Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maaadag, 11 Mei 1868.

N°.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

dertigste jaargang.

/U8 Ëï VEIUTA8

Dit blad verschijnt geregeld twee maten per week. Prijs per jaargang f 20 ,• voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs dor advertentie», zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van HH. gewone correspondenten , franco.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke UiiBiier.

Zitting van den 1 7 April 1868.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Paleis van justitie en kazerne voor de marechaussee tb Maastuicht. — Eigendom. — Gebruik. — Ontruiming.

Kan de provincie Limburg, aan wie bij Koninklijk besluit van l 1 5 zijn afgestaan gebouwen, om die in te rigten voor regtsgebouw en voor kaxerne der maréchaussée, de ontruiming daarvan vorderen , op grond, dat tij, na de Grondwet van 1848 en de provinciale wet, niet meer gehouden zou zijn in die behoefte te voorzien ? — Neen.

De commissaris des Konings in het Hertogdom Limburg , ambtshalve namens Gedeputeerde Staten van gemeld Hertogdom of provincie voor dat gewest optredende, eischer in cassatie, procureur Mr. M. Eyssell ,

tegen

den Staat der Nederlanden, verweerder, procureur Mr. C. J.

Fran^ois .

(Zie het arrest van het Prov. Geregtshof in Limburg van 12 Nov. 1866, in Weehbl. n°. 2948.J

De Hooge Raad enz.,

Gehoord den proc.-gen. in zijne conclusie , strekkende tot vernietiging van het arrest van het Prov. Geregtshof in Limburg, den 12 Nov. 1866 tusschen partijen gewezen, doch alleen voor zooverre daarbij aan den eischer in cassatie is ontzegd zijne vordering tot het doen door den verweerder van rekening en verantwoording van alle vruchten en opbrengsten van liet perceel, gelegen achter en ter zijde van de kazerne der maréchaussée te Maastricht en door den eischer den 24 .iunij 1828 van O. C. Roemers gekocht; en voorts ten einde de Hooge Raad, te dezen aanzien ten principale regt doende , den Staat der Nederlanden alsnog zal veroordeelen om te doen rekening, vei antwoording en uitkeering der vruchten van gemeld perceel, te rekenen van den 22 Jan. ls64, zijnde de dag der dagvaarding ; met verwerping voor het overige van het beroep in cassatie , en veroordeeling van den eischer in vier vijfde deelen , en den verweerder in één vijfde deel der kosten, in cassatie gevallen, met bevel tot teruggave der boete van cassatie;

Overwegende, dat als eerste middel van cassatie is voorgesteld: schending en verkeerde toepassing: 1". van art. 129 der Grondwet, de artt. 105 en 107 der provinciale wet van den 6 Julij 1.-50 (Stbl. »"■ 39), art. 14 der wet van den 12 Julij 1821 (Stbl. n\ 9), der wet van den 2 Mei 1851 (Stbl. n». 27), en art. 14 Alg. Lep.; en 2». van de artt. 527 en 544 God. Nap., 625, 627 en 629 li. VV., in verband met art. 686 van eerstgenoemd en 721 van laatstgemeld wetboek, en met art. 14 voormeld der wet, houdende algemeene bepalingen van wetgeving, omdat 1°. dein 1825 aan het hier bedoeld provinciaal eigendom gegeven bestemming, ten gevolge der veranderde wetgeving, is onmogelijk geworden en alzoo vervallen, vermits, naar bet thans geldend openbaar regt, de provincie Limburg niet gehouden is , ja zelfs niet vermag, te dragen een deel der kosten van het regtswezen of van de maréchaussée, als thans komende ten laste van den Staat; en 2". aangenomen al, dat in deze sprake zoude kannen zijn van eene burgerregtelijke, in 1825 gesloten overeenkomst, dan llo£ evenmin het toen als thans geldend burgerlijk regt toelaat den eigendom van vast goed te bezwaren met den , volgens het beklaagde ar'est, op de onderwerpelijke provinciale perceelen ten behoeve van den Staat drukkenden last;

wat betreft het eerste gedeelte van dit middel van cassatie, dat b'j het beklaagde arrest feitelijk is aangenomen , dat het in 1825 door den Staat aan de provincie afgestaan gebouw is overgedragen met eene bepaalde bestemming, om namelijk te worden ingerigt voor de zittingen der regterlijke collegiën en tot eene kazerne voor de maréchaussee; en dat Staat en provincie voor het tot stand komen der bestemming van dat gebouw hebben bijgedragen met gelijke, ten minste bijna gelijke, som;

O., dat voorts daarbij is beslist, dat, hoezeer de bevorens op de rustende zorg om in de huisvesting der justitie en deideze ve USr6e Voorzieu en het verlangen om zich behoorlijk van welke a1Ppgt'"ë 'e kwijten , kan zijn geweest de aanleidende oorzaak, wei dun ^ '0^'nciale Staten heeft bewogen zich tot den Koning te meld o'' i°m ' a'stand van het bedoelde rijksgebouw tot meergereden ° tC vei'krijgen, echter het later vervallen van die beweegaannevr'et |teVe0S ^ee't doen vervallen de naar aanleiding daarvan eeniue w?'S • 6" verliregen Koninklijke beschikking , noch daaraan van besta^^ ^eeft gebragt, en mitsdien deze beschikking is blijbonden la^t •' Z°° a's ZÜ 's verleend , dat is , met den daaraan verontruiminS ' 6" ('at °P êTOnd daarvan is ontzegd de vordering tot gebouw Ën t6r Vr'jB beschikking der eischeresse stellen van dat

' • dat daardoor noch zijn geschonden noch verkeerd toegepast de "gehaalde wets-artikelen; dat immers uit al deze bepalingen alleen 0 M, dat de provincie thans niet meer, zoo als in 1825 , is gehoue'i tot de bekostiging van het bedoelde regtsgebouw en van de kazerne °or Ue mare'chaussée, geenszins dat daardoor is vervallen de in de ^oninklijke beschikking van dat jaar uitgedrukte en met de overgave «er gebouwen aan de provincie in een onafscheidelijk verband staande bestemming; en dat in deze van geene de minste toepassing is art. ^ der algemeene bepalingen van wetgeving, als alleen betreffende het aangaan van handelingen en overeenkomsten , en niets inhoudende ten

opzigte van derzelver verval ten gevolge van verandering der omstandigheden , waaronder zij zijn tot stand gekomen ;

O., wat aangaat het tweede gedeelte van dit middel van cassatie, dat daarbij wordt beweerd, dat, aangenomen al, dat hier zoude zijn aangegaan eene handeling van zuiver burgerlijk regt, waarbij de Staat den eigendom van een gebouw zoude hebben overgedragen aan de provincie, dan nog die handeling van den aanvang af zoude zijn geweest in strijd met de aangehaalde artikelen van den Code Napole'on en van het Burgerlijk Wetboek, en het meergenoemd art. 14 der Alg. Uep. van wetgeving ;

O., dat deze bewering (waarbij wordt aangenomen , dat de aangehaalde Koninklijke beschikking zoude moeten worden beschouwd als eene overeenkomst; berust op de stelling, dat geene beperking van eigendoms-overdragt krachtens overeenkomst zoude zijn geoorloofd, tenzij kunnende worden gebragt onder de bij het wetboek uitdrukkelijk genoemde regten van erfdienstbaarheid , vruchtgebruik , gebruik of bewoning, terwijl onder geen dezer zoude kunnen worden gerangschikt de bij de Koninklijke beschikking aangewezen bestemming van het daarbij aan de provincie overgedragen gebouw; dat intusschen deze geheele stelling is in strijd met de beginselen zoowel van den Code Napoléon als van het Burgerlijk Wetboek , als zijnde daarbij veroorloofd elke wijze van beschikking over en overdragt van eigendom en elke beperking te dien aanzien, mits niet strijdende met de wetten, betrekking hebbende op de openbare orde of de goede zeden ; terwijl bovendien uit geen der aangehaalde artikelen volgt, dat zoodanige handeling, buiten toestemming der beide betrokken partijen en zonder regterlijke uitspraak, van zelf zoude zijn vernietigd;

u., dat als tweede middel van cassatie is aangevoerd: schending en verkeerde toepassing van de artt. 588, 605, nJ. 2, en art. 634 B. W., door aan de provincie te ontzeggen hare accessoire vordering der vruchten en opbrengsten van het door den Staat bezeten stuk gronds, welks revindicatie haar is toegewezen;

O., dat het Hof deze accessoire vordering heeft ontzegd, op grond, «dat de provincie, om te kunnen vorderen de vruchten en opbrengsten , welke zij van dat erf had kunnen genieten, sedert zij heeft opgehouden te zorgen voor de huisvesting der regterlijke overheden en der maréchaussee te Maastricht, had te bewijzen, dat de Staat te kwader trouw die vruchten heeft genoten;» en «dat uit de handelingen van den Staat niet is af te leiden, dat deze sedert 1850 het bedoelde stuk gronds heeft in bezit genomen en gehouden te kwader trouw, hetwelk nooit wordt verondersteld;» dat echter het Hof daarbij heeft voorbijgezien het wettig vermoeden van kwade trouw bij den bezitter van het oogenblik, dat tegen hem ( zoo als in deze is geschied bij dagvaarding van den 22 Jan. 1864) is ingesteld eene regtsvordering ter zake van het door hem bezeten goed van een ander, indien het geding ten zijnen nadeele wordt beslist, aangenomen bij art. 588, tweeue zinsnede, B. W., en dat mitsdien dit middel is ongegrond ;

O., dat als derde middel van cassatie is beweerd: verzuim der vormen, op strafte van nietigheid voorgeschreven, of wel schending en verkeerde toepassing van art. 156 der Grondwet en art. 20 R. O., in verband met art. 59 , n '. 3, B. li. , door het niet voldoende met redenen omkleeden der uitspraak op de revindicatoire vordering, betreffende het gebouw, bevorens zijnde geweest de Minderbroederskerk te Maastricht;

O., dat dit middel is geheel subordinaat, voor het geval, dat de Hooge Raad mogt oordeelen, dat door het Hof niet was uitgemaakt, oi de provincie was geworden eigenaresse der door haar van den Staat verkregen Minderbroederskerk; dat echter, blijkens het vooraf overwogene, het geval, waarvoor dit middel is ingesteld, niet bestaat; en dat daarmede vervalt het geheele middel;

O. , dat derhalve het tweede middel van cassatie is ongegrond, en alzoo het beklaagde arrest alleen op het daarbij bedoelde accessoire punt behoort te worden gecasseerd;

Vernietigt het arrest van het lJrov. Geregtshof in Limburg, den 12 Nov. 1866 tusschen partijen gewezen, alleen echter voor zoover daarbij aan den eischer in cassatie is ontzegd zijne vordering tot het doen door den verweerder van rekening en verantwoording" van alle vruchten en opbrengsten van het perceel, achter en ter zijde van de kazerne der maréchaussée te Maastricht gelegen en door den eischer op den 24 Junij 1828 van C. C. Roemers gekocht;

En, te dezen aanzien ten principale regt doende,

Veroordeelt den Staat der Nederlanden om aan den eischer te doen rekening, verantwoording en uitkeering der vruchten van gemeld perceel, ook van die, welke de eischer als eigenaar daarvan bad kunnen genieten, te rekenen van den 22 Jan. 1864 , zijnde de da°- der dagvaarding; °

Beveelt, dat die rekening zal gedaan worden ten overstaan van den bij het vonnis a quo benoemden regter-commissaris , en op de wijze, bij dat vonnis bepaald, en bekrachtigt dat vonnis in zoover;

Bepaalt, dat, wanneer de Staat der Nederlanden in gebreke mogt blijven om op den nader door den voornoemden regter-commissaris tot het doen van rekening te bepalen dag voor dien regter te verschijnen of rekening te doen , hij daartoe zal kunnen genoodzaakt worden door de in-beslag-neming en den verkoop zijner goederen tot een bedrag van J' 300 ;

Compenseert de kosten , in cassatie gevallen ;

Beveelt de teruggave der boete van cassatie.

(Gepleit voor den eischer Mr. P. L. F. Blussé , en voor den verweerder Mr. a. de Pinto.)

Zitting van den 24 April i 868.

Spoorweg. — Erfdienstbaarheid. — Onteigening.

Is een spoorweg eene zaak buiten den handel? — Niet beslist. Vervallen door onteigening van regtswege alle , vroeger op den onteigenden grond bestaan hebbende erfdienstbaarheden^ Neen.

De Staat der Nederlanden, eischer in cassatie, procureur Mr. C. J. FRANpois,

tegen

D. van den Brink , weduwe J. Eijerkamp, wonende te Brummen , verweerderesse, procureur Mr. M. Etssell ,

benevens

G. Wagenvoort, wonende onder Brummen, c. s., mede-verweerders, procureur A. F. de Bas ,

mitsgaders

J. Rutgers, wonende in de buurtschap Oeken, gemeente Brummen, c. s., insgelijks mede-verweerders, procureur A. F. de Bas.

De Hooge Raad enz.,

Gehoord den proc.-gen. in zijne conclusie , strekkende tot verwerping van den eisch tot cassatie, met veroordeeling van den eischer in de kosten en boete van cassatie;

Overwegende, dat als eerste middel van cassatie is aangevoerd: schending en verkeerde toepassing van de artt. 750 en 1368 B. W. en de artt. 25 , 26 , 27 , 35 en 36 der wet van den 21 Au<». 1859 {Stbl. np. 98), in verband met de wet van den 21 Junij 1862 (Stbl. n". 68), door de toewijzing der door de eerste verweerderesse ingestelde actio confessoria, niettegenstaande het te niet gaan der erfdienstbaarheid van uitweg, ten gevolge van den krachtens de wet gelegden en het gebruik van uitweg onmogelijk gemaakt hebbende spoorweg; en dat dit middel hoofdzakelijk daarop berust, dat een spoorweg is eene zaak buiten den handel, en eene erfdienstbaarheid op zoodanige zaak is onbestaanbaar; dat de wet volkomen afsluiting van den spoorweg beveelt, en er (behalve het geval van noodweg) geen uitweg daarover kan zijn, dan voor zoover die door het Bestuur wordt toegestaan ;

0. te dien aanzien , dat feitelijk vaststaat, dat het perceel in geschil , waarover thans de spoorweg loopt, is bezwaard met de erfdienstbaarheid van uit- en overweg ten behoeve der ten processe aangeduide perceelen der eerste verweerderesse in cassatie; dat gezegd perceel door den eischer in cassatie van de vier laatste verweerders in cassatie is gekocht vóór de wet van den 21 Junij is62 (Stbl no. 68), waarbij is verklaard, dat liet algemeene nut vorderde onteigening voor den aanleg van den spoorweg van Arnhem naar Zutphen, en dat , ten gevolge van den aanleg van dien spoorwe** de bedoelde uit- en overweg is afgesneden, zonder dat die erfdienstbaarheid vooraf bij minnelijke overeenkomst is afgekocht of tegen voorafgegane schadeloosstelling is onteigend ; terwijl zelfs een verzoek van den eersten verweerder tot het bekomen van een overweg over den spoorweg is afgewezen, niettegenstaande er, volgens het advies eener commissie van Gedep. Staten, daartegen geen technisch bezwaar bestond ;

0., dat wel bij de wet van den 28 Aug. 185] (Stbl. n". 125) als beginsel is aangenomen, dat ook erfdienstbaarheden kunnen worden onteigend tegen vergoeding, en dat zij alsdan door onteigening verloren gaan ; dat echter hier daarvan geene sprake is, en evenmin daarvan, of de eerste verweerderesse in cassatie, krachtens art. 26 der wet van den 21 Aug. 1859 {Stbl. nü. 98), niet zoude kunnen vorderen een uitweg over den spoorweg; maar dat uitsluitend de vraag is , of alleen de aanleg van een spoorweg de bestaande erfdienstbaarheden, zonder eenige verpligting tot schadevergoeding, doet vervallen, en wel bepaaldelijk of dit volgt uit de bij dit middel aangehaalde artikelen;

U., dat art. 1368 B. W., als slechts bepalende, dat alleen zaken, welke in den handel zijn, kunnen uitmaken het onderwerp van overeenkomsten , niet in aanmerking kan komen in deze, waar het niet betreft het al of niet geldige eener overeenkomst, maar het al of niet vervallen zijn eener erfdienstbaarheid; en dat derhalve alles aankomt op art. 750 van dat wetboek, in verband met de daarnevens aangehaalde artikelen der wet van den 2i Aug. 1859 {Stbl. n°. 98;;

0., dat art. 750 B. W. uitdrukt zoodanig beginsel van noodzakelijk te niet gaan eener erfdienstbaarheid, dat, al ware het niet uitgedrukt, het niettemin alleen uit den aard der zaak zoude moeten gelden, de onmogelijkheid namelijk van haar voortbestaan ten gevolge van den toestand, hetzij van het dienstbare, hetzij van het heerschende erf; dat derhalve daarbij alleen is bedoeld het te niet gaan der erfdienstbaarheid ten gevolge van zoodanige physieke verandering van den toestand der zaken, waardoor de uitoefening der erfdienstbaarheid feitelijk onmogelijk is geworden; en dat daarvan de rede niet is in deze, waar het dienstbaar erf niet is te niet gegaan, maar alleen ten gevolge der eigendunkelijke handelingen van den eigenaar van het dienstbaar erf eene andere bestemming heeft ontvangen ;

O., dat, wanneer al aan art. 750 B. W. behoorde te worden gegeven een meer uitgestrekte zin, en het derhalve mede zoude zijn toepasselijk, wanneer, alleen ten gevolge eener uit de wet voortvloeiende verhindering, het gebruik der erfdienstbaarheid zoude zijn onmogelijk geworden , dan nog zoodanige onmogelijkheid in het onderwerpelijk geval niet zoude zijn bewezen , daar toch, ook dan, wanneer het bedoelde perceel ware onteigend, het aanwezen eener erfdienstbaarheid op den onteigenden grond, volgens art. 59, derde zinsnede , der wet op de onteigening ten algemeenen nutte, nog mogelijk zoude zijn; en nevens den regel van afsluiting van den spoorweg, vooropgesteld bij art. 25 der wet van den 21 Aug. 1859 (Stbl. n'. 28), bij art. 26 dier wet is opgenomen eene uitzondering, medebrengende het regt van uitweg in een bepaald geval;

0., dat derhalve geen der aangehaalde artikelen verkeerd is toegepast of is geschonden, en dat daarmede vervalt het geheel overbodig onderzoek, of, zoo als de eischer beweert, spoorwegen zijn zaken buiten den handel;

0., dat als tweede , doch subsidiair middel van cassatie is voorgesteld : schending en verkeerde toepassing der artt. 25 , 26, 2 7, 35 en 36 der wet van den 21 Aug. 1859 {Stbl. n°. 98), omdat het Hol, in strijd daarmede, heeft gelast herstel van den uit- en overweg binnen I acht,11 dagen na de insinuatie van het arrest, en om den bestaan

Sluiten