Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Regtbank enz.,

Ooerwegende, dat de appellanten zijn gekomen in hooger beroep van een vonnis van den regter van het 3de kanton Amsterdam dd. 2 Julij 1866 , waarbij een eisch van de geïnt. is toegewezen en eene reconventionele vordering der appellanten is afgewezen;

dat de appellanten bij eene memorie van grioven , hunne bezwaren tegen dat vonnis in het breede hebben uiteengezet, kortelijk hierop nederkomende, dat zij de vordering van het halve aandeel in de cargadoors-bevrachtingsprovisie , alsmede voor het opmaken van vier cherte partijen erkend hebben, doch met bijvoeging dat er tusschen partijen eene overeenkomst was gesloten, dat de cargadoors-verdiensten , die ieder hunner zou genieten van Fransche schepen, die te Amsterdam aankomende, weder van Amsterdam naar eene Fransche haven en meer bepaaldelijk naar Nantes zouden worden bevracht, tusschen hen gelijkelijk zouden worden verdeeld, onverschillig of die schepen door ée'n hunner of door hen gezamentlijk zouden zijn bediend ; dat zij met het oog op diezelfde overeenkomst, eene dergelijke vordering hebben tegen de primitive eischers en reconventioneel die hadden willen doen gelden ;

dat zij bij den eersten regter de onsplitsbaarheid van de bekentenis hebben ingeroepen , doch dat de kantonregter dit voorbij ziende, en hoewel de eischers hadden aangeboden het onware en valsche van het tweede lid van het aveu (de aangegane overeenkomst) te bewijzen , een ander bewijs bij interlocutoir vonnis heeft gevorderd en wel, dat het tusschen cargadoors hier ter stede de gewoonte is, om hunne wederzijds aan dezeiide schepen verdiende provisien gelijkelijk te verdeelen , en zulks afhankelijk van de beweerde bijzondere overeenkomst ;

dat na het gehouden getuigenverhoor , de kantonregter het door hem gevorderde bewijs geacht heeft te zijn geleverd en de overeenkomst, die door de appellanten was beweerd, te zijn onbewezen (hoewel de eischers met waren gesteld in de gelegenheid om het onware daarvan te bewijzen, noen zij om het bestaan daarvan te doen blijken) en ten onregte voormeld vonnis aidus heeft gewezen ;

dat de appellanten na de uiteenzetting van hunne grieven hebben geconcludeerd, dat, met te-niet-doening van het appel, voormeld

vonnis zal worden vernietigd en dat de Kegtbank op nieuw regt doende, zal toewijzen de door de appellanten in de eerste instantie bereius genomen conclusie, daartoe strekkende, dat zij appellanten wel mogen lijden te worden veroordeeld tot betaling aan de geïnt. van eene som van / 106.19 (tot welker voldoening zij overigens Volkomen bereid zijn), voor het geval dat de meergemelde overeenkomst door de gemt. mogt worden er&end en het aveu der appellanten aangenomen , en in datzelfde geval reconventioneel regt doende, dat de geintia.eerüen zullen worden veroordeeld, om aan de appellanten tegen behoorlijke kwijting te voldoen de somma van f i 14.41 , als uitmakende de helft van de verdiensten op de in Aug. en Oct. 1 65 door de geïntimeerden als cargadoors alhier beuiende schepen, welke verdiensten door de geïntimeerden zijn geïncasseerd, en voor het geval ue meergemelde overeenkomst mogt worden ontkend en heL aveu der appellanten door hen ter zijde gesteld, alsdan de geïntimeerden zullen worden verklaard niet ontvankelijk, in hunnen eisch en conclusie, immers die zullen worden ontzegd, met veroordeeling in de kosten;

dat de geïntimeerden tot bekrachtiging van het voormeld vonnis

hebben geconcludeerd in hun antwoord, na uiteenzettiug der gronden

die nun ait ais regtmatig doen voorkomen en korte.ijk hierin

DeStaan :

dat partijen te zamen hebben bezorgd als cargadoors de be- en vervraciiting voor vier schepen , allen naar Nantes; dat de provisie

volgens aibpiaaK en gewoonte moe&t gedeeld worden en de appellanten

net gelieeie bedrag nad ..en geïncasseerd;

dat de tegenvordenng gegrond is op eene door de appellanten be¬

weerde overeenkomst; dat aan de appellanten de halve provisie toekomt van alle Fransche schepen die de geïntimeerden alleen zouden bevrachten; dat echter zeer juist het zoogenaamde onsplitsbaar aveu zijne toepassing is geoordeeld hier te missen, omdat eene geheel

anuere overeenkomst geavoueerd werd, dan de grondslag der vorde ring is;

dat, wel is waar, de eisch onbewezen was , doch dezelve moest

worden toegewezen , zoo de gewoonte om de beide cargadoors, ieder voor de heilt, de bevrachtings-provisie van eene bevrachting, door hen gezamentlijk gesloten, te doen genieten door getuigen werd uitgemaakt , dat door het getuigenverhoor, het bewijs door den kantonregter opgeiegd is geleverd, en dat van het interlocutoir vonnis niet is geappelleerd, zoodat Uit vonnis onherroepelijk is vastgesteld; dat het gevolg is, dat de geïntimeerden hunnen eisch hebben bewezen, omdat de daadzaken door hen gesteld als erkend knnnen worden gehouden en vooral omdat zij door het getuigenverhoor zijn bewezen;

dat, al konde het aveu geacht worden toepasselijk te zijn er geene reconventie maar compensatie moest plaats hebben ;

dat de geïntimeerden bij pleidooi nog als beslissenden eed aan de appellanten hebben opgedragen te zweren, voor zooverre de Kegtbank mogt bevinden dat het feit, dat de bevrachtingen der schepen, waarvan ue halve provisie door de geïntimeerden wordt geëischt, gezamentlijk door hen gesloten, niet ais genoegzaam bewezen kan beschouwd worden :

//dat het niet waar is, dat de bevrachtingen van de schepen bij de introductive dagvaarding bedoeld, door de geintimeeiden en de appel¬

lanten gezamenlijk zijn gesloten// ;

dat voor de appellanten acte is gevraagd, dat deze niet tegenwoordig zijn en dat door hen de eedsdelatie niet kan worden aangenomen of teruggewezen; wijders dat die eed is beschouwd als niet beslissend;

0. in regten :

dat de eerste vraag ten deze is, heeft de regter a quo , nadat hij teregt of ten onregte heeft aangenomen, dat het bewijs geleverd was van het gebruik of de gewoonte, dat, wanneer twee cargadoors te zamen ée'n schip bevrachten en vervrachten, de p.ovisie door hen gelijkelijk verdeeld wordt, daaruit regtens kunnen afleiden of het gevolg trekken, dat de cargadoor in het gelijk moet worden gesteld,

wanneer hij als eischer beweert, dat hem gelden toekomen voor gezamenlijk bediende schepen en de andere cargadoor als ged. dit erkent, onder bijvoeging dat dit regt tot vordering voortvloeit uit die overeenkomst, dat zij te zamen zouden deelen de provisie van schepen naar Frankrijk, door wien hunner ook bediend en op die bijvoeging eene tegen vordering grondt met vasthouding aan het onsplitsbare van zijn aveu;

0., dat het een geheel andere grond is voor eene actie tot verdeeling van provisie, wanneer die hierin bestaat, dat het eene gewoonte is om in het gestelde geval te deelen, en eene andere om buiten die bepaalde gewoonte om (die dan nog geen wet is) , het regt tot verdeeling te gronden op eene overeenkomst, die zich verder uitstrekt,

namelijk niet alleen om, wanneer beiden werkzaam zijn geweest, ook te zamen te worden beloond, maar ook dan de provisie te deelen , wanneer slechts één alleen het werk heeft gedaan;

dat het opgelegde bewijs, al ware dat geleverd en al maakte gewoonte wet, en al mogt art. 1383 toepasselijk zijn, geheel iets anders betreft, dan wat partijen verdeeld houdt en dus niet van invloed kan zijn op de toewijzing of afwijzing van de oorspronkelijke of de reconventionele vordering;

dat in de tweede plaats te beslissen is, of wanneer het geleverde bewijs tot geen resultaat kan leiden, de bekentenis in haar geheel blijft en onsplitsbaar is ;

0., dat dit bewijs het onware of het valsche van het tweede gedeelte van het aveu niet aantoont, zoo als de eischers hadden willen doen blijken, maar waartoe zij buiten de mogelijkheid zijn gesteld door het interlocutoir vonnis, dat met ter zijde stelling van het aveu een geheel ander bewijs oplegde ;

dat het aveu dus is gebleven onaangetast en in zijn geheel en volgens art. 1961 B. W. niet mag worden gesplitst, dan onder de voorwaarde bij dat artikel vermeld , welke voorwaarde vooralsnog niet is vervuld ;

0., dat in de derde plaats de vraag is, of wanneer de bekentenis niet mag gesplitst worden en niet gesplitst is, de ten deze gestelde oorspronkelijke vordering als bewezen kon worden toegestaan;

O., dat de eischers ter eerster instantie wel hebben gezegd , dat zij van de bij de bekentenis gedane bijvoeging de valschheid wilden bewijzen, maar dat niet hebben gedaan en het ook niet aan de gedaagden , eischers in reconventie, is veroorloofd geworden om de waarheid van het door hen aangevoerde te bewijzen, als wanneer de oorspronkelijke eischers hun tegenbewijs hadden kunnen doen gelden; dat het bewijs voor de regtmatigheid van de vordering, geheel

anceu sieunt op ue oeKenienis aer gedaagden ;

dat dus , wanneer bekentenis buiten aanmerking moet blijven , de

eisen zonuer net minste oewijs öiijit staan en dus moest worden zijn

aigtjwezen ,

yjLCKu ui wc uoiub piaaiö iuuooi nurucii uitgemaaKt, wat na net gehouden getuigenverhoor door den regter a quo had moeten worden

gedaan ;

0. dat, al blijft het interlocutoir vonnis (waarvan niet. afzonder

lijk is geappelleerd) in zijn geheel en het getuigenverhoor ook , de regter had moeten inzien , dat dit bewijs de quaestie niet beslistte en in plaats van dadelijk een definitief vonnis op het interlocutoir te

geven , alsnog bij interlocutoir aan de eischers had moeten oDlesreen

het bewijs van de valschheid van de bijvoeging en tegelijkertijd aan de gedaagden, wat de reconventie betreft, de waarheid van de bewe¬

ring, die daaraan tot grondslag ligt;

O., dat uit al het bovenvermelde volgt, dat de Regtbank , bij welke deze zaak in hooger beroep is aangebragt, het vonnis a quo

nenoorc ie ver De tere n ;

dat echter eerst in de vijfde plaats behoort te worden beantwoord, of de eischers in reconventie niet-ontvankelijk zijn, omdat zij bij

reconventie vragen, wat zij dij compensatie Hadden kunnen beko men , ingeval zij eene regtmatige tegen vordering hebben ;

U. daaromtrent, dat der gedaagden wijze van handelen, indien zij eene tegen vordering hebben , die bij de reconventie te doen gelden.

niet is in strijd met de wet, die eene ruime gelegenheid daartoe geeft;

dat, zoo er ai geen oezwaar bestaat tegen de toepassing van compensatie , het aan die eischers vrijstaat hun regt te vervolgen op elk

aer wijzen, uie nun ae wee aan ae nand geett;

uau uc geu. uus v>ei univa,uk.eiijk. zijn, om dij wijze van recon¬

ventie hun regt te doen gelden ;

U., dat ten laatste de vraag nog overblijft, of de opgedragen eed

kan beschouwd worden als beslissend;

0., dat de eed, die in hooger beroep als beslissend is opgedragen en namens de gedaagden is betwist, niet kan dienen tot beslissing van deze zaak , omdat zij niet bevat het punt in geschil, want dat het zeer goed waar kan zijn, dat die vier schepen gezamenlijk bediend zijn door de eischers en de gedaagden, en toch de beweerde

overeenkomst kan zijn gesloten;

dat de opdragt van dien eed derhalve moet worden gepasseerd;

O. ten slotte , dat de oorspronkelijke eisch alsnog niet kan worden toegewezen; dat de eischers nog moeten worden toegelaten om het door hen ter eerster instantie aangeboden bewijs van de valschheid van het tweede gedeelte van het aveu der gedaagden te bewijzen , en de gedaagden om de waarheid van het in reconventie aangevoerde te staven en daar dit hetzelfde bevat, namelijk het treffen of niet treffen der door de eischers in reconventie beweerde overeenkomst, zal aan beide partijen daartoe de gelegenheid moeten worden gegeven , en wel in de eerste plaats aan de primitieve eischers , om de valschheid van het beweerde te bewijzen , waarna bij wijze van tegenbewijs aan de eischers in reconventie de gelegenheid moet worden verstrekt tot het leveren van het hun van regtswege toekomende tegenbewijs, dat dan tevens zal strekken om het door hen geposeerde te bewijzen;

Gezien artt. 332 volg., 354, 1333, 1902, 1961 B. W., 199 seq., 250 li. R., 1461, 1966 B. W., 56 B. R. ;

Doet te niet het vonnis voormeld van den 2 Julij 1866 en het hooger beroep, en alvorens ten principale regt te doen ,

Verleent acte waarvan die is gevraagd en passeert de opdragt van eede;

Legt op aan de originele eischers, reconventionele gedaagden, om

te bewijzen //de valschheid van het door de originele gedaagden beweerde , dat er tusschen partijen eene overeenkomst is gesloten , dat de cargadoors-verdiensten , die ieder hunner zou genieten van Fransche schepen, die te Amsterdam aankomende, weder van Amsterdam naar eene Fransche haven, en meer bepaaldelijk naar Nantes, zouden

worden bevracht, tusschen hen gelijkelijk zouden worden verdeeld,

onverschillig or die schepen door een hunner or door hen gezamen¬

lijk zouden zijn bediend// ;

Veroorlooft aan de reconventionele eischers om de waarheid van

het bovenstaande door hen beweerde te bewijzen, beiden zoo door

getuigen als andere middelen regtens;

Reserveert de uitspraak omtrent de kosten tot bij die ten principale.

(Gepleit voor de appellanten Mr. C. A. Cosman , en voor de geïntimeerden Mr. T. M. 0. Asser.)

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 4 dezer, n°. 13 , is aan H. W. Kröller, op zijn daartoe gedaan verzoek, eervol ontslag verleend als commissaris van politie te Harderwijk.

— Op de voordragt voor de benoeming van een kantonregter te Rauwerd, zijn geplaatst de heeren : Mr. L. Reitsina , griffier bij het Kantongeregt te Oldeberkoop; Jhr. Mr. O. de Marees van Swinderen, griffier bij het Kantongeregt te Beetsterzwaag, en Mr. J. G. Peeling, griffier bij het Kantongeregt te Rauwerd.

— Ter benoeming van een procureur bij de Regtbank te Leeuwarden zijn voorgedragen de heeren Mrs.: J. Zijlstra , advokaat te Harlingen; A. van Sloterdijek, advokaat te Huizum, en R. O. Baart de la Faille, advokaat en beëedigd klerk ter griffie van de Regtbank te Leeuwarden.

— Door den gouv.-generaal van Ned. Xndië zijn de volgende beschikkingen genomen, als: ontslagen eervol wegens vertrek , het waarnemend lid bij den raad van justitie te Amboina Mr. C. A. Grampré Molière; benoemd: tot waarnemend lid, ten einde bij ontstentenis van een der leden van' den raad als zoodanig zitting te kunnen nemen , Mr. A. Stibbe Lzn., griffier bij gemelden raad; tot lid, K. R. Soselisa, eerste commies op het residentie-bureau aldaar; belast, met de waarneming der betrekking van directeur van 's lands gevangenis te Soerabaija, de op verzoek , eervol, uit Zr. Ms. militaire dienst ontslagen kapitein der infanterie F. J. Henner; benoemd tot officier van justitie bij den raad van justitie te Samaraug, de ambtenaar op non-activiteit, Mr. L. Ilovy.

Verkiezingen tot leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Den 14 Julij hebben de Provinciale Staten zich bezig gehouden niet het verkiezen van leden van de Kerste Kamer, in plaats van l'et derde gedeelte, dat dit jaar aftreedt. Ziehier den uitslag:

Noordbrabant. — (Aftredend lid de heer H. E. Verschoor). Herkozen , de heer H. E. VERSCHOOR, met 53 van de 56 stemmen. De heer Smits van Oyen bekwam 3 stemmen.

Gelderland. — (Aftredende leden, de heeren Jhr. Mr. C. E. J. Fvan N ispen van Pannerden en Mr. C. H. Baron van Rhemen van Rhemenshuizenl. Herkozen, de heeren Jhr. Mr. C. E. J. F. VAN NISPEN VAN PANNERDEN met 47 en de heer Mr. c. H. Baron VAN RHEMEN VAN RtlEMENSHUIZEN, met 46 van de 54 stemmen.

Zuidholland. — (Aftredende leden , de heeren A. van Weel Dzn«» die verzocht had niet meer in aanmerking te komen, en T. P* Viruly/. Gekozen de heeren C. J. E. Graaf VAN BYLANDT, oudcommissaris des Konings in de provincie Zuidholland, thans commissaris des Konings in de provincie Overijssel, met 38 van de 75 stemmen. De overige 3 7 werden uitgebragt op den heer W. C. ivlHegram , lid van de Tweede Kamer. En Herkozen, de heer T. ?• VIRULY, met 45 van de 75 stemmen.

Noordholland. — (Aftredende leden de heeren Jhr. C. Hartsen en Mr. .1. Messchert van Vollenhoven). Herkozen de heeren ihr. CHARTSEN" en Mr. J. MESSCHERT VAN VOLLENHOVEN, beiden met 36 van de 63 stemmen. De heer C. P. van Eeghen bekwam 28 stemmen.

Zeeland. — (Aftredend lid, de heer J. Fransen van de Putte). Heikozen, de heer J. FRANSEN VAN DE PUTTE, met 27 van de 37 stemmen.

Utrecht. — (Aftredend lid, de heer Jhr. Mr. .1. Huydecoper van Maarsseveen). Herkozen, de heer Jhr. Mr. J. HUYDECOPER VAN MAARSSEVEEN, met 30 stemmen.

Friesland. — (Aftredend lid, de heer Jhr. Mr. F. J. J. van Eysinga). Herkozen, de heer Jhr. Mr. F. J. ,J. VAN EY8INGA > met 37 van de 45 stemmen.

F. Stork). Herkozen, de

Overijssel. — (Aftredend lid, de heer C.

heer C. F. STORK, met 29 stemmen.

Groningen. — (Aftredend lid, de heer Mr. J. J. Cremers). Herkozen, de heer Mr. J. J. CRfc-MERS , met 30 van de 37 stemmen.

Limburg. —■ (Aftredend lid, de heer Jhr. Mr. F. B. H. Miehiels van Kessenich). Herkozen, de heer Jhr. Mr. F. B. H. MICHIELS VAN KiSSENIOU, met 31 van de 40 stemmen. De heer umaf

d'Ansembourg had 3 stemmen bekomen. terwiil 5 hlamvi.l.nwren

waren ingeleverd eu 1 billet onleesbaar was.

JBER1GTEN.

Den 11 dezer is alhier overleden de

taris in het arrondissement 's Gravenhage.

s Gravenhage , den 15 Julij.

heer S. F. de Pinto no-

Veebetering.—In het mengelstuk , Noodige verbeteringen in onze

groote gevangenissen , geplaatst in II eekbl. n". 3012 , het volgende te

verbeteren : In de derde alinea, 5den regel, aan het eind , het jaartal

te veranderen in 1824.

Onder II. De administratie van den arbeid, 5den regel, het iaartal

te veranderen in I»a4.

3de kol. van de 3de pag., regel 40 v. b., staat: «Waarom moet

dit». Lees: «Waarom moet die».

Zelfde kol., regel 32 v. o., staat: «noodeloozer». Lees: »noo-

delooze».

lste kol. van de 4de pag., regel 5 7 v. b.. staat «dienstnost.»

Lees : «dienstpet».

REGTSGE LEERDE UITGAVEN.

DU1TSCHE LITERATUUR.

Wiegand, Dir. Dr. Aug., die Lebens-Versicherung. Belehrende Auf-

satze ub. wichtige JB ragen a. -L,eoensversieherungswesens f. Jedermann, ins besond. f. Leber.sversicherungs-Agenten. 2., umgearb. u. verin. Aufl. gr. s. (V u. 85 S.) Halie, Pfefeer.

Bkanowitzer, Landesgerichts-R. Dr. Gr., die Entscheidungen d. k. k.

ooersten uenumMiuiei. uu. vragen ü. materielien u. formellen Wechselrechtes, nach dem vollst'andig aufgenomm. Texte der österreich. Wechselgesetze geordnet, u. demselben an den entsprech. Stellen angereiht. Zum Gebrauche f. Richter, Advocaten, Notare u. alle Jene, die sich mit Wechselgeschaften befassen, gr. 8. (VIII u. 363 S.) Briinn, Winiker.

ADVERTENTIEN.

Bij GEBR. BELINFANTE, te Gravenhage, zijn uit Parijs ontvangen :

L'ENSEIGNEMENT SUPPÉRIEUR DEVANT LE SÉNAT. Discussion extraite du Moniteur. Avec préface et pièces a 1'appui. f 0.50.

LE BANQUET DE PLATON , traduit du Grec, par J. Rasine , Mme. de Mochechodart et Victor C'oüsin. f 2.50.

LA MUNICIPALITÉ ROMANE ET LES CUKATORES REI PUBLICAE, par Edmond Labatut. IJocteur en droit. f 1.00.

LA FRANCE NOUVELLE, par M. Prevost-Paradol, de FAcadémie Franpaise. f 3.75.

Lodis Bamberger. Député au parlement douanier. Monsieur de

Bismauck. f 1.50.

LA P0L1TIQUE RADICALE , par Jules Simon. 2e éd. ƒ1.75

LA RÉVOLUTION SOCIALE DÉMONTKÉE PAR LE COUP D'ETAT DU 2 DÉCKMBRE. — LE DROIT AU TRAVAIL ET LE DROIT DE PR0PR1ÉTÉ — L'IMPOT SUR LE REVENU , par P. J. Proudhon. Nouvelle édit. f 1.75.

H1ST0IRE DU BOX LARRON, de'die'e au XlXe siècle, par Mgr. Gaume , Protonotaire apostolique, docteur en théologie, ƒ1.50.

Snelpersdruk en uitgave vua S^5S514»3-; S» HEIilWITASrTK t te 's iiraveahaafe.

4

Sluiten