Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is gepatenteerd geweest, daarbij tevens overleggide afschriften van acht bestelbriefjes ;

dat eiseheresse al verder outkent, dat van ioosmden ooit als aannemer eenig werk heeft uitgevoerd, of als amemer \ bij iemand bekend staat, en de uitvoering van den bouw in gedaagdes woonhuis , in voege als ged. gesteld heeft, heeft aanjnomen; dat, tijdens de leverautiën, door den ged. noch door van losmalen aan eiseheresse van die aanneming eenige mededeeling isedaan, noch dat die op eenige andere wijze aan hem is bekend geurden; en voorts beweert, dat, al kon de ged. deze aanneming bevzen, het bestaan dier overeenkomst van aanbesteding en aanneming eet dan der eiseheresse regt zoude kunnen verkorten, wanneer gedi hebewiis had geleverd dat dit aan haar bekend was;

dat ged. bij incidentele conclusie van antwooi, op den 5 Sept. 1866 genomen alle de door eiseheresse gestelde ften heeft ontkend en beweerd, dat dezelve niet ter zake dienende eiafdoende zouden zijn, en met vatbaar voor getuigenbewijs, zich te en aanzien beroepende op art. 1933 B. W.; al verder zich ongehoucn acht om zich uit te laten over de gelijkluidendheid en echtheid .er overgelegde copiën der bestelbriefjes , het bestaan der originele zelfs in geenen deele erkent, en beweert, dat, zoo die al mogten estaan, deze niets ten zijnen laste zouden bewijzen , omdat hij ged. aaii die stukken vreemd is; dat de aanbesteding voor eischessse niet geheim is gehouden , en hij in ieder geval niet gehoucn was om eiseheresse daarmede bekend te maken; dat ged. op diegronden, en onder overieggmg van een onderhandsch contract van anneming, tusschen hem en van Roosmalen gesloten, en drie andere óarin genoemde stukken, heeft doen concluderen tot het hem verleenen an acte van zijne ontkentenis , toe ontzegging van eischeresse's incicntele vordering, en ten principale tot niet-ontvankelijk-verklaring an den oorspronkelijk en eisch, of ontzegging daarvan, met veroordeling van de eiseheresse in de proces-kosten;

dat eiseheresse, bij nadere incidentele conlusie van 24 Oct. 1866, heeft beweerd , dat het overgelegde contrac geen bewijs te»en haar kan opleveren, opgrond van art. 1917 B.W.; heeft ontkend, dat gemelde overeenkomst in de maand ■:uni 1865 zoude zijn gesloten , en de daarvan geproduceerde acte op'den 3 Junij van dat jaar zoude zijn opgemaakt; zich bereid heeft verllaard om , des gevorderd, met getuigen te bewijzen, dat die acte eers in de maand Oct. 1865 is onderteekend, en voorts beweerd, dat, aaigezien uit de gewisselde dingtalen volgt, dat het, wel is waar, nie volledig blijkt, dat tusschen haar en den ged. eene overeenkoms van koop en verkoop is tot stand gekomen, de ged., als eigenaaj van het gebouw, waartoe door of namens hem de bouwstoffen van lischeresse zijn gebezigd , en als de persoon, namens wien door zijn architect de betrekkelijke bestellingen zijn gedaan , niettemin tot dj gevorderde betaling verpligt is;

dat ged. daarop, bij nadere incidenteè conclusie van antwoord van den 28 Nov. 1866, heeft doen aanleren: dat de tegen hem ingestelde vordering strekt tot betaling vin kooppenningen, wegens door eiseheresse geposeerde verkoop en levering van hout aan hem ged.; dat hij de beweerde koop en leverrig ten stelligste blijft ontkennen, en dienvolgens het door eischeressete leveren bewijs zich moet bepalen tot de door haar beweerde koop m levering; dat een getuigenverhoor omtrent de dagteekening der acte van aanbesteding niets ten deze zoude afdoen, omdat dit feit volstrekt niets zoude bewijzen omtrent het eenige wat te bewijzen valt: ie verkoop en de levering; dat die acte door ged. niet is overgelegd om nu reeds eenig tegenbewijs te leveren, daar eiseheresse geen bewijs heeft voorgebragt voor hare stelling, maar alleen ter inlichting des regters, en om de gegrondheid zijner ontkenning van de beweerde koop en levering te staven; en op die gronden, onder inhaesie aan zijne vorige conclusiën, nader incidenteel geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring der eiseheresse in haar aangeboden getuigenbewijs, haar die vordering te ontzeggen, met veroordeeling in de kosten;

G. , wat het regt betreft:

dat de bij dagvaarding ingestelde vordering strekt tot betaling van koopprijs van houtwaren, die ged., doortusschenkomst van eenderde, den heer J. G. J. van Roosmalen, als zijn mandataris of negotiorum gestor, van eiseheresse zoude hebben gekocht en ontvangen ;

dat bij pleidooi echter voor eiseheresse is verklaard, dat zij van Roosmalen niet als mandataris, doch als negotiorum gestor van den ged. wenscht beschouwd te hebben;

dat ged. al de feiten, waarop die vordering is gegrond, heeft ontkend en beweerd, dat van Roosmalen het bouwen van zijn huis met inbegrip der houtwaren heeft aangenomen, en dat deze, bijaldien hij al voor of namens ged. houtwaren bij eiseheresse mogt hebben besteld, ook verpligt is die te betalen; dat eiseheresse dien ten gevolge eenige feiten heeft gesteld, met aanbod om het bewijs daarvan door getuigen te leveren, en tevens heeft overgelegd afschriften van acht bestelbriefjes ; terwijl hij zich tevens heeft beroepen op de omstandigheid, dat ged., na het ontvangen van de rekeningen en de aanmaning om betaling, er haar geheel onkundig van heeft gelaten, dat niet hij, maar van Roosmalen den koopprijs zoude moeten voldoen;

O., dat die feiten den regter niet afdoende noch ter zake dienende zijn voorgekomen, omdat, ook al mogt de levering bewezen worden , daaruit toch niet zal volgen, dat ged. de houtwaren werkelijk in ontvangst heeft genomen, of dat die ten zijnen bate zijn gebruikt, hetgeen toch wel een noodzakelijk vereischte zal zijn, ten blijke, dat ged. zijne goedkeuring heeft gegeven aan hetgeen door van Koosmalen als zijn negotorium gestor is verrigt, of dat deze geacht moet worden gedaagdes zaken behoorlijk te hebben waargenomen;

O. bovendien, dat, aangenomen al eens, dat de gestelde feiten wel afdoende en ter zake dienende zijn, het aangeboden bewijs toch niet mag wordeu toegelaten, omdat er het beslaan van eene overeenkomst tusschen partijen mede aangetoond zoude worden, waarvan het onderwerp de som van / 300 te boven gaat, hetgeen in casu, waar het geene zaak van koophandel geldt, in strijd zoude zijn met art. 1933 li. W. ;

0., dat eiseheresse wel heeft beweerd, dat hier geene spraak zoude zijn van eene contractuele, doch van eene legale verbindtenis, waarvan de bewijslevering door getuigen niet is uitgesloten; maar dat die bewering niet is overeen te brengen met de eigene stelling van eiseheresse , dat er tusschen partijen door tusschenkomst van een derde een contract van koop en verkoop zoude zijn tot stand gekomen , hoedanig contract toch zeker wel niet zal kunnen gerangschikt worden onder de verbindtenissen , die uit kraehte der wet worden geboren;

0., dat het hierdoor overbodig wordt te onderzoeken, of er al dan niet mag worden acht geslagen op de bereidverklaring, van wege de eiseheresse bij pleidooi gedaan, om ook de ontvangst der houtwaren door of van wege ged. met getuigen te bewijzen ;

0., dat de overgelegde afschriften van bestelbriefjes reeds daarom niet als bewijs kunnen wordeu aangemerkt, vooreerst, omdat de kracht van een schriftelijk bewijs in het oorspronkelijke stuk is gelegen , en de originele bestelbriefjes buiten het geding zijn gelaten; en ten tweede , dat, al kon men aannemen , dat ged. het bestaan der originelen en de gelijkluidendheid daarmede van de afschriften heeft erkend, met die briefjes, afgescheiden van eenig ander bewijs, zelfs geene overeenkomst van koop en verkoop kan bewezen worden, dewijl er alleen uit kan blijken van den wil van den heer van Roosmalen om voor zich of een ander van eiseheresse te koopen, maar geenszins van eiseheresse van toestemming om te verkoopen;

■ > dat die briefjes ook niet zouden kunnen dienen als begin van

bewijs door geschrift , als niet voortgekomen van dengene, tegen wien de vordering wordt gedaan, of van dengene, dien hij vertegenwoordigt ;

0., dat uit de erkenning van ged., dat hij twee rekeningen en eene aanmaning om geld van eiseheresse heeft ontvangen , zonder haar kennis te hebben gegeven, dat hij zich niet verpligt achtte die rekeningen te betalen, bij de pertinente ontkenning van koop en levering, tot staving van de ingestelde vordering, ook niets is af te leiden, en dit te minder, als men in aanmerking neemt, hetgeen ged. terstond op die erkenning laat volgen, dat hij die stukken aan van Roosmalen heeft ter hand gesteld, en dat deze hem gezegd had er aan eiseheresse over te zullen schrijven ;

0., dat het door ged. overgelegde contract van aanneming, tusschen hem en van Roosmalen gesloten, tegen eiseheresse als derden persoon geene kracht kan hebben dan van den dag der registratie , zijnde volgens het daarop gestelde relaas eerst geschied op den 5 Sept. 1866, lang nadat de gesustineerde koop en levering zouden hebben plaats gehad , en dat eiseheresse alzoo teregt heeft beweerd, dat daaruit geen bewijs tegen haar is te ontleenen;

0., dat ged. dit dan ook gereedelijk heeft erkend, daarbij aanvoerende , dat hij het slechts had overgelegd ter inlichting van den regter , en om de gegrondheid zijner ontkentenis te staven;

O., dat het uit dien hoofde tot niets zoude leiden, om eiseheresse tot een getuigenbewijs omtrent de dagteekening van dat contract toe te laten ;

0., dat eiseheresse bij hare laatste conclusie intusschen heeft toegegeven, dat het, wel is waar, niet volledig blijkt, zoo als ze aanvankelijk meende, dat er tusschen partijen eene overeenkomst van koop en verkoop is tot stand gekomen, maar evenwel is blijven beweren, dat ged. niettemin, als eigenaar van het gebouw, waartoe door of namens hem de onderwerpelijke bouwstoffen van eiseheresse zijn gebezigd, en als de persoon, namens wien door zijn architect de betrekkelijke bestellingen zijn gedaan , tot de gevorderde betaling verpligt is;

0., dat, wat dit laatste beweren betreft, dat ged. aan eiseheresse zoude verbonden zijn door tusschenkomst van een derde, en op dien grond tot voldoening van het gevorderde gehouden, dat dit beweren reeds in de dagvaarding was opgenomen, als waarin gezegd wordt, dat van Roosmalen , hetzij al3 mandataris, hetzij als negotiorum gestor, voor ged. zoude hebben gehandeld, en alzoo naar het boven o'verwogene niet nader behoeft te worden onderzocht;

U. toch, dat het wel de bedoeling van de eiseheresse zal geweest zijn dit beweren op zich zelf als grond tot toewijzing der vordering te doen gelden, dewijl, wanneer het in verband moet worden gebragt met het voorgaande , het bezigen als eigenaar van het gebouw van eischeresse's grondstoffen, het moeijelijk is vol te houden, dat eiseheresse zoude gebouwd hebben met vreemde bouwstof, dat toch noodwendig wordt gevorderd , om uit het art. 657 15. W. te kunnen ageren;

O. nu, met betrekking tot dat beweerde bouwen met vreemde grondstof, dat eiseheresse als een nieuwen regtsgrond wil doen voorkomen tot staving der door haar ingestelde vordering, dat, wel is waar, de eigenaar van den grond , die met bouwstoffen , welke hem niet toebehooren, gebouwd heeft, volgens evengemeld wets-artikel de waarde daarvan moet voldoen, en zelfs tot vergoeding van kosten, schaden en interessen kan worden veroordeeld, doch dat daartoe niet is geconcludeerd, zijnde eiseheresse integendeel bij hare genomene conclusie blijven persisteren; en dat het daarenboven niet opgaat, zoo als bij pleidooi is beweerd, dat het van zijde des ged. inoet worden gehouden voor erkend, dat de primitief door eiseheresse als kooppenningen gevorderde som de waarde der quaestieuse houtwaren zoude vertegenwoordigen;

u. immers , dat ged. zich over den koopprijs volstrekt niet heeft uitgelaten , hetgeen dan ook bij zijne sustenuen in het minst niet te pas kwam; en dat uit dat stilzwijgen alzoo niet mag worden opgemaakt , dat hij aan houtwaren , waaraan hij beweert geheel vreemd te zijn, eene waarde toekent van het door eiseheresse gevorderde;

O., dat mitsdien op deze bewering van eiseheresse niet kan worden gelet, daargelaten nog de vraag , of zij in eene op art. 657 B. W. gegronde vordering wel ontvankelijk zoude zijn geweest, als op een geheel anderen feitelijken grondslag steunende dan de bij dagvaarding gestelde;

Gezien, behalve de reeds aangehaalde, de artt. 1388 , 1393 , 1925 en 1939 B. W., en art. 56 li. R.;

Regt doende enz.,

Verleent aan partijen acte, waarvan acte is gevraagd;

Verklaart de te bewijzen aangeboden feiten niet ter zake dienende noch afdoende, en laat eiseheresse mitsdien niet toe het bewijs daarvan te leveren;

Ontzegt aan eiseheresse hare vordering, als onbewezen, en Veroordeelt haar in de kosten dezer procedure , van de zijde van ged. begroot enz., waaronder echter niet begrepen zijn de kosten . veroorzaakt door de overlegging van het contract van aanneming en overige door den ged. overgelegde stukken, als zijnde geschied zonder doel om daarmede eenig bewijs tegen eiseheresse te leveren , en welke dus ten laste van ged. behooren.

(Gepleit voor de eiseheresse Mr. J. D. yan Ketwich Verschuur, en voor den gedaagde Mr. E. J. I. van Sonsbeeck , beide advokaten te Zwolle.)

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 19 dezer, n°. 52, is aan J. 'Werdmulier van Elgg, met ingang van 16 Sept. aanst., eervol ontslag verleend als kantor.regter te Delden; en voorts benoemd, met ingang ' van 16 Sept. aanst., tot kantonregter te Delden, Mr. A. van Laer , j thans griffier bij het Kantongeregt te Ootmarssnm; tot griffier bij het Kantongeregt te Ootmarssum, Mr. .1. T. jF. Huguenin , candidaatnotaris te Asten.

BERLGTEN.

's Gravejihage , den 26 Augustus.

Bij arrest van den 1 Mei jl., Opgenomen in het Weekbl. van het Regt n°. 3001, heeft de Hooge Raad, met vernietiging eener tegenovergestelde uitspraak van het Prov. Geregtshof in Gelderland (arrest j van fi Nov. 1867, Weekbl. n°. 2989), aangenomen, dat het regt van | den Staat, om een jaagpad aan te leggen, zich niet tot de beide oevers der bevaarbare en vlotbare rivieren uitstrekt, en dat het jaagpad, ' indien de behoeften der scheepvaart dit vorderen , niet van den eenen j oever naar den anderen mag worden verlegd. i

In gelijken zin werd vroeger door den Hoogen Raad het arrest van 25 Maart 1859 , Weekbl. van het Regt n». 2048 , gewezen.

Eene, naar onze meening, grondige bestrijding van deze leer van den Hoogen Raad wordt in Themis, regtskundig tijdschrift, 2de stuk, 1868, geleverd door Mr. A. de 1'ixno , advokaat te 's Gravenhage. De schrijver behandelt in zijn «Iets over voet- en jaagpaden (droit de halage et de marehepiedj» de vragen: of art. 7 , titel 28, der ordon-

■ nantie van Lodewijk XIV van Aug. 1669 , »pour les eaux et forests i de son Royaume» aan het Rijk de bevoegdheid geeft, om gelijktijd aan beide rivier-oevers een jaagpad aan te leggen , en of althans het jaagpad van den eenen oever naar den anderen mag worden verleef i I)e Hooge Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en ziet, he-"'j in de verlegging, hetzij in den aanleg van een tweede jaagpad , eölie onregtmatige daad, die den Staat verpligt tot vergoeding van kosts11) i schaden en interessen.

' Het aangehaald artikel der ordonnantie luidt:

"Les propriétaires des héritages aboutissans aux rivières navig&bles 1 laisseront le long des bords '24 pieds au moins de place en largeur pour chemin royal et trait des chevaux , sans qu'ils puissent planter arbres ui tenir clöture ou haye, plus pres que 30 pieds du coste' que les bateaux se tirent, et 10 pieds de Tautrebord, a peine" etc.

Na te^ hebben herinnerd, dat de bijzondere wetten en verordening611 tot regeling der regten en verpligtingen, ten openbaren of gemeentelij' ken nutte daargesteld , ten onderwerp hebbende de voet- en jaagpad^ langs bevaarbare en vlotbare rivieren, bij art. 720 B. W. zijn ge' handhaafd, beroept de schrijver zich vooreerst op de Fransche jur's' peudentie en schrijvers, nagenoeg allen hierin overeenkomende, ^ de last rust op beide oevers en dat dus het jaagpad kan worden aangelegd op beide oevers gelijktijdig en a fortiori van den eenen oever naar den anderen kan worden verlegd , indien dit voor de belangd der scheepvaart noodig wordt geoordeeld. Het eenige punt, waarover de Fransche schrijvers verschillen , bestaat- hierin, dat zeer enkelen meenen , dat bij den aanleg van een tweede pad de eigenaars regt hebben op schadeloosstelling (indemnite') voor de verminderde waarde van hun grond, maar aan onwettigen roof of onregtmatige daad en schadevergoeding denkt niemand. Ook in België is men dezelfde beginselen toegedaan. De heer Olivier eindelijk zegt op bladü' 224 en 225 zijner »Proeve over de beperking van den eigendom>> het volgende:

"De overheid kan ten dienste der sch eepvaart bevelen, dat het voetof jaagpad naar den anderen oever worde overgelegd , dat het voetpad in een jaagpad worde veranderd. Kan de eigenaar van het voetpad, nu jaagpad geworden , schadevergoeding vorderen voor hetgeen htf thans , om het pad vrij te houden , moet wegruimen ? Neen ,°de aanwijzing der overheid verandert in zijne verpligting niets; de oevereigenaar is verpligt tot het leveren van een jaagpad 'of van een voetpad. Wordt op zijnen oever het voetpad gelegd, zoo is dit nie' ten zijnen gevalle, opdat zijn last minder zwaar zou zijn, ma"' omdat de publieke dienst hier een voetpad vordert, gelijk zij aan den anderen kant een jaagpad vordert. Doch wanneer de gesteldheid des strooins verandert, en men, om van dezelve gebruik te kunnen make"i een jaagpad noodig heeft aan die zijde, waar tot nu alleen een voetp*J is noodig geweest, zoo volgt de oever het lot van den stroom. Dezelve reden , waai om de eigenaar zich de dienstbaarheid van voetpad moes' laten welgevallen , bestaat in dezelfde mate voor de dienstbaarheid van jaagpad. De eigenaar mag het publiek gebruik van den stroom nie' hinderen of storen ; hij mag denzelven niet van zijne natuurlijke bestemming afhouden. Wordt het water aan de overzijde ondiep en is het slechts aan zijne zijde voor de grootere scheepvaart o-eschikt zoo wordt hij daardoor verpligt ten dienste dier vaart zooveel meer gronds af te zonderen , dat de vaart niet gestoord worde. Het is niet een last, die hem wordt opgelegd, maar het gevolg van eigenaardige bestemming des strooms. De oever te niet volstrekt en onvoorwaardelijk aa" hem toebehooren; hij is in de eerste plaats bestemd om het publiek de dienst van den stroom te verzekeren ; eerst na hieraan voldaan te hebben , staat hij ten dienste van den particulieren bezitter." De schrijver betoogt vervolgens : uit de woorden van art. 7 der ordonnantie ,

uit het decreet van 22 Jan. 1808 , ook voor ons land executoir verklaard en nog van kracht, qui déclare Part. 7 du titre 28 de l ord. de 1669 applicable a toutes les rivières navigables (Je F Empire , uit de ratio legis en de bedoeling der ordonnantie , dat het regt van den Staat op een jaagpad zich niet bepaalt tot een der oevers, en dat, al neemt men dit niet aan , dan toch in geen geval overbrenging van het jaagpad van den eenen naar den anderen oever verboden is.

Viel er bij het artikel van den heer de Pikto nog iets te voeden, dan zouden wij ons veroorloven te wijzen op het groote bezwaar > dat de leer van den Hoogen Raad in de praktijk oplevert.

Het belang der scheepvaart eischt verlegging van het j aagpad van den eenen oever naar den anderen , die verlegging moet dus o-eschieden. Hoe daartoe nu, met'sRaads arresten inde hand, te geraken? Door toepassing der wet op de onteigening ten algemeenen nutte? Maar de Staat heeft niet den eigendom van den grond , maar alleen het gebruik , zoolang de belangen der scheepvaart geen nieuwe verlegging vorderen, noodig. Doch gesteld, dat de Staat door onteigening eene breedte van 24 of 30 voet heeft verkregen langs den oever: nu neemt de oever langzamerhand af, hetgeen soms met de beste zorg en met de meest doelmatige werken niet kan worden voorkomen, zal nu de Staat telkens het ontbrekende aan de 24 of 30 voet door nieuwe onteigening aanvullen ?

Ons dunkt, dat de interpretatie van den Hoogen Raad den Staa' geheel aan het goedvinden en de meest buitensporige en willekeurige eischen der oever-eigenaren prijs geeft, hetgeen zeker niet in de bedoeling van den wetgever heeft gelegen.

(Neder l Stoompost.)

ADVÉRTENTIEN.

liinmin.

I. Mr. A. A DE PIMTO, Het nieuwe Wetboek va" Strafregt voor Nerl. Tndië, met Memorie van Toelichting, uitgegeven ingevolge magtiging van Z. ExCden Minister van Koloniën f 3.00.

IL INDISCHE WETBOEKEN , met de nieuwe Grondwet , het Regeringsreglement en het nieuwe Wetboek van Strafregt, 2 dn., gebonden f 9.50-

III. Mr. S. KEYZER, Handboek voor het Mahomfi' daansch regt ƒ 5.6"-

WETGEVING VOOR DE MARINE.

TV. A. J. M. HÜART en I. SALM0IT. De militaire wetten voor het krijgsvolk t;e water, met aante®' keningen, 2 dn. , ingenaaid . ... f

gebonden . . . . / 6.5o-

Uitgaven van GEBR. BELMFANTE, te 's Hage.

Snelpersdruk en uitgave vaa K3»5£S»*

BEEilSfBrAüfTK , te '» «liravealiasfe.

Sluiten