Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorloopig onderzoek zonder beëediging afgelegd , of wel beëedigde verklaringen op de openbare teregtzitting:

0., dat intusschen bij de bedoelde overweging bepaaldelijk is gedaan een beroep op de verklaringen der drie eerste getuigen, en daaruit volgt, dat daarmede bedeeld zijn de drie getuigen, die naar de volgorde, blijkende uit het proces-verbaal der teregtzittingen van de Kegtbank, het eerst en wel bepaald onder eede zijn gehoord; terwijl ook, zoo er gedoeld ware op verklaringen , in de instructie afgelegd, wel geen sprake zou kunnen zijn van eerste en van latere getuigen ;

U., dat mitsdien deze grond van regtvaardiging van het aangevoerde middel steunt op eene in geenen deele aannemelijke opvatting der overweging, waartegen hij is gerigt, en alzoo is onafdoende;

O., dat het _ cassatie-middel in de tweede plaats steunt op het beweren, dat niet zou blijken, op welke bewijsmiddelen in het bijzonder arglist als bewezen zou zijn aangenomen;

O. te dien aanzien , dat bij den tweeden considerans van het met eene enkele wijziging bevestigd vonnis mede het wettig en overtuigend bewijs van het arglistige der verschillende (bij de eerste overweging als wettig bewezen aangemerkte) wegnemingen van eens anders goed is gegrond op het plaats gehad hebbend onderzoek, en dus kennelijk op de uitkomsten daarvan, zoo als die in den voorafgaanden considerans liggen opgesloten ;

O., dat nu onder die uitkomsten zijn opgenomen , opzigtens de eerste der bij dagvaarding ten laste gelegde overtreding , dat de knuisten, daarbij bedoeld, door den req. zijn weggenomen zonder verguuning van den eigenaar en door verbranding in des requirants oven zijn verbruikt ; opzigtens de tweede, die van het ei, dat die heeft plaats gehad door het steken daarvan in zijn zak, zij dan ook daarna teruggave gevolgd ; ten opzigte van de derde, die der peeren , in den omvang, waarin die bij het beklaagde arrest mede als bewezen is aangenomen , door. meestermaking daarvan in eens anders woning; en eindelijk opzigtens de vierde, door eigendunkelijke verplaatsing en overbrenging van palen uit eens anders in eigen bezit , en door des requirants buitenregtelijke bekentenis van ze te hebben gestolen ;

O. nu, dat zoowel door de opgegeven wijs van wegneming van sommige der ontvreemde voorwerpen, als door de vermelding der omstandigheden, waarmede het plegen van andere der ontvreemdingen heeft plaats gehad, het bestaan der arglist, voor zooverre die als intern feit voor bewijs vatbaar is, voldoende met redenen is omkleed, en alzoo ook deze tweede grond van het aangevoerde middel is onaannemelijk ;

O. eindelijk, wat betreft den derden daarvoor bijgebragten grond, als zouae namelijk uit het arrest niet blijken, aan welke diefstallen de req. daarbij zou zijn schuldig verklaard, dat ook die grond niet kan opgaan;

O. toch , dat de req. bij dat arrest, blijkens de derde overweging, alleen is geoordeeld zich niet te hebben schuldig gemaakt aan diefstal van peeren uit een boomgaard, maar dat dit oordeel bloot raakt den omvang der derde bij de dagvaarding gearticuleerde ontvreemding, die nu bij het bestreden arrest alleen als bewezen is aangemerkt, voor zoover zij heeft plaats gehad uit eens anders woning;

O., dat derhalve voldoende blijkt, in welken omvang is bedoeld de instandhouding der in eersten aanleg uitgesproken schuldig-verklaring aan vier verschillende ontvreemdingen , welk aantal, ook na den verminderden omvang der derde overtreding, teregt is geoordeeld alsnog te bestaan;

O., dat alzoo het geheele middel van cassatie, wegens onaannemelijkheid van al de gronden , waarop het rust, is ongegrond;

Verwerpt enz.

PROVINCIALE HOVEN.

ARRONDISSEMENTSOiEGTBANK TE ARNHEM.

Raadkamer van den 9 April 1868.

Voorzitter, Mr. P. J. Evekink Busgers. PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN GELDERLAND.

Raadkamer van den 6 Mei 1868.

Voorzitter, Mr. J. Rau van Gameren.

Koop en verkoop. — Voogd. — Krenking van het regt der

mindekjarigen. verlof der kegtbank tot bekrachtiging,

aangevraagd door den toeziend en yoogd. — artt. 451 , 465, 1507 , 1929 B. W.

Is bij eenige wetsbepaling in het Burgerlijk Wetboek aan minderjarigen, wettig vertegenwoordigd, de bevoegdheid ontzegd om, wanneer hun belang dit medebrengt, na verkregen regterlijke magtiging , afstand te doen van hun regt om de nietigheid van eene acte van koop en verkoop , waartoe hunne medewerking ivas verzocht, te vorderen ? — Neen.

Aan de Arrond.-Hegtbanlc te Arnhem

geeft eerbiedig te kennen G. G., metselaar, wonende te Arnhem , in zijne hoedanigheid van toezienden voogd over Christoffel Johannes , Maria Elisabeth , Eemia Hendrica , Geertruida liendrika, Engelina Johanna, Johannes Matthias eri Wilhelmus Antonius O., allen minderjarige kinderen van nu wijlen de echtelieden Antonius O. en Petronella G. , ten deze den voogd J. H. S. O., timmerman, te Arnhem, vervangende, omdat diens belangen in het onderwerpelijke geval met die der minderjarigen strijden (sub A en JB);

dat genoemde echtelieden zijn overleden te Arnhem en wel de vrouw op den 6 Dec. 1864 en de man den 13Sept. 1»67 , deze minderjarigen als hunne e'énige erfgenamen achterlatende;

dat onder de dezer dagen verrigte werkzaamheden van de vereffening van de boedels dier erflaters is gebleken, dat de erflater-vader dezer mindeijarigen , den 29 Nov. 1866 eene verbindtenis heeft aangegaan , waarvan de gedeeltelijke nietigheid zou kunnen worden beweerd;

dat hij namelijk bij de hierbij overgelegde geregistreerde acte van dien dag, verleden voor den notaris van Eek te Arnhem e» getuigen, voor den prijs van f 2000 heeft verkocht aan J. H. vS. O. (thans voogd dezer minderjarigen, doch destijds nog niet in deze noch dergelijke betrekking tot hen staande) eenig vast goed, gelegen onder Arnhem, en thans bij het kadaster dier gemeente bekend als sectie C , n"\ 3021 en 3022 , huizen en erven, zamen groot b3 roeden (sub C);

dat dit vaste goed uitmaakte het onverdeelde, gemeenschappelijke eigendom van dien vader en deze minderjarigen, omdat het door den vader was aangekocht in Augu&tus en November 1865, dus na doode der moeder; terwijl de vader eerst den 20 Junij 1666 een inventaris der tusschen hem en zijne vrouw bestaan hebbende huwelijks-gemeenschap had doen opmaken, waardoor de bepaling van art. 182 13. W. al. uit. , toepasselijk was geworden, en het aangekochte vaste goed deel uitmaakte der tot 20 Junij 1866 voortgezette huwelijks-gemeenschap (sub D);

5 dat hieruit de onbevoegdheid des vaders resulteert om, gelijk hij lee t gedaan, in Nov. 1866 dat vaste goed, als zijn eigen goed en zondei daarin deze minderjarigen te kennen , te verkoopen ; i cat intusschen niet onvermeld mag blijven, dat die koop voorden verkooper zeer voordeelig was , zoo alsook hieruit blijkt, dat het i vooi / 2000 verkochte slechts even de helft was van een gebouw, evattende verschillende woningen , dat de verkooper omstreeks een jaar te voren in zijn geheel had aan- en (wat den ondergrond, destijds erfpacht, betrof) uitgekocht voor ƒ'2880, en waarvan de wederhelft , mede huis en erf, thans nog als sectie C, n'. 3U23 , groot 7 6 i oeden, tot den ouderlijken boedel dezer minderjarigen behoort (sub E, F en G); J °

dat nu uit het aangevoerde verder volgt: ; .1"* de koop-overeenkomst van 29 Nov. 1866 namens deze minderjarigen als nietig zou kunnen worden geattaqueerd, in zoover hun vader daarbij gedeeltelijk over hun eigendom heeft beschikt, art. 1507 B. W. ;

2". dat echter in dat geval de kooper , die volkomen ter goeder trouw het geheel heeft gekocht (en wel zeer duur) , betaald en belangrijk vertimmerd , zijn verhaal zou hebben en uitoefenen tegen deze minderjarigen als erfgenamen des verkoopers, niet alleen tot teiuggave van den koopprijs (hetgeen reeds eene onoverkomelijke zaak vooi hen zijn zou) , doch bovendien tot schadevergoeding;

3». dat, wanneer alzoo de goede trouw niet zou beletten, dat namens de minderjarigen van die nietigheid werd gebruik gemaakt, hun blijkbaar belang dat doen zou, Bademaal de vermenging van de regten en verpligtingen der verkoopers met de hunnen, gelijk zoo even reeds werd opgemerkt, medebrengt, dat zij zelve den kooper zouden moeten schadeloos houden, bijaldien de gedeetelijke nietigheid des koops te eeniger tijd tegen hem werd geldende gemaakt ;

4". dat , zoolang de dwaling in die overeenkomst en acte niet hersteld is , èn de kooper, èn deze minderjarigen , als getreden in de verpligtingen des verkoopers, blootgesteld blijven aan de moeijelijkheden en procedures , noodwendig uit een gedeeltelijk nietigen titel kunnende voortspruiten, en welke moeijelijkheden te gevaarlijker worden, naar mate die titel te langer werkt en zich daaruit dus allerlei nieuwe maatschappelijke toestanden ontwikkelen ; zijnde b. v. het in voege voormeld verkochte bereids sinds lang door den kooper met hypotheek bezwaard ;

dat het wel geen betoog behoeft, dat, onder die omstandigheden, het belang des koopers ; maar allermeest dat dezer minderjarigen en zelfs dat der openbare orde vordert, dat het bestaande gebrek in dien titel onverwijld worde hersteld;

dat suppliant daarom, na ingewonnen regtskundig advies en in gemeen overleg met de bloedverwanten zijner minderjarige pleegbevolenen , heeft besloten om zoodra mogelijk door eene acte , op den voet van art. 1929 B. W., de voorschreven koop-overeenkomst namens deze mindeijarigen te bekrachtigen en langs dien legalen weg eiken twijfel omtrent de geldigheid van dien koop en verkoop voor goed af te snijden;

dat de kooper alsdan bereid is, de minderjarigen uitdrukkelijk te ontslaan van alle verdere aansprakelijkheid, op hen, als erfgenamen des verkoopers, tegenover den kooper rustende;

dat suppliant echter meent tot zoodanige bekrachtiging , als zijnde een afstand van regt of dading, eerst na verkregen verlof der Kegtbank te kunnen overgaan;

Weshalve hij eerbiedig verzoekt, dat het der Regtbank behage , toepassende de artt. 451 en 465 B. W. ,

hem verlof te verleenen om den omschreven koop en verkoop, gelijk die bij de hierbij overgelegde acte den 29 Nov. i 866 voor den notaris van Eek te Arnhem en getuigen tusschen voornoemden A. O., als verkooper, en J. H. S. O., als kooper, werd aangegegaan en geconstateerd , voor zooveel noodig voor deze minderjarigen te bekrachtigen.

't welk doende,

(get.) N. S. T. A. van Meurs, procureur. Zij dit verzoekschrift medegedeeld aan den officier, om desaangaande te dienen van conclusie, en voorts, ten fine van rapport, gesteld in handen van den regter Mr. Vitringa.

Arnhem, 4 April 1868. (get.) Ev. Bcsgers.

De officier van justitie concludeert tot oproeping van den toezienden voogd en van de bloedverwanten en aangehuwden van voormelde minderjarigen, om over het gedaan verzoek te worden gehoord.

Arnhem, 6 April 1868. (get.) Sohunoismann.

De Regtbank enz.,

Gezien vorenstaand verzoekschrift en bijlagen ;

Gehoord het rapport van den refter-commissaris ;

Gezien de conclusie van den officier ;

Gezien het ten requeste aangehaald art. 1929 B. W.;

Overwegende, dat het vorenstaand verzoekschrift geenszins berust op eenige wetsbepaling, en bovengemeld, ten requeste aangehaald art. 1929 B. W. alzoo in deze niet van toepassing is; weshalve er voor alsnog geene redenen aanwezig zijn om reeds nu het gevraagde verlof te verleenen;

Difficulteert voor alsnog in het gedaan verzoek.

Aan het Provinciaal Geregtshof in Gelderland

geeft eerbiedig te kennen G. G., metselaar, wonende te Arnhem, in zijne hoedanigheid van toezienden voogd over Christoffel Johannes, i Maria iliiisabeth , Femia liendrika, Geertruida Hendrika , Bngelina Johanna - .Johannes Matthias en Wilhelmus Antonius O., allen min- J derjarige kinderen van nu wijlen de echtelieden A. O.en P. G., ten deze den voogd J. H. S. O., timmerman te Arnhem, vervangende, omdat diens belangen in het onderwerpelijke geval met die dezer mindeijarigen strijden (sub A en 13);

dat suppliant zich , als fungerend voogd, bij request, waarvan hierbij eene expeditie wordt overgelegd, heeft gewend tot de Arrond.-Ke<nbank te Arnhem, met verzoek, dat het der Regtbank behage: toepassende de artt. 451 en 465 li. W., hem verlof te verleenen om den ten requeste omschreven koop en verkoop, gelijk die bij de hierbij overgelegde acte den 29 Nov. 1866 voor den notaris van Eek, te Arnhem , en getuigen tusschen voornoemden A. O., als verkooper , \ en J. II. S. O., als kooper, werd aangegaan en geconstateerd, voor \ zooveel noodig voor deze minderjarigen te bekrachtigen ; ' -v

dat, blijkens het bij dat request aangevoerde, die verkoop, in zoover \ daarbij de verkooper, strikt genomen, over het eigendom d'ezer min- v derjarigen en dus gedeeltelijk over eens anders eigendom had beschikt, I namens die minderjarigen als mede-eigenaren (dus uit eigen hoofde), als in zoover nietig, kon worden aangevallen ; ° r

dat evenwel hun tastbaar belang, èn als erfgenamen des verkoo- k pers èn zelfs als mede-eigenaren, medebragt, dat die verkoop werd e gehandhaafd en in zijn geheel bleef, en suppliant, als waarnemend g voogd . daarom, in overleg met de verdere naaste betrekkingen der d mindeijarigen, met den kooper voorloopig was overeengekomen, dien k verkoop namens deze minderjarigen ten spoedigste uitdrukkelijk te bekrachtigen, waartegen de kooper hen zou ontslaan van aiie aan- p sprakelijkheid, op hen, als erfgenamen des verkoopers, te dier zake y rustende; ^

dat tot zoodanige bekrachtiging, als zijnde eene dading, immers ai

ij en in elk geval ten opzigte dezer minderjarigen een afstand van >v=-■ n naar suppliants meening, de magtiging der Regtbank noodzakelijk was , en hij zich daarom, alvorens die bekrachtiging tot stand te in brengen, bij voorschreven request, waarbij werden overgelegd al i'c 3t thans geannexeerde stukken , tot de Arrond.-Regtbank te Arnhem ', gewend heeft om het daartoe vereischte verlof te verkrijgen; n dat de heer officier van justitie bij die Kegtbank op dat request heeft , geconcludeerd tot oproeping der bloedverwanten en aangehuwden der e minderjarigen , om over het gedaan verzoek te worden gehoord, maar 't de Regtbank , //overwegende , dat het verzoekschrift geenszins berust ■t op eenige wetsbepaling en het ten requeste aangehaalde art. 1929 E. W. alzoo in deze niet van toepassing is, weshalve ervoor alsnog geene redenen aanwezig zijn om reeds nu het gevraagde verlof te e verleenen» ,—■ bij beschikking van 9 April 1868 //voor alsnog» heeft r gedifficulteerd in het gedaan verzoek;

, dat suppliant, zich met die beslissing ten hoogste bezwaard ge* voelende , daarvan bij deze komt in hooger beroep, en tot justificatie r daarvan eerbiedig aanvoert :

dat de gronden, waarop de aangevallen beslissing rust, hem niet n duidelijk zijn , en hij zich daarom moet bepalen tot eenige algemeens t opmerkingen ter nadere regtvaardiging van zijn verzoek , aan welks £ grónden hij zich overigens bij deze refereert;

I. dat de regter a quo inderdaad, hoezeer dan niet met zoovele t woorden , het verzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard; , dat intusschen dat verzoek zeer duidelijk werd gebouwd op de artt. e 451 en 465 B. W. (hetgeen aan de aandacht der Regtbank schijnt ) te zijn ontsnapt), en die artikelen, naar suppliants oordeel, even dui-

- delijk de ontvankelijkheid van zijn request medebrengen

e dat, wanneer de regter a quo met zijne uitdrukkingen'«dat er voor

- alsnog geene redenen aanwezig zijn om reeds nu het gevraagde verlof te verleenen», en "difficulteert voor alsnog in het gedaan ver-

- zoek», weliigt mogt hebben bedoeld, dat vóóraf'de acte van bekrach3 tiging zou moeten worden gepasseerd en dat deze vervolgens aan de . goedkeuring der Regtbank zou behooren te worden onderworpen,—die 1 regter dan s. r. de op dit stuk vigerende beginselen der wet en het

- verschil tusschen eene autorisatie en eene homologatie of confirmatie i zou hebben voorbijgezien ;

, dat toch, blijkens de aangehaalde wets-artikelen, in dit geval bet paaldelijk, eene magtiging (verlof of autorisatie) vereischt wordt, welke uit haren Sard aan de te sluiten overeenkomst moet voorafgaan ; ; II. dat hij , die eene overeenkomst of handeling als nietig zou"kun( nen aantasten , voorzeker naar regten volkomen bevoegd is van zijn [ daartoe strekkend regt afstand te doen en door bekrachtiging der vicieuse acte de nietigheid te dekken;

dat die faculteit, gelijk elders, zoo ook met name in art. 1929 B. W.> door den Nederlandschen wetgever wordt erkend, en suppliant'zich daarom in zijn mtroduetief request ook op dat artikel heeft beroepen;

dat de burgerlijke handelingen, welke door een meerderjarige kunnen geschieden , in den regel ook voor een minderjarige , door zijn voogd, regtsgeldig kunnen worden verrigt, mits, waar het geldt vervreemding of afstand van regten der minderjarigen , na verkregen ma<ni"ing der Regtbank ; B "

dat op dien regel voor het onderwerpeiijke geval bij de wet "eene uitzondering is gemaakt, waaruit onmiskenbaar volgt, dat suppliant, als fungerend voogd, na daartoe door de Regtbank "te zijn gematigd, volkomen bevoegd zal zijn om voor de minderjarigen afstand te doen van hun regt tot betwisting der geldigheid van de ten requeste omschreven koop-overeenkomst;

dat suppliant voor het allezins raadzame van dien afstand verwijst naar het in eersten aanleg daarvoor bijgebragte , maar ten overvloede nog s Hofs aandacht meent te moeten vestigen op de omstandigheid, dat er van benadeeling der minderjarigen , door de bedoelde handelingen huns vaders in 1865 en 1866, in t geheel geen sprake kan zijn, naardien zoowel de aankoop als de opgevolgde gedeeltelijke verkoop door dien vader zijn geschied, geheel buiten de geldmiddelen van den gemeenen boedel om , zoodat der minderjarigen vermogen in al die operatién inderdaad in het minst niet betrokken is geweest;

dat namelijk de vader, het goed op zijn eigen naam gekocht hebbende, de koopprijzen en de kosten ook heeft betaald geheel uit eigen middelen, te weten: met twee daarin toen ten eigen laste opo-enomen en gevestigde kapitalen, te zamen groot f 33u0, welke beiden daarna, wederom geheel buiten bezwaar der minderjarigen, zijn gedelgd hebbende de vader het eene (ƒ IsOO) uit den opgevolgden gedeeltelijken weder-verkoop in quaestie afgelost, terwijl hem de andere ( / 1500) door de schuldeischeres (Baronnesse S. v. d. O.) bij wijze van legaat werd kwijtgescholden ;

dat in die niet-benadeeling en niet-toepassing van den re^el dat niemand ten nadeele van een ander rijker worden kan, voorzeker een voornaam motief te meer is gelegen om namens de minderjarigen den quaestieusen verkoop niet aan te vallen en dien alzoo te bekrachtigen ;

dat suppliant geheel en al den wettigen weg heeft bewandeld en de Regtbank daarom , naar zijn bescheiden oordeel, het request ontvangende, het verhoor der bloedverwanten had behooren te gelasten ten einde overeenkomstig de wet hun gevoelen te vernemen aangaande de gegrondheid er van ,welke overigens reeds duidelijk genoe<- uit de overgelegde stukken bleek), om daarna definitief op liet verzoek te beslissen;

Weshalve suppliant eerbiedig verzoekt, dat het den Hove behage: 1 . deze voorziening in hooger beroep aan te nemen ; 2. de beschikking der Arrond.-Regtbank te Arnhem, den 9 April 1868 op request van den suppliant gegeven , en waarvan appel te niet te doen ; en, op nieuw regt doende, na verhoor dor bloedverwanten oi aangehuwden der minderjarigen, alsnog toewijzend op evemremeld request te beschikken.

t Welk doende ,

(get.) N. S. ï. A. van Meurs, procureur. Zij deze gesteld in handen van den proc.-gen., ten fine van conclusie. Arnhem, 22 April 1868.

De President van het Hof van Gelderland, (get-) j. Schneither, Vice-President.

IJe proc.-gen.,

Overwegende, dat requestrant autorisatie verzoekt om, in zijne hoedamgheid van toezienden voogd over de minderjarige kindeken ' 1 voogd der kinderen ten deze vervangende wegens strijdig belang), te mogen bekrachtigen eene acte van ver'koop van onroerend goed , door den vader der minderjarigen gepasseerd, we!ke acte door die minde,jarigen, ingevolge art. ?6o7 , Isl'gedeelte, C l e k|lnnerl aangevallen worden;

., dat, ofschoon, gelijk de requestrant pretendeert, hier niet de , 6 's v«'. eene dading, omdat de op te maken acte geene overeenkomst zal inhouden tusschen verschillende partijen, maar blooteiijk ten afstand van regten, den minderjarigen toekomend, nogtans bij geene enkele wetsbepaling aan minderjarigen , wettig vertgenwoordigd, de bevoegdheid ontzegd is zoodanigen afstand te doen als die werkelijK iu hun belang is te achten;

O. , dat integendeel het Burgerlijk Wetboek aan den voogd de verphgtmg oplegt om de goederen der minderjarigen als een goed huisvader te besturen, en de bevoegdheid getft om daarover tè beschikken, mits vooraf van de noodzakelijkheid of wenscheliikheid door autorisatie der Regtbank blijke;

Sluiten