Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat kan worden in hot midden gelaten, of die feiten de overtredingen zouden opleveren , welke door het Openb. Min. daarin zijn gezien, met het oog op de wet van 1 ,Iunij 1865 (Stbl. n". 61), vermits , blijkens de opschriften der verschillende §§ en den verderen inhoud dier wet, de daarin vervatte voorschriften uitsluitend op apotheken en het daarbij werkzaam personeel betrekking hebben ;

dat de overgangsbepaling Yan art. 34, waarin voor het eerst in die wet van »droogisten« sprake is , strekt om de bevoegdheid van bestaande droogisten te handhaven , en de daar uitgedrukte onderworpenheid aan de bepalingen dier wet slechts kan betreffen het algemeen verbod, in art. 3u opgenomen, in casu buiten geschil, vermits, als is gezegd, die wet geene bepalingen omtrent droogisten inhoudt;

dat de instructie voor de droogisten van 31 Mei 1818, no. 63, tegen welker voorschriften , nominatim van de artt. 5, 6 ftn 8, door voormelde feiten zoude kunnen zijn gezondigd, bij art. 36 der hierboven aangehaalde wet (als zijnde eene verordening ter uitvoering der wet van 12 Maart 1818, Stbl. n'. 16) is afgeschaft;

dat eindelijk de aan den bekl. ten laste gelegde en bewezen feiten bij geenerlei andere wet of wettelijke verordening zijn strafbaar gesteld , en alzoo misdaad , wanbedrijf noch overtreding opleveren ;

Verklaart de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen , doch dat zij noch misdaad, noch wanbedrijf, noch overtreding uitmaken;

Gezien art. 210, in verband met artt. 234 en 26, Strafregt; Ontslaat den bekl. van alle regtsvervolging.

(Gepleit Mr. Ph. A. Haas Az.)

KANTONGERhlüTEN.

KANTONGEREGT N". I TE AMSTERDAM.

Zitting van den 14 Januarij 1868.

Kantonregter, Mr. E. Boas.

/s de schipper, die zijn schip op stukgoederen aangelegd heeft en den dag van zijn vertrek bepaald heeft, bevoegd van hem, die zich verbonden heeft goederen in te laden en daaraan geen gevolg geeft, de helft der vracht als schadevergoeding te vorderen"!

John Hayes, eischer,

tegen

Lamaison, Bos en Bovy, gedaagde.

De kantonregter enz.,

Gehoord partijen in hare conelusiën ;

Gezien een exploit van den deurwaarder F. Beuningh alhier van den 22 Nov. jl., ten verzoeke des eischers aan de verwerende firma beteekend;

Overwegende ten aanzien der feiten, dat de verweerster bij liet voormelde exploit voor ons gedagvaard is om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en door middel van lijfsdwang, veroordeeld te worden tot betaling aan den eischer van de som van J 120.59s, als uitmakende de helft van de vracht van 216 kisten thee, voor welke de verweerster bij des eischers cargadoors, de heeren Nobel en Holtzapffel, in het door den eischer gevoerde stoomschip Diana ruimte besproken heeft voor de reis, die op den 25 Sept. jl. van hier naar Londen aanvaard zoude worden, terwijl de verweerster van de besproken ruimte geen gebruik gemaakt heeft, en de eischer voor vracht ter zake der voormelde goederen, volgens de aan het hoofd van het exploit gestelde specificatie, f 241 19 verdiend zoude hebben , tot welker helft als wanvracht hij thans geregtigd is met de kosten;

dat de verweerster, nadat de door haar van den eischer als vreemdeling verlangde zekerheid voor de betaling der kosten , schaden en interessen, waarin hij jegens haar verweerster mogt verwezen worden, tusschen partijen langs minnelijken weg geregeld was, de exceptie van onbevoegdheid voorgesteld heeft, op grond, dat de gevorderde som een gedeelte is van een bedrag, hooger dan f 20U, en zij , ofschoon de beweerde overeenkomst erkennende , volgens welke zij voor de reis van den 25 Sept. jl. in des eischers schip 216 kisten thee laden, en daarvoor f 241.19 betalen zoude, — ontkende den eischer de gevorderde som schuldig te zijn geworden en dus den regtstitel betwistte;

dat, nadat die exceptie bij ons vonnis van den 3 Dec. jl. verworpen was, in onze teregtzitting van den 24 derzelfde maand, door den eischer tot toewijzing zijner vordering geconcludeerd is;

dat de verweerster tot bestrijding — en wel in de eerste plaats tot niet-ontvankelijk-verklaring , in de tweede tot ontzegging — dier vordering aangevoerd heeft, dat zij den 25 Sept. jl., des morgens ten tien ure, van den eischer eene herinnering ontvangen heeft om de 216 kisten thee te laden: dat zij daarop die kisten, die in het Oosterdok lagen en uit hoofde van den hoogen waterstand niet daaruit vervoerd konden worden, over den dijk heen heeft laten werken en op eene zolderschuit laden, om ze daarmede naar des eischers schip te vervoeren, doch omstreeks het middaguur, juist toen men met de schuit naar de stoomboot varen wilde, door den eischer order tot verdek gegeven werd, zoodat de inlading door den eischer belet is, terwijl zij verweerster op ieder uur van den 25 Sept. bevoegd was hare goederen in te laden ; dat de vordering des eischers gegrond is Op art. 464 W. K.., waarin bij het niet-inladen van gojderen den schipper regt op de halve vracht toegekend wordt, doch die bepaling alleen geldt bij bevrachting van een schip of een gedeelte daarvan, en niet bij het aanleggen op stukgoederen ; dat, indien art. 464 toepasselijk is, het dan ook in zijn geheel moet toegepast worden en dus ook, bij het ontbreken eener cherte-partij , die bij het aanleggen op stukgoederen nooit gemaakt wordt, en derhalve bij gemis van tijdsbepaling voor de inlading, de termijn van vijftien dagen, in art. 457 bepaald, gelden moet, die, vermits de eischer de verklaring, dat hij bereid was de goederen in te nemen , niet gedaan heeft, nog geenen aanvang genomen heeft. dat echter de regten van bevrachters en vervrachters op stukgoederen in de artt. 472 en 473 van het voormelde wetboek geregeld zijn, waarin niet, even als in art. 464, voorkomt, dat de schipper het contract voor verbroken houden en als schadevergoeding de halve vracht eischen kan, zoodat, vermits er geene afwijking van de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek gemaakt is, de ontbinding der overeenkomst met vergoeding van sehade, zoover deze geleden is, gevraagd zoude moeten worden; dat daarenboven de verweerster, die, vermits er geen tijd voor de inlading bepaald was, volgens art. 473 vrijheid zoude gehad hebben om hare goederen zonder betaling van vracht weder te lossen, met te meer grond geregtigd was de goederen niet in te laden en van betaling van vracht bevrijd te blijven ;

dat de eischer aangevoerd heeft; dat zijn stoomschip op den 23 Sept. te dezer stede aangekomen is, bereids in het Algemeen Handelsblad van den 20 dier maand aangekondigd is , dat het op den 24 vertrekken zonde, en het op den 25, des namiddags omstreek* ée'n uur, vertrokken is; dat het onder de kooplieden van algemeene bekendheid is, dat het stoomschip Diana geregeld des Maandags hier

aankomt, en meest in den nacht van Woensdag vertrekt (welk feit de eischer aanbood zoo noodig te bewijzen); dat hij niet verpligt was aan de verweerster eene herinnering te zenden; dat de kisten thee der verweerster nooit zoo nabij de Diana, geweest zijn, dat men tot de inlading had kunnen overgaan, en het hooge water ook niet verhinderde bij het schip te komen; dat de overeenkomst inhield, dat de verweerster de kisten thee inladen zoude voor de reis, die op den 25 Sept. aanvaard zoude worden, en hij eischer dus geregtigd was te vertrekken, zoodra die dag aangebroken was; dat art. 464 W.lv., even als de geheele titel, op stukgoederen van toepassing is, omdat te dien aanzien geene bijzondere bepalingen in het wetboek voorkomen ; dat de vordering nogtans niet op dat artikel gegrond is, dewijl hij geene schadevergoeding, maar nakoming der overeenkomst vraagt, en, waar hij bevoegd is de geheele vracht te vorderen , zeker geregtigd is de halve vracht te eischen, en hij volgens de wet de keus heeft om, hetzij de nakoming der overeenkomst of de ontbinding van deze met schadevergoeding te vragen ; dat de artt. 472 en 473 van het voormelde wetboek niet toepasselijk zijn , wanneer er niet geladen is, en het laatstgeiuelde artikel alleen spreekt van het geval, waarin de tijd niet bepaald is , die hier uit den aard der zaak bepaald was , doordien het vertrek der boot op den 25 Sept. gesteld was; dat derhalve ook art. 457 van het wetboek niet van toepassing is , en de erkenning der overeenkomst die van de verpligting tot betaling der bedongen vracht van zelf medebrengt;

dat de verweerster, hare tweeledige verdediging volhoudende , beweerd heeft: dat de vordering des eischers juist die is, welke in het tweede lid van art. 464 W. K. beschreven is , cn dus niet tot nakoming der overeenkomst, maar tot schadevergoeding wegens nietnakoming strekt, en die vordering den eischer niet toekomt, omdat zij alleen bij het bestaan eener cherte-partij gegeven is ; dat uit de aankondiging in het Handelsblad, volgens welke de stoomboot op den 24 Sept. vertrekken zoude, volgen moest, dat op den 23 geladen moest worden, terwijl bij het laat op den 23 aankomen der boot inderdaad geen tijd tot inlading overbleef, doch de aankondiging geen bestanddeel van het contract uitmaakt; dat de eischer — wilde hij zich op art. 464 beroepen — bij het ontbreken van de chertepartij, die schriftelijk moet opgemaakt worden, en dus, bij gemis van bepaling van den tijd, binnen welken de inlading moest plaats hebben , haar verweerster tot de inlading had moeten sommeren;

dat de verweerster wijders aangeboden heeft door getuigen of andere middelen , zoo noodig, te bewijzen , dat zij gedurende den 24 Sept. in de onmogelijkheid geweest is om eenige goederen uit het Oosterdok te vervoeren;

dat de eischer het afdoende van dat bewijs bestreden heeft, op grond, dat de verweerster, zoo zij al door overmagt verhinderd geworden is de goederen in te laden, daardoor wel zoude ontheven worden van de verpligting tot schadevergoeding, die niet gevorderd wordt, maar niet van die tot nakoming harer verbiudtenis, die in de gevraagde betaling der vracht bestaat, terwijl de eischer zijnerzijds aangeboden heeft te bewijzen, dat het van algemeene bekendheid is, dat, wanneer de Diana geadverteerd wordt den 24 Sept. te zullen vertrekken, die dag de ladiugs-dag is ;

O., dat in regten te onderzoeken is : 1". welke de aard der ingestelde vordering is; 2°. of de ingestelde vordering ontvankelijk is; 3". of zij gegrond is ;

O. met betrekking tot het eerste punt, dat, indien al uit den eisch van de helft der bedongen vracht niet volstrekt af te leiden is, dat hier de vordering ingesteld is, in het aangehaalde art. 464 den schipper in de tweede plaats toegekend, die, als gevolg van het voor verbroken houden van het contract van bevraenting en vervrachting, niet anders dan als een eisch van schadevergoeding aangemerkt kan worden , — uit de bewoordingen , in het exploit van dagvaarding gebezigd, waarin de eischer beweert regt te hebben minstens op de helft der vracht, die verdiend zoude zijn, indien de verweerster de iniading volgens overeenkomst bewerkstelligd had, en de gevorderde som verklaard wordt te zullen strekken tot voldoening der wanvracht, door de verweerster aan den eischer verschuldigd,— duidelijk blijkt, dat dc eischer geene nakoming der overeenkomst op het oog heeft, maar schadevergoeding, die de verweerster hem, ten gevolge van het niet-nakomen der overeenkomst, schuldig is;

dat die beschouwing ook geheel in overeenstemming is met den grond, op welken de exceptie van onbevoegdheid door den eischer bestreden en bij het voormelde vonnis verworpen is, daarin bestaande, dat de schuldvordering des eischers in haar geheel niet meer dan de geëischte som bedraagt, die dus niet als een gedeelte eener grootere schuld aangemerkt kan worden ;

0. met betrekking tot het tweede punt, dat bevrachting en vervrachting eene algemeene benaming is, die, zoo als ouder anderen uit den aanhef van art. 453 W. K., en uit het opschrift van de afdeeling, waarin het voormelde art. 464 voorkomt, blijkt, evenzeer geldt bij het aanleggen op stukgoederen als bij het huren en verhuren van een schip voor het geheel of een gedeelte;

dat dus in het algemeen -■ wordt ook nu en dan in de wet nevens het woord bevrachter dat van inlader gebezigd — de regelen omtrent bevrachting en vervrachting van schepen en bij gevolg ook het voormelde art. 464 bij het aanleggen op stukgoederen toepasselijk geacht moeten wordeu;

dat de tegenwerping, dat in den aanhef van art. 464 van chertepartij gesproken wordt, die volgens art. 454 schriftelijk moet gemaakt worden , niet afdoende is ;

dat toch de schriftelijke vorm alleen tot bewijs der overeenkomst gevorderd wordt en niet tot haar wezen behoort, en de uitdrukking cherte-partij hier in geene andere beteekenis dan die van bevrachtings-contract moet opgevat worden, terwijl het gebruik van dat woord zich hier gereedelijk daardoor laat verklaren, dat in den regel bij het aanleggen op stukgoederen geene overeenkomst van bevrachting en vervrachting voorafgaat, en deze inderdaad gevormd wordt door het aan boord brengen en ontvangen der goederen , terwijl het ! cognoscement te gelijk de plaats van cherte partij inneemt;

dat evenmin de omstandigheid, dat de schipper, bij het aanleggen op stukgoederen tegenover andere inladers verpligt op eenen bepaal- j den tijd te vertrekken, niet iederen weg, in het artikel aangewezen, I kan inslaan om zich van den ualatigen bevrachter voldoening te ver- | schatten, beletten moet, dat hij van den weg, op welken hij de regten van derden niet kwetst, gebruik maken kan ;

dat men ook niet aannemen kan , dat de wetgever de betrekking tusschen schipper en bevrachter, waar het den aanleg op stukgoederen geldt, in de artt. 472 en 473 in haar geheel heeft willen regelen, met afwijking van hetgeen voor het overige met betrekking tot be- j vrachting en vervrachting bepaald is, maar die artikelen veeleer I slechts bijzondere punten regelen , die zich bij bevrachting van een schip voor het geheel of een gedeelte niet kunnen voordoen , en dus de algemeene voorschriften omtrent bevrachting in kracht, laten ;

dat toch art. 472 den schipper alleen de bevoegdheid geeft te bepalen, hoe lang hij in lading zal liggen, en art. 47.j, voor het geval, dat de schipper geene bepaling gemaakt heeft, den inladers de bevoegdheid geeft om hunne goederen zonder betaling vau vracht weder te lossen, terwijl, bij de bevrachting van een schip voor het geheel of een gedeelte, de termijn van lading door de beide partijen of, zoo zij geene bepaling gemaakt hebben, door art. 45 7 W. K. vastgesteld wordt en dus nimmer gezegd Kan worden te ontbreken ;

dat dus de beide voormelde artikelen niet als eene afwijking van

de algemeene regelen, die voor bevrachting en vervrachting gelden, kunnen beschouwd worden, en art. 473 veeleer eene uitzondering op art. 511 bevat, hetwelk aan de bevoegdheid tot het terugnemen van ingeladen goederen in het algemeen de verpligting tot betaling dc volle vracht verbindt en, waar de schipper den tijd van inlading bepaald heeft, ook op stukgoederen vau toepassing is ;

dat uit het voorafgaande volgt, dat de vordering des eischers ontvankelijk is;

0. met betrekking tot het derde punt, dat uit de wederzijdsche beweringen van partijen blijkt, dat tusschen haar overeengekomen is > dat de verweerster in des eischers schip, voor de reis van den 25 Sept. jl., 216 kisten thee laden en daarvoor / 241.19 betalen zoude, en dat de eischer op den voormelden dag met zijn schip vertrokken is, zonder de voormelde goederen ingenomen te hebben ;

dat de bepaling van eenen dag voor het vertrek van het schip, uit den aard der zaak, voor den eischer het voorbehoud insloot van ieder tijdstip van dien dag voor het aanvangen der reis te kiezen, en hieruit volgt, dat de inladers hunne goederen op den 24 Sept. , welke dag volgens partijen daartoe in zijn geheel beschikbaar was, aan boord moesten brengen;

dat uit het beweren der verweerster blijkt, dat zij op den laatstgemeiden dag har» goederen niet aan boord gebragt heeft;

dat zij wel beweert en aanbiedt te bewijzen, dat zij door overmagt verhinderd was hare goederen op dien dag buiten het Oosterdok te brengen, doch die omstandigheid niet afdoende zijn kan, omdat, wanneer men ook de stelling ter zijde laat, dat de verweerster veeleer verhinderd was haar regt uit te oefenen, dan hare verbindtenis te vervullen, niet blijkt noch beweerd wordt, dat de goederen, die in des eischers stoomboot moesten geladen worden , door haar niet op eene andere plaats voor de inlading in gereedheid gehouden konden worden;

dat uit het voorafgaande volgt, dat de eischer, ingevolge art. 464 W. k., geregtigd is de overeenkomst, met de verweerster gesloten, als van regtswege verbroken te beschouwen en de helft der bedongen vracht te vorderen , en dus zijn eisch als gegrond moet aangemerkt worden , zonder dat er aanleiding bestaan kan om het door partijen aangeboden bewijs toe te laten ;

Gezien, behalve de aangehaalde bepalingen, de artt. 56, 586, 315 en 55 B. R.;

Verwerpen dc door de verweerster voorgestelde exceptie van nietontvankelijkheid;

Verklaren het door partijen wederzijds aangeboden bewijs nietontvankelijk ;

Veroordeelen de verweerster, den eischer tegen kwijting te betalen de som van ƒ 120.59 ', als wanvracht voor het niet-inladen van 216 kisten thee in het stoomschip Diana, voor de reis , die op den 25 Sept. jl. van deze stad naar Londen aanvaard is ;

Verwijzen de verweerster in de kosten, aan de zijde des eischers gevallen ;

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar door middel van lijfsdwang en , met uitzondering van de veroordeeling in de kosten, bij voorraad tegen borgstelling of aanwijzing van voldoende zekerheid.

(Gepleit voor den eischer Mr. 0. A. Cosman , en voor de verweerster Mr. J. C. dk Vrihs.)

BKNOKMINUEN , VKRKlEZlNGEiX ENZ.

Itij Z. M. besluit van den 10 dezer, n'. 35, is aan Mr. F. (>. 1{. H. van Lilaar eervol ontslag verleend als raadsheer in het 1'rov. Ueregtshof in Noordholland.

— Bij Z. M besluit van dezelfde dagteekening, n". 39, is aan T. van Heemstede Obelt, met ingang van 1 Julij aanst., eervol ontslag verleend als commissaris van politie te Zwolle.

BEUIGTEJS!.

's Gravenhtuje , den 13 .Tunij.

In de zitting van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van Donderdag, 11 dezer , is, met magtiging des Konings, door den minister van Binnenlandsche Zaken o. a. ingetrokken het wets-ontwerp tot regeling van het hooger onderwijs.

Na eenige discussiën is hoofdstuk IV der staatsbegrooting voor 1868 (.Departement van Justitie), met algemeene stemmen aangenomen.

— Den 8 dezer is te Heythuyzen (arrondissement Roermond), overleden de heer R. E. Gielen, sedert 1822 notaris aldaar.

— Den 8 dezer is overleden Mr. I). M. Montijn , advokaat te Utrecht.

ADVERTENTIES.

MART1.NUS NfJHOFE, Boekhandelaar te Graoenhage , heeft verzonden :

VERZAMELING VAN ARRESTEN

VAN DEN

UOÜIiEN RAAD DER NEDERLANDEN,

he-tos-skx dooi: wijlen den heer JO%* » i % »KM HOSKHT TUz.,

vooutoezet doob

«r. J V. n. I AAi UKX HOIVKUT

RN

VIr. V. €. K. il'KVUKIiBKOjVKKK.

Jaargang 1867. Aflevering 11, 12. Inhoudende:

Gemengde Zaken . . . Deel XXIII, blad 1, 2» Burgerlijk liegt ... // XXX, // 31 — Strafregt 1867 , // 'ó — 9»

Prijs per jaargang van 96 bladen ƒ 14.40.

Soeiperadruh eu uitgave vau CiKHKOKHÜ**8* BKIiI1ïirA:V'Cl<M te '•