Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat voorts een bepaald onderwerp ten onderzoek zal zijn aangewezen , indien dat onderzoek wordt opgedragen ten aanzien der goederen, door de eischeres bij dagvaarding bedoeld; terwijl eindelijk, wel verre dat een oordeel omtrent de deugdelijkheid van op monsters verkochte goederen onverschillig zijn zoude, dit, blijkens het reeds overwogene, m casu voor de beslissing der zaak niet kan worden gemist;

Gezien artl. 1510, 1527, 1529, 1540 sqq. B. W., 222 en 56 B. R.;

Alvorens ten principale regt te doen:

Vei leent aan de tweede gedaagden acte van hunne bereidverklaring tot overlegging van het door de eischeres verlangde monster;

Gelast, dat door deskundigen, welke door partijen binnen drie dagen na de beteekening van dit vonnis zullen worden benoemd en waartoe, bij gebreke van dien, ambtshalve benoemd worden prof. J. W. Gunnin£ > prol. J. W. Herlin en H. Rijfsnijder (de laatste koopman in schildpad enz., wonende Oude Teertuinen M 153), een onderzoek zal worden gedaan naar de qualiceit der bij dagvaarding omschreven schildpadpootjes en schildpadbuikjes, en deze zullen worden vergeleken met het monster, en meer bepaald of die goederen inderdaad zijn echte schildpadpootjes en schildpadbuikjes of daarvan slechts een bedriegelijk namaaksel of surrogaat;

belast voorts , dat zij binnen vier weken na hunne eeds-aflegging hun berigt omtrent het gedane onderzoek zullen overbrengen ter griffie dezer Regtbank ;

Bepaalt, dat voormelde eeds-aflegging zal geschieden op Woensdag 11 Maart e. k., des voormiddags elf ure, ter teregtzitting dezer Regtbank;

Veroordeelen de tweede gedaagden om, binnen 24 uren na de beteekening van dit vonnis, het monster, waarop zij de schildpadpootjes en schildpad buikjes ten behoeve der eerste gedaagden aan de eischers hebben verkocht, voorzien van eene behoorlijke aanteekening ter herkenning van hetzelve, insgelijks ter griffie dezer Regtbank zullen overbrengen;

Reserveert de kosten van dit incident tot de eind-uitspraak*

(Gepleit voor de eischeresse Mr. M. H. 's Jacob , voor de eerste gedaagden Mr. A. Philips, en voor de tweede gedaagden Mr. L. H. KDHN.J

MENGELWERK.

DE CLANDESTINE ECHTVERBINTENISSEN.

(Overgenomen uit het Nieuw Israëlitisch Weekblad.)

Het is alom bekend, dat overal hier te lande personen een echt inzegenen, die noch geestelijken, noch door dezen daartoe geautoriseerd zijn. Minder bekend echter zijn misschien de kwade gevolgen, die èn voor onze godsdienst, èn voor de landswet daaruit voortspruiten. Derhalve zullen wij deze hier eenigzins nader onderzoeken, doch ons niet uitlaten over bepalingen of reglementen, die door de Regering gemaakt kunnen worden, om dit misbruik te voorkomen.

De personen, die zonder autorisatie van een geestelijke een echt inzegenen, kennen gewoonlijk onze Joodsche wetten niet, verbinden door den echt zoodanigen, die elkander niet mogen huwen, of verrigten deze plegtigheid op eene onregelmatige en met onze wetten ten eenemale strijdige wijze. Daardoor wordt zulk een huwelijk krachteloos en nietig.

Volgens de Joodsche wet mag b. v. iemand zijne aangetrouwde

moei — d. i. de vrouw van den broeder des vaders of der moeder

ook zijns broeders weduwe niet huwen ; doch volgens het Burgerlijk Wetboek (I, tit. 5, art, S8j kan Z. M. de Koning, om gewictige redenen, het verbod, in dit artikel vervat, dour het verleenen van dispensatie opheffen. Het schijnt zelfs naar dit art. 88, 2, dat de dispensatie tot den echt van een neef met de aangetrouwde moei niet noodig is, omdat hier welde woorden wettige ot onwettige, maarniet of door aanhuwelijking, gelijk in art. 87, gebezigd zijn. Hoe dit echter ook zijn moge, ons baat geene dispensatie, door wien zij ook moge gegeven worden ; en zulk een echt is en blijft ons verboden. Maar die menschen , die zonder autorisatie van een geestelijke een huwelijk inzegenen, weten dit niet, en verstoren daardoor het geluk van geheele familiën. Daarom leeren ook onze wijzen: «Wie de wetten omtrent echtverbindtenis en echtscheiding niet kent, mag zich volstrekt niet daarmede bemoeijen».

Het is veroorloofd naar de Nederlandsche, doch verboden bij de Joodsche wet, dat iemand eene zwangere of zogende vrouw of weduwe of eene kinderlooze, die door Dï'^n van den schoonbroeder niet vrij geworden is, huwe. Ook mag een vondeling van mannelijke of vrouwelijke kunne zich niet eerder in den echt begeven , dan nadat zijne ouders bekend zijn; een jn3 mag, onder anderen, geene nïVjn en geene gescheiden vrouw nemen.

Zoodanige gevallen heb ik reeds beleefd; de echt werd door den geeslelyke verboden, terwijl andere , niet daartoe geautoriseerde personen daarentegen niet schroomden zulke echtverbindtenissen in te zegenen.

Uok tegen de bij de inzegening gebruikelijke ceremoniën zondigen ae inzegenaars dikwijls. De trouwring moet het wettige eigendom van en biuidegom, niet vroeger reeds aan de bruid ten geschenke gegeten, niet van een ander — zonder kennisgeving van het doel geleend zijn n"j n"R), en moet eene vaste waarde hebben (H x '2 'X x'"T). Twee godsdienstige mannen , noch onderling, noch met bruidegom of bruid verwant, moeten als getuigen bij het huwey ungeren en , met uitsluiting van alle andere daarbij tegenwoordig Z* 6 Jjer?0,,en ' a^s ZOÜflanig door den inzegenaar gekozen worden, j

T 'i ni.D i'iffnp nj'^a onjr pn'D turan '• 'n ï"? 0"n. A aeze wetten en gebruiken zijn aan de gewone inzegenaars onbekend, en worden door hen niet in acht genomen, tenzij de hun autorisatie verleenende geestelijken hen daarop opmerkzaam maken, en toch is een echt niet volkomen geldig, wanneer het eene of andere bij de inzegening niet behoorlijk is in acht genomen.

Wij hebben hierboven in korte trekken geschetst, hoe de gewone inzegenaars onze godsdienstige wetten en gebruiken schenden, en zullen dit thans ook ten opzigte der landswet aantoonen. In het Burgcilijk Wetboek (Iste afd. VI, tit. V, art. 136) staat: "Geene godsdienstige plegtigheden zuilen vermogen plaats te hebben, vóórdat de partijen aan den bedienaar van hunne eeredienst zullen hebben doen blijkan, dat het huwelijk: ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand is voltrokken" . De wet alzoo eischt , dat het burgerlijk huwelijk het godsdienstige voorafga , en dat den fungerenden geestelijke het bewijs hiervan vertoond zij. Doch de uitdrukking "godsdienstige plegtigheden" is op de Joden minder toepasselijk, daar bij onze echtverbindtenissen noch gezang noch muziek een vereischte is, ook niet dat zij in de kerk worden gesloten ; dat er eene predikatie gehouden worde; dat de geestelijke het "ja" afvrage enz. De aanwezigheid van hem als geestelijke wordt in ,t geheel niet gevergd, want de bruidegom sluit den echt zelf; de rabbijn heeft daarbij slechts als ' r^np "1100 toe te zien, dat alles overeenkomstig de godsdienstige ! wetten en gebruiken geschiede, en de gebeden kunnen ook door den | bruidegom of ieder ander uitgesproken worden, q# ^"3 -j*} !

n'« '2 f/0. ' j

; S: Wilde alzoo dit aangehaalde artikel voor rabbijnen van kracht zijn, zoo moest bij deze wet de aanwezigheid, of althans het toezigt van een rabbijn bij een te sluiten huwelijk , vóórdat de burgerlijke echtverbindtenis voltrokken is , verboden zijn , v eshalve de uitdrukking in het Wetboek van Strafregt (III, tit. I, afd. III, art. 199), "die tot het bedienen der godsdienstige plegtigheden van een huwelijk overgaat", beter past. Nu vindt men in dit artikel de woorden "de bedienaar van hunne eeredienst" en in het Wetboek van Strafregt (boek III, tit. 1, afd. III, art. 199) : "elke geestelijke of kerkleeraar van eenig godsdienstig genootschap« , dus degene, die het geestelijk ambt bekleedt, wordt voor de overtreding straf baar. Hoe echter is het met iemand gesteld, die een huwelijk inzegent zonder voorafgaande burgerlijke echtverbindtenis , en die noch geestelijke is , noch een geestelijk ambt bekleedt? De straf kan op hem, als hebbende de wet overtreden, niet van toepassing zijn, daar hij zeggen zal: "ik ben geen geestelijke, noch kerkleeraar of bedienaar"; ook de daad kan niet strafbaar zijn, dewijl hij beweren zal, dat eene door hem ingezegende echtverbindtenis niet als zoodanig beschouwd wordt; en desniettemin heeft de echtverbindtenis krachtens de Joodsche wet volle waarde , wanneer hij slechts alle formaliteiten behoorlijk in acht genomen heeft. Welke zekerheid of waarborg heeft nu de Staat, dat de bovenvermelde wet niet straffeloos worde geschonden ? Geen regter zal wel art. 2 58 (III boek Strafregt) "omtrent aanmatiging van titels en bedieningen" op zoodanigen gesimuleerden geestelijke willen toepassen. Indien nu elk niet-geestelijke een huwelijk zonder burgerlijke trouw-acte, en dus zonder voorafgaand burgerlijk huwelijk, straffeloos en desniettemin geldig kan inzegenen: zoo behoorde het ook den geestelijke niet verboden te zijn. Waarom moet juist deze als zoodanig in de uitoefening zijner godsdienstige functiën minder zijn, dan elk ander? En wat wordt er dan van gelijkheid van regt voor allen ?

Dioktos.

Deze laatste opmerking van den schrijver is volkomen juist. De bepaling van art. 199 C. P. kan bij de Israëlieten iederen dag ontdoken of straffeloos overtreden worden , omdat de huwelijks-inzegening bij hen kan geschieden door iedereen, zonder bijstand van een geestelijke. Als wij wel onderrigt zijn , dan is hierop reeds jaren geleden de aandacht van den minister Donker Curtius gevestigd door de hoofd-commissie voor de zaken der Israëlieten, die toeu tevens een voorstel moet hebben gedaan om die onregelmatigheid te doen ophouden, waaraan echter nooit gevolg is gegeven. Red.

WETGEVING.

De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft in hare zit.fiincr van

Donderdag 7 dezer beraadslaagd over de vraag: of het voorstel der heeren Cremers , van Eysinga, Nobel, van Swinderen en Hein , in de zitting van Dingsdag 5 dezer ingekomen, al dan niet een onderwerp van onderzoek in de afdeelingen zou uitmaken. Dat voorstel strekte om de Kamer te doen besluiten: win eene voordragt aan den Koning, overeenkomstig art. 113 der Grondwet aan te bieden, eerbiedig haar

uurucei uit lb urunneu over ucii legenwoorcugen toestand des lands en over hetgeen haar daarin raadzaam schijnt.»

In stemming gebragt, is die vraag met 26 tegen 11 stemmen in toestemmenden zin beantwoord.

Voor hebben gestemd de heeren: Hengst, de Vos van Steen wij k , van Swinderen, van Eysinga, Cost Jordens , Hein, Cremers, Kransen van de Putte, de Dieu Fontein Verschuir van Heilo, Verschoor, Smit, Viruly, lieerenbroek, Duymaer van Twist, Geertsema, van Rhemen van Rhemenshuyzen, Nobel, van Beeck Vollenhoven Sassen , Biankenheim , van Nispen van Pannerden , Michiels van Kessenich, Storck, Joost van Vollenhoven, van Sasse van IJsselt en schot.

Tegen hebben gestemd de heeren: Huydecoper van Maarseveen, Taets van Ameroiigen, Tonckens , van der Lek de Clercq, Rahusen, ld artsen , van Aylva van Pallandt, de Villers do Pite'. Schimmp.l'

penninck van der Oije, Messchert van Vollenhoven en de Voorzitter.

Ten gevolge van die stemming is uitgemaakt, dat het voorstel deivijf leden een onderwerp van onderzoek in de afdeelingen zal uitmaken.

HUOüii RAAD. — Burgerlijke Kamer.

Zitting van Vrijdag, 8 Mei.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

I. BEëEDiGD als advokaten, de heeren Mrs. S. A. d'Engelbronner en W. L. van Voorst Vader.

II. Uitspraak gedaan in zake :

1°. (koloniaal) A. M. Wesenhagen qq., firma Bunge en C0., te Amsterdam, voor C. L. Plumé, appellant, procureur Mr. C. J. Franfois , tegen ,J. en A. iieyns , geïntimeerden, procureur Mr. J. van der .Tagt. Het beklaagde vonnis van het Geregtshof

m ueijueitya cn uen appenani zijn in eersten aanleg

gedanen eisch en conclusie toegewezen.

2°. (idem) A. M. "Wesenhagen qq., firma Bunge en C0., te Amsterdam, appellant, procureur .Mr. r. J. Prangois, tegen J. en A. Keyns, geïntimeerden, procureur Mr. J. van der Jagt. Den appellant met-ontvankelijk verklaard in zijn hooger beroep, voor zoover betreft de door hem vertegenwoordigde, onder d vermelde personen, doch ten aanzien van de door hem verte*

genwooiuigue, ondera, 0 en c vermeide personen, het vonnis van het Geregtshof in -Suriname vernietigd, en te dien opzigte den appellant qq. zijn in eersten aanleg genomen eisch en conclusie toegewezen.

3". J. M. Theelen, eischer, procureur Mr. J. van der Jagt, tegen A. Hermans en cons., verweerders, procureur Mr. M. liyssell. Het beklaagde arrest vernietigd; het Hof in Limburg bevoegd

• uiu B.CUI11S ie nemen van nei iweeue gedeelte van

der eischers vordering, en de zaak naar dat Hof teruggewezen.

III. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake:

A. M. F. G. Baron deWoelmont, heer van Ammerzoden, Well en Wordragen, eischer, procureur Mr. M. Eyssell, tegen C. P. Lenshoek, verweerder, procureur Mr. C. J. Franpois. Adv.gen. Karseboom concludeert tot verwerping. Uitspraak 5 Junij.

IV. Conclusie door den procureur der eischers genomen in zake: Diakenen van de Hervormde gemeente te Hontenisse, eischers,

procureur Mr. A. Q. Kraijenhofi van de Leur, tegen den Staat der Nederlanden, gedaagde, procureur Mr. C. J. Franpois. Op verzoek van laatstgenoemden procureur de zaak vier weken uitgesteld.

V. Gepleit in zake:

P. Regout, vader, eischer, procureur Mr. M. Eyssell, advokaat Mr. A. de Pinto, tegen M. Dohmen, verweerder, procureur

Mr. J. van der Jagt, advokaat Mr. J. Kappeyne van da Coppello. Conclusie bepaald op 22 Mei.

NB. Donderdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMLNGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 6 dezer, n". 66, is benoemd tot proc.gen. bij het Prov, Geregtshof in Overijssel, tevens tijdelijk belast met de functiën van directeur van politie in dat gewest, Mr. h. Maebielsen, thans adv.-gen. bij gemeld Geregtshof.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n°. 89, is aan

E. Boas , op zijn daartoe gedaan verzoek, met ingang van 1 Julij aanst., eervol ontslag verleend als kantonregter te Amsterdam (eerste kanton).

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n". 92, is aan 0. AVerwey, op zijn daartoe gedaan verzoek, eervol ontslag verleend als notaris te Geldermalsen, en benoemd tot notaris binnen het arrondissement te Tiel, ter standplaats de gemeente Geldermalsen, O. P. Verwey, candidaat-notaris aldaar; een en ander in te gsaD den 15 Mei aanst.

BERIGTEN.

's Gravenhage , den 9 Mei.

Door het overlijden van den heer Mr. P. M. van Goens , proc.-gen. bij het Prov. Geregtshof in Overijssel, heeft dat Hof een zijner oudste, leden verloren. Geboren te 's Hage in 1798 , is de heer van Goens aan de hoogeschool te Leyden gepromoveerd na verdediging eener dissertatie. de T. Flavio Dovtiitiano, xrnp. Roin. ejusque junsprW' dentia. In 1824 benoemd tot subst.-offieier en in 1826 tot officier van., justitie te Hoorn , bleef hij deze betrekking waarnemen tot aan de, regterlijke organisatie in 1838 , toen hij benoemd werd tot proc.-genin Overijssel, in welke hooge ambtsbetrekking hij zich onderscheidde" door zijne grondige regtskennis , ijver en naauwgezetheid. Zijne verdiensten werden ook door de Hooge Regering erkend , daar hem in 1846 het ridderkruis van den Nederlandschen Leeuw werd geschonken. Hij werd wegens zijne regtschapenheid door een ieder geacht. De magistratuur verliest in hem een verdienstelijk ambtenaar en zijne .. betrekkingen een hartelijk echtgenoot en vader. (P. 0. C.)

— Den 6 dezer is te Bloemendaal overleden de heer Mr. J. Luzac, in leven secretaris van curatoren der hoogeschool te Leyden en advokaat bij de Arrond.-Regtbank te Leyden, inden ouderdom van.. vijf-en-dertig jaren. Hij onderscheidde zich op het gebied van staatsregt en staathuishoudkunde en hield in eere den roemriiken o-pslnchts-

naam, dien hij droeg. Hij was de eenig overgebleven zoon van den voormaligen president der Arrond.-Regtbank te Leyden en den kleinzoon van prof. Luzac.

ADVERTENTIEN.

ONTWERP

VAN

WETBOEK van STRAFVORÜERIXG.

ingekomen in de zitting van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 12 Februarij 1867, zoo als het thans in de Tweede Kamer aanhangig is.

Inhoud:

A. Memorie van Toelichting. — B. Wetsontwerpen. — Titel IVan strafvordering in het algemeen. (lf. afd. van het regt tot strafvordering; 2®. afd. van de schorsing der strafvordering en het vervallen van het regt tot strafvordering). — Titel II. Van de opsporing van misdrijf. (lc. afd. Van de ambtenaren met de opsporing van misdrijf belast). (§ 1. Algemeene bepalingen; § 2. Van de officieren van justitie; § 3. Van de overige ambtenaren met de opsporing van misdrijf belast;) (2e. afd. Van aangifte en klagten ; 3e. afd. Van ontdekking op heeterdaad). — Titel Hl. Van den regter-commissaris tot onderzoek van Strafzaken. — Titel IV. Van het voorloopig onderzoek door den regter-commissaris voor verleenden regtsingang. (le. afd. Van het onderzoek in het algemeen; 2». afd. Van het hooren van getuigen, van deskundigenen van verdachten); (§ 1. Van het hooren van getuigen; § 2. Van het verslag van deskundigen ; § 3. Van het hooren van den verdachte) ; (3=. afd. Van middelen tot verkrijging van stukken van overtuiging; 4e. afd. Van voorloopige aanhouding). — Titel V. Van het regterlijk onderzoek in het algemeen, (le. afd. Van de betrekkelijke bevoegdheid; 2e. afd. Van voegingen splitsing in de beregting). — Titel VI. Van het onderzoek in raadkamer, (ie. afd. Van den regtsingang; 2'. afd. Van de instructie; 3e. afd. Verhandelingen na afloop der instructie, 4Ü. afd. Van het weder opvatten van het onderzoek na het stellen buiten vervolging; 5e. afd. Bepalingen aan de voorgaande afdeelingen gemeen). — Titel VII. Van het regtsgeding in eersten aanleg (Ie. afd. Van het regtsgeding bij de arrondissemeuts-regtbank); — (§ I. Van het aanhangig maken der zaak; § 2. Van het onderzoek ter teregtzitting; § -'3. Van de beleedigde partij ; § 4. Van de beraadslaging en uitspraak) ; (2e. afd. Van het regtsgeding bij het kantongeregt.) — Titel VIII. Van het regtsgeding in hooger beroep. (1". afd. Van het hooger beroep van vonnissen van de arrondissementsregtbanken; 2'". afd. \ an het hooger beroep van vonnissen van de kantongeregten) — Titel IX. Van het regtsgeding bij verstek. — Titel X. Van het regtsgeding in cassatie. — Titel XI. Van strafvordering ter zake van misdrijf aan de kennisneming van den Hoogen Raad in "eersten aanleg onderworpen. — Titel XII Van eenige regtspleging van bijzonderen aard^ (1«. afd. Van strafvordering tegen regterlijke ambtenaren; 2 . afd. Van verschooning en wraking van regters; 3«. afd. Van jurisdictie-geschillen). — Titel XIII. Van de ten-uitvoer-legging van regterlijke uitspraken en van regterlijke of andere bevelschriften (1«. afd. Van de ten-uitvoer-legging van regterlijke uitspraken en bevelschriften in het algemeen; 2". afd. Van gevangenissen; 3e. afd. Van de ten-uitvoer-legging van bevelen van voorloopige aanhouding en van gevangenneming ; 4e. afd. Van de ten-uitvoer-legging van strafvonnissen; 5". afd. Van het regtsgeding tot herkenning van veroordeelden; 6U. afd. Van aanhouding door het politiek gezag; 7e. afd. Van de schorsing der ten-uitvoer-legging en het vervallen van het regt tot uitvoering der straf). — Titel XIV. Van herziening van uitspraken , in kracht van gewijsde gegaan. — Titel XV. bepalingen aan de voorgaande titels gemeen.

Uitgave van GEBR. I!E LI NE ANTE te \? Gravenhage.

inelper.«lrnl< en Eiit^ave van

BËLiSFASTtl, te '» Uravenhu^e.

Sluiten