Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 1 October !868.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REöTSKÜNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

N°. 505,9.

DER Tl GS TH JAAR GAN G.

JUS ET VERITAB.

Bit blad verschijnt geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang f 20 ,• voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs der advertentiën, zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van HH. gewone correspondenten, franco.

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSIIOF IN GELDERLAND. Kauier van correctionnele appellen.

Zitting van den 25 Februarij 1868.

Voorzitter, Mr. G. J. C. Schneither.

Kan een zakmes als wapen worden beschouwd, wanneer daarvan geen gebruik is gemaakt om te kwetsen? — Neen.

W. J., voor de Arrond.-Regtbank te Zutphen vervolgd ter zake van verzet tegen eenen rijks-veldwachter, die hem betrapte op houtdie^erij en hem het zakmes, waarmede hij dat hout had gesneden, wilde afnemen , bij welke gelegenheid hij aan den beambte een slag in het aangezigt en een stoot op de borst had toegebragt en met hem geborsteld , terwijl hij steeds dat mes in de hand hield, — werd te dier Zake door die Regtbank schuldig verklaard aan wederspannigheid, ê^pleegd door een persoon met wapenen, en veroordeeld tot gevangen-straf van zes maanden.

Op het ingesteld hooger beroep overwoog het Hof ten aanzien der

^alificatie:

dat het mes, hetwelk tijdens zijn verzet de bekl. in de hand had, e6n zakmes was, hoedanig alle veldarbeiders gewoonlijk bij zich dragen, en hetwelk dus, vermits daarvan geen gebruik is gemaakt 0lïi te kwetsen, volgens art. 101 Strafregt, niet voor wapen wordt §6houden;

qualificeerde dien ten gevolge het feit als rebellie, zonder geweer Wapenen gepleegd , en veroordeelde den bekl. tot gevangenis-straf v»n drie maanden.

Zitting van den 1 1 Maart 1868.

Wanneer een beklaagde voor de Regtbank gelijktijdig is vervolgd wegens overtreding der wet op de jagt en visscherij en rebellie, kan dan die zaak, wanneer zij ten deele ten gevolge van ver~ wijzing door den Hoogen Raad, ten deele ten gevolge van ingesteld hooger beroep , aan de kennisneming van het HoJ wordt onderworpen, bij één en hetzelfde arrest worden afgedaan ? — Ja.

Kan de handhaving der gegeven vrijspraak door den Hoogen Raad , die alleen gesaisisseerd was van overtreding der wet op de jagt en visscherij, ten gevolge hebben, dat de vervolging ter zake van rebellie als op zich zelf staand wanbedrijf wordt afgesneden , ofschoon daarvan is geappelleerd; of kon die rebellie bij den Hoogen Raad alleen in aanmerking komen , voor zoover zij eene verzwarende omstandigheid van eerstgemelde overtreding opleverde? —• Xn laatstgemelden zin beslist.

Stelt het naar zich toetrekken en daardoor aan den verbaliserenden ambtenaar ontrukken van het voorwerp eener overtreding , dat deze wil in beslag nemen, doch door den bekeurde nog niet was losgelaten, zoodanig geweld daar, dat de dader daardooi schuldig wordt aan rebellie ? — Neen.

H. v. H. stond voor de Regtbank te Tiel te regt ter zake van het visschen met een verboden vischtuig, zonder visch-acte of eenige verS^nning, en van het zich feitelijk en gewelddadig verzetten tegen een attibtenaar, die hem bekeurd had, toen deze het gebruikte vischnet ^'ilde in beslag nemen.

Ter teregtzitting bleek, dat, nadat de beambte de mazen van het ®8t had gemeten en hij dit wilde in beslag nemen, de bekl., die onder h^t meten steeds den stok van het net had vastgehouden, dit naar z'ch toe had getrokken en daardoor aan de handen van den beambte

°ntrukt.

Hij werd door de Regtbank ter zake van de overtredingen der wet °P de jagt en visscherij veroordeeld, doch van de rebellie vrijgesproken."

De officier van justitie voorzag zich tegen het eerste deel van dat v°nnis in cassatie , omdat de Regtbank verzuimd had art. 43 der aangehaalde wet toe te passen, en kwam van het overige in hooger beroep bij het Hof.

®e Hooge Raad, de zienswij ze van den req. deelende, vernietigde vonnis , voor zooverre daarvan beroep in cassatie was gedaan , etl verwees de zaak naar het Hof om op de bestaande dagvaarding , 1064 instandhouding der gevallen vrijspraak, op nieuw te worden beregt e" afgedaan.

Zoowel die zaak als het ingestelde hooger beroep werden daarop 31J twee afzonderlijke dagvaardingen door den proc.-gen. tegen den*elfüen regtsdag aanhangig gemaakt; waarop het Hof, na de behane'ing dier zaken , bij één arrest daarin uitspraak deed en, ten aanZlen der beide eerstgemelde vragen

Overwegende, dat de beregting dezer zaak, ten gevolge harer verj'Uzing aan dit Hof, door het bovenvermelde arrest van den Hoogen 'aad, te gelijk met de behandeling van het hierboven omschreven beroep van het Openb. Min. bij de Arrond.-Regtbank te Tiel, ofschoon UliS bij twee afzonderlijke dagvaardingen, door het Openb. Min. aangebragt, echter gevoegelijk bij één en hetzelfde arrest van dit Hof ka* Worden afgedaan ;

9*5 instandhouding door den Hoogen Raad van de gegeven

'Uspraak beperkt moet blijven tot de verzwarende omstandigheid, ^velke ten aanzien van de overtreding der wet op de jagt en visscherij Zoii ontstaan , indien deze verzeld ware van feitelijk en gewelddadig erzet tegen den ter zake van die overtreding verbaliserenden ambteI1:'ar > onverminderd het onderzoek ten aanzien van zoodanig feitelijk en gewelddadig verzet, naar aanleiding van het hooger beroep, deswege

opgeworpen door den heer officier van justitie te Tiel, op hetwelk het vernietigend arrest van den Hoogen Raad geenerlei invloed kan uitoefenen, —

den beklaagde tot gelijke straffen veroordeelde als de eerste regter, thans echter mede onder toepassing van art. 43 vermeld ; doch ten aanzien der aanklagte van rebellie, het vonnis, waarvan hooger beroep, bevestigde op de volgende overwegingen :

O. ten aanzien van het hooger beroep, door het Openb. Min. bij de Regtbank te Tiel opgeworpen tegen het vonnis dier Regtbank dd. 31 Oct. jl. , voor zoover de bekl. daarbij is vrijgesproken van het feit van feitelijken en gewelddadigen wederstand , hem bij dagvaarding ten laste gelegd:

dat uit het hiervoren vermelde proces-verbaal van den rijks-veldwachter Malle'e, nader bevestigd en toegelicht door zijne beëedigde verklaring als getuige ter teregtzitting van dit Hof, is gebleken, dat, toen hij veldwachter, na de hierboven opgegeven meting der mazen van het schepnet of kuil, waarmede de bekl. in door hem erkende overtreding der wet visschende was bevonden, dat net, als verboden vischtuig, in beslag wilde nemen, — de bekl. het hem uit de hand rukte, weigerende het af te geven; dat gedurende het meten der mazen de bekl. het net bij den stok in de hand had en het overeind hield, en dat, toen hij getuige sprak van het in beslag te nemen, de bekl., het net naar zich toe trekkende, hem hetzelve uit de hand rukte; waartegen, blijkens het proces-verbaal der teregtzitting te Tiel, de bekl. heeft beweerd, dat, toen de veldwachter zijn naam opschreef en daarbij zeide, dat hij het net af moest geven, hetgeen hij .bekl. weigerde , en waarop hij wegging, de veldwachter het net niet in de hand had;

O., dat, daar het alzoo blijkt, dat, terwijl de veldwachter de mazen van het net meette, de bekl. het net zelf nog met den stok in zijne hand had , zijn verzet tegen de in-beslag-neming, op de door den getuige opgegeven wijze, niet geacht kan worden met zoodanige daad van geweld te zijn geschied als bij art. 209 Strafregt uitdrukkelijk vereischt wordt om wederstand of verzet tegen een bedienend beambte strafbaar te maken, al wordi ook aangenomen, dat op het tijdstip, toen de bekl. het naar zich toetrok, en zich daarmede verwijderde, de veldwachter zijne hand nog aan een gedeelte van het net had geslagen ;

Bevestigt enz.

arrondissements-hegtbanken.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE ALMELO.

Hurj^eirUjlte li«oier.

Zitting van den 7 December i 864.

Voorzitter, Mr. J. Kalfe , opposant.

Beweerde overbkdeeling.—Begrip van dabing. — Vereischten

voor de geldigheid eeneb dading over eenig regt. —

Strkkking en gevolgen der onderwerpelijk.e dading.

J. H. Spelberg, te Lonneker , opposant,

tegen

het Bestuur der Registratie en Domeinen, geopposeerde.

De Regtbank enz.,

Gezien het na te melden dwangschrift, en verdere stukken van het geding, voor zooveel noodig geregistreerd;

Gehoord het verslag van den regter-rapporteur Mr. J. van Riemsdijk;

Gehoord den officier van justitie, *ihr. Mr. W. J. Jdniüs van Hemert, concluderende tot ontzegging van den eisch van den opp., met veroordeeling in de kosten;

Wat de daadzaken aangaat:

Overwegende, dat het eischend Bestuur, bij behoorlijk beteekend dwangschrift, afgegeven door zijnen ontvanger te Enschede' den 7 April jl., en tenzelfden dage executoir verklaard door den kantonregter aldaar, ten laste van den opp. J. H. Spelberg, heeft gevorderd eene som van zamen ƒ 67,1.61 %, onverminderd de renten a die morae, en de kosten van vervolging, en zulks voor regten van registratie en overschrijving en opcenten, als te weinig geheven op de acte van scheiding, den 15 Julij 1862 verleden voor den notaris I. Blijdenstein te Enschedé, den volgenden dag geregistreerd tegen het vast regt van f 2.40 in hoofdsom, en overgeschreven ten kantore van hypotheken te Almelo den 29 Julij 1862 in deel 130, nummer 74; houdende scheiding en verdeeling tusschen G. ten Kate, weduwe van J. Spelberg , landbouwersche te Lonneker, en haren zoon J. H. Spelberg voornoemd, van :

1°. de gemeenschap, bestaan hebbende tusschen H. Spelberg eu W. Derking , ouders van .1. Spelberg;

2U. de gemeenschap tusschen G. ten Kate en J. Spelberg, ouders van J. H. Spelberg;

3 . de nalatenschap van J. Spelberg;

4°. de nalatenschap van H. Spelberg;

dat het eischend Bestuur, bij evengemeld dwangschrift, als gronden voor die vordering aanvoert: dat, ingevolge de voormelde acte, W. Derking en H. Spelberg waren gehuwd, onder het landregt van Overijssel, in algeheele gemeenschap; eerstgemelde is overleden den 11 .lulij 1840, tot erfgenaam naar d'e wet nalatende haren zoon J. Spelberg; J. Spelberg en G. ten Rate onderden Code Napoleon, volgens contract, verleden voor den notaris Greve te Lonneker den 24 April 1835, zijn gehuwd in algeheele gemeenschap; eerstgemelde J. Spelberg is overleden den 2 Mei 1858 , tot erfgenaam , ingevolge geheim testament, in bewaring gegeven bij notaris Greve te Lonneker den 1 Mei 1857, achterlatende zijne vrouw voor het beschikbare deel, en voor de legitieme portie zijnen zoon J. H. Spelberg; eindelijk

H. Spelberg, bij acte, verleden voor den notaris Greve te Enschedé den 21 Julij 1858 , de helft der na te melden onroerende goederen aan zijne schoondochter G. ten Kate heeft overgedragen; dat, volgens partijen in de acte, deze aankoop, op grond van art. 182 B. W., het effect zoude hebben, dat de aangekochte goederen daardoor zouden behooren tot de gemeenschap van koopster en wijlen haren voornoemden man, daar zij verzuimd had binnen drie maanden inventaris op te maken, en J. H. Spelberg op het overlijden zijns vaders nog minderjarig was, en de beschikking, door H. Spelberg gemaakt, waarbij hij zijne schoondochter tot erfgename van het beschikbaar [gedeelte heeft benoemd, ingevolge genoemd art. 182 gelijk effect zoude hebben; dat partijen bij de gemelde acte verder te kennen geven, dat zij het oneens zijn over ieders regten, en alsnu bij dading bepalen, dat aan de weduwe zal komen 17/32 en aan haren zoon 15/32 in de na te melden baten; dat de deelbare gemeenschappelijke baten , alle herkomstig uit den boedel van H. Spelberg en W. Derking , volgens de acte, bestaan in :

inboedel, geschat op f 1,600

vaste goederen in de gemeenten Lonneker en Enschedé,

te zamen gewaardeerd op 32,000

Te zamen . . f 33,600

dat, volgens de acte, is toegedeeld aan de weduwe:

van het vast goed, voor eene waarde van .... ƒ 16,650

van den inboedel, voor » 1,200

Te zamen 17/32 of . . f 17,850

en aan den zoon J. H. Spelberg meergenoemd:

van het vast goed voor eene waarde van f 15,350

van den inboedel, voor. . . 400

Te zamen 15/32 of . . f 15,750

dat, wanneer in deze twijfel omtrent ieders regten op de massa kon bestaan en daarover inderdaad geschil aanwezig kon zijn , partijen dit bij dading zouden hebben kunnen opheffen , maar hiervan in deze geen sprake kan wezen , vermits elks regten op de massa door de bestaande titels behoorlijk uitgewezen werden;

dat J. Spelberg en G. ten Kate, onder den Code Napoléon, ingevolge contract, in gemeenschap zijn gehuwd, en die gemeenschap dadelijk bij den dood des eerstgemelden ophield (artt. 1441 , no. 1 , 1442 C. N., in verband met art. 38 der wet op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving); dat dien ten gevolge, uitwijzens eene daarvan bij het dwangschrift gemaakte berekening, uit kracht der bestaande en gejustificeerde titels van mede-eigendom, de deelgenooten J. H. Spelberg en G. ten Kate tot de verdeelde baten zijn geregtigd, de eerste tot een bedrag van f 4,600, en de tweede tot een bedrag van J 29,000; dat alzoo uit die titels blijkt, dat J. H. Spelberg voor een veel kleiner aandeel in de massa geregtigd was dan hem daaruit is toegedeeld, en hij te veel heeft erlangd de som van f 11,150; wegens welke overbedeeling aan regten en opcenten is verschuldigd en niet geheven het voormelde gevorderde bedrag van zamen f 678.61 %;

O., dat de opp., bij deurwaarders-exploit van den 14 derzelfde maand, tegen dat dwangschrift in verzet is gekomen, met dagvaarding van het geopposeerde Bestuur voor deze Regtbank, ten einde te hooren vonnissen, dat de onderwerpelijke oppositie is goed en van waarde, en het dwangschrift voornoemd van onwaarde, bij gevolg dat dwangschrift te hooren te niet doen en stellen buiten effect, met veroordeeling in de kosten ;

O., dat de opp. dat verzet daarop grondt; dat de dading, tusschen hem en zijne moeder aangegaan, bij de acte van scheiding van 15 Julij 1862 , wel eene dading is, en als zoodanig ook voor het regt van registratie moet aangemerkt worden; dat er aanleiding tot dading bestaat, zoo partijen werkelijk geschil hebben over eenig regt, onverschillig of het punt in geschil al dan niet regtskundig aan twijfel is onderhevig; dat niet mag ondersteld, maar moet bewezen worden, dat eene regtshandeling is gesimuleerd, en bovendien zoodanige onderstelling in deze wordt buitengesloten , doordat hier werkelijk een geschilpunt aanwezig was; dat toch in deze twijfel bestond, of de goederen , door G. ten Kate verkregen na doode van haren echtgenoot, ten gevolge van haar verzuim om binnen drie maanden na diens overlijden een inventaris te doen opmaken, al dan niet zijn gevallen in de gemeenschap van goederen, tusschen haar en haren overleden man hebbende bestaan ; dat , blijkens het dwangschrift , het geopposeerde Bestuur, even als G. ten Kate, van meening is, dat in deze moet worden toegepast art. 1442 C. N. , en niet art. 182 B. W., dewijl het huwelijk is gesloten onder de werking van eerstgemeld wetboek ; doch dat, naar de meening, door den opp. en regtsgeleerde schrijvers gedeeld, art. 182 voornoemd, zoo de eerststervende echtgenoot (zoo als in casu) overleden is onder de werking van het Burgerlijk Wetboek, ook van toepassing is, indien het huwelijk onder eene andere wetgeving is gesloten , als zijnde die bepaling uitsluitend op de wet gegrond; en dat derhalve op de voormelde acte van scheiding niet te weinig is geheven het bij dwangschrift gevorderd bedrag;

0., dat het geopposeerde Bestuur, bij memorie van antwoord, tot ontzegging van de vordering des opposants heeft geconcludeerd,'met veroordeeling in de kosten, in de eerste plaats, even als bij dwangschrift , bewerende, dat de titel van mede-eigendom van den opp. slechts is gejustificeerd tot een bedrag van ƒ4,600, terwijl hem goederen zijn toebedeeld ter waarde van / 1 5,750, over welke meerdere, volgens art. 68, § 3, n°. 2, en art. 69 der wet van 22 Erimaire jaar VII, de gewone regten van overgang zijn verschuldigd; dat in deze voor partijen geene aanleiding tot dading bestond, vermits de bewering omtrent de toepasselijkheid van art. °182 B. W. was in strijd met de wet, en dat eene schikking over eene quaestie, die geene quaestie is , het gevolg niet heeft om voor de toepassing van de registratiewet een titel van mede-eigendom te justifiëren , die niet gejustifieerd is ; voorts dat de stelling, dat, omdat de acte van scheiding eene dading is, daarop niet te weinig is geheven, het bij dwangschrift gevorderd bedrag door

Sluiten