Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen

1". W. Grootliedde, oud een-en-veertig jaren, arbeider, geboren te

Warnsveld , wonende te lirummen ;

2U. F. Put, oud vier-en-dertig jaren , arbeider, geboren en wonende

te Khienderen, onder lirummen ;

3E. Gietelirik , oud zes-en-veertig jaren , arbeider, geboren en

wonende te Rhienderen , onder Brommen, en 4". C. Bierhof, oud zes-en-veertig jaren, arbeider, geboren en wonende te Hal, onder Brummen.

De beklaagden waren, ingevolge arrest van den Iloogen Raad der . Nederlanden van den 5 Mei 1868 ( Weekbl. n». 3006;, op nieuw teregtgesteld, ter zake van de feiten, waarvan zij zijn aangeklaagd en die zijn vermeld in de acte van dagvaarding van den kantonregter te Apeldoorn, aan hen op den 10 Febr. 186s beteekend door den deurwaarder bij de Arrond.-Regtbank te Arnhem, F. Pohlmann , residerende te Voorst, bestaande die feiten daarin : dat zij op den 3 Febr. 1868 eene sloot, liggende tusschen de zoogenaamde Ambachtsstraat in het dorp Brummen, voorkomende op den legger A van de wegen, voetpaden, straten en stegen in de gemeente Brommen, vastgesteld door Ged. Staten der provincie Gelderland bij besluit van den 8 Nov. 1859, n». 53, en het aldaar gelegen bouwland, toebehoorende aan den heer Mr. A. T. L. Metelerkamp, zonder beroep, wonende te lirummen, gezamenlijk hebben gedempt, zonder schriftelijke vergunning van het Gemeentebestuur te Brummen.

Hierop is door de Regtbank gewezen het volgende vonDis :

De Regtbank enz.,

Gezien het exploit van dagvaarding, op den 29 Mei 1868 aan de beklaagden beteekend;

Gezien het proces-verbaal, den 3 Febr. 1868 door den heer burgemeester der gemeente lirummen ten laste van de beklaagden, ter zake voorschreven , opgemaakt;

Gehoord de mondelinge en beëedigde verklaringen van de getuigen, door het Openb. Min. tot bezwaar gedagvaard;

Mede gehoord de conclusie van het Openb. Min., ten deze vertegenwoordigd door den heer fungerenden subst.-officier van justitie bij deze Regtbank, Mr. li. P. Baron van Verschuer, door denzeiven voorgelezen en daarna in geschrift overgelegd, daartoe strekkende , dat de Regtbank de beklaagden ontslaan zal van alle regtsvervolging;

Eindelijk gehoord de beklaagden in hunne antwoorden en middelen van verdediging, mede namens hen voorgedragen door hunnen verdediger, Mr. E. Scheidius , advokaat te Arnhem ;

Overwegende, dat, bij arrest van den Hoogen Raad van den 5 Mei jl., met vernietiging van een vonnis van den heer kantonregter te Apeldoorn van den 27 Febr. te voren, de zaak, waarvoor de beklaagden thans te regt staan, naar deze Regtbank is verwezen, ten einde op de bestaande dagvaarding op nieuw te worden beregt en afgedaan ;

0., dat uit de bekentenis van de beklaagden en de onder eede afgelegde verklaringen van de getuigen L. .1. N. van Essen, burgemeester, en A. F. L. Metelerkamp, zonder beroep, beiden wonende te Brummen, alsmede uit het op zijnen ambtseed door den eersten dier getuigen opgemaakt proces-verbaal van 3 Febr. 11., wettig en overtuigend is bewezen, dat de beklaagden gezamenlijk vóór dien dag hebben gedempt eene sloot, die gelegen was tusschen de zoogenaamde Ambachtsstraat en de gronden van den tweeden getuige, een en ander in de gemeente Brummen;

0., dat de beide bovengenoemde getuigen al wijders onder eede hebben verklaard, dat die straat voorkomt op den legger A van do wegen in voormelde gemeente, en dat de bewuste sloot was het eigendom van den tweeden getuige; eindelijk dat tot het dempen dier sloot geene schriftelijke vergunning was gegeven door het Gemeentebestuur van Brummen;

0., dat de getuige Metelerkamp voorts mede onder eede verklaard heeft, dat hij aan de beklaagden, die voor hem werkzaam waren, last gegeven heeft tot demping dier sloot, en dat zij daarmede vóór gezegden 3 Febr. zijn bezig geweest, welke verklaring overeenkomt met "de bewering der beklaagden ter teregtzitting, en met hunne opgaven, aan den burgemeester van Brummen gedaan, blijkens diens proces-verbaal, op 5 Febr. 1868 op den ambtseed opgemaakt;

0., dat eindelijk de getuige iVlete'erkamp nog verklaard heeft, dat die sloot, welke tijdens de demping grensde aan de Ambachtsstraat, vroeger van veel geringeren omvang was en op verschillende plaatsen niet vlak aan laatstgemelde gelegen, maar dat zich tusschen beide nog bevond eene strook lands van eenige duimen breedte, hem getuige in eigendom toebehoorende; wijders dat de sloot, waarvan bij deze vervolging sprake is, haren toestand tijdens de demping eerst te danken heeft gehad aan eene ten verzoeke der eholera-commissie in 1866 gedane verbreeding en uitdieping dier vroegere sloot of greppel, en zulks als gezondheids-maatregel;

O., dat die beweerde toestand der sloot in 1866 en vroeger (dien al als bewezen aannemende) hier niet in aanmerking komt, maar alleen die, waarin zij zich bevond, tijdens daaraan geschied is de bij dagvaarding geïncrimineerde handeling, en dat toen de sloot wel degelijk grensde aan de Ambachtsstraat;

O., dat die wettig bewezene handeling daarstelt het in eene sloot langs eenen openbaren, op den legger A der gemeente Brummen voorkomenden weg leggen van beletselen , zonder schriftelijke toestemming van het Bestuur der gemeente;

O., dat, naar aanleiding van de verklaringen van den burgemeester en van den heer Metelerkamp, ter teregtzitting onder eede afgelegd, voor waar mag worden aangenomen de bewering der beklaagden , dat zij niet hebben geweten, dat de heer Metelerkamp hun zijne sloot deed dempen zonder verkregene vergunning van het Gemeentebestuur , en dat zij daarnaar ook geen onderzoek hebben gedaan ;

0. met betrekking tot de schuld van de beklaagden aan dat feit, dat, bij overtreding van politie-verordeningen als waarvan hier de rede is, het bewijs van het plegen van het feit door de beklaagden (hetgeen , blijkens het boven overwogene, volkomen is daargedaan), volgens erkende regtsbeginselen, hunne strafregtelijke toerekenbaarheid in zich sluit, zonder dat, gelijk bij misdaden of wanbedrijven, van moedwil of cuipa behoeft te blijken;

O., dat, wel is waar, door de regtsdoctoren onderscheid gemaakt wordt tusschen natuurlijke misdrijven en die, welke alleen bestaan krachtens eene bepaling van stellig regt, welke laatste niet per se strafbaar zouden zijn, maar alleen wanneer de dader, na ingesteld onderzoek en bij gewoon doorzigt van zaken, had kunnen weten, dat er eene straf bepaling omtrent het door hem gepleegde feit bestond;

0. echter, dat zoodanig onderscheid, hoe wenschelijk ook in Lege constituenda, in het tegenwoordige Strafwetboek ten eenemale gemist wordt, en dus door den regter niet mag aangenomen worden;

O. voorts, dat, al zoodanig onderscheid als op de wet gegrond aannemende, de beklaagden in casu, na onderzoek, zeer goed hadden kunnen weten, dat aan slooten, langs openbare wegen gelegen , geene belemmeringen mogen worden in den weg gelegd;

<J., dat al evenmin hunne toerekenbaarheid in deze wordt opgeheven , omdat zij gehandeld hebben op last van den eigenaar der sloot, daar die omstandigheid hun vermogen om te weten te komen, of de gepleegde handeling zonder verkregen vergunning was strafbaar, evenmin uitsloot, als wanneer zij zelve eigenaars waren geweest van die

sloot, in welk laatste geval toch zeker geene sprake geweest zoude zijn van niet-toerekenbaarheid van het feit , terwijl bovendien juist menschen van den stand der beklaagden, op heide en in ver uitgestrekte landelijke gemeenten, veeltijds hunne woningen en gronden hebben aan en bij dergelijke wegen;

0., dat echter die omstandigheid, dat de beklaagden in deze op last en voor een ander handelden, hen wel konde doen veronderstellen, dat hun meester de vereischte vergunning zoude hebben verkregen , doch dat zulks niet wegnam hunne verpligting om zich daarvan te vergewissen , zoo zij zich van overtreding wenschten te vrij waren ; en dat derhalve die omstandigheid alleen in aanmerking kan komen bij de mate van de op te leggen straf, en zelfs als verzachting zoude behooren te worden aangemerkt, zoo den regter de bevoegdheid ware gegeven, te gaan beneden het minimum der gestelde straf;

0., dat al evenmin gezegd kan worden in deze sprake te zijn van een slechts voorwaardelijk strafbaar feit, gelijk door of namens de beklaagden is beweerd, daar integendeel het beletselen leggen in slooten langs openbare wegen onvoorwaardelijk is verboden , maar slechts voorwaardelijk en bij uitzondering veroorloofd, als men namelijk eene vergunning bekomen heeft van het betrokken Gemeentebestuur;

O., dat derhalve wel degene, die last gegeven heeft tot zoodanig feit, is te beschouwen als de auctor intellectualis, maar evenzeer hij, die zulks feitelijk heeft gepleegd, als de strafbare auctor physicus;

0. toch, dat het met-weten van het gemis der vereischte toestemming (welk negatief feit bovendien onbewijsbaar moet worden geacht, als in 's menschen ziel besloten) den feitelijken dader niet als bloot werktuig kan doen beschouwen, zoo hij overigens het vrije gebruik heeft gehad van zijn denkvermogen en uit vrijen wil heeft kunnen handelen ;

Na beraadslaagd te hebben overeenkomstig art. 206 Strafvord.;

Regt doende enz.,

Verklaart, dat het wettig en overtuigend is bewezen, dat de vier beklaagden zich te zamen hebben schuldig gemaakt aan het feit, hun bij acte van dagvaarding ten laste gelegd ;

Verklaart, dat zulks daarstelt het gezamenlijk, zonder schriftelijke toestemming van het betrokken Bestuur, door demping beletselen leggen in eene sloot, liggende langs de zoogenaamde Ambachtsstraat, zijnde een openbare , op den legger A der gemeente lirummen voorkomende weg, strafbaar gesteld bij art. 44, pr. en al. 8, en art. 46, princ. en al. 10, van het reglement op de wegen enz. in de provincie Gelderland, goedgekeurd bij Kon. besluit van 8 Dec. 1857, n". 60, afgekondigd bij besluit van Gedeputeerde Staten der provincie Gelderland dd. 16 Dec. 1856, n '. 55, en art. 1 der wet van 22 April 1864 (Stbl. n". 29; ;

Gezien mitsdien die artikelen , luidende enz.;

Mede gezien de artt. 52 en 55 Strafregt, en de artt. 207 en 2 16 Strafvord. ;

Veroordeelt ter zake voorschreven de beklaagden W. Grootliedde , F. Put, E. Gietelink en C. liierhof ieder tot eene geldboete van ƒ 1 ;

Bepaalt, dat die boete, zoo de veroordeelden haar niet betalen binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, vervangen zal worden door gevangenis-straf van één dag voor ieder hunner;

Veroordeelt eindelijk de beklaagden solidair in de kosten der procedure ten behoeve van den Staat, deze kosten des noods bij lijfsdwang op de beklaagden te verhalen, geliquideerd tot de som van f 17.53.

AHRONDISSEMENTS-REGTBANK TE AMSTERDAM. liifHier van Vacantie

Zitting van den 7 Julij IS68.

Voorzitter, Mr. C. F. Gulcher.

Berekening van verdiend loon. — Weekdag. — Dienst- en

werkboden. schriftelijke huur-overeenkomst. —

Opzigter. — Wegzending. — Ontslag. — Erkentenis. — Grondkn.

Eene berekening van verdiend loon, tot de ongerijmde uitkomst leidende, dat de bediende aan zijn plaatsvervanger meer zoude hebben uitbetaald dan hij zelf ontving, mag in regten niet worden aangenomen , zoolang de zaak eene meer rationele oplossing toelaat.

Bij de erkentenis eener vordering is het onverschillig, uit welke gronden de gedaagde zijne schuldpligtigheid afleidt, indien zulks niet van invloed is op het te bewijzen feit, en moet dit derhalve als erkend worden aangenomen.

Die als werkman in vaste dienst is , moet beschouwd worden als werkbode in den zin van art. 1639 B. IV.

Indien tusschen den meester en den dienst- of werkbode het ontslag bij schriftelijke huur-overeenkomst is geregeld, op eene wijze, in strijd met art. 16.39 B. W., kan de dienstbode niet zonder eenige reden worden weggezonden.

Indien het ontslag is bedreigd voor hetgeen de opzigter daartoe voldoende zal achten , behoeft de meester slechts dan , ivanneer hij zich, ten aanzien der wettigheid van het verleende ontslag, niet op de verklaring van den opzigter kan beroepen, de door hem als oorzaak van dat ontslag geposeerde feiten bewijzen.

Paul van Vlissingen en Dudok van Heel, appellanten , procureur

Mr. E. J. Asser ,

tegen

F. Ferry, geïntimeerde, procureur H. P. Loggere.

De Regtbank enz.,

Overwegende in fact.o:

dat de oorspronkelijke vordering des geïntimeerden strekt tot betaling van 1' pd. st. iri N. C. , zijnde het door hem als stocktaker, piler en cutterdown, in de fabriek der appellanten verdiend loon van den 2 tot den 14Dec. 1867, en zulks op grond, dat hij den 12 April 1867 , voor den tijd van drie jaren , door hen als zoodanig was in dienst genomen , tegen een loon van 3 sh. per ton , waarvan hij de hem assisterende personen had te voldoen;

dat de appellanten hem sedert de maand December, zonder het minste regt, belet hebben zijn werk te verrigten ; dat het minimum van hetgeen hij netto eiken werkdag verdiende , was 1 pd. st. , en dat het een feit was, dat in de voormelde weken telkens zes werkdagen achtereen is gearbeid ;

dat de regter a quo, bij geregistreerd vonnis van den 24.Jan. 1868, aannemende, dat, wat er ook ware van de wettigheid van het verleend ontslag , in allen gevalle, volgens de gemaakte overeenkomst, nog loon over twee weken betaald moest worden , om tot de begrooting daarvan te geraken, aan de appellanten heeft gelast, hunne boeken, inhoudende de betaling der werklieden, open te leggen, ten einde daaruit zoude blijken , hoeveel de geïnt. gemiddeld van de appellanten ontving; en aan den geïnt. heeft opgelegd om door getuigen te bewijzen, dat hij (zoo als door hem was opgegeven) aan zijne handlangers (of underhands) gemiddeld f 12 voor iederen dag betaalde;

dat de bevolen openlegging van boeken heeft plaats gehad ter teregtzitting van den kantonregter van den 7 Febr. 1868, en daaruit gebleken is, dat aan den geïnt. voor werkloon over een-en-twintig weken , van

| den '2 Mei tot den 26 Sept. 1867, was uitbetaald de som van /'1372.^ 3 i terwijl het aan den anderen kant bevolen getuigenverhoor geen plaat I heeft gehad, omdat de appellanten vóór den aanvang daarvan verltlaan hebben het door den geïnt. gestelde bedrag te erkennen ;

dat de appellanten daarop, van de aldus verkregene sommen c vijf minste weken aftrekkende, tot het resultaat zijn gekomen, t'a de geïnt. in de andere gemiddeld ƒ 5.69 verdiend had en hem vooi die beide weken, waarover het geding loopt, hebben aangeboden ƒ11.38; terwijl de geïnt., aanvoerende, dat men, de wijze van beiekening der appellanten over alle weken volgende, tot het resultaat zoude komen , dat hij j 10.80 per dag verdiend en ƒ 12 uitgegeven had,— heeft beweerd: dat de benaming van werkdag hier moest worden opgevat in den zin van eenen vollen arbeidsdag, waarin van 1 tot 20 ton afgeleverd wordt; dat zijne vordering op ruim 12 ton daags gegrond is , terwijl volgens de berekening der appellanten siècle 6 ton zoude afgewerkt zijn ; dat hij dus vordert, dat zij de berekening op dien voet maken of wel ten opzigte daarvan hunne boeken openleggen , terwijl hij zelf aanbood te bewijzen, dat in de maant September niet meer dan tien tot tien en een vierde volle werkdagen gewerkt is;

dat inmiddels de appellanten tegen den geïnt. eene vordering hadden ingesteld tot betaling van ƒ 188.61 (doch, gelijk die later tel teregtzitting des kantonregters gewijzigd is, van /' 188.15), per saldo van afrekening voor diverse voorschotten, door hem en zijnen voor* maligen handlanger H. Wilshan van hen genoten, en, toen de geïntdaartegeu onder meer had aangevoerd, dat hij voor de aan Wilsban gegeven voorschotten niet verantwoordelijk was en hem weggezonden heeft, omdat hij zijn werk niet goed verrigtte,— hebben verzocht, dat de geïnt. te dier zake op twee in het vonnis a quo vermelde vraagpunten zoude worden gehoord :

dat de geïnt. voorts ten dienende dage daartegen heeft ingesteld twee reconventionnele vorderingen, en wel eene tot betaling van./ voor eene maand loon, hem als boekhouder of klerk ten kantore der appellanten verschuldigd, en eene tot betaling van J 576 voor het loon, hem als stocktaker, piler en cutter down toekomende over de acht weken, verloopen sedert den 16 Dec. tot den 8 Febr. 11., naar den hierboven vermelden maatstaf berekend op ƒ 72 voor iedere week;

dat de appellanten ten aanzien van de eerste vordering hebben verlangd, dat de geïnt. zoude bewijzen, dat hij op den tijd, voor welke11 hij loon vordert, nog in dienst was, en dat hij klerk voor een 1°011 van ƒ 75 's maands was, waarop de geïnt. hun den eed ten aaneen van deze punten heeft opgedragen :

dat zij tegen de tweede vordering hebben aangevoerd , dat de gein1' daarop geen regt kan hebben, daar hij op den 2 Dec. 1867 door he0 is ontslagen , en het onderzoek naar de wettigheid van dat ontsla» door de tusschen hen bestaande overeenkomst is uitgesloten, ofschoo'1 zij te gelijkertijd eenige feiten hebben opgegeven , die tot dat ontslag aanleiding gegeven hebben;

dat de geïnt., bewerende, dat het ontslag volgens de overeenkoms alleen door den manager T. Perry Sr., aldus zonder redenen ge' geven had kunnen worden , heeft verzocht, tot bewijs van al hetgeen tot bepaling van het cijfer noodig geacht zoude worden , toegelaten te worden , daartoe openlegging van de boeken der appellanten , aan welke hij zich gedragen wil, vorderende en zijnerzijds bewijs doof getuigen aanbiedende;

dat, nadat al de voormelde zaken gevoegd waren, de regter bij het vonnis, waarvan thans is geappelleerd, heeft gelast:

1p. in de eerste en vierde zaak, dat de oorspronkelijke eischer alsnog zoude bewijzen het aantal uren, welke in de pletterij der oorspronkelijke gedaagden , voor het aan hem in de een-en-twintig weken? gedurende welke hij in de voormelde betrekking in hare dienst werkzaam was , verrigte werk besteed zijn , alsmede welk loon hij voor denzelfden tijd aan de manschappen, die hem in zijne werkzaamheden bijstonden , betaald heeft;

2°. in de tweede zaak, dat de oorspronkelijke eischer op de door de gedaagden ten aanzien hunner vordering gestelde vraagpunten ge" hoord worde;

3". in de derde zaak, dat de onderscheidene leden van de firnia Paul van Vlissingen en Dudok van Heel den hun opgedragen eet zouden afleggen ;

4'j. in de laatste zaak, dat de gedaagden de feiten , door haar gesteld , als oorzaak van het aan den oorspronkelijken eischer gegeven ontslag, door getuigen zouden bewijzen en zouden openleggen hun116 boeken, inhoudende de uren tot het door den oorspronkelijken eischei» in zijne betrekking van stocktaker, piler en cutterdown , in de pletterD der gedaagden , gedurende de voormelde een-en-twintig weken vei" rigte werk;

dat de oorspronkelijke gedaagden daartegen zijn gekomen in hoogel j beroep en bij hunne conclusie hebben aangevoerd, dat de oorsprong' lij ke vordering had moeten worden afgewezen, daarvan beide kante11 het bij geregistreerd interlocutoir vonnis van den 24 Jan. 1868 bevolel1 bewijs was geleverd en daaruit bleek, dat deu eischer naar den dool' hem zelf gekozen maatstaf niets toekwam, terwijl het niet geoorloofd hierop thans terug te komen ; dat zij , wat de tweede zaak aangaat in de uitspraaK. des kantonregters berusten ;

dat zij in de derde zaak bereid zijn , de gevorderde ƒ 75 , welke zij erkennen krachtens art. 1639 li. W. verschuldigd te zijn, el1 waarvan het bedrag door hen niet wordt wedersproken , te voldoen > waardoor het afleggen van den eed onnoodig wordt; dat, wat tl(/ vierde zaak betreft, zij nooit verpligt konden worden de wettigheid van het verleend ontslag te bewijzen, daar het contract inhield, dat zij den geïnt. uit hunne dienst mogten ontslaan, ingeval daarvoor eene, naa het oordeel van den opzigter van het werk, voldoende reden bestond > en zij hem op den 2 Dec. 1867, op voordragt van den toenmalig011 opzigter, den heer Brouwer Ancher, hebben ontslagen , uit hoofde hij zijne pligten niet behoorlijk heeft vervuld en de belangen de' fabriek verwaarloosd; .

dat de kantonregter, zonder den uitslag van dit bewijs af te wac'1' ten, niet te gelijkertijd den geïnt. had mogen toestaan om te bewijzen» dat de door hem aangenomen maatstaf van berekening voor het l00'1 juist is ; dat zij echter, om alle Verdere procedures te voorkomen» aanbieden zes weken loon, overeenkomstig art. 1639 B. W.> q berekenen naar den maatstaf van des eischers vordering , op ƒ '" per week ;

dat zij mitsdien hebben geconcludeerd, dat de Regtbank , met te niet-doening van het appel, tevens te niet doe het gemelde vonnj^ voor zooverre daarvan is geappelleerd, en voorts , de zaak aan trekkende, daarin , hetzij bij hetzelfde of bij een later vonnis , principale uitspraak doe en wel de eerste vordering ontzegge , tweede, des noods na gehouden verhoor op vraagpunten of atid bewijs, toewijze, de derde toewij ze, behoudens compensatie met & aan de appellanten uit de evengemelde vordering competerende, L in de vierde den geïnt. niet-ontvankelijk verklare, immers hem 1 ^ ontzegge ; wijders aan de appellanten acte verleene van het hierbov vermelde door hem gedaan aanbod en van de daarbij gemaakte rese ves en verklare , dat zij met de praestatie van dat aanbod kui>lic volstaan , alles met veroordeeling van den geïnt. in de kosten; .

dat de geïnt. daarop heeft geantwoord : dat, wat de eerste vordering aangaat, het vroeger geleverde bewijs tot een absurd resultaat ^ geleid , gesproten uit eene verkeerde opvatting van het woord We ^ dag, en dus een nieuw onderzoek noodig was ; dat hij het aan > van ƒ 75 niet kan aannemen , wanneer daaraan is verbonden de 'j voeging, dat zij betaald worden krachtens art. 1639 B. W.; dat

Sluiten