegane bepaling : »dat de heffing van den omslag der Rijnlandsche en Nieuwkoopsche droogmakerij voortaan zoude geschieden door het Bestuur der Nieuwkoopsche droogmakerij», uitmaakt een bestanddeel der onder die voorwaarde en in het belang dier droogmakerij gesloten overeenkomst; dat voorts die voorwaarde, zoo als zij voorkomt in de overeenkomst, immers ten aanzien der contracterende partijen , moet worden beschouwd te zijn van privaatregtelijken aard en te hebben daargesteld een daardoor verkregen regt, en dat zij derhalve ook na de inlijving in Rijnland bij het beklaagde arrest teregt is gehandhaafd;

0., dat in de tweede, plaats is beweerd: schending der artt. 197 en 195 van hetzelfde reglement, dewijl daarbij zijn afgeschaft alle bepalingen, voorkomende in eenige bij het reglement geregelde stukken ;

0., dat wel bij art. 197 van het reglement van Rijnland is verordend , dat »bij het in werking komen van dat reglement, van regtswege zijn vervallen alle bepalingen , in algemeene of bijzondere reglementen, octrooijen, privilegiën of andere stukken voorkomende, betrekkelijk zaken, die bij dat reglement zijn geregeld» ; doch dat daarmede niet zijn bedoeld zoodanige stukken, die voortdurend moeten worden beschouwd als inhoudende eene overeenkomst, en mitsdien als bewijs voor verkregen en alsnog te handhaven regten;

0., dat in de derde plaats is voorgesteld: verkeerde toepassing of schending van art. 157 van het reglement van Rijnland, in verband met de overwegingen van het reeds vermelde Kon. besluit, voor zoover betreft het achttiende punt, art. 14 der Alg. Bep. van wetg., art. 1368 B. W., en zooveel noodig ook de artt. 1280 en 1281 van dat wetboek; doordien het Hof heeft aangenomen, dat de uitvoering eener overeenkomst kan worden bevolen op een punt van publiekregtelijke inrigting, ook dan, wanneer de bevoegde wetgever die inrigting heeft veranderd, en mitsdien hij, die overeenkomstig die veranderde inrigting handelt, tot schadevergoeding kan worden veroordeeld ;

0., dat tot staving hiervan is aangevoerd: vooreerst, dat de uitvoering eener overeenkomst niet kan worden bevolen op een punt van publiekregtelijke inrigting, wanneer de bevoegde wetgever die inrigting heeft veranderd , hetgeen in deze zoude zijn geschied dooide inlijving en de daardoor aangevangen werking van gezegd art. 157;

0., dat, wanneer, zoo als de eischers erkennen, de in 1851 overeengekomen bepaling omtrent de Wijze van heffing van Rijnlandsch bundergeld bestaanbaar was onder de werking van het reglement van Rijnland van 1803, volgens hetwelk, naar art. 36, de rentmeester al de inkomsten van de landen moest ontvangen,—• genoemde bepaling alsnog is bestaanbaar onder de werking van het nieuwe reglement van Rijnland; dat reeds daarmede vervalt de bewering, dat de heffing van het bundergeld zoude betreffen de waarneming eener openbare functie, eene zaak buiten den handel en waarover geene contractuële bepaling thans meer is bestaanbaar, vermits het tijdstip, waarop eene overeenkomst is aangegaan, moet beslissen, of het onderwerp, waarover zij handelt, is eene zaak buiten den handel en of de openbare orde het aangaan dier overeenkomst verbood ; en dat in allen gevalle de bedoelde overeenkomst omtrent de wijze van heffing van het bunder¬

geld (zoo als reeds boven is aangemerkt), als voorwaarde der overeenkomst en als niet in strijd met eenige toen vigerende verordening'

immers ten aanzien der contracterende partijen, was van priv»at' regtelijken aard en daarstelde een verkregen regt; .

O., dat, tot staving van dit derde onderdeel van het e'e'nig mi<Me van cassatie, ten andere is beweerd , dat in het onderwerpelijk geja de eischers, als gebonden door art. 15 7 van het reglement van RU"" land, niet konden zijn veroordeeld tot schadevergoeding, op grond, dat die schade zoude zijn ontstaan uit eene vreemde, hun niet toe te rekenen oorzaak en door overmagt; en dat derhalve in dit opzigt '"J het beklaagde arrest zouden zijn geschonden de artt. 1280 en 128' B. VS\;

0. te dien aanzien , dat, nu het vaststaat, dat de meergenoemd® overeenkomst ook onder de werking van het nieuwe reglement va" Rijnland moet worden nagekomen , en mitsdien de eischers zijn ge' houden niet aan het reglement op zich zelf, maar in verband »et de vroeger gesloten overeenkomst, daarmede vervalt deze geheel® bewering;

O., dat alzoo deze voorziening in cassatie is ongegrond;

Verleent aan de mede-verweerders in cassatie acte hunner verklaring , dat zij zich omtrent de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het ingestelde beroep gaaf en onvoorwaardelijk gedragen aan "s Hoogen Raads oordeel ;

Verwerpt het beroep en veroordeelt de eischers in al de koste» > ook aan de zijde der mede-verweerders gevallen, alsmede in de boete van cassatie.

(Gepleit voor de eischers Mr. G. M. van der Linden, en voor de verweerders Mr. A. M. van Stipriaan Luïscius.)

FHO VlJMCiAL-E HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN ZUIDHOLLAND. Burgerlijke kamer.

Zitting van den 29 December ) 867.

Voorzitter, Mr. S. Schmolck.

Accoord. — Homologatie. — Verificatie.

Kan het accoord, dat, tempore utili aangeboden , verworpen «' > nogmaals in eene vierde vergadering van schuldeischers wordt11 aangeboden i — Neen.

A. B. Simonis , gefailleerde , wonende te Schiedam, appellant, pr°' cureur Mr. A. Q. ürai jenhoff van db Leur, tegen

J. K. van Heuven , handelende onder de firma L. Eversz en C'omP'' c. s., geïntimeerden , procureur Mr. C. J. Kramjojs , en tegen

Mr. W. Siewerts van Reesema, procureur bij de Arrond.-Regtbauk te Rotterdam, in hoedanigheid van curator in het faillissement van A. B. Simonis voornoemd , mede-geïntimeerde , procureur Mr. C. 3Fran^ois.

Het Hof enz.,

Gehooid den proc.-geu. Mr. van Galen in zijne conclusie , strekkende tot bevestiging van het vonnis a quo , met veroordeeling vim oen app. in de kosten van het appel;

Met opzigt tot de feiten en gevoerde procedures ter eerster instantie, zich gedragende aan en alzoo overnemende hetgeen daaromtrent is vermeld bij het vonnis des eersten regters , bij welk vonnis is geweigerd het door den app. aangeboden accoord, diens boedel is verklaard insolvent, en gelast is, dat die door den curator zal worden vereffend ; voorts de app. is verwezen in de kosten, op het verzet gevallen, daaronder begrepen die, aan de zijde des curators gemaakt; aau de interveniënten ter eerster instantie B. Simonis en Th. A. A. Sim°' nis hunne vordering is ontzegd, en deze laatsten zijn veroordeeld i" de kosten, op de interventie gevallen;

Overwegende, dat de app., na van dit Hof verkregene vergunning om kosteloos te procederen, van eveugemeld vonnis hooger beroep heelt ingesteld, en vervolgens door de procureurs van partijen te< teregtzitting wederzijds zoodanig is geconcludeerd als blijkt uit hunue schriftelijk overgelegde conclusiën;

En ten aanzien van het regt:

O., dat, al mogen de voorschriften van het Wetboek van Koop* handel betrekkelijk het accoord van den gefailleerde met zijne schuldeischers in het belang van den schuldenaar gerekend kunnen worden diens bevoegdheid niet uit te sluiten om, na de verwerping van het eerst voorgestelde, andermaal een accoord aan te bieden, — hieru'' echter geenszins zou kunnen worden afgeleid, dat in zoodanig geva de bepalingen omtrent den tijd, waarop de aanbieding geschieden moet, niet zouden gelden en moeten in acht genomen worden ; da' toch die bepalingen, in het belang der schuldeischers bjj een spoedige" voortgang en afdoening van zaken vastgesteld , zijn gebiedend en a»' gemeen, en als zoodanig geene afwijking of uitzondering toelaten, dat volgens haar geen accoord meer kan worden voorgesteld na de sluiting van de tweede vergadering tot verificatie der schuldvo*" deringen;

0., dat derhalve, toen de app. ten tweede male zijn voorstel tot accoord indiende, de tijd daartoe was verstreken, en hierdoor verval' de noodzakelijkheid van de beslissing der vraag, of, na de verwei" ping van een voorgesteld accoord, de aanbieding van een ander , e" ook het bij herhaling voorstellen van hetzelfde accoord , zoo als d>' hier heeft plaats gehad, als geoorlootd is te beschouwen ;

Gezien de artt. 83b, 837 en 842 W. K. , en art. 56 li. R.;

Doet te niet liet hooger beroep ;

bevestigt het vonnis der Arrond. - Regtbank te Rotterdam van 1 Jan. 1867 , waarvan is geappelleerd ;

Beveelt mitsdien , dat dat vonnis geheel en volkomen gevolg hebben , en veroordeelt den app. in üe kosten van het hooger beroep' ook in die, aan de zijde van den mede-geïnt. gevallen.

(Gepleit voor den appellant Mr. J. J. van Gedns , en voor de geïntimeerden Mr. A. ue Pinto.j

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE 'S GRAVENHAGEBurgerlijk» kamer.

Zitting van den 10 April 1868.

Voorzitter, Mr. L. F. Oerton.

Kiezerslijsten. — Domicilie. — Inwoning.

Moeten op de kiezerslijsten eener gemeente geplaatst worden alle"'

Sluiten