Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gerechtshoven van Westminster te pleiten.^Sommigen maken 'van dat voorrecht volstrekt geen gebruik ; zij begeven zich dan naar hunne landgoederen en nemen een titel mede, die hun den weg tot burgerlijke eereambten inoet ontsluiten ; het grootste gedeelte zoekt daarentegen in de rechtspraktijk een middel van bestaan. De Engelsche baiie is in twee hoofdtakken verdeeld: de eene heet de equity en de andere de common law. Zij, die zich aan den eersten wijden, verbinden zieh aan de hoven der kanselarij, waarmede de jury zelden iets te maken heeft, waar de meeste geschillen door een enkelen rechter worden beslist en waar , bij gevolg, de gave der welsprekendheid veel minder dan speciale kennis te pas komt. Degenen daarentegen, die op hun redenaars-talent rekenen om te slagen, zoeken vooral de hoven van assises. In alle gevallen zijn de beginselen zeer moeijelijk, en meer dan een jong advokaat zonder zaken , die zich hoogmoedig in zijne waardigheid van gentleman hult en streng de etiquette in acht neemt, verbergt onder zijn toga, met echt Spartaansche fierheid , de knagende zorg voor den dag van morgen. Bij de Engelsche balie heerschen strenge begrippen van eer, die even als onverbiddelijke wetten vooral op den eerstbeginnende drukken. Het staat hem niet vrij zich bekend te maken door middel van hetgeen de .Fransehen réclame noemen. Enkele advokaten, die behoefte gevoelen uit hunne duisternis te voorschijn te treden, houden, wel is waar, voorlezingen in openbare zalen , anderen beklimmen den kansel en preeken voor een vroom gehoor om de aandacht tot zich te trekken, maar dergelijke handelingen worden zonder onderscheid door de strenge praktizijns gelaakt.

Ten einde zich een juist denkbeeld te vormen van de hinderpalen, welke den toegang tot de balie versperren, behoort men nog te weten, dat de Engelsche advokaat bijna altijd zijne zaken en zijn honorarium uit handen van den procureur (attorney) ontvangt. Op dezen regel bestaat slechts eene enkele uitzondering: de gevangene, die zijn vonnis afwacht, mag rechtstreeks een barrister in zijne cel laten ontbieden en met hem eene schikking omtrent de geldquaestie maken ; de advokaat is dan verplicht hem te verdedigen. In alle andere gevallen is de procureur de middenpersoon tusschen den cliënt en hem, die de zaak moet bepleiten. Wie begrijpt dus niet, welk een invloed deze gerechtelijke ambtenaar, ondanks zijn lagen rang, metderdaad bij de balie uitoefent, en hoe hij in zekeren zin het lot in handen heeft van den jongman, die zijne loopbaan intreedt? En toch verbiedt de wet der eer, waarvan wij vroeger reeds spraken , den nieuweling gestrengelijk zich door onwaardige middelen in de gunst van dien Mecenas te dringen. Men kan er echter niet voor instaan, dat deze zedelijke wet altijd getrouw door de leden der balie in acht wordt genomen. Voor den eerzuchtigen of behoeftigen jongeling is dan ook de verzoeking al zeer sterk, en er is eene stoïcijnsche deugd toe noodig om haar te weêrstaan. Schendt hij daarentegen in zijne betrekkingen met den zaak-uitdeeler de regelen der welvoegelijkheid en der kiescüheid, zal de barrister daardoor gelukkiger zijn? Neen, zeker niet. Van dat oogenblik af wordt zijn talent, verondersteld dat hij dit bezit, niets dan een werktuig in de hand van een ander. De Engelsche advokaat heeft dat met den physician (geneesheer van den eersten rang) gemeen, dat hij voor geen gerechtshof het loon zijner diensten kan vorderen. De Engelschen beschouwen het als geen loon, maar als een geschenk (yratuity). Door deze wetsbepaling gewaarschuwd, steekt de physician de hand uit om zijn guinje te ontvangen, eer hij de ziekenkamer verlaat. Wat den advokaat betreft, deze ontvangt gewoonlijk van den cliënt een schriftelijk voorstel omtrent het bedrag van zijn honorarium; doch daar deze schikkingen altijd door een tusschenpersoon geschieden, gebeurt het somwijlen, dat de attorney zich op de eene of andere wijze het deel van den leeuw toeëigent. Van een anderen kant moet de barrister, die zijn weg wil maken, op een voet leven, die groote geldelijke opofferingen vordert. Meer dan één jeugdig redenaar der balie, die zelfvertrouwen heeft en zijne vleugels voelt wassen , neemt plotseling zijne vlucht. Zoo doende noodigt hij de fortuin uit hem te volgen ; maar deze grillige godin gehoorzaamt niet altijd, en doorgaans begunstigt zij den man niet, die het meest in het oog valt. De procureur, ofschoon hij op den achtergrond staat, weet geld te slaan met de welsprekendheid van zijn beschermeling, terwijl deze laatste somwijlen langs een met palmen bestrooid pad den afgrond te gemoet snelt. Zoo heeft men dan ook in de jongste tijden beroemde advokaten, die door allen werden benijd en bewonderd, doch die onder hunnen schuldenlast gebukt gingen, op het oogenblik, waarop men dit het minst verwachtte, zien bezwijken. Hoe hooger de Engelsche praktizijn overigens stijgt, des te grooter is de verantwoordelijkheid voor zijne daden tegenover zijne ambtsbroeders. IJe Raad van de inn of court, waartoe hij behoort, heeft het recht hem in zijn zegevierenden loop te stuiten, indien hij zijne toevlucht genomen heeft tot middelen, die tegen de gebruiken der balie aandruischen. Deze maatschappijen hebben in zekeren zin den advokaat gemaakt; zij kunnen hem dien titel weer ontnemen. Een vonnis van deze hoven is voldoende om het veroordeelde lid te disbar, dat wil zeggen , hem zijn toga en voorrechten te ontnemen. Ingeval echter de gedegradeerde advokaat zich niet aan de uitspraak der bench (het Liestuur der inn) wil onderwerpen , kan hij bij eene Rechtbank appelleren, welke uit vijftien rechters is zamengesteld en wier vonnis onherroepelijk is.

Jonge barristers, die meer nederigheid of waardigheid bezitten, en die zich door de onheilen, aan meer vermetelen overkomen, laten waarschuwen , vergenoegen zich met eenige kamers te huren , waar zij de praktijk afwachten. De zaken komen al of niet; meestal kan de klerk , dien zij in dienst genomen hebben om in hunne afwezigheid de cliënten te woord te staan en het te doen voorkomen, alsof zij het zeer druk hadden, het grootste gedeelte van zijn tijd met de armen over elkander zitten. Zij zelve weten naauwelijks wat met hunne ledige uren aan te vangen , tenzij zij zich bij een anderen meer gelukkigen advokaat voegen, van wieu zij dan, volgens de Engelsche uitdrukking, de arme duivels zijn. Toch blijft hun een hulpmiddel over. De balie staat van meer dan eene zijde rnet de letterkunde in verband. Lord Coke, een beroemd Engelsch practizijn, verhoovaardigde er zich op, dat een zijner rechtsgeleerde werken meer dan honderd aanhalingen uit de oude dichters bevatte. Nog ten huidigen dage leveren de inns of court uitstekende mede-arbeiders aan de Londensche dagbladen, tijdschriften en magazines. Sommige beroemde romanschrijvers zijn overloopers uit het gild der advokaten ; zij hebben een tijd lang in de holen van het recht geleefd; en dikwijls worden de Engelsche rechtsinstellingen of gebruiken door hen met de meeste bitterheid beoordeeld. Kan men hen altijd op het woord gelooven ? Zij kunnen het de wet niet vergeven, dat zij hun eenige schoone jaren der jeugd heeft ontroofd. Niemand voorwaai zal het hun euvel duiden, dat zij die strenge meesteres verlaten hebben voor de letterkunde, wier troetelkinderen zij thans zijn ; maar toch moet men zich wachten hun oordeel, waarop teleurgestelde verwachting duidelijk haar invloed uitoefent, onvoorwaardelijk aan te nemen. Die jonge barristers daarentegen , die, met groote zielskracht gewapend, weerstand hebben kunnen bieden aan de verlokkingen van een verraderlijken roem, en de hinderpalen in het begin hunner inoeijelijke loopbaan hebben weten te doorworstelen , oogsten er later de schoonste vruchten van. Nergens wordt de advokaat ruimer voor zijne moeite beloond dan in Engeland. Zijne fortuin groeit dagelijks met zijne vermaardheid aan. Vóór den dageraad op de been , waakt hij, terwijl anderen slapen ; zijn leven is eene aaneenschakeling van arbeid en worstelingen ; maar welk een heerlijk uitzicht opent zich voor hem 1 Na eene vijftienjarige praktijk , waarin hun redenaars¬

de klerk , dien zij in dienst genomen hebben om in hunne afwezig- j

talent heeft uitgeblonken, vestigen sommige leden der Engelsche balie hunne blikken op een zetel in het Parlement; anderen nemen als 't ware stormenderhand, door hunne algemeen erkende verdiensten , de hooge rechterlijke betrekkingen in. Het ambt van rechter wordt aan gene zijde van het Kanaal alleen aan den advokaat toegekend.

ALIMENTATIE. — SOLIDARITEIT.

(Ingezonden.)

Mijnheer de Redacteur !

Ik kan het geen rechter euvel duiden, als hij, door practicale beslommeringen verhinderd , het Romeinsch recht, hoe nuttig en onmisbaar nog, niet heeft kunnen maken tot het bijzonder voorwerp zijner studiën , of niet in de minste bijzonderheden met zijne beginselen en toepassing vertrouwd is. Toch zoude ik voor de eer der Nederlandsche rechtwetenschap en die der rechtspraak wenschen , dat in rechtelijke gewijsden geene blijken van onkunde voorkwamen , als in een vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Zutphen de dato I tNov. 1867 ( Weekbl. n'. 3026), alwaar men letterlijk het volgende leest:

«dat de solidariteit evenmin uit kracht eener wetsbepaling kan worden aangenomen ; dat integendeel de ouders in dit opzicht zijn medeschuldenaren , correi debendi, en alzoo in den regel verbonden elk voor gelijk aandeel.»

Ónze studenten van het eerste studie-jaar weten en moeten op straffe van afwijzing bij hun eerste examen weten, dat correi debendi juist zijn die schuldenaren , waarvan elk voor het geheel kan worden aangesproken. Staat de Zutphensche rechter beneden onze dupondii ?

Doch niet alleen met het Romeinsche recht, maar ook met het Nederlandsche wordt door dezelfde Rechtbank wonderlijk omgesprongen.

Overwegende, zegt zij : »dat de wet niet uitdrukkelijk verklaart, dat de verpligting der ouders tot onderhoud hoofdelijk voor het geheel op eiken der ouders berust ter keuze van de kinderen;

«dat die solidariteit evenmin uit kracht eener wetsbepaling kan worden aangenomen.»

Deze beide overwegingen zijn blijkbaar eene tautologie, die zich alleen laat verklaren daardoor, dat Zutphens vierschaar de in art. 1318 B. W. voorkomende woorden: tenzij zulks uitdrukkelijk bepaald zij, heeft opgevat van eene uitdrukkelijke wettelijke bepaling, terwijl zij blijkbaar bedoelen een beding, bij de overeenkomst gevoegd, of zoo als het in den Code (art. 1202) voorkomt: »il faut qu'elle soit expressément stipulée.»

G.

AANBEVELINGS-LIJST.

(Ingezonden.)

Het Koninklijk besluit van 19 Aug. 1868, n°. 52, waarbij, met ingang van 16 Sept. e. k., eervol ontslag wordt verleend aan den kantonregter te Delden, en tevens, met ingang op dien datum, wordt benoemd tot kantonregter aldaar, Mr. A. van Laer, heeft bij mij de vraag doen oprijzen, of bij die benoeming niet is miskend de bepaling van art. 5 > R. O.

Hij dat wets-artikel is bepaald, dat, bij het openvallen van eene plaats van regter, plaatsvervanger, of griffier of kantonregter , door de Kegtbank, de officier van justitie daaronder begrepen, aan den president en procureur-generaal van het Provinciaal Geregtshof moet worden ingezonden eene lijst van aanbeveling van drie kandidaten, welke lijst aan den Koning zal worden aangeboden , om daarop zoodanig acht te slaan als hij zal dienstig oordeelen.

In dit geval is het moijelijk aan te nemen, dat de hierbij betrokkene Regtbank eene zoodanige lijst van aanbeveling aan den president en procureur-generaal van het Geregtshof heeft ingezonden, en door dezen den Koning aangeboden.

De plaats toch van den eervol ontslagen titularis valt eerst open op 16 Sept. e. k., en eerst met dat tijdstip wordt voorde Regtbank de wettelijke verpligting geboren eene aanbevelings-lijst in te zenden; en reeds vier weken bevorens is het besluit tot benoeming van den opvolger voor de daardoor opengevallen plaats genomen.

Is dus de veronderstelling, zoo als die uit de opgegeven omstandigheden schijnt te volgen, juist, dan is bij het hierboven vermelde besluit miskend de bepaling van art. 52 R. O., en is de Arrond.Iiegtbank te Almelo daardoor verkort in het haar bij de wet toegekende regt, en de onschendbaarheid dier wetsbepaling daardoor aangetast.

Hoe men nu ook moge denken over het nut en het wenschelijke dier aanbevelings-lijsten, is zooveel echter zeker, dat, zoolang de wet, die zulks voorschrijft, bestaat, deze behoort te worden nageleefd.

De ondergeteekende verklaart gaarne geen voorstander te zijn van die aanbevelings-lijsten, en nam dus met genoegen kennis van het wets-ontwerp, door den vorigen minister van Justitie aan de StatenGeneraal aangeboden, waarin o. a. de intrekking van art. 52 R. O. werd voorgedragen.

Het mag met grond verbazing opwekken, dat thans het hierboven gemeld geval zich voordoet, waarvan mij geen tweede voorbeeld bekend is, en zulks onder het bestuur van den tegenwoordigen minister van Justitie, wiens eerste daad bijna is geweest het hierboven vermelde wets-ontwerp van zijnen voorganger in te trekken.

Mag men uit die handeling nu wel niet afleiden , dat de tegenwoordige minister van Justitie een voorstander is van die aanbevelings-lijsten, zooveel is zeker, dat Zijne Excellentie het behoud daarvan wenschelijk heeft geacht, immers voor alsnog, omdat door het wets-ontwerp van zijnen voorganger te veel werd ingegrepen in de bestaande wet op de regterlijke organisatie (zie de consideransen, waarbij dat wets-ontwerp is ingetrokken).

Nu de tegenwoordige minister van Justitie geene zwarigheid schijnt te maken, bij het in stand houden van art. 52 R. O., den Koning een besluit tot benoeming van een kantonregter aan te bieden, zonder dat de bevoegde Regtbank in staat is geweest aan de bevoegde regterlijke autoriteit eene aanbevelings-lijst in te zenden en deze wederom die lijst den Koning aan te bieden, ben ik , salua reventia , van oordeel, dat de handeling van den vorigen minister van Justitie , om de bedoelde wetsbepaling op wettige wijze te doen vervallen , de voorkeur verdient boven de handeling van zijnen opvolger , om die wetsbepaling via facti buiten werking te stellen, omdat daardoor in alle geval de onschendbaarheid der wet wordt aangetast.

Met de opneming dezer beschouwing zult gij verpligten

Gorinchem, 29 Augustus 1868. v. D. Honert.

Aan de Redactie van het Weekblad van het Regt.

HOOGE RAAD. — Kamer van Strafzaken.

Zitting van Maandag, 7 September.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

Behandeld het beroep van :

1°. van Gena en Loos, H. en A. Visscher, A. Kiesbrink, H. Bogaarts en C°. en A. Budde, tegen een vonnis van de Regtbank te Leeuwarden; rapp., raadsh. Huguenin ; gepleit Mr. M- S. Pols. Conclusie bepaald op 15 September.

2". C. J. Marijnen, tegen een vonnis van de Regtbank te Breda; rapp., raadsh. van der Sande. Adv.-gen. Romer concludeer' tot vernietiging van het vonnis en verwijzing der zaak naar het Hof in Noordbrabant. Uitspraak 29 September.

Zitting van Dingsdag, 8 September.

Behandeld het beroep van:

1". T. R. Reitsma, tegen een arrest van het Hof in Groningen; rapp., raadsh. Wintgens. Adv.-gen. Römer concludeert tot verwerping. Uitspraak 15 September.

2'. H. A. Versteegh, tegen een arrest van het Hof in Gelderland; rapp., raadsh. Elias. Adv.-gen. Römer concludeert tot verwerping. Uitspraak 15 September.

NB. Woensdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Door den gouv.-gen. van Ned.-Indiè is een tweejarig verlof verleend naar Nederland, wegens ziekte, aan den officier van justitie bij den Raad van justitie te Soerabaya , Mr. P. J. J. C. van Nieuwenhoven Helbach, en aan den onderschout bij de politie te Samarang» M. Linard; en

op verzoek eervol ontslagen, als advokaat en procureur bij Hoog Geregtshof van Ned.-Indië, Mr. W. a Brakel Reiger.

BE RiGT EN.

's Gravenhage , den 9 September.

Het door sommige dagbladen medegedeelde berigt, dat de minister van Justitie aan een regterlijk ambtenaar de taak zoude hebben opge' dragen een voorstel te ontwerpen tot afschaffing der doodstraf, is' naar men ons verzekert, van allen grond ontbloot.

REGTSGELEERDE UITGAVEN.

AMERIKAANSCHE LITERATUUR.

«

New-York Code of Procedure, as Ameuded April I 867. 32°. New'York 1867, p. 220.

Walsh (M. M. 1).), The Lawyer in the Schoolroom : Comprising the Laws of all the States on Educational subjects. i2". New-York 1867, p. 161.

Wedgwood and Homans, A Law Manual for Notaries Public and Bankers. 8". New-York 1867, p. 779.

Van Huren (Martin) , Inquiry into the Origin and Course of Political Parties in the United States. 8°. New-York 1867, p. 436.

AD VERTENTIEN.

Bij GEBROEDERS BELINEANTE, teQravenhage, ziet het licht;

THEMIS,

REGTSHLUNDIG TIJDSCHRIFT.

Door Mr. Dav. H. Levtssohn Nokman , Mr. A. de Pinto , M» Gijsb. M. van der Linden, Jhr. Mr. .1. de Witte van Citteks en Mr. J. Kappeyne van de Coppello.

JAAttCJAHTG* tses (N". 3. XV Dl., 2de verz.).

inhotjds-opoave:

STELLIG REGT (NEDERLANDSCH).

Burgerlijk regt en Regtsvorderlng. — Een woord

over dienstbodenrecht, door Mr. G. Belinfante , Advokaat ,e 's Gravenhage.

Straf regt en Strafvordering. — Art. 471, n°. 5,

den Code Pénal. — Eene ontwerp-verordening op het bouwen enz-• door Mr. I. LÉon , Advokaat te 's Gravenhage.

REGTSGESCHIEDENIS.

Schets van het oud-Friesche privaat-regt, door Mr. I. TeltiNö» Advokaat te Leeuwarden (Vervolg).

BOEKBEOORDEELINGEN en verslagen.

ruitenlandsche litteratuur.

De la peine de mort, par K. d'Olivecrona , 'conseiller a la suprème de justice du royaume du Suede , etc., avec un rapport l'académie des sciences morales et politiques, par M. Ch. Lucas. "* Traduction de J. H. Kramek. —• Paris 1868 , A. Duranp e Pëdonk-Lauriel. — 204 pag. in 8vo, door Mr. A. de Pint0' Advokaat te 's Gravenhage.

BERIGTEN VAN GEMENGDEN AARD.

Concept- Crimineel Wetboek en Reglement van Krijgstucht voor Krijgsvolk te Water van het Koningrijk Holland, ingeleverd Koning Lodewijk, in Februarij 1808, medegedeeld door Mrvan der Hoeves , Advokaat te Breda.

Programma der prijsvragen van het Prov. Utrechtsch Genootschap-

REGTSGELEERDE BIBLIOGRAPHIE.

Snelpersdruk en uitgave van tJKBïlO

llEliIüfSfAWTIE , te 's *irt*veitJ»»sre*

Sluiten